Screening op depressie bij jeugd

Laatst beoordeeld: 01-01-2009

Uitgangsvraag

  • Welke symptomen en risicofactoren kunnen professionals attenderen op de mogelijkheid van een depressie bij kinderen (8-12) en adolsescenten (12-18 jaar)?
  • Welke algemene screeningsinstrumenten zijn geschikt voor het herkennen van depressie bij kinderen (8-12) en adolescenten (12-18)?

Aanbeveling

De werkgroep acht screening op depressie bij kinderen en adolescenten alleen zinvol als er een behandeling of interventie op volgt voor degenen die zijn opgespoord. Als er geen vervolgacties ondernomen worden is het niet zinvol om te screenen en leidt screening enkel tot ongerustheid. De werkgroep raadt aan in dat geval zeker geen screening uit te voeren.

De werkgroep beveelt aan om onderzoek te doen naar de kosteneffectiviteit van 'mass screening', 'selective screening' en 'case finding'.

De bruikbaarheid van de zelfrapportagelijst CDI als screeningsinstrument voor 'mass screening', 'selective screening' of 'case finding' binnen de eerste lijn is gezien de lengte van de vragenlijst (27 items) gering. Onderzoek naar een korte vragenlijst waarmee op aanwezigheid van depressie gescreend kan worden is gewenst.

De werkgroep is van mening dat bij 'case finding' van depressie rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van comorbide stoornissen. De werkgroep beveelt daarom het gebruik van een breed screeningsinstrument aan.

De werkgroep beveelt aan om bij 'case finding' voor de herkenning van depressie bij kinderen van 4 tot 18 jaar gebruik te maken van de CBCL en in het bijzonder van de DSM-IV schaal affectieve problemen.

De werkgroep beveelt aan om als zelfrapportagelijst voor 'case finding' in de leeftijd van 11 tot 18 jaar gebruik te maken van de YSR en in het bijzonder van de score op de DSM-IV schaal affectieve problemen.

De werkgroep beveelt aan voor screening op depressie primair de kinderen en de adolescenten zelf te bevragen en daarnaast ook ouders.

De werkgroep is van mening dat scholing van professionals in het gebruik van gestandaardiseerde vragenlijsten en semi-gestructureerde interviews de signalering en de diagnostiek van depressie verbetert.

De werkgroep beveelt scholing aan.


Indien er besloten wordt om te screenen via scholen, bijvoorbeeld tijdens de periodieke gezondheidsonderzoeken van de jeugdgezondheidszorg van de GGD, dan beveelt de werkgroep aan voor de screening op psychopathologie de SDQ / S-PSY te gebruiken.

De werkgroep beveelt aan om voor screening op psychopathologie door huisartsen de SDQ / S-PSY te gebruiken.

De werkgroep beveelt aan om bij screening voor depressie ook altijd een of meer items mee te nemen over suïcide. De CDI, YSR/ CBCL, SPSY geven deze mogelijkheid; een dergelijk item ontbreekt bij de RCADS, CES-D. Bij een positieve beantwoording van het item suïcidaliteit moet de Multidisciplinaire Richtlijn Beoordeling en behandeling van patiënten met suïcidaal gedrag (in ontwikkeling, gereed in 2010) geraadpleegd worden.

De werkgroep beveelt aan dat wanneer een kind of adolescent een item over suïcide positief beantwoordt, er verdere diagnostiek naar depressie en andere vormen van psychopathologie gedaan wordt.

Overwegingen

Zuckerbrot et al. (Zuckerbrot et al., 2006) hebben een systematische review uitgevoerd ten aanzien van het herkennen van depressie bij adolescenten in de huisartsenpraktijk (zie overzicht). Dertig studies voldeden aan de criteria waarvan 5 adequate psychometrische data hadden. Geconcludeerd wordt dat er evidentie bestaat dat scholing het vermogen van huisartsen om depressie bij adolescenten te herkennen verbetert. Het gebruik van gestructureerde screeningslijsten vergroot dit vermogen nog meer. Het gebruik van screeningslijsten door huisartsen bevordert het onderkennen van depressie bij jeugdigen (Zuckerbrot, 2006).

Uit een gecombineerde systematische review en meta-analyse van Cuijpers (Cuijpers et al., 2006) blijkt dat er 31 schoolgaande jongeren gescreend moeten worden om één depressie succesvol te behandelen. Deze conclusie is gebaseerd op 8 studies die voldeden aan de inclusie-criteria. Opgemerkt moet worden dat het aantal geschikte studies beperkt is en dat bij de meeste van deze 8 studies er een zelfrapportage vragenlijst is gebruikt om depressie te diagnosticeren. Geconcludeerd wordt dat screening en vroege interventie op scholen een effectieve strategie kan zijn om de ziektelast van depressie voor kinderen en adolescenten te verminderen (Cuijpers et al, 2006, A1).

Mass screening' op depressie in de algemene populatie is mogelijk (Cuijpers, 2006). Er is echter onvoldoende evidentie rondom de kosteneffectiviteit voor het al dan niet aanbevelen van 'mass screening' , 'selectieve screening' en 'case finding' op depressie bij kinderen en adolescenten.

Voor gebruik in de eerstelijnszorg moeten hoge eisen worden gesteld aan de gebruiksvriendelijkheid van screeningsinstrumenten (NICE, 2005);

In de NICE richtlijn ( 2005) wordt aangeraden om navraag te doen naar suïcide gedachten en plannen. Ook tijdens de behandeling wordt geadviseerd om suïcide gedachten en plannen te monitoren.

Inleiding

Screening

Deze paragraaf beschrijft kort enkele aspecten van screening. Aan de orde komen verschillende vormen van screening, normatief kader, het doel van de screening, wie gescreend wordt, waarnaar gevraagd moet worden en het meetinstrument.

 

Vormen van screening

Er zijn twee vormen van screening te onderscheiden; 'mass screening' en 'selectieve screening'. Bij 'mass screening' wordt een algemene populatie gescreend en bij 'selectieve screening' screent men hoogrisico groepen in een populatie (zie verder paragraaf 3.4)

Beide vormen van screening zijn een vorm van bevolkingsonderzoek van op het oog gezonde personen met het doel hen te scheiden in een groep personen die de ziekte,- in dit geval een depressieve stoornis -, waarschijnlijk wel en een groep personen die de ziekte waarschijnlijk niet heeft. Als het onderzoek aantoont dat iemand het voorstadium van de aandoening, de aandoening zelf of een risicofactor heeft dan is de uitslag positief. Als iemand volgens het onderzoek dat alles niet heeft, is de uitslag negatief. Een screeningstest is niet bedoeld als een definitieve diagnose. Personen met een positieve bevinding moeten voor diagnostiek en behandeling worden doorverwezen.

Behalve deze vormen van screenen is er een andere vorm van vroegtijdige opsporing die 'case finding' genoemd wordt. Er wordt dan geen (sub)populatie onderzocht maar er wordt een vragenlijst of diagnostisch onderzoek aangeboden aan personen die vanwege een andere reden een huisarts, jeugdarts of een leerlingbegeleider bezoeken. Het doel van 'case finding' is vroegtijdige opsporing van een behandelbare aandoening. Dit addendum beperkt zich tot 'selectieve screening' en 'case finding'. Mass screening behoort niet tot de verantwoordelijkheid van individuele hulpverleners, waarvoor dit addendum bedoeld is.

 

De selectieve screening moet personen met een hoge ziektekans duidelijk onderscheiden van personen met een lage ziektekans. De voorspellende waarde van de test zal echter nooit 100% zijn. Het kan dus voorkomen dat door de test iemand ten onrechte als positief wordt aangewezen: dan spreekt men van fout- positieve uitslag. Na nader diagnostisch onderzoek zal pas blijken dat de uitslag van de selectieve screening onjuist was. De hierdoor veroorzaakte spanning voor ouders en kind is onnodig en ongewenst; verder werkt het kostenverhogend en de acceptatie van het diagnostisch onderzoek door ouders wordt er nadelig door beïnvloed. Omgekeerd kan het ook gebeuren dat de uitslag ten onrechte negatief is. Dan spreekt men van een fout-negatieve uitslag. Er zal dan (ten onrechte) geen nader diagnostisch onderzoek plaatsvinden en de diagnose zal in een veel latere fase gesteld worden. Een behandeling zal (te) laat worden ingezet.

