Uitgangsvraag

Hoe wordt de anamnese afgenomen?

Aanbeveling

2.3

Start ieder diagnostisch traject met een zorgvuldige anamnese om de vier DCD-criteria uit te vragen. (Zie voor operationalisatie van de DCD criteria de Overwegingen)

 

2.4

Gebruik een brede en probleemgerichte aanpak bij observatie en onderzoek. Vraag hierbij naar de specifieke voorgeschiedenis.

(Voor een concrete uitwerking zie Overwegingen)

 

2.5

Betrek in het algeheel onderzoek het dagelijkse functioneren op alle participatiegebieden: de ADL-vaardigheden (bijvoorbeeld zelfverzorging en zelfredzaamheid), communicatie, leer-/schoolprestaties, beroepsvoorbereidende en beroepsgerelateerde activiteiten, vrijetijdsbesteding, sport en spel.

 

Verzamel deze informatie vanuit meerdere bronnen zoals zelfrapportages, rapportages van ouders, professionals in de gezondheidszorg en het onderwijs en relevante andere partijen.

(Zie de toelichting bij Overwegingen)

Samenvatting literatuur

De samenvattingen van de literatuur en de evidentietabellen zijn te vinden in Appendix S 2 van de EACD Recommendations on DCD.

Zoeken en selecteren

Met betrekking tot de toepasbaarheid en testcriteria van meetinstrumenten is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. Waar dat niet mogelijk was, zijn de aanbevelingen gebaseerd op de meningen en een consensus van deskundigen uit de EACD Recommendations on DCD-werkgroep.

 

Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende aangepaste PICOS-zoekvraag:

PICOS (Population, Interest, Comparison, Outcome, Study type):

P: Personen met DCD en kinderen die zich normaal ontwikkelen, waarbij in het onderzoek een DCD-meetinstrument werd gebruikt.

I: Alle soorten meetinstrumenten, waaronder testen, vragenlijsten en observatieschema’s die gebruikt worden voor de screening, het stellen van diagnose en behandelindicatie, het monitoren en het evalueren van de interventie en de uitkomsten in de verschillende domeinen van de ICF.

C: a) onderzoek naar DCD-meetinstrumenten in de normale populatie (normatieve studies, onderzoek naar test criteria waaronder specifiek validiteitsonderzoek in verschillende leeftijdsgroepen)

b) vergelijking van de resultaten van meetinstrumenten in de DCD-populatie (pre/post of test-retest, responsiviteit etc.)

c) Vergelijking van verschillende meetinstrumenten (alle relevante testcriteria)

O: Resultaten van alle relevante testcriteria die de bruikbaarheid van het meetinstrument voor DCD aantonen.

S: het studietype betrof elk origineel artikel waarin een groepsdesign werd gebruikt om empirische data te verzamelen. En elke review met betrekking tot meetinstrumenten voor DCD.

 

Zoekstrategie en evidentietabellen

De zoekstrategie en de evidentietabellen van de module over diagnostiek van DCD zijn te vinden in Appendix S 2 en Tabellen S I en S II van de EACD Recommendations on DCD.

