Waarde weeënremming
Uitgangsvraag
Wat is de waarde van weeënremming (gedurende 48 uur om corticosteroïden te laten inwerken) bij een zwangere vrouw met een dreigende vroeggeboorte op de neonatale uitkomsten?
Aanbeveling
Overweeg het geven van tocolyse gedurende 48 uur aan een zwangere vrouw met een dreigende vroeggeboorte <30 weken.
Geef niet standaard tocolyse aan een zwangere vrouw met een dreigende vroeggeboorte ≥ 30 en < 34 weken. Overweeg tocolyse indien kortdurende uitstel van de baring duidelijke meerwaard heeft zoals bij transport van de zwangere.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs
Toelichting literatuursearch en afbakening module
In de literatuuranalyse werd onderzocht wat de waarde is van weeënremming (48 uur om corticosteroïden te laten inwerken) bij een zwangere vrouw met een dreigende vroeggeboorte tussen de 24 en 34 weken. Eén netwerk meta-analyse (Wilson, 2022) en één RCT (Van der Windt, 2025) werden gebruikt voor de literatuuranalyse. Het doel van de netwerk meta-analyse van Wilson was het inschatten van de effectiviteit en veiligheid van de verschillende groepen tocolytica, en een rangschikking daarvan maken. Binnen deze netwerk meta-analyse werden 4 studies gevonden die aan de PICO voldeden. Alleen de middelen die in Nederland gebruikt worden zijn meegenomen in de analyse (nifedipine en atosiban). De directe vergelijkingen tussen deze middelen met een placebo zijn beschreven in de literatuuranalyse.
In de RCT van Van de Windt (2025) werden de neonatale uitkomsten gerapporteerd na tocolyse door middel van atosiban en na placebo in een populatie zwangeren met een dreigende vroeggeboorte tussen de 30 en 34 weken. In deze studie is om pragmatische redenen gekozen voor inclusie van zwangeren met een dreigende vroeggeboorte tussen de 30 en 34 weken omdat draagvlak voor inclusie onder de 30 weken, door de onderzoekers, laag werd ingeschat.
Maternale uitkomsten bij de verschillende weeënremmers, zoals bijvoorbeeld hypotensie, zijn niet in deze module meegenomen. In module ‘Voorkeur middel weeënremming’ zijn deze maternale uitkomsten wel beschreven voor de vergelijking atosiban versus nifedipine.
Ook wordt in deze module geen middel van voorkeur voor tocolyse benoemd; hiervoor wordt verwezen naar module ‘Voorkeur middel weeënremming’ van deze richtlijn.
Voor het beantwoorden van de PICO zijn de vergelijkingen atosiban vs placebo en nifedipine vs placebo van belang:
Atosiban versus placebo
Wilson (2022) includeerde één studie die voldeed aan de PICO over de vergelijking tussen atosiban en placebo (Romero, 2000). Daarnaast werd de APOSTEL-8 studie meegenomen (Van der Windt 2025).
Kwaliteit van het bewijs
De bewijskracht voor de cruciale uitkomstmaat ‘perinatale mortaliteit’ was zeer laag vanwege indirectheid in de studiepopulatie en een grote spreiding in de richting van het effect. Voor de cruciale uitkomstmaat ‘overleving zonder neurologische ontwikkelingsstoornissen’ werd geen bewijs gevonden. Ook is er geen klinisch relevant effect gevonden op de belangrijke uitkomstmaten.
Overwegingen en beperkingen van de studies
Het antepartum geven van corticosteroïden was niet vereist volgens het studieprotocol van Romero (2000) omdat dit beleid in een deel van de studieperiode nog niet standaard was. Het studiecenrum bepaalde zelf of corticosteroïden werden toegediend. Het percentage vrouwen dat corticosteroïden kreeg, was 46% in de atosiban groep en 51% in de placebogroep. Dit wijkt af van de huidige Nederlandse praktijk, waar het antepartum toedienen van corticosteroïden bij een dreigende vroeggeboorte standaard is en bijdraagt aan een duidelijk lagere neonatale morbiditeit en mortaliteit dan in de studie van Romero. Deze beperking heeft geen invloed op de conclusies of aanbevelingen van deze richtlijn.
De RCT van Van der Windt (APOSTEL 8) is de enige gevonden gerandomiseerde studie bij vrouwen met een dreigende vroeggeboorte < 34 weken volgens het huidige Nederlandse beleid: toedienen van corticosteroïden, tocolyse (of placebo in de studie) en overplaatsing indien van toepassing.
De studie kent een aantal beperkingen waarbij het onduidelijk zal blijven of deze de uitkomsten hebben beinvloed.
Zo werd het toegestaan dat zwangeren die moesten worden overgeplaatst naar een NICU centrum en tocolyse kregen voor transport, alsnog werden geincludeerd in de studie. Dit was het geval in 22% in de atosiban groep en 19% in de placebo groep (communicatie met auteurs). Exclusie van deze casus, waarbij een mogelijk effect van de tocolyse niet uitgesloten kan worden, had mogelijk tot andere uitkomsten geleid.
Gedurende de looptijd van de APOSTEL 8 studie is de poweranalyse bijgesteld op basis van nieuwe evidentie, hierdoor zijn minder casussen geïncludeerd (n=755) dan oorspronkelijk berekend (n=1517). De basis karakteristieken zijn desondanks volgens de auteurs statistisch gezien gelijk verdeeld maar een subgroepanalyse is door de kleinere aantallen in de studie niet mogelijk. Zo blijft het onduidelijk of tocolyse voor subgroepen (meerlingen, eenlingen met staande vliezen) toch een gunstig effect op de neonatale uitkomst zou kunnen hebben.
In de tocolyse groep in de APOSTEL 8 studie werd geen verbetering van de neonatale uitkomst gezien (8% adverse outcome in de atosiban groep versus 9% in de placebo groep).
