Uitgangsvraag

Hoe worden de motorische vaardigheden objectief beoordeeld?

Aanbeveling

2.11

Gebruik een geschikte motorische test die verschillende facetten van de motorische vaardigheden meet, die een goede betrouwbaarheid en validiteit heeft en in Nederland genormeerd is. De test moet verschillende soorten motorische vaardigheden meten om een beschrijving te kunnen geven van de aard en omvang van de motorische problemen.

 

2.12

Gebruik de Movement Assessment Battery for Children, 2e editie (M-ABC-2, met Nederlandse normen) om criterium A te toetsen.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

 

2.13

Overweeg het gebruik van de DCDDaily om ADL in kaart te brengen.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

 

2.14

Overweeg afname van de School Assessment of Motor and Process Skills (School AMPS) om motorische en procesmatige (executieve) vaardigheden in kaart te brengen.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

 

2.15

Gebruik voor de diagnostiek van schrijfproblemen de KNGF Evidence Statement Motorische schrijfproblemen bij kinderen.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

 

2.16

Gebruik de WRITIC om de handwriting readiness bij oudste kleuters met motorische problemen in het regulier basisonderwijs in kaart te brengen.

(WRITIC= Writing Readiness Inventory Tool In Context)

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

 

2.17

Overweeg onderzoek door een logopedist naar spraakontwikkeling en pragmatiek bij kinderen met DCD die naast de motorische problemen ook moeite hebben met de communicatie.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

Samenvatting literatuur

De samenvattingen van de literatuur en de evidentietabellen zijn te vinden in Appendix S 2 van de EACD Recommendations on DCD.

Zoeken en selecteren

Met betrekking tot de toepasbaarheid en testcriteria van meetinstrumenten is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. Waar dat niet mogelijk was, zijn de aanbevelingen gebaseerd op de meningen en een consensus van deskundigen uit de EACD Recommendations on DCD-werkgroep.

 

Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende aangepaste PICOS-zoekvraag:

PICOS (Population, Interest, Comparison, Outcome, Study type):

P: Personen met DCD en kinderen die zich normaal ontwikkelen, waarbij in het onderzoek een DCD-meetinstrument werd gebruikt.

I: Alle soorten meetinstrumenten, waaronder testen, vragenlijsten en observatieschema’s die gebruikt worden voor de screening, het stellen van diagnose en behandelindicatie, het monitoren en het evalueren van de interventie en de uitkomsten in de verschillende domeinen van de ICF.

C: a) onderzoek naar DCD-meetinstrumenten in de normale populatie (normatieve studies, onderzoek naar test criteria waaronder specifiek validiteitsonderzoek in verschillende leeftijdsgroepen)

b) vergelijking van de resultaten van meetinstrumenten in de DCD-populatie (pre/post of test-retest, responsiviteit etc.)

c) Vergelijking van verschillende meetinstrumenten (alle relevante testcriteria)

O: Resultaten van alle relevante testcriteria die de bruikbaarheid van het meetinstrument voor DCD aantonen.

S: het studietype betrof elk origineel artikel waarin een groepsdesign werd gebruikt om empirische data te verzamelen. En elke review met betrekking tot meetinstrumenten voor DCD.

 

Zoekstrategie en evidentietabellen

De zoekstrategie en de evidentietabellen van de module over diagnostiek van DCD zijn te vinden in Appendix S 2 en Tabellen S I en S II van de EACD Recommendations on DCD.