Referenties

  1. EACD Recommendations on DCD: Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder. Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22
  2. De Kloet A, Calame E, Reinders H, Smits-Engelsman BCM, Schoemaker M, Volman C. Vragenlijst gevoel van motorische competentie; ‘Hoe ik vind dat ik het doe?’. 2005. Interne publicatie, Sophia Revalidatie Den Haag.
  3. Hensgens J. School AMPS, school assessment of motor and process skills, Nederlandse Handleiding, 2011, Landgraaf.
  4. Moraal-van der Linden BW, Netten JJ van, Schoemaker MM. DCDDaily, Handleiding. Groningen, 2018; www.dcddaily.com
  5. Schoemaker MM, Flapper BCT, Reinders-Messelink HA, De Kloet A. Validity of the Motor Observation Questionnaire for Teachers as a screening instrument for children at risk for Developmental Coordination Disorder. Human Movement Science, 27, 190-199, 2008.
  6. Schoemaker MM. Manual of the motor observation questionnaire for teachers. Groningen: Internal Publication, Center for Human Movement Sciences, In Dutch, 2003.
  7. School AMPS: https://www.innovativeotsolutions.com/tools/school-amps/ geraadpleegd op 25-10-2018
  8. Smits-Engelsman B. Nederlandse bewerking van de Movement Assessment Battery for Children. Handleiding. Amsterdam: Pearson Publishers; 2010.
  9. Smits-Engelsman BCM, Van Bommel-Rutgers I, Van Waelvelde H. Systematische Opsporing Schrijfproblemen: SOS-2-NL. Technische handleiding: januari 2014. Verkrijgbaar via www.SchrijvenNL.nl
  10. Swart B en Witteveen J. Afname van de ESI en School AMPS op school. Ergotherapie Magazine 2018 nummer 3
  11. Treffers AW, Goedhardt AW, Veerman JW, Van den Bergh BRH, Ackaert L, & De Rycke L. Handleiding Competentie Belevingsschaal voor Adolescenten. Lisse: Swets Test Publishers, 2002.
  12. Van Hartingsveldt M, De Vries L. Klaar om te schrijven? Writing Readiness Inventory Tool In Context (WRITIC) theorie-assessment-advies. Hogeschool van Amsterdam, 2016.
  13. Veerman JW, Straathof MAE, Treffers PDA, Van den Bergh B, & ten Brink LT. Handleiding Competentiebelevingsschaal voor Kinderen (CBSK) (Manual for the Dutch version of the SPPC). Lisse, The Netherlands: Swets & Zeitlinger, 1997.
  14. Zeanah C, Carter A, Cohen J, Egger H, Gleason M, Keren M, Liebermann A, Mulrooney K & Oser C. Introducing a new classification of early childhood disorders: DC:0-5tm. ZERO TO THREE, Washington DC, 2017
  15. ZERO TO THREE. DC:0-5tm, Diagnostic classification of mental health and developmental disorders of infancy and early childhood. Washington DC, 2016

Overwegingen

Algemene aspecten van screening

Een vroegtijdige identificatie van kinderen met motorische beperkingen is aanbevolen (Cairney, Veldhuizen, et al., 2007; Schoemaker et al., 2006).

Vragenlijsten voor de beoordeling van DCD zijn niet verfijnd genoeg voor screening op DCD vanwege de te lage sensitiviteit. Om die reden is het op dit moment niet zinvol om de bevolking te screenen op DCD. De diagnose DCD kan alleen worden gesteld voor een klinische populatie binnen een gespecificeerde context, zoals hieronder beschreven.

Wanneer er bij een kind motorische problemen worden vermoed of gesignaleerd, waarbij gedacht wordt aan DCD, door bijvoorbeeld ouders, consultatiebureau, eerstelijns therapeut, huisarts, jeugdarts of kinderarts is het zinvol om een screenende vragenlijst af te nemen, bijvoorbeeld de Coördinatievragenlijst voor ouders (CVO) en de Groninger Motoriek Observatielijst (GMO).

Ook bij kinderen met een verhoogd risico op DCD, bijvoorbeeld door prematuriteit of het hebben van een andere ontwikkelingsstoornis als ADHD, ASS of ESM is het overwegen van het afnemen van een screenende vragenlijst zinvol.

 

Testbatterijen voor de motorische coördinatie zijn vanwege de tijd en de kosten in algemene zin niet geschikt voor screening.

 

Bij aanbeveling 2.3:

De volgende aspecten moeten bij een kind met mogelijk DCD onderdeel zijn van de anamnese:

