Electieve inductie

Initiatief: NVOG Aantal modules: 2

Startpagina - Electieve inductie

Waar gaat deze richtlijn over?

De definitie van inductie is het proces van artificieel stimuleren van de uterus om de baring op gang te brengen, ofwel inleiden. Over de laatste jaren is het aantal inleidingen toegenomen: ongeveer één op de vier bevallingen in de westerse wereld wordt ingeleid. De laatste jaren is er voor verschillende indicaties het advies gekomen om in te leiden, indien het risico in geval van wachten op spontane weeën voor moeder en/of kind groter is dan het risico van inleiden. Er zijn over de afgelopen jaren veel randomised controlled trials (RCT’s) verricht naar inleiding bij specifieke indicaties zoals pre-eclampsie, groeivertraging, macrosomie, Amenorroeduur (AD) >41 weken, die gelijkwaardige of betere maternale en neonatale uitkomsten laten zien bij inleiden. Echter, een inleiding is ook mogelijk als er geen specifieke medische indicatie bestaat, maar als hier een vraag van de zwangere ligt. Het effect en de risico’s van electief inleiden bij een aterme zwangerschap met een kind in hoofdligging op de maternale en neonatale mortaliteit en morbiditeit zijn niet duidelijk. Daarom is betreffende uitgangsvraag geformuleerd.


Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor zwangeren.

Voor patiënten

Klik hier voor de consultkaart.

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). Deze module is in samenwerking tussen de NVOG en de KNOV (Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen) ontstaan.

Volgende:
Electieve inductie van de baring bij aterme zwangeren