Referenties

  1. EACD Recommendations on DCD: Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder. Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22
  2. De Kloet A, Calame E, Reinders H, Smits-Engelsman BCM, Schoemaker M, Volman C. Vragenlijst gevoel van motorische competentie; ‘Hoe ik vind dat ik het doe?’. 2005. Interne publicatie, Sophia Revalidatie Den Haag.
  3. Hensgens J. School AMPS, school assessment of motor and process skills, Nederlandse Handleiding, 2011, Landgraaf.
  4. Moraal-van der Linden BW, Netten JJ van, Schoemaker MM. DCDDaily, Handleiding. Groningen, 2018; www.dcddaily.com
  5. Schoemaker MM, Flapper BCT, Reinders-Messelink HA, De Kloet A. Validity of the Motor Observation Questionnaire for Teachers as a screening instrument for children at risk for Developmental Coordination Disorder. Human Movement Science, 27, 190-199, 2008.
  6. Schoemaker MM. Manual of the motor observation questionnaire for teachers. Groningen: Internal Publication, Center for Human Movement Sciences, In Dutch, 2003.
  7. School AMPS: https://www.innovativeotsolutions.com/tools/school-amps/ geraadpleegd op 25-10-2018
  8. Smits-Engelsman B. Nederlandse bewerking van de Movement Assessment Battery for Children. Handleiding. Amsterdam: Pearson Publishers; 2010.
  9. Smits-Engelsman BCM, Van Bommel-Rutgers I, Van Waelvelde H. Systematische Opsporing Schrijfproblemen: SOS-2-NL. Technische handleiding: januari 2014. Verkrijgbaar via www.SchrijvenNL.nl
  10. Swart B en Witteveen J. Afname van de ESI en School AMPS op school. Ergotherapie Magazine 2018 nummer 3
  11. Treffers AW, Goedhardt AW, Veerman JW, Van den Bergh BRH, Ackaert L, & De Rycke L. Handleiding Competentie Belevingsschaal voor Adolescenten. Lisse: Swets Test Publishers, 2002.
  12. Van Hartingsveldt M, De Vries L. Klaar om te schrijven? Writing Readiness Inventory Tool In Context (WRITIC) theorie-assessment-advies. Hogeschool van Amsterdam, 2016.
  13. Veerman JW, Straathof MAE, Treffers PDA, Van den Bergh B, & ten Brink LT. Handleiding Competentiebelevingsschaal voor Kinderen (CBSK) (Manual for the Dutch version of the SPPC). Lisse, The Netherlands: Swets & Zeitlinger, 1997.
  14. Zeanah C, Carter A, Cohen J, Egger H, Gleason M, Keren M, Liebermann A, Mulrooney K & Oser C. Introducing a new classification of early childhood disorders: DC:0-5tm. ZERO TO THREE, Washington DC, 2017
  15. ZERO TO THREE. DC:0-5tm, Diagnostic classification of mental health and developmental disorders of infancy and early childhood. Washington DC, 2016

Overwegingen

Bij aanbeveling 2.12:

De Movement Assessment Battery for Children (M-ABC-2) is een genormeerde motorische test voor kinderen van 3-16 jaar. De test bestaat uit een achttal motorische taken verdeeld over drie subschalen: handvaardigheid, mikken en vangen, en evenwicht (Smits-Engelsman, 2010).

 

Er wordt aan criterium A voldaan bij een totaalscore op de M-ABC-2 op of beneden het 16e percentiel (standaardscore 7 of lager) en/of een deelscore op één van de drie componenten van de M-ABC-2 op of beneden het 5e percentiel (standaardscore 5).

Om de diagnose DCD te stellen moet aan alle criteria uit de DSM-5 zijn voldaan. Alleen een beneden-gemiddelde uitslag op de M-ABC-2 is dus niet voldoende voor het stellen van een diagnose DCD.

 

Bij aanbeveling 2.13:

Om na de motorische problematiek uit criterium A ook problemen met Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) zoals mobiliteit, persoonlijke hygiëne, aankleden, eten en schrijven in kaart te brengen kan de DCDDaily worden gebruikt. Dit instrument is ontwikkeld om problemen bij het uitvoeren van ADL op een gestandaardiseerde en objectieve wijze te meten bij kinderen van vijf tot en met acht jaar. Hiermee biedt de DCDDaily de mogelijkheid om problemen met het uitvoeren van motorische handelingen zoals genoemd in criterium B voor de diagnose van DCD op gestandaardiseerde wijze te beoordelen.

