Depressie bij jeugd

Initiatief: NVvP Aantal modules: 14

Risicofactoren, hoog-risicogroepen depressie

Uitgangsvraag

Risicofactoren en hoog-risicogroepen bij depressie bij jeugd

Aanbeveling

De werkgroep beveelt aan om trainingen te ontwikkelen voor en aan te bieden aan gezondheidszorgprofessionals in de eerstelijnszorg, op scholen en in andere relevante maatschappelijke instellingen om symptomen van depressie te ontdekken, en jeugdigen die een verhoogd risico lopen op depressie te herkennen. De training moet kennis overbrengen over de symptomen van depressie en van de relevante risicofactoren die hierboven zijn samengevat, en aandacht besteden aan communicatieve vaardigheden zoals actief luisteren en gesprekstechnieken om goed te kunnen omgaan met acuut verdriet en geestelijke nood bij kinderen en jongeren na recente negatieve ervaringen.

Gezondheidszorgprofessionals in de eerstelijnszorg zorg, op scholen en in andere relevante maatschappelijke instellingen, die steun bieden aan een kind of een jeugdige met situationele of tijdelijke neerslachtigheid moeten de rol van sociale en milieufactoren (zoals rouw, scheiding van de ouders, separatie of een ernstig teleurstellende ervaring) onderzoeken als de neerslachtigheid een meer blijvend karakter krijgt.

Een kind of jeugdige moet niet standaard na een negatieve gebeurtenis worden doorverwezen voor verdere beoordeling of behandeling, aangezien het onwaarschijnlijk is dat één enkele gebeurtenis tot depressie zal leiden.

Een kind of jeugdige, die recent is blootgesteld aan een ongewenste gebeurtenis, of een ernstig teleurstellende ervaring, en en bij wie andere risicofactoren op depressie aanwezig zijn (zoals familiaire belasting) moet de mogelijkheid krijgen om over deze recente negatieve ervaringen te spreken met een 1e-lijns professional en moet worden beoordeeld op de aanwezigheid van depressieve symptomen. Vroege verwijzing moet worden overwogen als er aanwijzingen zijn voor depressie en/of zelfbeschadiging.

Tweede- of derdelijns gezondheidszorgprofessionals die ouders met psychiatrische problematiek in behandeling hebben, moeten deze ouders vragen hoe het met de kinderen gaat. Bij vermoedens van aanwezigheid van depressieve symptomen en/of zelfbeschadiging (of bij andere zorgen van ouders) moet vroege verwijzing worden overwogen.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Onderbouwing

Deze module identificeert sociale en individuele risicofactoren voor het optreden van depressie bij kinderen en adolescenten. Het hoofdzicht beschrijft de verschillende risicofactoren en hoog-risicogroepen. De theorie over het ontstaan van een depressie is beschreven in de bijlage ‘Algemene inleiding’ en in handboeken voor de kinder­en jeugdpsychiatrie en psychologie. De combinatie van kennis van risicofactoren en het op een juiste manier gebruik maken van onderzoeksinstrumenten kan het diagnostisch proces aanzienlijk verbeteren.

  1. Risico's voor depressie zijn zeer divers en kunnen met elkaar samenhangen. Enkelvoudige risico's die een depressie van klinische betekenis veroorzaken zijn zeldzaam.
  2. De meerderheid van eerste depressieve periodes doet zich voor bij adolescenten wanneer er sprake is van op zijn minst twee maar meestal drie al langer bestaande psychosociale risico's.
  3. Acute levensgebeurtenissen zijn zeer belangrijke destabiliserende factoren bij kinderen die al een hoog psychosociaal risico op een depressie hebben. Het veroorzaakt in 50% tot 70% van de gevallen een acute depressieve stoornis.Bij de rest van de gevallen blijkt depressie zich langzamer te ontwikkelen door chronisch aanwezige, persoonlijke problematiek.
  4. Erfelijke factoren kunnen via interactie met serotonerge en adrenerge neurotransmittersystemen in belangrijke mate bijdragen aan het vermogen om met negatieve sociale gebeurtenissen om te gaan.
  5. Er is steeds meer bewijs dat het patroon en de sterkte van risicofactoren varieert met de ontwikkeling, ernst en aantal perioden van depressie. Het risico op herhaling lijkt toe te nemen bij een stijgend aantal depressieve perioden in het verleden.

 

Beschrijving van risicofactoren

Risicofactoren kunnen aanwezig zijn in het kind zelf, in diens omgeving en in diens levensloop (de Wit 1987, 2000).