Er werd echter wel een significante verlenging van de zwangerschapsduur met 48 uur gevonden in de atosiban groep (minder vrouwen bevielen binnen die periode doordat de baring doorzette; 23% versus 30% in de placebo groep) waardoor in deze groep ook meer casus een volledige kuur van 2 giften corticosteroïden voltooiden (2 giften bij 76% in de atosiban groep versus 68% in de placebo groep). Dit resulteerde niet in een gunstigere neonatale uitkomst. Mogelijk omdat bijna alle vrouwen in de studie (98%) tenminste 1 gift corticosteroïden kregen en de uiteindelijke zwangerschapsduur bij geboorte in beide groepen niet verschilde. Dit suggereert dat één enkele gift corticosteroïden mogelijk voldoende is om de neonatale uitkomst te verbeteren bij deze zwangerschapsduur, al is daarvoor geen bewijs. De antenatale toediening van corticosteroïden verbetert de neonatale uitkomst bij vroeggeboortes maar de optimale dosering en timing zijn niet onderbouwd met klinische studies.
Concluderend laat de APOSTEL-8 studie welliswaar geen verbetering van de neonatale uitkomsten zien indien tocolyse wordt gegeven bij een dreigende vroeggeboorte bij 30 tot 34 weken AD, maar de tekortkomingen in de studie maken dat er geen harde aanbevelingen op kunnen worden gebaseerd. Vooral of tocolyse in subgroepen, zoals eenlingen met staande vliezen, toch een positief effect zou kunnen hebben, blijft onduidelijk.
Nifedipine versus placebo
Wilson (2022) includeerde drie studies die voldeden aan de PICO over de vergelijking tussen nifedipine en placebo (Hawkins, 2021; Nijman, 2016; Vis, 2014).
Beperkingen van de studies
De populaties in de geïncludeerde studies, hoewel passend bij de opgestelde PICO, maken de studies van zeer beperkte waarde voor het beantwoorden van de uitgangsvraag:
Nijman (2016) includeerde alleen vrouwen met prematuur gebroken vliezen zonder contracties . Hoewel prematuur gebroken vliezen een goede voorspeller zijn voor een aanstaande vroeggeboorte, wordt in Nederland bij het afwezig zijn van weeën vaak geen tocolyse gegeven.
Vis (2014) includeerde zwangeren met een lage vooraf kans op vroeggeboorte (verkorte cervix met staande vliezen maar een negatieve fibronectinetest). In Nederland wordt bij een negatieve fibronectinetest in het algemeen niet geremd (zie module prognostische factoren) omdat de voorafkans op een vroeggeboorte als zeer laag wordt ingeschat.
Dit maakt dat de uitkomsten van deze beide studies niet toepasbaar zijn op de Nederlandse praktijk.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun verzorgers)
Bij de patiënt met een dreigende vroeggeboorte kan er een voorkeur bestaan om te starten met weeënremming. Deze voorkeur komt vaak voort uit de angst voor een vroeggeboorte en de verwachting dat weeënremming de baring kan uitstellen en daarmee de uitkomsten voor het kind zal verbeteren. Er is echter geen literatuur gevonden die aantoont dat tocolyse daadwerkelijk leidt tot betere neonatale uitkomsten. Daarom is het van belang om patiënten goed voor te lichten over de overweging om al dan niet te remmen, en het belang van tijdige toediening van antenatale corticosteroïden (zie modules ‘Eerste kuur corticosteroïden’ en ‘Tweede kuur corticosteroïden’ over de werking van corticosteroïden). Het doormaken van een vroeggeboorte kan veel angst en spanning oproepen, maar ook het blijven afwachten of het actief proberen te remmen van de baring kan emotioneel belastend zijn voor de patiënt. Hoewel sommige patiënten dus een duidelijke voorkeur kunnen hebben voor het inzetten van weeënremming, is het belangrijk om samen kritisch te blijven kijken naar de verwachte meerwaarde van de interventie en de mogelijke bijwerkingen ervan, met aandacht voor zowel de medische situatie als de persoonlijke beleving van de patiënt, en met het gezamenlijke doel om de best mogelijke uitkomst te bereiken voor zowel moeder als kind.
Kosten (middelenbeslag)
Atosiban en nifedipine zijn geen dure geneesmiddelen. Het niet toedienen van deze medicatie bespaart desondanks in de kosten.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
In Nederland is tot nu toe het geven van tocolytica bij een dreigende vroeggeboorte onder de 34 weken een aanbeveling in de richtlijnen en gangbaar beleid. De werkgroep adviseert nu om dit niet meer standaard te doen bij een zwangerschapsduur > 30 weken. Omdat dit anders is dan het huidige gangbare beleid en behandelaars en patiënten zich bewust zijn van de gevolgen van prematuriteit kan deze aanbeveling op weerstand stuiten, immers een behandeling geven is in het algemeen aanvaardbaarder dan ‘niets doen’. Echter antenataal toedienen van (tenminste 1 gift) corticosteroïden en geboorte in een centrum met optimale opvang voor de prematuur, zijn interventies die de uitkomst van de premature neonaat aangetoond verbeteren. De aanbeveling geeft ruimte om deze interventies uit te voeren. Goede voorlichting en afstemming van het beleid rond vroeggeboorte met NICU centra, zal de implementatie ten goede komen.
Daarnaast heeft een groot aantal centra in Nederland geparticipeerd in de APOSTEL 8 studie waarin het beleid zoals in de aanbeveling wordt gegeven, standaard was. Hierdoor zullen reeds afspraken met NICU centra bestaan.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Tocolyse verlengt de zwangerschapsduur, waardoor in de eerdere richtlijn werd aanbevolen tocolyse te geven bij een dreigende vroeggeboorte tot 34 weken (verlenging zwangerschapsduur was de uitkomstmaat, niet neonatale uitkomst). Voor deze richtlijnmodule is de neonatale uitkomst gekozen als belangrijkste uitkomstmaat.
De literatuursearch voor deze richtlijnmodule heeft geen studies opgelevert waarin verbetering van de neonatale uitkomst wordt aangetoond (Haas,2009; Wilson, 2022; Van der Windt, 2025).
Daarom is de werkgroep van mening dat tocolyse niet standaard moet worden gegeven bij een dreigende vroeggeboorte tussen 30 en 34 weken. De werkgroep vond geen bruikbare studies om een uitspraak te kunnen doen voor dreigende vroeggeboortes < 30 weken.