De DCDDaily is een gestandaardiseerd instrument dat clinici in staat stelt de motorische capaciteit van kinderen, in hun activiteiten van het dagelijks leven (ADL), te meten. In de DCDDaily zijn 18 taken geïncludeerd, die “een normale dag” omvatten, van aankleden en ontbijten tot schoolwerk en spelen. De test kan zowel gebruikt worden in de dagelijkse klinische praktijk als in wetenschappelijk onderzoek. De testuitslag kan ook gebruikt worden bij het opstellen van behandeldoelen (Moraal-van der Linde et al, 2018).

 

Bij aanbeveling 2.14:

De School AMPS (Assessment of Motor and Process Skills) is een observatiemethode waarmee kinderen in de klas geobserveerd kunnen worden tijdens het uitvoeren van 2 of 3 vooraf met de leerkracht afgesproken schooltaken. De schooltaken bestaan uit schrijftaken, teken- en kleurtaken, knip- en plaktaken, computertaken en manipulatieve taken. De School AMPS meet de kwaliteit van de uitvoering van de schoolse vaardigheden op zowel motorisch als procesmatig gebied. Op basis van de afname van de School AMPS kunnen behandeldoelen worden opgesteld en interventie strategieën besproken. De School AMPS kan bij een tweede meting gebruikt worden voor het evalueren van de behandeldoelen. Het instrument kan worden gebruikt bij zich normaal ontwikkelende kinderen tussen de 3 en 12 jaar en kinderen met een beperking tussen de 3 en 21 jaar (Hensgens, 2011).

 

Bij aanbeveling 2.15:

Omdat schrijven met de hand en het gebruik van het toetsenbord cognitief-motorische vaardigheden zijn, waarin taal een grote rol speelt, moeten de motorische vaardigheden en de taalvaardigheden beide worden beoordeeld met gestandaardiseerde en psychometrisch goed onderbouwde meetinstrumenten (bijvoorbeeld voor het maken van onderscheid tussen motorische schrijfproblemen en dyslexie). Ook is het van belang om te kijken naar de invloed van de motorische problematiek op de cognitieve verwerking van een opdracht en van de complexiteit van een opdracht op de motorische schrijfproblematiek.

Voor diagnostiek en behandeling van schrijfproblemen verwijzen we naar de KNGF Evidence Statement Motorische schrijfproblemen bij kinderen. https://nvfk.kngf.nl/Richtlijnen+en+ES/Speficiek+Kinderfysiotherapeut/es-motorische-schrijfproblemen-bij-kinderen.html

 

Binnen de totale aanpak die in de KNGF Evidence Statement Motorische schrijfproblemen bij kinderen beschreven staat kan voor de beoordeling van de schrijfsnelheid en de leesbaarheid van het handschrift gebruik gemaakt worden van de SOS-2-NL (Systematische Opsporing Schrijfproblemen). Dit is een genormeerd instrument voor kinderen op de basisschool vanaf eind groep 3 (Smits-Engelsman et al, 2014).

 

Bij aanbeveling 2.16:

De WRITIC is een gevalideerd, normgerefereerd meetinstrument om de handwriting readiness van oudste kleuters in het reguliere basisonderwijs in kaart te brengen (het startklaar zijn voor het leren schrijven). De WRITIC wordt afgenomen in de context van de klas. Op basis van de uitkomsten kunnen eventueel aanvullende assessments afgenomen worden. Ook kunnen op basis van de uitkomst van de WRITIC gerichte adviezen gegeven worden voor verbetering van de handwriting readiness. Het doel van afname is door tijdige advisering en eventueel behandeling de ongunstige effecten van schrijfmoeilijkheden in groep 3 en verder te voorkomen (Van Hartingsveldt & De Vries (2016).