1) Ouderrapportage

  • Redenen voor doorverwijzing en ervaren problemen in het dagelijks leven;
  • Familiaire voorgeschiedenis - waaronder informatie over de aanwezigheid van ontwikkelingsstoornissen (bijvoorbeeld ADHD, ASS of dyslexie) of andere genetische aandoeningen (bijvoorbeeld spierziekten bij familieleden);
  • Medische voorgeschiedenis – waaronder informatie over de aanwezigheid van andere ontwikkelingsstoornissen (bijvoorbeeld ADHD, ASS of dyslexie), ernstige ongevallen, ziekten, syndromen, neurologische stoornissen, relevante of gerelateerde psychologische problemen, sensorische problemen (bijvoorbeeld zoals vastgelegd bij eerdere beoordelingen, nieuwe symptomen die zich voordoen), medicijngebruik indien relevant;
  • Ontwikkelingsgeschiedenis - waaronder informatie over zwangerschap (duur, complicaties), geboorte (complicaties, apgar score), neonatale periode, mijlpalen - motorisch en niet-motorisch, motorische voorgeschiedenis (bijvoorbeeld familiaire gewoonten, thuisomgeving, toegang tot motorische activiteiten), sociale competenties en de mogelijkheden tot interactie met anderen;
  • Voorgeschiedenis met betrekking tot onderwijs - onderwijsverloop in kinderopvang, peuterspeelzaal en basisschool en informatie over eventuele gemeten leerprestaties;
  • Impact van de aandoening op het dagelijks functioneren - waaronder impact m.b.t. ADL, communicatief functioneren, gedrag en participatie;
  • Omgevingsfactoren - waaronder aantal en aard van eerdere en huidige interventie/ondersteuning, beschrijving van huidige gezinsstructuur, sociaal netwerk en relatiestatus (bijvoorbeeld sociale ondersteuning, wonen met gezin, familieleden, begeleiders, vrienden of anderen), sociaal-economische status, persoonlijke middelen, opvoedingsstijl, beschermende en risicofactoren in de omgeving.

2) Bronnen anders dan van de ouders

  • Rapportages van relevante professionals en betrokken anderen (bijvoorbeeld kinderopvang, peuterspeelzaal, basisschoolleraren, schoolpsychologen, therapeuten). Hierbij kan het onder andere gaan om:
  • Schriftelijk informatie of gespreksgegevens van andere gezinsleden of betrokken volwassenen indien van toepassing en mits toestemming is gegeven;
  • Rapportages over motorisch functioneren verkregen van docenten lichamelijke opvoeding of therapeuten en over andere aandachtsgebieden (conform de International Classification of Functioning, disability and health-Children and Youth ICF-CY): participatie en niveaus van lichamelijke activiteit, omgevingsfactoren, ondersteunende systemen. Individuele/persoonlijke factoren enz.;
  • Rapportages met betrekking tot cognitieve functies (bijvoorbeeld IQ-gegevens, scores m.b.t. werkgeheugen, aandacht, andere tests);
  • Rapportages met betrekking tot leerprestaties;
  • Rapportages met betrekking tot gedrag dat van invloed kan zijn op differentiële diagnose en/of mogelijke gecombineerde diagnose (bijvoorbeeld ADHD, ASS, leerstoornissen);

3) Kind

  • Zelfrapportages;
  • Vragenlijsten.

 

Klinisch onderzoek: met betrekking tot criteria D en B (zie uitgangsvraag 1)

Naast het bekijken van de voorgeschiedenis is een klinisch onderzoek noodzakelijk, vooral om de aanwezigheid van andere medische aandoeningen uit te sluiten die een verklaring kunnen zijn voor motorische beperkingen. Het doel van het neurologische onderzoek is het uitsluiten van andere bewegingsstoornissen en het onderbouwen van Criterium D.

 

Er moet ook onderzoek worden uitgevoerd om te controleren of de stoornis niet wordt veroorzaakt door psychosociale problematiek (bijvoorbeeld verwaarlozing, kindermishandeling) en/of een algemene medische aandoening (bijvoorbeeld cerebrale parese, neuromusculaire aandoening of een andere aandoening die de normale motorische ontwikkeling heeft belemmerd).

 

Een gedrags- en cognitieve evaluatie wordt aanbevolen voor alle kinderen met DCD, omdat aandachtsstoornissen, leerstoornissen en ASS regelmatig samen voorkomen met DCD. Indien gedragsproblemen of emotionele problemen of kenmerken daarvan aanwezig zijn is verder onderzoek noodzakelijk conform de desbetreffende richtlijnen.