Tocolyse geeft een aangetoonde (korte) verlenging van de zwangerschapsduur hetgeen van belang kan zijn voor het toedienen van tenminste 1 gift corticosteroïden of transport van de zwangere. Daarom kan remming in voorkomende gevallen toch van belang zijn, mits het ook veilig voor moeder en kind is om de baring uit te stellen.
Onderbouwing
Achtergrond
The current guideline recommends that in case of a threatened preterm birth < 34+0 weeks where delivery is expected within 2-10 days, tocolysis should be applied to allow prenatal corticosteroids to take effect. While the benefits of corticosteroids has been extensively demonstrated, there is no evidence supporting the added value of tocolysis.
Conclusies / Summary of Findings
Atosiban
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of atosiban on perinatal mortality when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Romero, 2000; Van der Windt, 2025 |
|
Low GRADE |
The evidence suggests that atosiban results in little to no difference in composite outcome of neonatal morbidity and mortality when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Source: Van der Windt, 2025 |
|
Low GRADE |
The evidence suggests that atosiban results in little to no difference in respiratory distress syndrome when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Romero, 2000; Van der Windt, 2025 |
|
Low GRADE |
The evidence suggests that atosiban results in little to no difference in neonatal sepsis when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Source: Van der Windt, 2025 |
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of atosiban on necrotizing enterocolitis when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Romero, 2000; Van der Windt, 2025 |
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of atosiban on intraventricular haemorrhage when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Romero, 2000; Van der Windt, 2025 |
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of atosiban on periventricular leukomalacia when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Source: Van der Windt, 2025 |
|
Moderate GRADE |
Atosiban likely results in little to no difference in gestational age at birth when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Source: Van der Windt, 2025 |
|
No GRADE |
No evidence was found regarding the effect of atosiban on survival without neurodevelopmental impairment when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks. |
Nifedipine
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of nifedipine on perinatal mortality when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Hawkins, 2021; Nijman, 2016; Vis, 2014 |
|
Very low |
The evidence is very uncertain about the effect of nifedipine on composite outcome of neonatal morbidity and mortality, neonatal sepsis, necrotizing enterocolitis, intraventricular haemorrhage, periventricular leukomalacia ad gestational age at birth when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Sources: Nijman, 2016; Vis, 2014 |
|
Very low GRADE |
The evidence is very uncertain about the effect of nifedipine on respiratory distress syndrome when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks.
Source: Vis, 2014 |
|
No GRADE |
No evidence was found regarding the effect of nifedipine on survival without neurodevelopmental impairment when compared with placebo in pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks. |
Samenvatting literatuur
Description of studies
Hawkins (2021) performed a randomized, double-blind, placebo-controlled trial to determine the effect of nifedipine in preventing preterm birth. Pregnant women between 28+0 and 33+6 weeks of gestation with a singleton pregnancy, uterine activity, intact membranes and cervical dilation of 2 to 4 cm were included. Exclusion criteria were women with pregnancy-associated hypertension, chronic hypertension that required medication, placental complications such as suspected abruption and placenta previa, chorioamnionitis, fetal death, fetal malformations, and any condition considered a contraindication to the use of tocolytic agents. Besides, women enrolled in a concurrent study involving progesterone therapy for a history of preterm birth were also excluded. In total, 46 women received nifedipine (20 mg orally followed by repeat dose after 90 minutes if contractions persisted; continued every 4 hours for 48 hours) and 42 women received placebo. Groups were comparable at baseline. The outcome of interest was perinatal mortality.
Nijman (2016) performed a double-blinded multicenter randomized placebo-controlled trial to assess the effect of nifedipine in women with PPROM without contractions on perinatal outcomes and prolongation of pregnancy. Pregnant women (≥18 years) between 24+0 and 33+6 weeks of gestation with ruptured membranes without signs of active labor were included. Exclusion criteria were ≥3 contractions per 10 minutes, previous treatment with tocolysis in the last 7 days (tocolysis for <6 h for transportation was allowed), symptoms justifying start of tocolysis, ruptured membranes ≥72 h, signs of chorioamnionitis or intra uterine infection, signs of fetal distress, fetal major congenital anomaly, contraindication for the use of nifedipine and maternal disease as reason for delivery (such as hypertension, HELLP syndrome or preeclampsia). The study was ended earlier due to slow recruitment. In total, 25 women received nifedipine (20 mg orally every 6 hours until start of active labor for a maximum of 18 days or until 34+0 weeks gestation) and 25 women received placebo. Groups were comparable at baseline, except for gestational age at study entry. Women who received nifedipine had a higher gestational age than women who received placebo (median gestational age of 29.9 weeks as compared to 27.0 weeks, respectively). Outcomes of interest were a composite of adverse perinatal outcome (perinatal death, bronchopulmonary dysplasia, periventricular leukomalacia > grade 1, intraventricular haemorrhage > grade 2, necrotizing enterocolitis > stage 1 and culture proven sepsis), perinatal mortality, periventricular leukomalacia, intraventricular haemorrhage, necrotizing enterocolitis and sepsis.
Romero (2000) performed a multicenter, double-blind, placebo-controlled trial to determine the efficacy and safety of atosiban in the treatment of preterm labor. Women between 20 and 33+6 weeks gestation, in preterm labor with intact membranes, a cervical dilatation of ≤3 cm, live fetus(es) and who provided written informed consent were included. Since only a small percent of the participants had a gestational age below 26 weeks (10% for atosiban and 5% for placebo), it was decided to include this study in the literature analysis. Exclusion criteria were fetal or placental abnormalities, fetal distress, suspected chorioamnionitis, maternal indications for delivery, urinary tract infection and overt clinical manifestations of substance abuse. In total, 246 women received atosiban (bolus with 6.75 mg atosiban over 1 minute followed by infusion of 300 mg/min for 3 hours and 100 mg/min for up to 45 hours) and 254 women received placebo. Groups were comparable at baseline, except for gestational age at admission. Women in the atosiban group had a lower gestational age than women in the placebo group (mean gestational age of 31.0 weeks as compared to 30.3 weeks, respectively). Outcomes of interest were perinatal mortality, respiratory distress syndrome, intraventricular haemorrhage and necrotizing enterocolitis.