 

Factoren in het kind zelf:

  • Genetische factoren: kinderen van depressieve ouders hebben een grotere kans om zelf ook depressief te worden. Vermoedelijk is het zo dat deze factoren niet rechtstreeks tot een depressie leiden, maar dat zij een aangeboren kwetsbaarheid veroorzaken. Onder invloed van andere factoren kan dan mogelijk een depressie ontstaan (Joiner, 1999).
  • Temperament: introverte kinderen hebben meer kans op het ontwikkelen van een depressie omdat zij negatieve gevoelens eerder bij zich houden dan afreageren. Extravert temperament kan ook tot een depressie leiden indien het kind door ouders wordt afgewezen vanwege het drukke en storende gedrag.
  • Affect- en arousalregulatieproblemen: kinderen die als gevolg van ervaringen van tekort en/of afwijzing in de vroege jeugd langdurig in een situatie van verdriet, spanning of onlust onrust? verkeren, hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van depressieve klachten. Overprikkeling van de structuren in de hersenen, die met de verwerking van spanning en dysforie te maken hebben, verstoort het evenwicht met de eufore structuren. Dit leidt tot een onvermogen om met negatieve gevoelens om te gaan.
  • Een negatieve cognitieve stijl: kinderen die als gevolg van eerdere negatieve, pijnlijke ervaringen negatieve cognities en een negatieve cognitieve denkstijl hebben ontwikkeld, hebben de neiging om nieuwe ervaringen negatief te interpreteren (Coyne, 1976).
  • Hechtingsproblemen: kinderen met een onveilige hechting hebben meer kans op het ontwikkelen van eerder genoemde affect- en arousalproblemen, en op het ontstaan van een negatieve cognitieve stijl.
  • Puberteit en vrouwelijk geslacht: tijdens de puberteit neemt de prevalentie van depressie bij jeugdigen sterk toe, zowel voor jongens als voor meisjes, maar bij meisjes is de toename sterker. Vrouwelijk geslacht is dus naast de puberteit een risicofactor.
  • Eerdere depressieve periodes: kinderen die al eerder last hebben gehad van een depressieve episode, hebben een vergrote kans deze weer te krijgen. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door effecten van de depressie op het functioneren van de hersenen en op het cognitieve systeem van het kind.
  • Kind zijn: het kind zijn bepaalt dat de jeugdige extra afhankelijk is van en ontvankelijk voor de boodschap van anderen, met name van ouders, familieleden en leerkrachten. Wanneer die boodschappen steeds weer negatief zijn, kan dat een ernstig verstorende werking hebben op het beeld wat het kind van zichzelf en de omgeving ontwikkelt. Ook heeft het een negatief effect op het zelfvertrouwen en de autonomie van het kind.

 

Factoren in de omgeving van het kind

  • Depressie bij een ouder: depressieve ouders hebben een grotere kans dat hun kind ook depressief zal worden. Dit wordt in eerste instantie veroorzaakt door de reeds eerder beschreven genetische factoren. Daarnaast kan het zo zijn dat een depressieve ouder moeite heeft met het normale, drukke, ondernemende gedrag van het kind en er meer op aanstuurt dat het kind zich aanpast en zich rustig houdt, waarbij het kind zich vaker afgewezen kan voelen. Het kind kan ook het gevoel krijgen dat het zijn of haar schuld is als de ouder zich rot of overbelast voelt. Ook het voorbeeldgedrag van de ouder, reageren vanuit een depressieve probleemoplossing- en copingsstijl op problemen, is een belangrijke factor (Pilovsky, 2006; Weissman, 2006; Juh, 2006).
  • Ziekte of aandoening van een ouder of gezinslid: als een gezinslid kampt met een chronische aandoening of ziekte die van de gezinsleden veel aanpassing vraagt, lopen de kinderen in dat gezin het risico dat zij hun ontwikkelingsdrang te veel moeten afremmen. Daarnaast kan bij het kind het idee ontstaan dat het belang van het zieke gezinslid groter en belangrijker is dan dat van hem/haar zelf.
  • Opvoedingsstijl en affectiviteit: een autoritaire, onderdrukkende of afwijzende affectieve opvoedingsstijl kan een sterk depressief makende uitwerking hebben op een kind. Daarnaast kan een overbeschermende opvoedingsstijl ook negatief uitwerken, omdat deze de ontplooiingskansen van een kind afremt en de boodschap afgeeft dat het kind het niet alleen kan.
  • Seksueel misbruik en mishandeling: de ervaring van overweldigd worden in geval van seksueel misbruik en mishandeling veroorzaakt bij het kind het gevoel dat eigenheid en integriteit niet tellen en ondergeschikt zijn aan het belang van de dader. Dat is in combinatie met angst en pijn zeer depressogeen.
  • Pesten: het gevoel dat eigenheid en integriteit niet tellen en ondergeschikt zijn aan het belang van de dader ontstaat ook bij pesten. Ook dan onderwerpen anderen het kind aan hun eigen gedrag en gebruiken het voor hun eigen behoeften. De ervaring dat eigenheid en integriteit niet tellen is ook dan de depressogene factor.
  • Culturele conflicten: kinderen die door een etnische of religieuze culturele achtergrond in een gedragspatroon worden opgevoed waarin individuele ontplooiingsmogelijkheden afgeremd worden, kunnen ernstige emotionele en relationele conflicten krijgen wanneer zij in aanmerking komen met andere culturen en met gedragswijzen die voor hen zelf niet mogelijk zijn. Dit kan tot het ontstaan van een depressie bijdragen (Guiao, 2004).