 

Als er vanuit de voorgeschiedenis qua school-/leerprestaties geen twijfel is over het IQ hoeft het cognitief functioneren niet te worden geëvalueerd met objectieve middelen (bijvoorbeeld een intelligentietest). Als er enige twijfel bestaat, wordt aanbevolen een test met betrekking tot de intellectuele capaciteiten af te nemen om het IQ te meten. Bij een totaal IQ < 70 [1] wordt in Nederland de diagnose DCD niet gesteld, onder meer omdat alle kennis over DCD gebaseerd is op kinderen met een gemiddelde intelligentie en het algehele leren anders verloopt bij kinderen met een lager IQ.

 

Bij aanbeveling 2.4:

Bij het klinisch observeren/onderzoeken moet onder andere een evaluatie plaatsvinden van de:

  • Neurologische status (bijvoorbeeld uitsluiting van andere bewegingsstoornissen en neurologische disfuncties, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in ernst (enkelvoudig versus complex) en type van dysfunctie, bijvoorbeeld met name in de fijne manipulatie). Hiervoor wordt aanbevolen een gestandaardiseerd neurologisch onderzoek uit te voeren, zoals bijvoorbeeld het neurologisch onderzoek van het kind met Minor Neurological Dysfunction (MND-onderzoek) (Hadders-Algra, 2010). Hierbij is het van belang dat de onderzoekend arts zich bekwaam acht voor en geschoold is in het uitvoeren van gestandaardiseerd neurologisch onderzoek bij kinderen;
  • Medische status (denk bijvoorbeeld aan obesitas, hypothyreoïdie, genetische syndromen, ondervoeding, gewrichtsproblemen);
  • Sensorische status en informatieverwerking (bijvoorbeeld visueel, auditief, tactiel en proprioceptief functioneren, vestibulaire functie);
  • Andere neurologische ontwikkelingsstoornissen en psychologische/psychiatrische status (bijvoorbeeld mogelijk ASS- of ADHD-gerelateerd gedrag, eigenwaarde, depressie, angststoornis);
  • Cognitieve status (bijvoorbeeld aandacht, geheugen, intelligentie, executief functioneren, leerprestaties), vooral als er een voorgeschiedenis is van leerproblemen op school;
  • Observatie van motorische activiteiten (bijvoorbeeld spelen, schrijven, tekenen, aan- en uitkleden) en spraakontwikkeling/spraakverstaanbaarheid.
  • Let bij de observatie van de motoriek ook op eventuele signalen van kindermishandeling.

Door een multidisciplinaire evaluatie vóór het stellen van een eventuele diagnose DCD kunnen de inclusiecriteria, de exclusiecriteria en eventuele comorbiditeiten het meest betrouwbaar in kaart worden gebracht. Het is belangrijk dat er in de anamnestische fase ook aandacht is voor de sterke kanten van het kind en het systeem, om die in kaart te brengen en in te kunnen zetten bij de behandeling.

 

Bij aanbeveling 2.5:

Per definitie is bij ADL sprake van culturele verschillen. Bij de toetsing van criterium B is het daarom van cruciaal belang om rekening te houden met de context waarbinnen het kind leeft en of het kind voldoende mogelijkheden heeft gekregen om verschillende vaardigheden te leren en te oefenen, zoals die normaliter te verwachten zouden zijn binnen de omgeving van het kind qua thuissituatie en gemeenschap (Aanbeveling 1.2, Criterium A).

 

Schrijfproblemen komen vaak voor bij kinderen met DCD en onderzoek naar het handschrift is in de diagnostische fase van belang. Het leggen van een rechtstreeks verband tussen slechte motorische coördinatie en leerprestaties is echter gecompliceerd. Wel wordt de schrijfvaardigheid normaal gesproken beïnvloed door de zwakke motorische coördinatie, wat een negatieve invloed heeft op leerprestaties als gevolg van de traagheid, onnauwkeurigheid en/of onleesbaarheid van het handschrift en/of het geschreven product.

Voor diagnostiek en behandeling van schrijfproblemen verwijzen we naar de KNGF Evidence Statement Motorische schrijfproblemen bij kinderen. https://nvfk.kngf.nl/Richtlijnen+en+ES/Speficiek+Kinderfysiotherapeut/es-motorische-schrijfproblemen-bij-kinderen.html

 

Bij het volledige onderzoek moet rekening worden gehouden met cultureel relevante ontwikkelingsnormen.