Van der Windt (2025) performed an international, double-blind, randomized, placebo-controlled, superiority trial (APOSTEL-8) to evaluate whether tocolysis with atosiban is superior to a placebo in reducing neonatal morbidity and mortality. Women aged 18 years or older with a singleton or twin pregnancy and a threatened preterm birth between 30+0 and 33+6 weeks of gestation were included. Exclusion criteria were the inability to provide informed consent, contraindications to tocolysis, prior corticosteroid treatment for threatened preterm birth, signs of fetal distress, evident intrauterine infection (such as fever ≥38°C, fetal tachycardia >160 bpm, uterine pain, purulent fluid, and elevated plasma C-reactive protein or leukocytosis), and known fetal chromosomal or severe structural congenital abnormalities. In total, 377 women received atosiban and 377 women received placebo (0.9% saline). Treatment with atosiban consisted of a bolus injection of 6.75 mg/0.9 mL in 1 minute, followed by 3 hours continuous infusion of 18 mg/h and continuous infusion of 6 mg/h for 45 hours. Groups were comparable at baseline. Outcomes of interest were a composite outcome of adverse neonatal outcomes (including perinatal mortality (stillbirth and death until 28 days postpartum), bronchopulmonary dysplasia, periventricular leukomalacia above grade 1, intraventricular haemorrhage above grade 2, necrotizing enterocolitis above Bell’s stage 1, retinopathy of prematurity above grade 2 or needing laser therapy, and culture-proven sepsis), perinatal mortality, respiratory distress syndrome, neonatal sepsis, necrotizing enterocolitis, intraventricular haemorrhage, periventricular leukomalacia and gestational age at birth.
Vis (2014) performed a randomized controlled trial to assess whether tocolysis with nifedipine can be omitted in women with symptoms of preterm labor, a shortened cervix and negative fetal fibronectin test. Women with a gestational age between 24 and 34 weeks with symptoms of preterm labor, intact membranes, a negative fetal fibronectin test and a cervical length between 10 and 30 mm were included. Exclusion criteria were placenta previa, contraindications to tocolysis such as lethal congenital abnormality, suspected intrauterine infection, ruptured membranes or suspected fetal distress. Besides, women who had been treated with tocolytics in the previous 7 days (except for transport) and contraindications for nifedipine such as maternal cardiovascular disease or hypertension were excluded. In total, 37 women were allocated to oral nifedipine (20 mg four times per day slow release for 48 hours) and 36 women were allocated to placebo. Three women in the nifedipine group and 1 woman in the placebo group did not complete the full 48 hours of study medication. Groups were comparable at baseline except for twin pregnancies, previous preterm birth and referral from peripheral hospitals. Women who received nifedipine had more twin pregnancies (22% versus 11%), more previous preterm delivery (22% versus 11%) and more referral from peripheral hospitals (30% versus 11%) as compared to the placebo group. Outcomes of interest were composite outcome of fetal deaths, neonatal sepsis, bronchopulmonary dysplasia, necrotizing enterocolitis, intraventricular haemorrhage grade ³3 and periventricular leukomalacia grade ³2, perinatal mortality, neonatal sepsis, respiratory distress syndrome, necrotizing enterocolitis, intraventricular haemorrhage, periventricular leukomalacia and gestational age at birth.
Results
Atosiban
1. Perinatal mortality
Two studies reported perinatal mortality (Romero, 2000; Van der Windt, 2025) (Figure 1). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Romero (2000) reported that 11 of the 288 infants (3.8%) whose mother received atosiban died before delivery or up to 28 days after birth as compared to 5 of the 295 infants (1.7%) whose mother received placebo (RR=2.25, 95%CI 0.79 to 6.40).
Van der Windt (2025) reported that 2 of the 449 infants (0.4%) whose mother received atosiban died (stillbirth and death until 28 days postpartum) as compared to 4 of the 435 infants (0.9%) whose mother received placebo (RR=0.48, 95%CI 0.09 to 2.63).
Figure 1. Perinatal mortality for the comparison between atosiban and placebo
2. Composite outcome of neonatal morbidity and mortality
Van der Windt (2025) reported a composite outcome of adverse neonatal outcomes consisting of perinatal mortality (stillbirth and death until 28 days postpartum), bronchopulmonary dysplasia, periventricular leukomalacia above grade 1, intraventricular haemorrhage above grade 2, necrotizing enterocolitis above Bell’s stage 1, retinopathy of prematurity above grade 2 or needing laser therapy, and culture-proven sepsis. Thirty-seven of the 449 infants (8.2%) whose mother received atosiban was positive for this composite outcome as compared to 40 of the 435 infants (9.2%) whose mother received placebo (RR=0.90, 95%CI 0.58 to 1.37).
3. Respiratory distress syndrome (RDS)
Two studies reported respiratory distress syndrome (Romero, 2000; Van der Windt, 2025) (Figure 2). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Romero (2000) reported that 64 of the 283 infants (23%) whose mother received atosiban had RDS as compared to 54 of the 292 infants (18%) whose mother received placebo (RR=1.22, 95%CI 0.89 to 1.69).
Van der Windt (2025) reported that 61 of the 449 infants (13.6%) whose mother received atosiban had infant RDS as compared to 71 of the 435 infants (16.3%) whose mother received placebo (RR=0.83, 95%CI 0.61 to 1.14).
Figure 2. Respiratory distress syndrome for the comparison between atosiban and placebo
4. Neonatal sepsis
Van der Windt (2025) reported that 26 of the 449 infants (5.8%) whose mother received atosiban had culture proven neonatal sepsis as compared to 25 of the 435 infants (5.7%) whose mother received placebo (RR=1.01, 95%CI 0.59 to 1.72).
5. Necrotizing enterocolitis (NEC)
Two studies reported necrotizing enterocolitis (Romero, 2000; Van der Windt, 2025) (Figure 3). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Romero (2000) reported that 1 of the 283 infants (0.4%) whose mother received atosiban had NEC as compared to 5 of the 292 infants (2%) whose mother received placebo (RR=0.21, 95%CI 0.02 to 1.76).
Van der Windt (2025) reported that 2 of the 449 infants (0.4%) whose mother received atosiban had necrotizing enterocolitis >stage 1 as compared to 6 of the 435 infants (1.4%) whose mother received placebo (RR=0.32, 95%CI 0.07 to 1.59).