 

Bij aanbeveling 2.17:

De NVLF (Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie) adviseert naar de kind-kenmerken te kijken om te bepalen welke meetinstrumenten passend zijn voor het onderzoek door een logopedist naar de spraakontwikkeling en pragmatiek. Bij de keus van instrumenten is het van belang erop te letten dat dit gestandaardiseerde en psychometrisch goed onderbouwde meetinstrumenten zijn.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 19-07-2019

Laatst geautoriseerd : 19-07-2019

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2024 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) of de modules bij de uitgangvragen van deze richtlijn nog actueel zijn. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update). De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De VRA is regiehouder van deze richtlijn en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Ergotherapie Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck
  • Nederlandse Vereniging voor Pedagogen en Onderwijskundigen
  • Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie

Algemene gegevens

De richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • DCD Netwerk Nederland
  • Oudervereniging Balans

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen, adolescenten en volwassenen met Developmental Coordination Disorder (DCD) is geschreven om een eenheid te creëren in terminologie, diagnostiek en interventie bij personen met DCD, waarbij de richtlijn een structurele plaats heeft in het beroepsmatig handelen van alle zorgverleners die werken met personen met DCD. Een landelijke, discipline overstijgende richtlijn volgens medisch model ondersteunt iedere arts, paramedicus, en/of psychosociale professional in zijn of haar werk met personen met motorische problemen zonder aantoonbare medische problematiek.

Achterliggend doel is dat de zorg aan kinderen met DCD hierdoor verbetert en meer evidence-based onderbouwd wordt. In deze richtlijn is ook de huidige kennis rond DCD in adolescentie en volwassenheid gebundeld, hier worden de consequenties van DCD op volwassen leeftijd beschreven en worden kennislacunes rond diagnostiek en behandeling aangegeven.

 

Doelgroep

Primair bestaat de doelgroep uit alle artsen, paramedici en psychosociale professionals die betrokken zijn bij kinderen met DCD en hun ouder(s)/verzorger(s)[1].

Daarnaast is de richtlijn bestemd voor medewerkers in het onderwijs en speciaal onderwijs. Voor leerkrachten zal informatie beschikbaar gesteld worden rond de signalering van de motorische problematiek op school, de verwijsmogelijkheden en praktische tips voor het omgaan met kinderen met DCD in de klas.

De richtlijn is ook van grote waarde voor kinderen met DCD en hun ouders. Hiervoor zijn twee redenen: ten eerste stimuleert de richtlijn zorgverleners om vroeg te signaleren, tijdig door te verwijzen en te werken volgens methodes die in onderzoek effectief gebleken zijn. Ten tweede wordt ook voor ouders informatie toegankelijk gemaakt over de diagnose DCD, de gevolgen in het dagelijks leven en de mogelijkheden voor behandeling en advies.

Tot slot is de richtlijn van belang voor adolescenten en volwassenen met DCD en de zorgverleners waar zij zich melden met problemen in het dagelijks leven die het gevolg zijn van de DCD.


[1] In verband met de leesbaarheid wordt in de richtlijn verder de term “ouders” gebruikt waar het ook kan gaan om ouder(s)/verzorger(s).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2017 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met Developmental Coordination Disorder.