 

Factoren in de levensloop van het kind

Diverse risicofactoren in de levensloop kunnen tot het ontstaan van een depressie bijdragen: ervaringen van verlies door dood, echtscheiding, verlating of verhuizing, traumatisering als gevolg van oorlog en geweld; herhaalde mislukking of tegenslag, mogelijk ten gevolge van een beperking, handicap of ziekte. Meestal zullen deze gebeurtenissen op zich niet een aanleiding zijn tot het ontstaan van een depressie. Dat gebeurt pas als ze met andere potentieel depressogene factoren samenkomen.

 

Beschermende factoren

Beschermende factoren kunnen het effect van eerder genoemde risicofactoren verminderen of ongedaan maken. Dit betekent dus dat het effect van risicofactoren wordt bepaald door de aan- of afwezigheid van beschermende factoren. Humor, weerbaarheid tegen stress, eerdere positieve ervaringen in het omgaan met stress, veerkracht, sociale en communicatieve vaardigheden, het vermogen om agressie constructief te gebruiken en een goede lichamelijke gezondheid zijn bijvoorbeeld kindkenmerken met een beschermende werking. Omgevingskenmerken die beschermend werken, zijn een veilige hechting, een sterk ondersteuningsnetwerk, weinig ruzie in het gezin, goede en stimulerende contacten met leeftijdgenoten en anderen, openheid in de communicatie en het ondernemen van plezierige activiteiten.

 

Zelf onderhoudende processen

Depressies hebben een zichzelf onderhoudend effect. Zo presteren depressieve kinderen minder goed op school dan ze qua intelligentie zouden kunnen. Hierdoor krijgen ze te weinig bevestiging van hun competentie, hetgeen versterkend kan werken op hun depressie. Ook hebben depressieve kinderen de neiging nieuwe ervaringen vanuit hun depressieve cognitieve stijl te interpreteren en daarin dus vooral het negatieve te zien, waardoor ze hun depressie onderhouden en versterken. Depressieve kinderen zijn voor hun omgeving vaak moeilijk en ondankbaar om mee om te gaan, waardoor zij in de omgang met anderen vaak afwijzende reacties uitlokken en daarmee hun negatieve zelfbeeld en dus hun depressie versterken. Vermoedelijk is het zo dat een depressie de werking van het centrale zenuwstelsel beïnvloedt op een zodanige manier dat de structuren die met depressief denken en voelen te maken hebben, langdurig extra geprikkeld of overprikkeld zijn en te weinig tegenwicht van andere structuren ervaren. Dit heeft mogelijk een onderhoudend effect en vergroot de kans dat zij in een later stadium bij de minste of geringste aanleiding opnieuw geprikkeld zullen worden (ingeslepen circuits). Hierdoor neemt de kans op recidive toe, terwijl de aanleidingen voor een volgende depressieve episode steeds minder ernstig hoeven te zijn.

  1. NICE, (2005). Schizophrenia, Core interventions in the treatment and management of schizophrenia in adults in primary and second care. NICE clinical guideline.
  2. Wit, C.A.M. de (1987). Depressie Vragenlijst voor Kinderen, D.V.K. en K.D.V.K. Amersfoort/Leuven. Acco.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd  : 01-01-2009

Geplande herbeoordeling  :

Uiterlijk in 2015 wordt bepaald of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een vervroegd herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is samengesteld in samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (nwp)*
  • Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (ajn)*
  • Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (nvp/vkjp)*
  • Federatie Vaktherapieen (fvb)*
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (nvpmt)*
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (v&vn)*
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (nhg)**
  • Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (nip)*
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (vgct)*
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (nvk)*