Figure 3. Necrotizing enterocolitis for the comparison between atosiban and placebo
6. Intraventricular haemorrhage (IVH)
Two studies reported intraventricular haemorrhage (Romero, 2000; Van der Windt, 2025) (Figure 4). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Romero (2000) reported that 16 of the 243 infants (7%) whose mother received atosiban had IVH as compared to 19 of the 246 infants (8%) whose mother received placebo (RR=0.88, 95%CI 0.45 to 1.62).
Van der Windt (2025) reported that 3 of the 449 infants (0.7%) whose mother received atosiban had intraventricular haemorrhage >grade 2 as compared to 6 of the 435 infants (1.4%) whose mother received placebo (RR=0.48, 95%CI 0.12 to 1.92).
Figure 4. Intraventricular haemorrhage for the comparison between atosiban and placebo
7. Periventricular leukomalacia (PVL)
Van der Windt (2025) reported that 8 of the 449 infants (1.8%) whose mother received atosiban had periventricular leukomalacia >grade 1 as compared to 5 of the 435 infants (1.1%) whose mother received placebo (RR=1.55, 95%CI 0.51 to 4.70).
8. Gestational age at birth
Van der Windt (2025) reported the gestational age at birth (table 1).
Table 1. Gestational age at birth for the comparison between atosiban and placebo
|
Gestational age at birth |
Atosiban |
Placebo |
|
|
Between 30+0 and 31+6 weeks |
80/375 (21.3%) |
85/377 (22.5%) |
RR=0.95, 95%CI 0.72 to 1.24 |
|
Between 32+0 and 33+6 weeks |
112/375 (29.9%) |
100/377 (26.5%) |
RR=1.13, 95%CI 0.90 to 1.42 |
|
Between 34+0 and 36+6 weeks |
69/375 (18.4%) |
72/377 (19.1%) |
RR=0.96, 95%CI 0.72 to 1.30 |
|
³37 weeks |
114/375 (30.4%) |
120/377 (31.8%) |
RR=0.96, 95%CI 0.77 to 1.18 |
9. Survival without neurodevelopmental impairment
Not reported.
Level of evidence of the literature
According to GRADE, the level of evidence of randomized controlled trials start high.
The level of evidence regarding the outcome measure perinatal mortality was downgraded to very low because of differences in the direction of the effect and differences in the gestational age of the included patient population (-1, inconsistency) and the low number of events (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure composite outcome of neonatal morbidity and mortality was downgraded to low because of the 95% confidence interval crossed both lines of no (clinically relevant) effect (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure respiratory distress syndrome was downgraded to low because of differences in the direction of the effect and differences in the gestational age of the included patient population (-2, inconsistency).
The level of evidence regarding the outcome measure neonatal sepsis was downgraded to low because of the 95% confidence interval crossed both lines of no (clinically relevant) effect (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure necrotizing enterocolitis was downgraded to very low because of differences in the gestational age of the included patient population (-1, inconsistency) and the low number of events (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure intraventricular haemorrhage was downgraded to very low because of differences in the gestational age of the included patient population (-1, inconsistency) and the low number of events (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure periventricular leukomalacia was downgraded to very low because of the low number of events and the 95% confidence interval crossed both lines of no (clinically relevant) effect (-3, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure gestational age at birth was downgraded to moderate because of the 95% confidence interval crossed the line of no (clinically relevant) effect (-1, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure survival without neurodevelopmental impairment was not reported and therefore could not be assessed with GRADE.
Nifedipine
1. Perinatal mortality
Three studies reported perinatal mortality (Hawkins, 2021; Nijman, 2016; Vis, 2014) (Figure 5). Results were not pooled because of heterogeneity between studies.
Hawkins (2021) reported that no stillbirth or neonatal death occurred in women who received either nifedipine or placebo.
Nijman (2016) reported perinatal mortality. Two of the 27 infants (7.4%) whose mother received nifedipine died, while no deaths occurred in infants whose mother received placebo (RR=5.18, 95%CI 0.26 to 103.15).
Vis (2014) reported fetal deaths. Two of the 37 women (5.4%) who received nifedipine had a fetal death, while no fetal deaths occurred in women who received placebo (RR=4.18, 95%CI 0.24 to 98.02).
Figure 5. Perinatal mortality for the comparison between nifedipine and placebo
2. Composite outcome of neonatal morbidity and mortality
Two studies reported a composite outcome of neonatal morbidity and mortality (Nijman, 2016; Vis, 2014) (Figure 6). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies and because of heterogeneity between the studies.
Nijman (2016) reported a composite of adverse perinatal outcome consisting of perinatal death, bronchopulmonary dysplasia, periventricular leukomalacia > grade 1, intraventricular haemorrhage > grade 2, necrotizing enterocolitis > stage 1 and culture proven sepsis. Nine of the 27 infants (33.3%) whose mother received nifedipine was positive for this composite outcome as compared to 9 of the 28 infants (32.1%) whose mother received placebo (RR=1.04, 95%CI 0.49 to 2.21).
Vis (2014) reported a composite of adverse neonatal outcome consisting of fetal deaths, neonatal sepsis, bronchopulmonary dysplasia, necrotizing enterocolitis, intraventricular haemorrhage grade ≥3, periventricular leukomalacia grade ≥2. Three of the 37 women (8.1%) who received nifedipine had an infant who was positive for this composite outcome, while no infants whose mother received placebo were positive (RR=6.82, 95%CI 0.36 to 8.29).
Figure 6. Composite outcome of neonatal morbidity and mortality for the comparison between nifedipine and placebo
3. Respiratory distress syndrome (RDS)
Vis (2014) reported that 2 of the 36 women (5.6%) who received nifedipine had an infant with RDS, while this did not occur in infants whose mother received placebo (RR=5.00, 95%CI 0.25 to 100.63).
4. Neonatal sepsis
Two studies reported neonatal sepsis (Nijman, 2016; Vis, 2014) (Figure 7). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Nijman (2016) reported that 6 of the 27 infants (22.2%) whose mother received nifedipine had neonatal sepsis as compared to 7 of the 28 infants (25%) whose mother received placebo (RR=0.89, 95%CI 0.34 to 2.31).