 

Normatief kader

Recent is een advies van de Gezondheidsraad verschenen over ontwikkelingen op het gebied van screening: Screening: tussen hoop en hype (2008). Internationaal bestaat brede consensus over de criteria waaraan verantwoorde screening moet voldoen. Het normatieve kader gaat terug op de veertig jaar geleden geformuleerde 'Principles of screening for disease' van Wilson en Jungner. De kern van het normatieve kader is: screening is pas verantwoord als vaststaat dat de voordelen voor de deelnemers opwegen tegen de altijd aanwezige nadelen; dit geldt voor het publieke en het private screeningsaanbod. Uitgangspunten van het normatieve kader zijn:

  • Het gaat om een belangrijk gezondheidsprobleem
  • Screening moet nuttig zijn
  • Er moet een betrouwbaar en valide instrument zijn
  • Respect voor de autonomie moet geborgd zijn
  • Doelmatig gebruik van middelen moet verantwoord kunnen worden.

Een nadere concretisering van deze uitgangspunten voor het screenen op depressie bij jeugdigen is nog niet volledig en systematisch gebeurd.

Gezien de omvang van de problematiek en de maatschappelijke druk meent de werkgroep dat enige aandacht voor screening op depressie bij jeugdigen in deze richtlijn op zijn plaats is. Zij realiseert zich hierbij dat er nog tal van discussiepunten zijn zoals benoemd in het advies van de Gezondheidsraad. Het voert te ver om in deze richtlijn daar verder op in te gaan. Voor de geïnteresseerde lezer verwijst de werkgroep naar www.gr.nl waar het advies te downloaden is.

 

Validiteit en psychometrische kwaliteiten van opsporingsinstrumenten

De meeste instrumenten die voor opsporing van depressie bij jongeren zijn ontwikkeld, zijn gericht op de opsporing van een bepaalde aandoening volgens functioneel omschreven criteria of op de opsporing van een vastgestelde combinatie van signalen en symptomen.

De criterium-validiteit is de mate waarin een test in staat blijkt onderscheid te maken tussen mensen, die de aandoening mogelijk wel hebben en degenen die hem niet hebben met daarbij een zo gering mogelijk aantal fout-positieve en fout-negatieve uitslagen.

De begrips-validiteit is de mate waarin de test in staat blijkt om de symptomen, die zich bij de bedoelde stoornis voordoen, te kunnen signaleren of karakteriseren.

Er kan niet van worden uitgegaan dat criterium-validiteit en begrips-validiteit samen altijd tot het 'beste instrument' zullen leiden. De criterium-validiteit voor de DSM- IV diagnose depressieve stoornis kan bijvoorbeeld het beste bepaald worden door slechts een paar vragen te stellen, waarvan men weet dat als deze vragen met 'ja' worden beantwoord, er een grote kans is dat de jongere momenteel klinisch depressief is. De begrips-validiteit daarentegen vereist veel vragen om het volledige scala aan symptomen van depressiviteit na te gaan, waarbij er vaak slechts een zwak verband tussen de symptomen en de uiteindelijke stoornis bestaat.

Als we kinderen willen opsporen met een tevoren gedefinieerd syndroom 'depressieve stoornis', moeten we instrumenten gebruiken met een goede criterium-validiteit.

Als het de bedoeling is om het scala van depressieve symptomen in de populatie te bepalen moeten we instrumenten met een goede begrips-validiteit gebruiken.

De gebruikte instrumenten dienen te voldoen aan psychometrische eisen, zoals de in de COTAN (2000) staan geformuleerd. Kernpunten hierbij zijn dat de vragenlijst meet wat de gebruiker wil meten, en dit vervolgens nauwkeurig en betrouwbaar doet. Dit wordt aangeduid met de validiteit en de betrouwbaarheid van een vragenlijst.

De sensitiviteit van een instrument verwijst naar het percentage juiste gevallen van depressieve kinderen dat correct door de test wordt gevonden. Lage sensitiviteit betekent dat te weinig depressieve kinderen gevonden worden, waardoor een deel van de kinderen met een depressieve stoornis ten onrechte geen behandeling krijgt: fout-negatieven.

De specificiteit van een instrument verwijst naar het percentage werkelijk gezonde kinderen dat door de test ook als zodanig wordt aangewezen. Dit is belangrijk om te voorkomen dat gezonde kinderen ten onechte een behandeling of andere interventies ondergaan, terwijl ze gezond zijn en deze dus niet nodig hebben: fout- positieven. Bij toenemende specificiteit zal het aantal fout-positieven afnemen. Gestreefd moet dus worden naar onderzoeksinstrumenten met een hoge sensitiviteit en specificiteit. Zij zullen er in slagen om de depressieve kinderen voldoende valide te identificeren.

 

Wie moet bevraagd worden?

Er is in het veld van de kinder- en jeugdpsychiatrie consensus over het feit dat criterium-validiteit en begrips-validiteit voor emotionele- en gedragsproblemen bij kinderen en adolescenten, het best kunnen worden bepaald door ouder èn kind te bevragen over de huidige problemen en symptomen en vervolgens beide resultaten te combineren. Er bestaat een grotere discrepantie tussen verschillende informanten (ouders, kind) bij de beoordeling van internaliserende problemen (angst en depressie) dan van externaliserende problemen (De Los Reyes & Kazdin, 2005). Epidemiologisch onderzoek laat voorts zien dat elke informant unieke en niet-overlappende informatie aandraagt (Verhulst et al., 1997).

Wanneer bij depressie alleen de ouder rapporteert, wordt een klinische depressie bij hun kind mogelijk gemist (Pavuluri & Birmaher, 2004). Bij rapportage van kind of jeugdige wordt juist het tegengestelde waargenomen, namelijk dat te veel individuen ten onrechte als depressief worden aangemerkt. Bij ouders blijkt dus onderrapportage plaats te vinden, bij kinderen juist een overrapportage. Andere potentiële ondervraagden (leraren, broertjes en zusjes en groepsgenoten) rapporteren vergelijkbaar met de ouders, behalve echte vertrouwelingen, die vaak vergelijkbaar met het onderzochte kind rapporteren. Zelfrapportage is van belang om zicht te krijgen op de subjectieve beleving. Het kind moet dus in elk geval bevraagd worden. Bij de screening op depressie is het kind zelf de belangrijkste informant. De werkgroep volgt hierin de NICE Richtlijn.

 

Wat moet gevraagd worden?

Waarnaar gevraagd moet worden hangt af van de gebruikte definities voor depressie. Signalen en symptomen die gebaseerd zijn op bestaande syndroomdefinities (DSM-IV en ICD-10) worden over het algemeen gezien als de meest efficiënte manier om mensen, waarbij sprake is van psychopathologie, te op te sporen.

Het is van belang om te vragen naar specifieke perioden waarin sprake is van een depressie, om de seizoensgebonden depressie op het spoor te komen. Opnemen van aspecten die door sommige professionals worden gebruikt zonder dat deze aspecten voorkomen in de syndroomdefinitie, of die tè zeer ingaan op details moeten zorgvuldig worden overwogen. Een grotere detaillering of een bredere range verbeteren zelden het vermogen van het instrument om echte gevallen op te sporen. Vaak maakt de professional zich zorgen om de inhoud, terwijl de nadruk eigenlijk op criterium-validiteit zou moeten liggen.