 

* Organisaties die deze richtlijn hebben geautoriseerd

** Organisaties die geen procedure kennen voor het autoriseren van multidisciplinaire richtlijnen

Doel en doelgroep

Het addendum Depressie bij Jeugd geeft aanbevelingen ter ondersteuning van mensen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de herkenning, diagnostiek of behandeling van depressie bij jeugdigen. Hierbij kan gedacht worden aan GGZ hulpverleners, jeugdartsen, huisartsen, kinderartsen en professionals van de GGD. Het addendum betreft kinderen en adolescenten van 8 tot 18 jaar. De werkgroep heeft besloten geen aanbevelingen te doen voor de groep van 0 tot 8 jaar.

Voor deze leeftijdsgroep gelden andere concepten. De uitgangsvragen worden waar mogelijk apart beantwoord voor de groep kinderen (8-12) en de groep adolescenten (12-18). De richtlijn duidt de groep 8-12 jarigen aan met de term kinderen. De groep 12-18 jarigen wordt aangeduid met de term adolescenten. De term jeugdigen omvat de hele groep (8-18 jarigen).

Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen geeft de richtlijn een overzicht van goed ('optimaal') handelen als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van depressie bij jeugdigen.

 

Afbakening

Alle soorten depressie zijn meegenomen in het addendum, behalve depressie tijdens zwangerschap en postnatale depressie. Er worden in dit Addendum geen aanbevelingen gegeven voor de diagnostiek en behandeling van dysthyme stoornissen. Studies over kinderen en jongeren met subklinische symptomen zijn meegenomen, met als reden dat patiënten met een subklinische depressie vaak jaren later evenveel risico hebben op een depressie als patiënten met een 'normale' depressie. Over het onderwerp bipolaire depressie zijn geen aanbevelingen gedaan, maar de categorie bipolaire depressie is niet uitgesloten in de literatuursearches. Artikelen waarbij de termen kinderen/jeugd alleen zijn opgenomen in de keywords, maar waarbij geen specifieke data over deze groep worden vermeld, zijn niet meegenomen in het addendum.

In het kader van de beperkte vraagstelling van dit addendum blijft het onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van psychodiagnostisch onderzoek en de aanvullende waarde ervan voor de behandeling en de behandeluitkomsten buiten beschouwing. Hierover worden dan ook geen uitspraken gedaan.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Addendum Depressie bij Jeugd is op initiatief van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ opgesteld door de werkgroep Depressie bij Jeugd. Hierin werkten beroepsverenigingen en organisaties samen. Het Trimbos-instituut heeft de werkgroep - in samenwerking met het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO - methodologisch en organisatorisch ondersteund.

 

Samenwerkende beroepsverengingen en organisaties:

 Werkgroep

Naam

Beroepsvereniging

Werkzaam bij

1. Buitelaar, prof.dr. J.K. (Jan) (voorzitter)

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

UMC St.Radboud, Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie Universitair Centrum, Nijmegen

2. Keulen van, drs. M. (Marijke)

Artsen(vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

GGD Regio IJssel-Vecht

3. Nauta, dr. M.H. (Maaike)

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP/VGCt)

Vakgroep Klinische en Ontwikkelingspsycholo­gie RuG; Accare, Univer­sitair Centrum Kinder­en Jeugdpsychiatrie

4. Stikkelbroek, drs. Y.A.J. (Yvonne)

Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP/ VKJP)

Universiteit Utrecht, faculteit Sociale Wetenschappen, IPEDON, Ambulatorium

5. Ruiter, M, dr. (Marijke)

Richtlijnadviseur

Trimbos-instituut

6. Duin van, D. drs. (Daniëlle)

Projectleider en richtlijn­adviseur

Trimbos-instituut

 

Klankbordgroep

Naam

Beroepsvereniging        

Werkzaam bij

1. Foks-Appelman, T.L.M. (Theresa)

Federatie Vaktherapieën  (FVB)

Praktijk voor Creatieve Therapie op Zolder

2. Samaritter, R. (Rosemarie)

Federatie Vaktherapieën (FVB)

Praktijk Therapie-in-beweging, Maastricht

3. Jacobs, drs. M. (Maarten)

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Medisch centrum Maandereng, Ede

4. Dr. J.A.M. Widdershoven

Nederlandse Vereniging  voor Kindergeneeskunde (NVK)

Jeroen Bosch Ziekenhuis (’s Hertogenbosch)

5. Haasteren - Rollema, van, T. (Talitha)

Nederlandse Vereniging  voor Psychomotorische Therapie (NVPMT)