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • Drs. S. (Sebastiaan) Severijnen, kinderrevalidatiearts, Basalt Revalidatie, Leiden, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA] (voorzitter, lid projectgroep)
  • N. (Nienke) Faber, kinderergotherapie en kwaliteitsprojecten, Amsterdam (secretaris, lid projectgroep)
  • Dr. H.A. (Heleen) Reinders-Messelink, Bewegingswetenschapper, Revalidatie Friesland, Beetsterzwaag, [Stuurgroep DCD Netwerk Nederland] (lid projectgroep)
  • Drs. H. (Hester) Herweijer, kinderrevalidatiearts, Revalidatie Friesland, Beetsterzwaag, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA]
  • Drs. A.M. (Marco) van Staalduinen, kinderrevalidatiearts, LIBRA revalidatie & Audiologie, Tilburg, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA]
  • Dr. J.A.A.M. (Anneloes) Overvelde, kinderfysiotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie (NVFK), Amersfoort, [Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie, NVFK]
  • Drs. I.P.A. (Ingrid) van der Veer, kinderfysiotherapeut en docent, Avans+, Breda, [Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie, NVFK]
  • L.M.A. (Loes) van Heel-Op den Kamp, ergotherapeut, ParaMedisch Centrum Zuid, Sittard [Ergotherapie Nederland, EN]
  • Dr. J.J. (Johannes) Noordstar, kinderoefentherapeut, Platform Kinderoefentherapie, Utrecht, [Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, VvOCM}
  • Drs. H. (Hinke) Boomsma, Orthopedagoog generalist en psycholoog, UMCG centrum voor revalidatie, Groningen. [Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen, NVO]
  • Drs. B.H. (Baukje) Maengkom, GZ-psycholoog, Jeugdhulp Friesland, Sneek, [Nederlands Instituut van Psychologen, NIP]
  • Drs. N.S. (Nasirah) Joesoef, jeugdarts M&G, Veiligheidsregio Kennemerland, Haarlem, [AJN Jeugdartsen Nederland]
  • Dr. J.J.M.H. (Jacqueline) Strik, psychiater, MUMC+, Maastricht, [Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, NVvP]
  • J.W. (Joli) Luijckx, woordvoerder en beleidsmedewerker Oudervereniging Balans, De Bilt, [Oudervereniging Balans]

 

Met ondersteuning van:

  • Dr. N.H.J. (Natasja) van Veen, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • Dr. A. (Anne) Bijlsma-Rutte, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

Tijdens het schrijven van de richtlijn is Prof. Dr. B.C.M. Smits-Engelsman als adviseur geraadpleegd. Zij is mede-auteur van de “International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention and psychosocial aspects of developmental coordination disorder”[1] van de EACD (European Academy of Childhood Disability). Ook het DCD Netwerk Nederland en enkele leden van de klankbordgroep hebben tijdens het schrijfproces feedback gegeven. Hiervoor willen wij hen allen hartelijk danken.


[1] Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder.

Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Hierbij is geen belangenverstrengeling geconstateerd. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij de secretaris van de werkgroep.

Inbreng patiëntenperspectief

Het patiëntenperspectief is vertegenwoordigd doordat een afgevaardigde van oudervereniging Balans deelnam aan de Invitational Conference en aan de werkgroep. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan oudervereniging Balans en de Patiëntenfederatie.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Vanaf de start en in alle fasen van de richtlijnontwikkeling is gewerkt aan en rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is in ontwikkeling en zal worden opgenomen bij de aanverwante producten. Bij de implementatie van de richtlijn wordt nauw samengewerkt met oudervereniging Balans. Daarnaast is er actieve betrokkenheid van het DCD Netwerk Nederland, zowel vanuit de stuurgroep daarvan als vanuit de drie werkgroepen voor respectievelijk revalidatieartsen, paramedici en gedragswetenschappers. Hoofddoel van de implementatie is het vergroten van de bekendheid met DCD bij ouders, zorg- en onderwijsprofessionals.

Werkwijze

AGREE

Als basis voor de Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen met DCD is gebruik gemaakt van de “International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention and psychosocial aspects of developmental coordination disorder” van de EACD (European Academy of Childhood Disability). De eerste versie hiervan is in maart 2011 verschenen, de herziene versie in januari 2019. Ook Nederlandse deskundigen hebben hieraan meegewerkt. In de herziene versie is het meest recente internationale onderzoek op het gebied van DCD verwerkt en wordt meer aandacht geschonken aan de bijkomende psychosociale problematiek en de gevolgen van DCD in de adolescentie en volwassenheid. In verband met de leesbaarheid wordt In deze richtlijn verder gesproken over “EACD Recommendations on DCD”.