Diverse bronnen bevelen aan om in elk geval te vragen naar de kernsymptomen van depressie zoals gedefinieerd in de DSM-IV: is er sprake van een sombere stemming en van verlies van interesse of plezier (anhedonie) gedurende de laatste weken? Verder wordt aangeraden te vragen naar de aanwezigheid van een familiaire belasting voor depressie en om na te gaan of de persoon in kwestie geholpen wil worden. Een familiaire belasting voor depressie is overigens niet volledig specifiek: depressie bij ouders hangt ook samen met een vergrote kans op andere psychopathologie bij kinderen, vooral gedragsstoornissen (ODD en CD) en angststoornissen (Pilowsky et al., 2006). Daarnaast komt depressie bij kinderen eveneens relatief vaker voor bij kinderen met ouders met andere psychopathologie dan depressie, zoals angststoornissen of verslavingsproblematiek (bijvoorbeeld Dierker, Merikangas en Szatmari, 1999) .

 

Doel van de opsporing

Het doel van de opsporing is om binnen een groep individuen te identificeren die de specifieke aandoening, depressie of depressieve symptomenhebben. Hierbij moet men zich een aantal zaken afvragen: Is screening een poging om alle vormen van depressie op te sporen of alleen een specifieke vorm? Is het de bedoeling om individuen op te sporen die chronisch depressief zijn, óf momenteel depressief zijn óf die eerder depressief zijn geweest? Zijn er specifieke eisen waar rekening mee gehouden moet worden, zoals cultuur, taal en etniciteit of bepaalde kindkenmerken zoals leeftijd, geslacht en cognitieve ontwikkeling. Tot op heden wordt bij de ontwikkeling van een screenings-instrument zelden met deze kenmerken rekening gehouden.

 

Toepasbaarheid

Er moet worden nagegaan of het onderzoeksinstrument bruikbaar is voor de te onder-zoeken populatie. Formulering, woordkeus en lengte van de lijst, de begrijpelijkheid, de wijze van presentatie (bijv. papieren versie, handheld computer of via internet) beïn-vloeden allemaal de mate waarin het instrument door zoveel mogelijk ondervraagden volledig en betrouwbaar zal worden ingevuld.

 

Instrumenten voor screening

De uitgangsvraag luidt: welke screeningsinstrumenten zijn geschikt voor het herkennen van depressie bij kinderen (8-12) en adolescenten (12-18)?

Er bestaan veel screeningslijsten. De keuze van de screeningslijsten die geselecteerd zijn, is gemaakt op basis van de volgende criteria:

  • De vragenlijst is in het Nederlands vertaald
  • De vragenlijst wordt in Nederland gebruikt
  • De psychometrische kwaliteiten van de vragenlijst zijn onderzocht en in orde bevonden
  • De vragenlijst is speciaal ontwikkeld voor kinderen (vragenlijsten om depressie bij volwassenen te meten zijn niet meegenomen)

 

Bij screeningslijsten is een onderscheid te maken in 'breed' en 'smal' spectrum vragenlijsten. De breed spectrum vragenlijsten bevatten verschillende subschalen voor specifieke stoornissen en/of domeinen. De CBCL/YSR en de SDQ zijn hier voorbeelden van. Breedspectrum vragenlijsten hebben als voordeel dat de aanwezigheid van comorbiditeit ook meegenomen wordt in de screening. Comorbiditeit komt veel voor bij depressieve stoornissen bij kinderen en adolescenten (Angold et al., 2001). Er is een duidelijke associatie tussen een depressieve stoornis (MDD) en/of dysthyme stoornis en angststoornissen,

ADHD, gedragsstoornissen(ODD) en middelenmisbruik (Angold et al., 2001).

De smalspectrum vragenlijsten beperken zich tot het screenen op depressieve stoornissen.

Voorts kan er onderscheid gemaakt worden in zelfbeoordelingslijsten en vragenlijsten ingevuld door anderen.

 

Onderstaande lijst van screeningsinstrumenten worden nader besproken.

  1. CDI: Child Depression Inventory
  2. CES-D: Center for Epidemiological Studies - Depression Scale
  3. CBCL: Child Behavior CheckList / YSR: Youth Self Report
  4. SDQ: Strenghts and Difficulties Questionnaire
  5. R-CADS: Revised Child Anxiety and Depression Scale
  6. SEV: Sociaal Emotionele Vragenlijst

 In schema (met assen breed/smal + zelfrapportage/other):

Instrument

Smal

Breed

Zelf-

Ander

 

spectrum

spectrum

rapportage

 

CDI

+

 

+

 

CES-D

+

 

+

 

CBCL / YSR

 

+

+

+

SDQ / SPsy

 

+

+

+

RCADS

 

+

+

 

SEV

 

+

 

+

 

De volgende instrumenten komen wel voor in de studies die besproken worden, maar de instrumenten zelf worden hier niet besproken, om de volgende redenen:

  1. BDI; Beck Depression Inventory: Deze vragenlijst is ontworpen voor volwassenen en wordt met name gebruikt in wetenschappelijk onderzoek voor jongeren van 16 jaar en ouder. Er is een Nederlandse versie beschikbaar vanaf 13 jaar (website NJi), maar er zijn geen Nederlandse normgegevens.
  2. MFQ; Mood and Feelings Questionnaire: niet in het Nederlands vertaald.
  3. RADS; Reynolds Adolescent Depression Scale: niet in het Nederlands vertaald.
  4. KADS; Kutcher adolescent depression scale: niet in het Nederlands vertaald.
  5. ADRS; Adolescent Depression Rating Scale: niet in het Nederlands vertaald.
  6. DVK; Depressie Vragenlijst voor Kinderen: beschikt over onvoldoende criteriumvaliditeit en de toepasbaarheid van de DVK is verder beperkt door de leeftijdsgrens van 9 tot 12 jaar en de lengte van de lijst (107 items).
  7. Hamilton: geen Nederlandse versie beschikbaar.

Conclusies

Niveau 2

De CDI is een zelfrapportagelijst die beschikbaar is voor de screening van depressie bij jeugdigen van 7-17 jaar.

 

A2: Timbremont, 2004

 

Niveau 2

De SDQ (en de uitgebreidere S-PSY) is een screeningsinstrument voor psychosociale problemen (gedragsproblemen) en de impact daarvan op sociale adaptatie. De lijst maakt gebruik maakt van zelfrapportage (11-16 jaar), ouderrapportage (4-16 jaar) en rapportage door de leerkracht (4-16 jaar).

 

A2: Goodhart et al, 2003

 

Niveau 2

De CBCL is een breed screeningsinstrument voor gedragsproblemen, waaronder depressie, in te vullen door de ouders (6-18 jaar). De YSR is een zelfrapportagelijst voor de brede screening op gedragsproblemen, waaronder depressie, bij jeugdigen (11-18 jaar).

 

A2: Ferdinand, 2008

 

Niveau 3

De CES-D is een zelfrapportagelijst voor de screening op depressie bij jeugdigen vanaf 14 jaar.

 

B: Cuijpers et al, 2007

 

Niveau 3

De SEV is een breed screeningsinstrument voor gedragsproblemen, waaronder angstig-depressief gedrag, bij jeugdigen (4-18 jaar) in te vullen door de ouders of leerkrachten.

 

C: Scholte en van der Ploeg, 2004

 

Niveau 3

De RCADS is een zelfrapportagelijst voor de screening op symptomen van angst en depressie bij kinderen en jongeren (7-18 jaar).

 

B: Chorpita et al., 2000; Chorpita et al. 2005

Samenvatting literatuur

1. CDI: Child Depression Inventory

De Children's Depression Inventory (Kovacs, 1992; Nederlandse vertaling van Timbremont & Braet, 2002) is een zelfrapportagelijst voor kinderen van 7 tot 17 jaar en brengt symptomen van depressie in kaart. De lijst bestaat uit 27 items die naar cogni-tieve, affectieve en gedragsmatige componenten van depressie bij jongeren vragen. Bij elke stelling wordt gevraagd naar de mate waarin de symptomen de afgelopen twee weken door de jongere ervaren zijn. De items die gescoord zijn, worden opgeteld en hieruit wordt een totaalscore berekend. Eén item vraagt specifiek naar de aanwezigheid van suïcide gevaar.