[1] De richtlijnwerkgroep is zich ervan bewust dat de WISC-V in Nederland steeds meer wordt gebruikt. Omdat deze (begin 2019) nog niet COTAN genormeerd is voor Nederland en er nog geen consensus is over afkappunten bij de WISC-V wordt in deze richtlijn nog TIQ<70 gehanteerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 19-07-2019

Laatst geautoriseerd : 19-07-2019

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2024 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) of de modules bij de uitgangvragen van deze richtlijn nog actueel zijn. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update). De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De VRA is regiehouder van deze richtlijn en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Ergotherapie Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck
  • Nederlandse Vereniging voor Pedagogen en Onderwijskundigen
  • Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie

Algemene gegevens

De richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • DCD Netwerk Nederland
  • Oudervereniging Balans

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen, adolescenten en volwassenen met Developmental Coordination Disorder (DCD) is geschreven om een eenheid te creëren in terminologie, diagnostiek en interventie bij personen met DCD, waarbij de richtlijn een structurele plaats heeft in het beroepsmatig handelen van alle zorgverleners die werken met personen met DCD. Een landelijke, discipline overstijgende richtlijn volgens medisch model ondersteunt iedere arts, paramedicus, en/of psychosociale professional in zijn of haar werk met personen met motorische problemen zonder aantoonbare medische problematiek.

Achterliggend doel is dat de zorg aan kinderen met DCD hierdoor verbetert en meer evidence-based onderbouwd wordt. In deze richtlijn is ook de huidige kennis rond DCD in adolescentie en volwassenheid gebundeld, hier worden de consequenties van DCD op volwassen leeftijd beschreven en worden kennislacunes rond diagnostiek en behandeling aangegeven.

 

Doelgroep

Primair bestaat de doelgroep uit alle artsen, paramedici en psychosociale professionals die betrokken zijn bij kinderen met DCD en hun ouder(s)/verzorger(s)[1].

Daarnaast is de richtlijn bestemd voor medewerkers in het onderwijs en speciaal onderwijs. Voor leerkrachten zal informatie beschikbaar gesteld worden rond de signalering van de motorische problematiek op school, de verwijsmogelijkheden en praktische tips voor het omgaan met kinderen met DCD in de klas.

De richtlijn is ook van grote waarde voor kinderen met DCD en hun ouders. Hiervoor zijn twee redenen: ten eerste stimuleert de richtlijn zorgverleners om vroeg te signaleren, tijdig door te verwijzen en te werken volgens methodes die in onderzoek effectief gebleken zijn. Ten tweede wordt ook voor ouders informatie toegankelijk gemaakt over de diagnose DCD, de gevolgen in het dagelijks leven en de mogelijkheden voor behandeling en advies.

Tot slot is de richtlijn van belang voor adolescenten en volwassenen met DCD en de zorgverleners waar zij zich melden met problemen in het dagelijks leven die het gevolg zijn van de DCD.


[1] In verband met de leesbaarheid wordt in de richtlijn verder de term “ouders” gebruikt waar het ook kan gaan om ouder(s)/verzorger(s).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2017 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met Developmental Coordination Disorder.