Vis (2014) reported that 1 of the 37 women (2.7%) who received nifedipine had an infant with neonatal sepsis, while this did not occur in infants whose mother received placebo (RR=2.92, 95%CI 0.12 to 69.43).
Figure 7. Neonatal sepsis for the comparison between nifedipine and placebo
5. Necrotizing enterocolitis (NEC)
Two studies reported necrotizing enterocolitis (Nijman, 2016; Vis, 2014) (Figure 8). These data were not pooled as the agreement is to start pooling when including at least three studies.
Nijman (2016) reported that 3 of the 27 infants (11.1%) whose mother received nifedipine had NEC, while this did not occur in infants whose mother received placebo (RR=7.25, 95%CI 0.39 to 134.07).
Vis (2014) reported that 2 of the 37 women (5.4%) who received nifedipine had an infant with NEC, while this did not occur in infants whose mother received placebo (RR=4.87, 95%CI 0.24 to 98.02).
Figure 8. Necrotizing enterocolitis for the comparison between nifedipine and placebo
6. Intraventricular haemorrhage (IVH)
Nijman (2016) reported that 1 of the 27 infants (3.7%) whose mother received nifedipine had IVH > grade 2, while this did not occur in infants whose mother received placebo (RR=3.11, 95%CI 0.13 to 73.11).
Vis (2014) reported that women who either received nifedipine or placebo did not have an infant with IVH grade ≥ 3.
7. Periventricular leukomalacia (PVL)
Nijman (2016) reported that no PVL >grade 1 occurred in infants whose mother received either nifedipine or placebo.
Vis (2014) reported that women who either received nifedipine or placebo did not have an infant with IVH grade ≥ 2.
8. Gestational age at birth
Nijman (2016) reported that infants whose mother received nifedipine were born at a median gestational age of 32.0 weeks (IQR=29.1 to 33.3 weeks) as compared to 30.0 weeks (IQR=26.3 to 32.1 weeks).
Vis (2014) reported that infants whose mother received nifedipine were born at a median gestational age of 37+0 weeks (IQR=34+6 to 38+5 weeks) as compared to 38+2 weeks (IQR=37+0 to 39+6 weeks).
9. Survival without neurodevelopmental impairment
Not reported.
Level of evidence of the literature
According to GRADE, the level of evidence of randomized controlled trials start high.
The level of evidence regarding the outcome measure neonatal mortality and gestational age were downgraded to very low because of study limitations (-1, risk of bias), limitations in the study population (-1, indirectness) and the optimal information size was not achieved
(-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measures composite outcome of neonatal morbidity and mortality, respiratory distress syndrome, neonatal sepsis and necrotizing enterocolitis were downgraded to very low because of study limitations (-1, risk of bias), limitations in the study population (-1 indirectness), and the broad confidence intervals crossing both lines of no (clinically relevant) effect (-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measures intraventricular haemorrhage and periventricular leukomalacia were downgraded to very low because of study limitations (-1, risk of bias), differences in the definition of the outcome (-1, inconsistency), limitations in the study population (-1 indirectness), and the optimal information size was not achieved
(-2, imprecision).
The level of evidence regarding the outcome measure survival without neurodevelopmental impairment was not reported and therefore could not be assessed with GRADE.
Zoeken en selecteren
A systematic review of the literature was performed to answer the following question:
What are the (un)favorable effects of treating pregnant women with a threatened preterm birth between 24 and 34 weeks with tocolytics for a maximum of 48 hours compared to no tocolysis on the morbidity and mortality of the child?
| P: |
Pregnant women with threatened preterm birth between 24 and 34 weeks |
| I: | Tocolytics for 48 hours (atosiban, adalat/nifedipine) |
| C: | No tocolytics / placebo |
| O: |
= short term: perinatal mortality, composite outcome of neonatal morbidity and mortality (respiratory distress syndrome, bronchopulmonary dysplasia, retinopathy of prematurity, periventricular leukomalacia, intraventricular haemorrhage, necrotizing enterocolitis, proven neonatal sepsis, neonatal death), RDS (respiratory distress syndrome), neonatal sepsis, NEC (necrotizing enterocolitis), IVH (intraventricular haemorrhage), PVL (periventricular leukomalacia), gestational age at birth = long term: survival without neurodevelopmental impairment |
Relevant outcome measures
The guideline development group considered perinatal mortality and survival without neurodevelopmental impairment as critical outcome measures for decision making; and neonatal sepsis, composite outcome of neonatal morbidity and mortality, respiratory distress syndrome, intraventricular haemorrhage, periventricular leukomalacia, and gestational age at birth as important outcome measures for decision making.
A priori, the working group did not define the outcome measures listed above but used the definitions used in the studies.
The working group defined a 1% difference for perinatal death (RR < 0.99 or > 1.01) and a 10% difference for survival without neurodevelopmental impairment (RR < 0.90 or > 1.10) as a minimal clinically (patient) important difference. For the other outcomes, a 25% difference for dichotomous outcomes (RR < 0.8 or > 1.25) and 0.5 SD for continuous outcomes was taken as minimal clinically (patient) important difference.
Search and select (Methods)
The databases Medline (via OVID) and Embase (via Embase.com) were searched with relevant search terms from 2010 until the 13th of December, 2023. The search was updated on the 3rd of April, 2025 because of the publication of the APOSTEL-8 trial. The detailed search strategy is depicted under the tab Methods. The systematic literature search resulted in 670 hits. Studies were selected based on the following criteria:
- Systematic review (searched in at least two databases, and detailed search strategy, risk of bias assessment and results of individual studies available), randomized controlled trial, or observational studies comparing inhibition of contractions for 48 hours with no inhibition of contractions or placebo;
- The study population had to meet the criteria as defined in the PICO; and
- Full-text English language publication.
Thirty-eight studies were initially selected based on title and abstract screening. After reading the full text, 36 studies were excluded (see the table with reasons for exclusion under the tab Methods), and two studies were included. Wilson 2022 defined a broader PICO than the PICO defined for this module (it also included studies about other tocolytics and comparisons other than placebo or no tocolytics). Therefore, five randomized controlled trials included in the review were selected for the literature analysis (Hawkins 2021; Nijman 2016; Romero 2000; Vis 2014; Van der Windt 2025).