 

Timbremont et al. (2004) heeft de CDI gevalideerd in een onderzoeksgroep van 80 kinderen (8-18 jaar). Deze kinderen waren verwezen naar een GGZ-instelling voor psychopathologische problemen. Als gouden standaard werd de KID-SCID (Hien et al. 1994; Nederlandse vertaling Dreessen, Stroux & Weckx, 1998) gebruikt.

Bij een cut-off van 13 was de specificiteit 67,7% en de sensitiviteit 94,4%. ROC curven werden uitgevoerd om het optimale cut-off punt te bepalen. Bij een score van 16 was de specificiteit versus sensitiviteit maximaal. De totale predictieve waarde was 86,3%. De onderzoekers adviseren om de CDI te gebruiken om hoog- risico kinderen te selecteren die in aanmerking komen voor uitgebreide diagnostiek (Timbremont, 2004, A2).

 

Bovenstaande gegevens zijn onderzocht met een Vlaamse versie van de CDI. Daarbij is de onderzoekspopulatie (80 kinderen) tamelijk beperkt. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de CDI voor Nederland niet heel goed is onderzocht.

De handleiding van de CDI zal op basis van een recent uitgevoerde studie vernieuwd worden.

 

2. CES-D: Center for Epidemiological Studies - Depression Scale

De Center for Epidemiological Studies - Depression scale (Nederlandse vertaling van Bouma e.a. 1995) is ontwikkeld met het doel om depressieve symptomen bij bevolkingsgroepen vast te kunnen stellen. De CES-D is een zelfbeoordelingsvragenlijst die is gebaseerd op een aantal al langer in gebruik zijnde en gevalideerde depressieschalen. Het instrument pretendeert niet om klinische depressie bij individuen aan te tonen, maar beperkt zich tot het vaststellen van depressieve symptomatologie bij groepen mensen in de week voorafgaand aan de afname van de vragenlijst. Het instrument telt slechts 20 eenvoudig en bondig geformuleerde items die door de respondent zelf thuis, dus zonder deskundige interviewers, kunnen worden ingevuld. Er wordt gevraagd naar de toestand gedurende de afgelopen week. Er is geen specifiek suïcide-item. De items worden gescoord op een vierpuntsschaal: zelden of nooit (0); soms of weinig (1); regelmatig (2); meestal /altijd (3). De totale score kan variëren van 0 (geen depressieve symptomen) tot 60 (veel depressieve symptomen).

Cuijpers (Cuipers et al., 2007) hebben deze lijst getest in een onderzoeksgroep van 1392 jeugdigen van 14-16 jaar die werden gescreend op depressie via internet. De leerlingen werden benaderd via middelbare scholen en via het internet. Van deze totaalgroep kregen 273 (17%) leerlingen vervolgens een diagnostisch interview (MINI = Internationaal Neuropsychiatrisch Interview) om een depressieve stoornis vast te stellen. Crohnbach's alpha was voor beide testen hoog: de CES-D 0.93 en voor de MDI 0.88 en ze hadden een hoge correlatie met elkaar (0.88). Beide signaleringsinstrumenten signaleerden alle jeugdigen met een depressieve stoornis, zowel degenen die ten tijde van het onderzoek depressief waren als degenen met een depressie in de voorgeschiedenis.

ROC curven werden uitgevoerd om het optimale cut-off punt te bepalen Bij een cut-off punt van 22 voor de CES-D was de sensitiviteit 90,4% en de specificiteit 74,3%. Voor de MDI lag het cut-off puntt op 19 bij een sensitiviteit 90,4% en de specificiteit 71,5%. De onderzoekers concluderen dat de CES-D en de MDI betrouwbare en valide instrumenten zijn, die goed gebruikt kunnen worden om jeugdigen te screenen op depressie via internet.

Er is geen COTAN beoordeling beschikbaar.

 

3. CBCL / YSR: Child Behavior CheckList / YSR: Youth Self Report

Een veel gebruikte (internationale) vragenlijst is de Child Behavior CheckList (CBCL; Achenbach, 1991; Nederlandse vertaling en bewerking door Verhulst et al., 1996). De CBCL is een meetinstrument om emotionele en gedragsstoornissen bij kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar op te sporen.

Begin 2003 zijn nieuwe versies van de gedragsvragenlijsten beschikbaar gekomen, waarbij de leeftijdsindeling waarvoor de lijsten geschikt zijn, is veranderd. Er zijn nu vragenlijsten voor 11/2 t/m 5-jarigen (CBCL 11/2 t/m 5, C-TRF: Caregiver-Teacher Report Form) en voor de 6 t/m 18-jarigen (CBCL,TRF en YSR: Youth Self Report 11 t/m 18). Voor het invoeren en scoren van deze vragenlijsten is een computerprogramma beschikbaar waarmee de resultaten grafisch inzichtelijk kunnen worden gemaakt in de vorm van gedragsprofielen.

De CBCL is een vragenlijst, die door ouders/verzorgers ingevuld dient te worden, daarnaast is er een versie voor de leerkracht (TRF) en is er ook een versie die door de jongere zelf kan worden ingevuld, de Youth Self Report (YSR) (11-18 jaar).

De items worden gescoord op een drie-puntsschaal: helemaal niet (0), een beetje waar/ soms (1) en duidelijk/vaak (2). De score van de lijsten levert een profiel op waarin aangegeven staat of de beleving van de invuller boven de 'klinische norm' uitkomt of tot de normale populatie behoort. De vragenlijst bestaat uit verschillende schalen.

Er worden deelscores berekend voor acht verschillende probleemgebieden: teruggetrokken gedrag, angstig/depressief gedrag, lichamelijke klachten, sociale problemen, denkstoornissen, aandachtsproblemen, delinquent gedrag en agressief gedrag. Een score van 66 komt overeen met de 95e percentiel. Dit betekent dat 5% van de kinderen van dezelfde leeftijd en sekse hetzelfde probleemgedrag of erger vertonen. Een score tussen de 66 en de 70 is het grensgebied tussen normaal en klinisch gedrag. Een score van 70 komt overeen met de 98e percentiel en bevindt zich in het klinische gebied,waarin de kinderpsychiatrische populatie scoort.

Een gedeelte van de acht probleemgebieden is geclusterd, waardoor nog twee probleem-scores ontstaan op de brede bandschalen internaliserend en externaliserend gedrag. De probleemscore voor internaliserend gedrag heeft betrekking op zaken waar het kind zelf last van heeft, zoals teruggetrokken gedrag, lichamelijke klachten en angstig/depressief gedrag. Twee items gaan specifiek over suïcide of zelfbeschadigend gedrag. De probleemscore voor externaliserend gedrag heeft betrekking op zaken waar de omgeving last van heeft, zoals agressief en delinquent gedrag. De resterende drie probleemgebieden, te weten sociale problemen, denk- en aandachtsproblemen, liggen in het overgangsgebied tussen internaliserend en externaliserend en worden apart gescoord.

Vrij nieuw is dat er tevens scores kunnen worden berekend op 6 DSM-IV syndroomschalen: affectieve problemen, angstproblemen, lichamelijk problemen, aandachtsproblemen hyperactiviteit, oppositioneel-opstandige problemen en agressieve gedragsproblemen.

 

Zoals blijkt uit bovenstaande beschrijving kunnen de CBCL en de YSR op drie verschillende manieren gebruikt worden om informatie over depressieve symptomen te krijgen. Er kan gekeken worden naar:

  1. de score voor het probleemgebied angstig/depressief gedrag (smalle band schaal): 
    symptomen van depressieve- èn symptomen van angststoornissen zijn ondergebracht in deze subschaal. Dit bemoeilijkt de differentiaaldiagnose.
  2. de score voor internaliserend gedrag (brede band schaal): de probleemgebieden teruggetrokken gedrag, lichamelijke klachten en angstig/ depressief gedrag worden hierbij verenigd tot één score op internaliserend gedrag.
  3. de score op de DSM-IV schaal affectieve problemen. Zoals ook uit het onderzoek van Ferdinand (Ferdinand, 2008) blijkt kan deze score het best gebruikt worden als screening op de DSM-IV diagnose depressieve stoornis en dysthyme stoornis.