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • Drs. S. (Sebastiaan) Severijnen, kinderrevalidatiearts, Basalt Revalidatie, Leiden, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA] (voorzitter, lid projectgroep)
  • N. (Nienke) Faber, kinderergotherapie en kwaliteitsprojecten, Amsterdam (secretaris, lid projectgroep)
  • Dr. H.A. (Heleen) Reinders-Messelink, Bewegingswetenschapper, Revalidatie Friesland, Beetsterzwaag, [Stuurgroep DCD Netwerk Nederland] (lid projectgroep)
  • Drs. H. (Hester) Herweijer, kinderrevalidatiearts, Revalidatie Friesland, Beetsterzwaag, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA]
  • Drs. A.M. (Marco) van Staalduinen, kinderrevalidatiearts, LIBRA revalidatie & Audiologie, Tilburg, [Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, VRA]
  • Dr. J.A.A.M. (Anneloes) Overvelde, kinderfysiotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie (NVFK), Amersfoort, [Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie, NVFK]
  • Drs. I.P.A. (Ingrid) van der Veer, kinderfysiotherapeut en docent, Avans+, Breda, [Nederlandse Vereniging voor Kinderfysiotherapie, NVFK]
  • L.M.A. (Loes) van Heel-Op den Kamp, ergotherapeut, ParaMedisch Centrum Zuid, Sittard [Ergotherapie Nederland, EN]
  • Dr. J.J. (Johannes) Noordstar, kinderoefentherapeut, Platform Kinderoefentherapie, Utrecht, [Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, VvOCM}
  • Drs. H. (Hinke) Boomsma, Orthopedagoog generalist en psycholoog, UMCG centrum voor revalidatie, Groningen. [Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen, NVO]
  • Drs. B.H. (Baukje) Maengkom, GZ-psycholoog, Jeugdhulp Friesland, Sneek, [Nederlands Instituut van Psychologen, NIP]
  • Drs. N.S. (Nasirah) Joesoef, jeugdarts M&G, Veiligheidsregio Kennemerland, Haarlem, [AJN Jeugdartsen Nederland]
  • Dr. J.J.M.H. (Jacqueline) Strik, psychiater, MUMC+, Maastricht, [Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, NVvP]
  • J.W. (Joli) Luijckx, woordvoerder en beleidsmedewerker Oudervereniging Balans, De Bilt, [Oudervereniging Balans]

 

Met ondersteuning van:

  • Dr. N.H.J. (Natasja) van Veen, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • Dr. A. (Anne) Bijlsma-Rutte, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

Tijdens het schrijven van de richtlijn is Prof. Dr. B.C.M. Smits-Engelsman als adviseur geraadpleegd. Zij is mede-auteur van de “International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention and psychosocial aspects of developmental coordination disorder”[1] van de EACD (European Academy of Childhood Disability). Ook het DCD Netwerk Nederland en enkele leden van de klankbordgroep hebben tijdens het schrijfproces feedback gegeven. Hiervoor willen wij hen allen hartelijk danken.


[1] Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder.

Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Hierbij is geen belangenverstrengeling geconstateerd. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij de secretaris van de werkgroep.

Inbreng patiëntenperspectief

Het patiëntenperspectief is vertegenwoordigd doordat een afgevaardigde van oudervereniging Balans deelnam aan de Invitational Conference en aan de werkgroep. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan oudervereniging Balans en de Patiëntenfederatie.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Vanaf de start en in alle fasen van de richtlijnontwikkeling is gewerkt aan en rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is in ontwikkeling en zal worden opgenomen bij de aanverwante producten. Bij de implementatie van de richtlijn wordt nauw samengewerkt met oudervereniging Balans. Daarnaast is er actieve betrokkenheid van het DCD Netwerk Nederland, zowel vanuit de stuurgroep daarvan als vanuit de drie werkgroepen voor respectievelijk revalidatieartsen, paramedici en gedragswetenschappers. Hoofddoel van de implementatie is het vergroten van de bekendheid met DCD bij ouders, zorg- en onderwijsprofessionals.

Werkwijze

AGREE

Als basis voor de Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen met DCD is gebruik gemaakt van de “International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention and psychosocial aspects of developmental coordination disorder” van de EACD (European Academy of Childhood Disability). De eerste versie hiervan is in maart 2011 verschenen, de herziene versie in januari 2019. Ook Nederlandse deskundigen hebben hieraan meegewerkt. In de herziene versie is het meest recente internationale onderzoek op het gebied van DCD verwerkt en wordt meer aandacht geschonken aan de bijkomende psychosociale problematiek en de gevolgen van DCD in de adolescentie en volwassenheid. In verband met de leesbaarheid wordt In deze richtlijn verder gesproken over “EACD Recommendations on DCD”.

 

De Nederlandse richtlijn voor diagnostiek en behandeling van kinderen met DCD bestaat uit een vertaalde samenvatting van de herziene versie van de EACD Recommendations on DCD, die is aangepast aan de Nederlandse situatie. Ook zijn uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg toegevoegd, met aanbevelingen die op basis van literatuur en expert opinion zijn geformuleerd.