Results
Five studies were included in the analysis of the literature. Important study characteristics and results are summarized in the evidence tables. The assessment of the risk of bias is summarized in the risk of bias tables.
Referenties
- Haas DM, Imperiale TF, Kirkpatrick PR, Klein RW, Zollinger TW, Golichowski AM. Tocolytic therapy: a meta-analysis and decision analysis. Obstet Gynecol 2009 Mar;113(3):585-94.
- Hawkins JS, Wells CE, Casey BM, McIntire DD, Leveno KJ. Nifedipine for Acute Tocolysis of Preterm Labor: A Placebo-Controlled Randomized Trial. Obstet Gynecol. 2021 Jul 1;138(1):73-78. doi: 10.1097/AOG.0000000000004436. PMID: 34259466.
- Nijman TA, van Vliet EO, Naaktgeboren CA, Oude Rengerink K, de Lange TS, Bax CJ, Bloemenkamp KW, van Eyck J, Kok M, Scheepers HC, Woiski M, Franx A, Mol BW, Oudijk MA. Nifedipine versus placebo in the treatment of preterm prelabor rupture of membranes: a randomized controlled trial: Assessment of perinatal outcome by use of tocolysis in early labor-APOSTEL IV trial. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2016 Oct;205:79-84. doi: 10.1016/j.ejogrb.2016.08.024. Epub 2016 Aug 9. PMID: 27567363.
- Romero R, Sibai BM, Sanchez-Ramos L, Valenzuela GJ, Veille JC, Tabor B, Perry KG, Varner M, Goodwin TM, Lane R, Smith J, Shangold G, Creasy GW. An oxytocin receptor antagonist (atosiban) in the treatment of preterm labor: a randomized, double-blind, placebo-controlled trial with tocolytic rescue. Am J Obstet Gynecol. 2000 May;182(5):1173-83. doi: 10.1067/mob.2000.95834. PMID: 10819855.
- van der Windt LI, Klumper J, Duijnhoven RG, Kok M, Ris-Stalpers C, de Boer MA, van Kaam AH, Pajkrt E, Mol BW, Walker KF, McAuliffe FM, van der Post JA, Roos C, Oudijk MA; APOSTEL 8 Study Group. Atosiban versus placebo for threatened preterm birth (APOSTEL 8): a multicentre, randomised controlled trial. Lancet. 2025 Mar 22;405(10483):1004-1013. doi: 10.1016/S0140-6736(25)00295-8. Epub 2025 Mar 3. PMID: 40049187.
- Vis JY, van Baaren GJ, Wilms FF, Oudijk MA, Kwee A, Porath MM, Scheepers HC, Spaanderman ME, Bloemenkamp KW, van Lith JM, Bolte AC, Bax CJ, Cornette J, Duvekot JJ, Nij Bijvank SW, van Eyck J, Franssen MT, Sollie KM, Woiski M, Vandenbussche FP, van der Post JA, Bossuyt PM, Opmeer BC, Mol BW. Randomized comparison of nifedipine and placebo in fibronectin-negative women with symptoms of preterm labor and a short cervix (APOSTEL-I Trial). Am J Perinatol. 2015 Apr;32(5):451-60. doi: 10.1055/s-0034-1390346. Epub 2014 Dec 8. PMID: 25486290.
- Wilson A, Hodgetts-Morton VA, Marson EJ, Markland AD, Larkai E, Papadopoulou A, Coomarasamy A, Tobias A, Chou D, Oladapo OT, Price MJ, Morris K, Gallos ID. Tocolytics for delaying preterm birth: a network meta-analysis (0924). Cochrane Database Syst Rev. 2022 Aug 10;8(8):CD014978. doi: 10.1002/14651858.CD014978.pub2. PMID: 35947046; PMCID: PMC9364967.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 27-02-2026
Beoordeeld op geldigheid : 27-02-2026
Algemene gegevens
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor zwangeren waarbij sprake is van een dreigende vroeggeboorte.
Werkgroep
- Dr. C.J. (Caroline) Bax, gynaecoloog-perinatoloog, NVOG (voorzitter)
- Dr. J.B. (Jan) Derks, gynaecoloog-perinatoloog, NVOG
- Dr. A. (Ayten) Elvan-Taşpınar, gynaecoloog-perinatoloog, NVOG
- Dr. H.M. (Marieke) Knol, gynaecoloog-perinatoloog, NVOG
- Dr. M.A. (Marjon) de Boer, gynaecoloog-perinatoloog, NVOG
- Dr. D.N.M. (Dimitri) Papatsonis, gynaecoloog, NVOG
- Dr. D.E. (Lia) Wijnberger, gynaecoloog, NVOG
- Dr. P.H. (Dijk), kinderarts-neonatoloog, NVK
- Drs. L. (Leanne) Erkelens-de Vetten, kinderarts-neonataloog, NVK
- Drs. C. (Christel) Rolf, klinisch verloskundige, KNOV (tot maart 2023)
- Drs. C. (Cedric) van Uytrecht, klinisch verloskundige, KNOV (tot 15 augustus 2023)
- Drs. D. (Daphne) de Jong, eerstelijns verloskundige, KNOV (vanaf september 2023)
- Drs. M.A.M. (Machteld) van der Noll, verloskundige, KNOV
- Dr. I.F. (Igna) Kwint-Reijnders, patiëntenvertegenwoordiging Care4Neo
Klankbordgroep
- Drs. H.I. (Herma) Davelaar – van Zanten, V&VN Voortplanting, Obstetrie & Gynaecologie (tot mei 2024)
- Dhr. M. (Maikel) Hustinx, bestuurslid afdeling Vrouw & Kind V&VN (vanaf mei 2024)
Met ondersteuning van
- Drs. D.A.M. (Danique) Middelhuis, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. T. (Tessa) Geltink, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medsich Specialisten (tot april 2023)
- Dr. M.L. (Marja) Molag, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medsich Specialisten (vanaf april 2023)
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
|
Werkgroep |
||||
|
Achternaam werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Bax (voorzitter) |
Gynaecoloog-perinatoloog AmsterdamUMC |
Allen onbetaald: Adviesraad MADAM project Lid Raad kwaliteit FMS Organisatie en docent basiscursus prenatale counseling Amsterdam UMC Audit voorzitter in regio Amsterdam Lid Dagelijks bestuur koepel kwaliteit |
ZonMW subsidie voor onderzoek naar NIPT |
Geen restricties |
|
Knol |
Perinataloog Isala Kliniek Zwolle |
Lid werkgroep Otterlo NVOG Lid wetenschapscommissie NVOG Lokale hoofdonderzoeker consortiumstudie apostel 8 |
Geen |
Geen restricties |
|
Elvan-Taspinar |
Perinatoloog UMCG |
Instructeur MOET onbetaald |
Geen |
Geen restricties |
|
Van Uytrecht |
Physician Assistant- Obstetrie |
Training acute verloskunde te Medsim. Verloskundige/ Physician Assistant te Maxima Medisch Centrum te Veldhoven |
Geen |
Geen restricties |
|
Rolf |
Physician Assistant Obstetrie; functie van afdelingsarts op de high care verloskunde (OHC), Máxima MC. Betaalde functie |