 

De CBCL wordt door Resing (Resing et al., 2002) als goed beoordeeld in het kader van indicatiestelling. De score op een CBCL-lijst geeft een tamelijk specifieke indicatie van het type probleem, dat wil zeggen de score leidt tot een hypothese die vervolgens met gericht (diagnostisch) onderzoek dient te worden getoetst.

Om depressie op te sporen wordt naar de DSM-IV schaal affectieve problemen gekeken.

Uit onderzoek van Ferdinand (Ferdinand, 2008) blijkt dat de DSM-IV schaal affectieve problemen van de CBCL en de YSR gebruikt kan worden voor screening op de DSM-IV diagnose depressieve stoornis en dysthyme stoornis. Hij onderzocht in een klinische populatie van 277 kinderen in de leeftijd van 6 tot 18 jaar, die verwezen waren vanwege angst-en depressieve klachten, of de CBCL/YSR schaalscores van de DSM-IV schalen angstproblemen en affectieve problemen de diagnoses voor respectievelijk angst- en stemmingsstoornissen (DSM-IV, gemeten met de Anxiety Disorders Interview Schedule (ADIS-C/P) voorspelde. De AUC voor depressieve stoornis is 0,83 (ouders) en 0,91 (kinderen) en voor dysthyme stoornis 0,76 (ouders) en 0,87 (kinderen). De subschaal affectieve problemen van de YSR hing in een ander onderzoek 0,67 samen met de specifieke subschaal depressie van de RCADS, hetgeen een aanwijzing is voor een goede specificiteit (van Lang, 2005).

 

* Cotan-beoordeling CBCL*:

 

Uitgangspunten bij de testconstructie:

Goed

Kwaliteit van het testmateriaal:

Goed

Kwaliteit van de handleiding:

Goed

Normen:

Goed

Betrouwbaarheid:

Voldoende

Begripsvaliditeit:

Goed

Criteriumvaliditeit:

Goed

 

* Cotan-beoordeling YSR*:

 

Uitgangspunten bij de testconstructie:

Goed

Kwaliteit van het testmateriaal:

Goed

Kwaliteit van de handleiding:

Goed

Normen:

Goed

Betrouwbaarheid:

Goed*

Begripsvaliditeit:

Goed

Criteriumvaliditeit:

Voldoende

* de beoordeling “goed” betreft alleen de totaalscores internaliseren, externaliseren 
en totale probleemscore.

 

4. SDQ / S-PSY Strenghts and Difficulties Questionnaire
De Strenghts and Difficulties Questionnaire is een korte vragenlijst en is bedoeld  om kinderen in de leeftijd van 4 tot 16 jaar te signaleren met een hoog risico op psycho-sociale problemen (Goodman, 1997, Muris et al., 2003, Widenfelt et al., 2003, Goedhart et al., 2003).  In Nederland is de SDQ vertaalt als de vragenlijst Sterke Kanten en Moeilijkheden  (Treffers, 2000). De vragenlijst bestaat uit 25 vragen die betrekking hebben op  vijf probleemschalen: hyperactiviteit/aandachtstekort, emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en prosociaal gedrag. De items worden gescoord op een driepunts-schaal: niet waar (0), een beetje waar (1) en zeker waar (2). Daarnaast bevat de uitgebreide versie van de SDQ extra vragen over de impact van de waargenomen moeilijkheden op de psychosociale adaptatie. De totale probleemscore wordt gebruikt als een algemene voorspeller voor
aanwezigheid van psychische problematiek. Er bestaat een versie voor ouders, een versie voor leerkrachten en een zelfbeoordelingsversie voor jongeren (11-16 jaar). De SDQ is een internationaal geaccepteerde lijst, vertaald in 40 talen, met goede psycho-metrische kenmerken. Hij is voor niet-commercieel gebruik vrij verkrijgbaar op www.sdqinfo.com. De vragenlijst is genormeerd op de Nederlandse populatie. Er is evidentie voor een heldere factorstructuur, goede soortgenoot validiteit (samenhang met CBCL, TRF en YSR) en een onderscheidend vermogen die met de genoemde lijsten CBCL, TRF en YSR vergelijkbaar is, met betrekking tot aanwezigheid en aard van psychiatrische problemen. De sensitiviteit en de specificiteit van de SDQ voor signalering van psychosociale problemen zijn respectievelijk 86% en 90%. Voor depressiviteit is de sensitiviteit van de SDQ 74%. Voor jeugdigen (12-18 jaar) is er de S-PSY. Dat is de SDQ met toegevoegde items gerelateerd aan eetstoornissen, alcohol- en drugsmisbruik, psychotische kenmerken en zelfdestructief gedrag (automutilatie en suïcidaal gedrag). De S-PSY wordt met name in GGZ-instellingen veel gebruikt als ondersteuning voor de diagnostiekfase. Ook wordt de lijst gebruikt als onderdeel van routine outcome monitoring.
Er is geen COTAN score beschikbaar.

 

5. RCADS: Revised Child Anxiety and Depression Scale

De Revised Child Anxiety and Depression Scale, RCADS (Chorpita et al.,

2000; Muris et al.,2002) is een symptoommaat voor vijf angststoornissen en de depressieve stoornis. De zelfrapportage vragenlijst omvat zes schalen: gegeneraliseerde angst, sociale fobie, separatieangst, panieksymptomen, obsessief-
compulsieve symptomen en depressieve symptomen. De vragenlijst bevat zevenenveertig items, waarvan tien items depressieve symptomen meten. Kinderen en jongeren krijgen de instructie op een vierpuntschaal aan te geven in hoeverre elke uitspraak op hen van toepassing is. De antwoordmogelijkheden lopen uiteen van 'nooit (0)'; 'soms (1)'; 'vaak (2)' tot 'altijd (3)'. Enkele voorbeelditems van de schaal depressieve symptomen zijn: 'Ik voel me verdrietig of leeg', 'Ik vind niets meer echt leuk' en 'Ik heb geen energie meer om dingen te doen'. Er is geen item opgenomen over suïcide.

De RCADS wordt veel gebruikt in (inter)nationaal wetenschappelijk onderzoek. De psychometrische gegevens van deze vragenlijst zijn internationaal goed onderzocht in grote klinische groepen en in de algemene bevolking en goed bevonden (Chorpita et al., 2000 en 2005). Er zijn geen Nederlandse normgegevens beschikbaar. De lijst is een goede kandidaat voor screening op depressie wanneer er wel Nederlandse normgegevens beschikbaar zouden zijn. Er is geen COTAN beoordeling in COTAN 2000 beschikbaar.

 

6. SEV: Sociaal emotionele vragenlijst

De SEV (Scholte en van der Ploeg, 2004) is een gedragsbeoordelingslijst voor kinderen van 4 tot 18 jaar, waarmee kan worden nagegaan in hoeverre kinderen problemen vertonen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De 72 items dekken de belangrijkste kernsymptomen die de genoemde probleemgebieden volgens de DSM in gedragsmatig opzicht constitueren. De afname duurt 30 minuten. De uitslag mag alleen geïnterpreteerd worden door psychodiagnostisch bevoegde professionals. Dit is een belangrijke beperking voor het gebruik in de nulde en eerste lijn. Huisartsen kunnen de SEV daarom niet gebruiken. De specifiek te onderscheiden vormen van sociaal-emotionele problematiek zijn: aandachtstekort met hyperactiviteit (ADHD), sociale gedragsproblematiek (ODD en CD), angstig en stemmingsgestoord gedrag en contact en communicatieproblemen (kenmerken van autisme). Angstig en stemmingsgestoord gedrag valt weer uiteen in drie subschalen, namelijk angst in het algemeen, sociaal angstig gedrag en angstig-depressief gedrag. Er is dus geen pure subschaal voor depressie. Er is geen specifiek item over suïcide. De psychometrische kwaliteiten zijn goed te noemen. Een belangrijk nadeel is, is dat er geen vragenlijst voor de jeugdige zelf beschikbaar is. Hierdoor is er geen sprake van zelfrapportage, hetgeen juist van groot belang wordt geacht bij depressie.