 

De Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen met DCD bestaat uit een vertaalde samenvatting van de herziene versie van de EACD Recommendations on DCD, die is aangepast aan de Nederlandse situatie. Ook zijn uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg toegevoegd, met aanbevelingen die op basis van literatuur en expert opinion zijn geformuleerd.

Bij de start van het Nederlandse richtlijntraject is de EACD Recommendations on DCD methodologisch beoordeeld met AGREE II. De EACD Recommendations on DCD voldeed aan de belangrijkste criteria (er is systematisch gezocht naar literatuur, de literatuur is beoordeeld aan de hand van GRADE, er is geen belangenverstrengeling geconstateerd). Zie hiervoor ook:

Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder. Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22

De evidencetabellen en zoekverantwoording zijn te vinden op de site van Wiley (https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/dmcn.14132) .

De aanbevelingen uit de EACD Recommendations on DCD zijn vertaald en vervolgens opnieuw geformuleerd. Hierbij werden toevoegingen gedaan voor de Nederlandse situatie.

 

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase werden knelpunten geïnventariseerd. Tevens zijn er knelpunten aangedragen tijdens de Invitational Conference. Het belangrijkste knelpunt dat naar voren kwam is de onbekendheid van ouders, zorg- en onderwijsprofessionals met DCD. Daardoor wordt de diagnose bij kinderen vaak laat gesteld, wat het geven van gerichte behandeling en adviezen vertraagt.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse en met gebruikmaking van de EACD Recommendations on DCD zijn concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep voor de nieuwe uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

De link naar de volledige tekst van de EACD Recommendations on DCD, inclusief de verantwoording en zoekstrategie, is opgenomen in de Aanverwante items.

Voor de uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs.

Bij de module ketenzorg werden geen studies gevonden die voldeden aan de selectiecriteria. Voor de module ouderparticipatie selecteerden de werkgroepleden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module ouderparticipatie.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten.

Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen.

 

Samenvatten van de literatuur voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen bij de uitgangsvraag over ouderparticipatie werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk*

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

*in 2017 heeft het Dutch GRADE Network bepaald dat de voorkeursformulering voor de op een na hoogste gradering ‘redelijk’ is i.p.v. ‘matig’

 

Formuleren van de conclusies voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling) voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). De aspecten van de organisatie van zorg staan beschreven bij de uitgangsvraag over ketenzorg.

 

Indicatorontwikkeling

De werkgroep heeft besloten geen indicatoren te ontwikkelen bij de huidige richtlijn, omdat er geen substantiële barrières konden worden geïdentificeerd die implementatie van de aanbeveling zouden kunnen bemoeilijken.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek van belang wordt geacht, is als aanbeveling in de Kennislacunes beschreven (onder Aanverwante items).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de voor de Invitational Conference uitgenodigde (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. Ook het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) heeft commentaar geleverd. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de in de werkgroep deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie. Op verzoek van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF, vertegenwoordigd in de klankbordgroep) werd de richtlijn ook ter autorisatie naar de NVLF gestuurd.

De definitieve richtlijn is door alle in de werkgroep vertegenwoordigde verenigingen en door de NVLF geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Brouwers, M. C., Kho, M. E., Browman G. P., et al. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. Canadian Medical Association Journal, 182(18), E839-E842. (2010).

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. (2012). https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Schünemann, H. J., Oxman, A. D., Brozek, J., et al. Rating Quality of Evidence and Strength of Recommendations: GRADE: Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ: British Medical Journal, 336(7653), 1106. (2008).

Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum (2004).

Wessels, M., Hielkema, L., & van der Weijden, T. How to identify existing literature on patients' knowledge, views, and values: the development of a validated search filter. Journal of the Medical Library Association: JMLA, 104(4), 320. (2016).

https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/dmcn.14132

https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30671947