Klinisch verloskundige, Máxima MC, betaalde functie |
Geen |
Geen restricties |
|
Papatsonis |
Gynaecoloog Amphia Ziekenhuis Breda |
Geen |
Geen |
Geen restricties |
|
Kwint-Reijnders |
Patientvertegenwoordiger namens Care4Neo, experienced expert |
Gynaecoloog i.o. VAGO afgevaardigde in het pijlerbestuur NVOG werkgroep foetomaternale geneeskunde |
In mijn werkzaamheden als gynaecoloog in opleiding werk ik zelf met dreigende vroeggeboorte casuïstiek en met collega's die uitvoering geven aan deze richtlijn. Daarnaast heb ik zitting als VAGO-afgevaardigde in het pijlerbestuur van de NVOG werkgroep foetomaternale geneeskunde, waarin ook onderwerpen geadresseerd worden die gerelateerd zijn aan dreigende vroeggeboorte. |
Geen restricties |
|
Derks |
Gynaecoloog, afdeling verloskunde, WKZ, UMCU.
|
Betrokken bij de richtlijn preventie vroeggeboorte, onderdeel van de Otterlo, deze commissie schrijft de verloskunde richtlijnen voor de NVOG |
Ik ben binnen mijn kliniek betrokken bij de behandeling van patienten met vroeggeboorte (in de anamnese). Gezien mijn expertise op dit gebied zie ik veel patienten met vroeggeboorte |
Geen retricties |
|
De Vetten |
Kinderarts-neonatoloog, Martini ziekenhuis Groningen |
Geen |
Geen |
Geen restricties |
|
Wijnberger |
Gynaecoloog en perinatoloog Rijnstate Ziekenhuis Arnhem |
Lid werkgroep Otterlo (richtlijnontwikkeling) onbetaald Opleider, onbetaald |
Geen |
Geen restricties |
|
Van der Noll |
Klinisch verloskundige - Master Physician Assistant (inactief) Docent Verloskunde Ba-VKV Rotterdam (actief) |
Geen |
Geen |
Geen restricties |
|
De Boer |
Gynaecoloog |
Geen |
Geen |
Geen restricties |
|
Dijk |
Kinderarts-neonatoloog UMC Groningen |
Lidmaatschap Neonatologie Netwerk Nederland Lid LNR werkgroep Perined/NVK Lid werkgroep Nedederlands Kinderformularium NKFK Lid consortium PedMed-Nl Lid werkgroep revisie RL Hyperbilirubinemie Adviesraad N3 Adviesraad Zwangerschap en Geboorte Consortium Noord Nederland Lid werkgroep Kinderformularium Lid Pedmed Lid sectie Neonatologie Lid werkgroep SPIN |
Geen |
Geen restricties |
|
De Jong |
Eerstelijns verloskundige De Geboortezaak Nieuwegein Klinisch epidemioloog |
Klinisch epidemioloog Lid werkgroep HPP in de 1e lijn Lid werkgroep Handreiking indicaties vitaliteitsecho |
Geen |
Geen restricties |
|
Klankbordgroep |
||||
|
Achternaam klankbordgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Davelaar-Van Zanten |
Adviseur kwaliteit en veiligheid (betaalde functie/reguliere baan) Spaarne Gasthuis |
Geen |
Geen |
Geen restricties |
|
Maikel Hustinx |
Verpleegkundig Specialist, Albert Schweitzer Ziekenhuis, 36u p.w. |
Algemeen bestuurslid V&VN afdeling Vrouw en Kind, vrijwillig. Vice-voorzitter Vereniging Verpleegkundig Specialisten Albert Schweitzer Ziekenhuis, vrijwillig Lid landelijke tafel College Perinatale Zorg, Utrecht, vrijwillig |
Geen |
Geen restricties |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door uitnodigen van Patiëntenfederatie Nederland en Care4Neo voor de schriftelijke knelpuntenanalyse en afvaardiging namens Care4Neo in de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen zie per module ook “Waarden en voorkeuren van patiënten”). De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan Patiëntenfederatie Nederland en Care4Neo en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Waarde weeënremming |
Geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat [het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet OF het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft]. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).
Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen
Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg voor zwangeren waarbij sprake is van dreigende vroeggeboorte. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie, de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen en Care4Neo via een schriftelijke knelpuntenanalyse. Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.
Uitkomstmaten
Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Methode literatuursamenvatting
Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects model. Review Manager 5.4 werd gebruikt voor de statistische analyses. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).
GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog |
|
|
Redelijk |
|
|
Laag |
|
|
Zeer laag |
|
Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.
In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.
|
Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers |
||
|
|
Sterke aanbeveling |
Zwakke (conditionele) aanbeveling |
|
Voor patiënten |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. |
Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. |
|
Voor behandelaars |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. |
Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. |
|
Voor beleidsmakers |
De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. |
Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. |
Organisatie van zorg
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.
Literatuur
Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.
Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.
Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.
Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 (2023). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. http://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html
Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.
Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.