 

Cotan-beoordeling SEV:

 

Uitgangspunten bij de testconstructie:

Voldoende

Kwaliteit van het testmateriaal:

Goed

Kwaliteit van de handleiding:

Voldoende

Normen:

Goed

Betrouwbaarheid:

Goed

Begripsvaliditeit:

Goed

Criteriumvaliditeit:

Goed

Referenties

  1. Achenbach TM. (1991) Manual for the child behavior checklist/4-18, YSR, and TRF profiles(University of Vermont Department of Psychiatry, Burlington, VT)
  2. Angold, A., Costello, E.J. (2001). The epidemiology of depression in children and adolescents. In: The Depressed child and adolescent editor Goodyer, I.M..Birmaher B, Ryan ND, Williamson DE, Brent DA, Kaufman J, Dahl RE, Perel J, Nelson B. Childhood and adolescent depression: a review of the past 10 years. Part I. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 1996 Nov;35(11):1427-39. Review.
  3. Chorpita BF, Yim L, Moffitt C, Umemoto LA, Francis SE (2000) Assessment of symptoms of DSM-IV anxiety and depression in children: a revised child anxiety and depression scale. Behav Res Ther 38:835-855
  4. Chorpita BF, Moffitt CE, Gray J (2005) Psychometric properties of the revised child anxiety and depression scale in a clinical sample. Behav Res Ther 43:309-322
  5. Clark, D., & Donovan, J. (1994, March). Reliability and validity of the Hamilton Anxiety Rating Scale in an adolescent sample. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 33(3), 354-360.
  6. Cuijpers P, van Straten A, Smits N, Smit F. Screening and early psychological intervention for depression in schools : systematic review and meta-analysis. Eur Child Adolesc Psychiatry. 2006 Aug;15(5):300-7. Epub 2006 Mar 29. Review.
  7. Dierker, L., Merikangas, K., & Szatmari, P. (1999). Influence of parental concordance for psychiatric disorders on psychopathology in offspring. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 38(3), 280-288.
  8. Ferdinand RF. Validity of the CBCL/YSR DSM-IV scales Anxiety Problems and Affective Problems. J Anxiety Disord. 2008;22(1):126-34.
  9. Gezondheidsraad, Screening: tussen hoop en hype, Den Haag, 2008
  10. Goodhart AW, Treffers PDA, Widenfelt BM van (2003) Vragen naar psychische problemen bij kinderen en adolescenten: de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ)'. In: Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 58(11): 1018-35
  11. Goodman R, Ford T, Simmons H, Gatward R, Meltzer H. (2003) Using the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) to screen for child psychiatric disorders in a community sample. In: International Review of Psychiatry, 2003 ;15(1-2):166-72.
  12. Muris P, Meesters C, van den Berg F. (2003). The Strengths and Difficulties Question-naire (SDQ)- -further evidence for its reliability and validity in a community sample of Dutch children and adolescents. Eur Child Adolesc Psychiatry. Jan;12(1):1-8.
  13. Resing, W.C.M., Indicatiestelling: Condities en instrumentarium in het kader van leerlinggebonden financiering, Lochem: NDC Boom (2002)
  14. Timbremont B, Braet C, Dreessen L. Assessing depression in youth: relation between the Children's Depression Inventory and a structured interview. J Clin Child Adolesc Psychol. 2004 Mar;33(1):149-57.
  15. Verhulst, F., Ende, J., van der, Koot, H. (1996). Handleiding voor de CBCL / 4- 18, Rotterdam: afdeling Kinder en jeugdpsychiatrie, Sophia Kinderziekenhuis /Academisch Ziekenhuis Rotterdam / Erasmus Universiteit Rotterdam
  16. van Widenfelt BM, Goedhart AW, Treffers PD, Goodman R. Dutch version of the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ).Eur Child Adolesc Psychiatry. 2003 Dec;12(6):281-9
  17. Zuckerbrot RA, Jensen PS. Improving recognition of adolescent depression in primary care. Arch Pediatr Adolesc Med. 2006 Jul;160(7):694-704. Review.

Evidence tabellen

Overzicht Geanalyseerde artikelen in het artikel van Zuckerbrot (2006), Zuckerbrot RA, Jensen PS. Improving recognition of adolescent depression in primary care. Arch Pediatr Adolesc Med. 2006 Jul;160(7):694-704. Review.

Artikel

Onderzoeks­

populatie

Screenings-

instrument

Gouden

standaard

Validatie and resultaten

Gledhill et al. 2003

N = 184 13-17 jr Prevalentie 11%

Mood and Fee- lings Question­naire (MFQ)

Schedule for affective disorders and schizophrenia (K-SADS)

Metingen voor en na de trai-ning. Voor de training:

SE = 20%

PPV = 33%

Na de training:

SE = 43%

PPV = 75%

Winter et al.

N = 100 13-16 jr. Prevalentie 11%

Beck Depres- sion Inventory - primary care (BDI-PC)

Primary Care Evaluation of Mood disorders (PRIME-MD)

'major depression' SE = 91%

SP = 91%

PPV = 56%

NPV = 99%

Johnson et al.

N = 403 Prevalentie 12%

Patient Health Care for Ado­lescents

Primary Care Evaluation of Mood disorders (PRIME-MD) ^telefonisch

SE = 73%

SP = 94%

PPV = 56% (major depres-sive disorder) PPV = 62% (any de- press-sive disorder)

Artikel

Onderzoeks­

populatie

Screenings-

instrument

Gouden

standaard

Validatie and resultaten

Schubiner et al.

N = 152 14-23 jr. Prevalentie 21%

Depression

Self Report;

safe time

questionnaire

(DSR;STQ)

versus

Aldolescent

interview(Al);

STQ

Psychologists

interview

ROC 88% voor het screenen ver­sus 50% voor het inter-view. SE =80% vs 18%;

SP = 91% vs 93%; PPV = 71% vs 43%; NPV = 95% vs 80%

Yates et al.

N = 267 13-16 jr. Prevalentie 15-33%

Mood and Fee- lings Question­naire (MFQ)

Schedule for affective disorders and schizophrenia (K-SADS)

PPV = 38%

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Uiterlijk in 2015 wordt bepaald of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een vervroegd herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Algemene gegevens

Deze richtlijn is samengesteld in samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (nwp)*
  • Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (ajn)*
  • Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (nvp/vkjp)*
  • Federatie Vaktherapieen (fvb)*
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (nvpmt)*
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (v&vn)*
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (nhg)**
  • Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (nip)*
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (vgct)*
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (nvk)*

 

* Organisaties die deze richtlijn hebben geautoriseerd

** Organisaties die geen procedure kennen voor het autoriseren van multidisciplinaire richtlijnen

Doel en doelgroep

Het addendum Depressie bij Jeugd geeft aanbevelingen ter ondersteuning van mensen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de herkenning, diagnostiek of behandeling van depressie bij jeugdigen. Hierbij kan gedacht worden aan GGZ hulpverleners, jeugdartsen, huisartsen, kinderartsen en professionals van de GGD. Het addendum betreft kinderen en adolescenten van 8 tot 18 jaar. De werkgroep heeft besloten geen aanbevelingen te doen voor de groep van 0 tot 8 jaar.

Voor deze leeftijdsgroep gelden andere concepten. De uitgangsvragen worden waar mogelijk apart beantwoord voor de groep kinderen (8-12) en de groep adolescenten (12-18). De richtlijn duidt de groep 8-12 jarigen aan met de term kinderen. De groep 12-18 jarigen wordt aangeduid met de term adolescenten. De term jeugdigen omvat de hele groep (8-18 jarigen).

Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen geeft de richtlijn een overzicht van goed ('optimaal') handelen als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van depressie bij jeugdigen.

 

Afbakening

Alle soorten depressie zijn meegenomen in het addendum, behalve depressie tijdens zwangerschap en postnatale depressie. Er worden in dit Addendum geen aanbevelingen gegeven voor de diagnostiek en behandeling van dysthyme stoornissen. Studies over kinderen en jongeren met subklinische symptomen zijn meegenomen, met als reden dat patiënten met een subklinische depressie vaak jaren later evenveel risico hebben op een depressie als patiënten met een 'normale' depressie. Over het onderwerp bipolaire depressie zijn geen aanbevelingen gedaan, maar de categorie bipolaire depressie is niet uitgesloten in de literatuursearches. Artikelen waarbij de termen kinderen/jeugd alleen zijn opgenomen in de keywords, maar waarbij geen specifieke data over deze groep worden vermeld, zijn niet meegenomen in het addendum.

In het kader van de beperkte vraagstelling van dit addendum blijft het onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van psychodiagnostisch onderzoek en de aanvullende waarde ervan voor de behandeling en de behandeluitkomsten buiten beschouwing. Hierover worden dan ook geen uitspraken gedaan.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Addendum Depressie bij Jeugd is op initiatief van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ opgesteld door de werkgroep Depressie bij Jeugd. Hierin werkten beroepsverenigingen en organisaties samen. Het Trimbos-instituut heeft de werkgroep - in samenwerking met het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO - methodologisch en organisatorisch ondersteund.

 

Samenwerkende beroepsverengingen en organisaties:

 Werkgroep

Naam

Beroepsvereniging

Werkzaam bij

1. Buitelaar, prof.dr. J.K. (Jan) (voorzitter)

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

UMC St.Radboud, Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie Universitair Centrum, Nijmegen

2. Keulen van, drs. M. (Marijke)

Artsen(vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

GGD Regio IJssel-Vecht

3. Nauta, dr. M.H. (Maaike)

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP/VGCt)

Vakgroep Klinische en Ontwikkelingspsycholo­gie RuG; Accare, Univer­sitair Centrum Kinder­en Jeugdpsychiatrie

4. Stikkelbroek, drs. Y.A.J. (Yvonne)

Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP/ VKJP)

Universiteit Utrecht, faculteit Sociale Wetenschappen, IPEDON, Ambulatorium

5. Ruiter, M, dr. (Marijke)

Richtlijnadviseur

Trimbos-instituut

6. Duin van, D. drs. (Daniëlle)

Projectleider en richtlijn­adviseur

Trimbos-instituut

 

Klankbordgroep

Naam

Beroepsvereniging        

Werkzaam bij

1. Foks-Appelman, T.L.M. (Theresa)

Federatie Vaktherapieën  (FVB)

Praktijk voor Creatieve Therapie op Zolder

2. Samaritter, R. (Rosemarie)

Federatie Vaktherapieën (FVB)

Praktijk Therapie-in-beweging, Maastricht

3. Jacobs, drs. M. (Maarten)

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Medisch centrum Maandereng, Ede

4. Dr. J.A.M. Widdershoven

Nederlandse Vereniging  voor Kindergeneeskunde (NVK)

Jeroen Bosch Ziekenhuis (’s Hertogenbosch)

5. Haasteren - Rollema, van, T. (Talitha)

Nederlandse Vereniging  voor Psychomotorische Therapie (NVPMT)

Rivierduinen, afd GGZ- Leiden

 

6. Tuinman, F. (Frits)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Mondriaan Zorggroep, divisie K&J

 

Commentaarfase

Naam

Beroepsvereniging

Bestuur

1. Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, Vakcie GGZ (V&VN)

Bestuur

2. Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Bestuur

3. Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (NIP)

Bestuur

4. Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (VGcT)

Bestuur

5. Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

Bestuur

6. Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP / VKJP)

Bestuur

7. Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW)

Bestuur

8. Federatie Vaktherapieën (FVB)

Bestuur

9. Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

Bestuur

10. Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

Bestuur

11. Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)

Bestuur

12. Stichting Pandora

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Werkgroep en werkwijze

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is een multidisciplinaire werkgroep samengesteld, onder voorzitterschap van prof. dr. J.K. Buitelaar. Leden van deze werkgroep waren, naast de voorzitter: mw. M. Nauta, mw. Y. Stikkelbroek en mw. M. van Keulen.

Het ontwikkelproces werd begeleid door mw. D. van Duin, richtlijnadviseur en projectleider van het Trimbos-instituut.

De beoordeling en beschrijving van de literatuur werd gedaan door mw. M. Moret van het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (CBO) en mw. S. Onrust van het Trimbos-instituut.

Een gedeelte van de literatuur rond de onderwerpen medicatie en psychotherapie heeft een tweede beoordeling gekregen door mw. M Vonk-Noordegraaf-Schouten van Pallas Health Research and consultancy. Een klankbordgroep gaf reactie op het werk van de werkgroep.

In totaal vertegenwoordigden 4 werkgroepleden en 6 klankbordgroepleden de beroepsverenigingen die zich bezighouden met herkenning, diagnostiek en behandeling van depressie bij jeugdigen. Daarnaast nam een aantal beroepsverenigingen deel aan de commentaarfase. Voor een volledig overzicht van de werkgroepleden, de verenigingen en organisaties die zij vertegenwoordigen en de overige medewerkers, wordt verwezen naar de samenstelling werkgroep.

De werkgroep kwam negen keer bijeen in een periode van dertien maanden. De leden van de werkgroep hadden daarnaast contact met elkaar via mail, telefonische vergaderingen en de digitale projectomgeving.

De conceptrichtlijn is door de werkgroepleden ter becommentariëring en voor akkoord aan hun achterban voorgelegd. Caroline de Pater, van Denk en Doewerk, bood de richtlijnwerkgroep tijdens de commentaarfase ondersteuning in de rol van ambtelijk secretaris. Bij de laatste vergadering van de werkgroep zijn twee extra experts (mw. dr. C. Reichart en mw. Prof. dr. C. Braet) aanwezig geweest die eerder vanuit respectievelijk de NVvP en de VCGT commentaar hadden geleverd op de conceptrichtlijn. Naar aanleiding van uitlatingen in de pers is ook dr. D. Bijl, hoofdredacteur van het Geneesmiddelbulletin uitgenodigd om zijn visie op de effectiviteit en veiligheid van antidepressiva in de vergadering toe te lichten. De heer Bijl bleek verhinderd, maar heeft de werkgroep schriftelijk van zijn visie op de hoogte gesteld.

 

Wetenschappelijke onderbouwing van de aanbevelingen

De richtlijn is geïnitieerd door de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn­ontwikkeling GGZ en ontwikkeld volgens de methodiek van de evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO). Om de uitgangsvragen te beantwoorden is, door informatiespecialisten van het Trimbos-instituut, gezocht naar relevante onderzoeksbevindingen door het verrichten van systematische zoekacties. Er is hierbij gezocht naar publicaties van 1994 (verschijnen DSM-IV) tot heden (aangevuld met 'sleutelartikelen' van vóór 1994). Onder de publicatiedatum 'heden' vallen artikelen die ten tijde van de ontwikkelfase (uiterlijk augustus 2008) zijn geaccepteerd door een tijdschrift en al zijn verschenen in pubmed. Uitzondering is gemaakt voor een belangwekkend artikel over voortgezette behandeling en het voorkomen van terugval dat verschenen is in 2009.

 

Als uitgangspunt is gezocht naar bestaande (buitenlandse) evidence-based richtlijnen voor de zorg rond depressie bij jeugdigen, en systematische reviews of meta-analyses.

De NICE is een onafhankelijke Engelse organisatie die richtlijnen ontwikkelt voor de gezondheidszorg. Deze instantie heeft een richtlijn gemaakt voor de identificatie en management van depressie bij kinderen en adolescenten in de eerste en tweedelijns gezondheidszorg en bij klinische opname (2005). Het addendum is zoveel mogelijk afgestemd op deze NICE richtlijn. De informatie uit de bestaande richtlijnen, systematische reviews en meta-analyses is aangevuld met informatie uit oorspronkelijk recent onderzoek (vanaf de datum van de laatste systematische review over een onderwerp) van hoog bewijsniveau (gecontroleerde trials en prospectief cohortonderzoek).