Bij de start van het Nederlandse richtlijntraject is de EACD Recommendations on DCD methodologisch beoordeeld met AGREE II. De EACD Recommendations on DCD voldeed aan de belangrijkste criteria (er is systematisch gezocht naar literatuur, de literatuur is beoordeeld aan de hand van GRADE, er is geen belangenverstrengeling geconstateerd). Zie hiervoor ook:

Blank R, Barnett AL, Cairney J, Green D, Kirby A, Polatajko H, Rosenblum S, Smits-Engelsman B, Sugden D, Wilson P, Vinçon S. International clinical practice recommendations on the definition, diagnosis, assessment, intervention, and psychosocial aspects of developmental coordination disorder. Dev Med Child Neurol. 2019 Jan 22

De evidencetabellen en zoekverantwoording zijn te vinden op de site van Wiley (https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/dmcn.14132) .

De aanbevelingen uit de EACD Recommendations on DCD zijn vertaald en vervolgens opnieuw geformuleerd. Hierbij werden toevoegingen gedaan voor de Nederlandse situatie.

 

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase werden knelpunten geïnventariseerd. Tevens zijn er knelpunten aangedragen tijdens de Invitational Conference. Het belangrijkste knelpunt dat naar voren kwam is de onbekendheid van ouders, zorg- en onderwijsprofessionals met DCD. Daardoor wordt de diagnose bij kinderen vaak laat gesteld, wat het geven van gerichte behandeling en adviezen vertraagt.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse en met gebruikmaking van de EACD Recommendations on DCD zijn concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep voor de nieuwe uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

De link naar de volledige tekst van de EACD Recommendations on DCD, inclusief de verantwoording en zoekstrategie, is opgenomen in de Aanverwante items.

Voor de uitgangsvragen over ouderparticipatie en ketenzorg werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs.

Bij de module ketenzorg werden geen studies gevonden die voldeden aan de selectiecriteria. Voor de module ouderparticipatie selecteerden de werkgroepleden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module ouderparticipatie.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten.

Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen.

 

Samenvatten van de literatuur voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen bij de uitgangsvraag over ouderparticipatie werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk*

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

*in 2017 heeft het Dutch GRADE Network bepaald dat de voorkeursformulering voor de op een na hoogste gradering ‘redelijk’ is i.p.v. ‘matig’

 

Formuleren van de conclusies voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling) voor de uitgangsvraag over ouderparticipatie

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). De aspecten van de organisatie van zorg staan beschreven bij de uitgangsvraag over ketenzorg.

 

Indicatorontwikkeling

De werkgroep heeft besloten geen indicatoren te ontwikkelen bij de huidige richtlijn, omdat er geen substantiële barrières konden worden geïdentificeerd die implementatie van de aanbeveling zouden kunnen bemoeilijken.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek van belang wordt geacht, is als aanbeveling in de Kennislacunes beschreven (onder Aanverwante items).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de voor de Invitational Conference uitgenodigde (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. Ook het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) heeft commentaar geleverd. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de in de werkgroep deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie. Op verzoek van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF, vertegenwoordigd in de klankbordgroep) werd de richtlijn ook ter autorisatie naar de NVLF gestuurd.

De definitieve richtlijn is door alle in de werkgroep vertegenwoordigde verenigingen en door de NVLF geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Brouwers, M. C., Kho, M. E., Browman G. P., et al. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. Canadian Medical Association Journal, 182(18), E839-E842. (2010).

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. (2012). https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Schünemann, H. J., Oxman, A. D., Brozek, J., et al. Rating Quality of Evidence and Strength of Recommendations: GRADE: Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ: British Medical Journal, 336(7653), 1106. (2008).

Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum (2004).

Wessels, M., Hielkema, L., & van der Weijden, T. How to identify existing literature on patients' knowledge, views, and values: the development of a validated search filter. Journal of the Medical Library Association: JMLA, 104(4), 320. (2016).

https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/dmcn.14132

https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30671947