 

In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse, Nederlandse, Franse, en Duitse taalgebieden In de literatuursearches is gebruik gemaakt van o.a. de volgende zoektermen:

  • Depressie: KW depressie, Bipolar Disorder, Major Depression, Anaclitic Depression, Dysthymic Disorder, Endogenous Depression, Reactive Depression, Recurrent Depression, Treatment Resistant Depression, Atypical Depression
  • Jeugd: KW + Ti + AB: child*, young*, adolescen*, teen*.
  • Screening en diagnostiek: KOPP kinderen, offspring, hoog risico groep, STAR*D, signalering, sub-threshold, sub-clinical, symptoms, screen*, risicofactor, YSR, TRF, RCADS, K-SADS, CES-D, suïcide, KDVK, Hamilton, projectietesten, tekenen, HTP, TAT, CAT, Columbus, DISC, CIDI, ADIS, ZALC, Zung, SCICA, assessment, Rorschach, questionnaire, diagnostic, interview, SIQ, anamnese, NPVJ, informant agreement, rater perspective, CBCL, SDQ, 4 DKL, SPSY
  • Preventie: TI + KW prevent, preventing, preventive, Prevention, children of depressed parents, children of depressed mothers, bipolar parents, depressed parents, maternal depression, maternal anxiety, At Risk Populations, Offspring.
  • Minimale interventies/preventies: Bibliotherapy, Self Help Techniques, Self Management, Psychoeducation, Yoga, Mindfulness, Meditation, Counseling, Peer Counseling, Psychotherapeutic Counseling, Family Therapy, Problem Solving, Anagram Problem Solving, Cognitive Hypothesis Testing, Group Problem Solving, Heuristics, Running, Physical Therapy, Exercise, Aerobic Exercise, Weightlifting, Online Therapy, Computer Assisted Therapy, minimal intervention, watchful waiting, running therapy, physiotraining therapy, exercise, behavioral activation, behavioural activation, computer*, e-health, e-mental health, internet* Coping with depression course, Pak Aan (Braet), Stemmingmakerij, Taking action (Kendall), SERT.
  • Psychotherapie: Psychotherapy, Adlerian Psychotherapy, Adolescent Psychotherapy, Analytical Psychotherapy, Autogenic Training, Behavior Therapy, Brief Psychotherapy, Child Psychotherapy, Client Centered Therapy, Cognitive Behavior Therapy, Eclectic Psychotherapy, Emotion Focused Therapy, Existential Therapy, Experiential Psychotherapy, Expressive Psychotherapy, Eye Movement Desensitization Therapy, Feminist Therapy, Geriatric Psychotherapy, Gestalt Therapy, Group Psychotherapy, Guided Imagery, Humanistic Psychotherapy, Hypnotherapy, Individual Psychotherapy, Insight Therapy, Integrative Psychotherapy, Interpersonal Psychotherapy, Logotherapy, Narrative Therapy, Persuasion Therapy, Primal Therapy, Psychoanalysis, Psychodrama, Psychodynamic Psychotherapy, Psychotherapeutic Counseling, Rational Emotive Behavior Therapy, Reality Therapy, Relationship Therapy, Solution Focused Therapy, Supportive Psychotherapy, Transactional Analysis, Behavior Therapy, Aversion Therapy, Exposure Therapy, Implosive Therapy, Reciprocal Inhibition Therapy, Response Cost, Systematic Desensitization Therapy,Child Psychotherapy, Play Therapy, Group Psychotherapy, Encounter Group Therapy, Therapeutic Community, Humanistic Psychotherapy, Client Centered Therapy, Hypnotherapy, Age Regression (Hypnotic, Psychoanalysis, Adlerian Psychotherapy, Dream Analysis, Self Analysis, Psychotherapeutic Counseling, Family TherapyConjoint Therapy, TI psychological interventions or KW psychological interventions.Nortriptyline, Serotonin Reuptake Inhibitors, Chlorimipramine, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Paroxetine, Zimeldine, Antidepressant Drugs, Bupropion, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Iproniazid, Isocarboxazid, Lithium Carbonate, Methylphenidate, Mianserin, Moclobemide, Molindone, Nefazodone, Nialamide, Nomifensine, Paroxetine, Phenelzine, Pheniprazine, Pipradrol, Serotonin, Norepinephrine, Reuptake Inhibitors, Sertraline, Sulpiride, Tranylcypromine, Trazodone, Tricyclic Antidepressant Drugs, Venlafaxine, Zimeldine, Electroconvulsive Shock Therapy, Hypericum Perforatum, TI st. john's wort or KW st. john's wort, Shock therapy.
  • Gezinscontext: Parents, Adoptive Parents, Fathers, Foster Parents, Homosexual Parents, Mothers, Single Parents, Stepparents, Surrogate Parents (Humans), Parental Characteristics, Parent Educational Background, Parental Attitudes, Parental Occupation, Parental Permissiveness, Parental Role, Parenting Skills, Parenting Style, Parental Expectations, Parenting Style, Parental Permissiveness, Childrearing Practices, Child Discipline, Weaning, Father Child Relations,Mother Child Relations, Parent Child Relations, Children of Alcoholics, Parent Child Communication, Dysfunctional Family, Parental Investment, Parental Involvement, Family Therapy, Conjoint Therapy, Family Intervention, Family Life Education, Parent Training, Family Socioeconomic Level, Family Systems Theory, Parental Absence, Father Absence, Mother Absence, Family Structure, Family Relations
  • Biologische behandeling: Drug Therapy, Antidepressant Drugs, Serotonin Norepinephrine Reuptake Inhibitors, Venlafaxine, Tricyclic Antidepressant Drugs, Amitriptyline, Chlorimipramine, Desipramine, Doxepin, Imipramine, Maprotiline,

 

Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van geselecteerde artikelen. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in combinatie met overige overwegingen van de werkgroepleden en ervaringskennis van patiënten en familie zijn conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd.

 

Voor het zoeken naar publicaties is gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

  • Richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guideline International Network.
  • Systematic reviews: De Cochrane-database of 'systematic reviews' van de Cochrane Library tot en met 2006? Mei 2008 oid?.
  • Systematic reviews + oorspronkelijk onderzoek van hoog bewijsniveau: Medline (Pubmed), PsychInfo en Pilots.

 

De gevonden richtlijnen zijn door de adviseurs van het Trimbos-instituut op methodologische kwaliteit beoordeeld met het AGREE-instrument. Alleen de richtlijnen die in dit opzicht voldoende waren, zijn gebruikt voor deze richtlijn.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met voor het betreffende onderzoekstype relevante checklists welke zijn gebaseerd op checklists van het EBRO-platform (Handleiding voor werkgroepleden CBO, 2005). Daarna zijn ze geordend naar mate van methodologische kwaliteit. Hierbij is onderstaande indeling gebruikt (tabel 1).

 

Tabel 1 Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch

accuratesse

onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow- up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen 

 

De werkgroep sluit zich aan bij de voor GGZ-richtlijnen veel toegepaste interpretatie van deze tabel, waarbij ook single blind RCT's in de richtlijn een A niveau toegekend krijgen. Omdat onderzoek naar psychologische interventies niet dubbelblind uitgevoerd kan worden, is de indeling van methodologische kwaliteit anders niet volledig van toepassing op onderzoek naar psychologische interventies.

 

Niveau van bewijs van conslusie

Conclusie

Gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

De beoordeling van de verschillende artikelen staat in de verschillende teksten onder het kopje 'wetenschappelijke onderbouwing'. De belangrijkste literatuur waarop de conclusie is gebaseerd, staat bij de conclusie vermeld, inclusief het niveau van bewijs.