Rivierduinen, afd GGZ- Leiden

 

6. Tuinman, F. (Frits)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Mondriaan Zorggroep, divisie K&J

 

Commentaarfase

Naam

Beroepsvereniging

Bestuur

1. Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, Vakcie GGZ (V&VN)

Bestuur

2. Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Bestuur

3. Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (NIP)

Bestuur

4. Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (VGcT)

Bestuur

5. Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

Bestuur

6. Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP / VKJP)

Bestuur

7. Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW)

Bestuur

8. Federatie Vaktherapieën (FVB)

Bestuur

9. Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

Bestuur

10. Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

Bestuur

11. Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)

Bestuur

12. Stichting Pandora

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Werkgroep en werkwijze

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is een multidisciplinaire werkgroep samengesteld, onder voorzitterschap van prof. dr. J.K. Buitelaar. Leden van deze werkgroep waren, naast de voorzitter: mw. M. Nauta, mw. Y. Stikkelbroek en mw. M. van Keulen.

Het ontwikkelproces werd begeleid door mw. D. van Duin, richtlijnadviseur en projectleider van het Trimbos-instituut.

De beoordeling en beschrijving van de literatuur werd gedaan door mw. M. Moret van het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (CBO) en mw. S. Onrust van het Trimbos-instituut.

Een gedeelte van de literatuur rond de onderwerpen medicatie en psychotherapie heeft een tweede beoordeling gekregen door mw. M Vonk-Noordegraaf-Schouten van Pallas Health Research and consultancy. Een klankbordgroep gaf reactie op het werk van de werkgroep.

In totaal vertegenwoordigden 4 werkgroepleden en 6 klankbordgroepleden de beroepsverenigingen die zich bezighouden met herkenning, diagnostiek en behandeling van depressie bij jeugdigen. Daarnaast nam een aantal beroepsverenigingen deel aan de commentaarfase. Voor een volledig overzicht van de werkgroepleden, de verenigingen en organisaties die zij vertegenwoordigen en de overige medewerkers, wordt verwezen naar de samenstelling werkgroep.

De werkgroep kwam negen keer bijeen in een periode van dertien maanden. De leden van de werkgroep hadden daarnaast contact met elkaar via mail, telefonische vergaderingen en de digitale projectomgeving.

De conceptrichtlijn is door de werkgroepleden ter becommentariëring en voor akkoord aan hun achterban voorgelegd. Caroline de Pater, van Denk en Doewerk, bood de richtlijnwerkgroep tijdens de commentaarfase ondersteuning in de rol van ambtelijk secretaris. Bij de laatste vergadering van de werkgroep zijn twee extra experts (mw. dr. C. Reichart en mw. Prof. dr. C. Braet) aanwezig geweest die eerder vanuit respectievelijk de NVvP en de VCGT commentaar hadden geleverd op de conceptrichtlijn. Naar aanleiding van uitlatingen in de pers is ook dr. D. Bijl, hoofdredacteur van het Geneesmiddelbulletin uitgenodigd om zijn visie op de effectiviteit en veiligheid van antidepressiva in de vergadering toe te lichten. De heer Bijl bleek verhinderd, maar heeft de werkgroep schriftelijk van zijn visie op de hoogte gesteld.

 

Wetenschappelijke onderbouwing van de aanbevelingen

De richtlijn is geïnitieerd door de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn­ontwikkeling GGZ en ontwikkeld volgens de methodiek van de evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO). Om de uitgangsvragen te beantwoorden is, door informatiespecialisten van het Trimbos-instituut, gezocht naar relevante onderzoeksbevindingen door het verrichten van systematische zoekacties. Er is hierbij gezocht naar publicaties van 1994 (verschijnen DSM-IV) tot heden (aangevuld met 'sleutelartikelen' van vóór 1994). Onder de publicatiedatum 'heden' vallen artikelen die ten tijde van de ontwikkelfase (uiterlijk augustus 2008) zijn geaccepteerd door een tijdschrift en al zijn verschenen in pubmed. Uitzondering is gemaakt voor een belangwekkend artikel over voortgezette behandeling en het voorkomen van terugval dat verschenen is in 2009.

 

Als uitgangspunt is gezocht naar bestaande (buitenlandse) evidence-based richtlijnen voor de zorg rond depressie bij jeugdigen, en systematische reviews of meta-analyses.

De NICE is een onafhankelijke Engelse organisatie die richtlijnen ontwikkelt voor de gezondheidszorg. Deze instantie heeft een richtlijn gemaakt voor de identificatie en management van depressie bij kinderen en adolescenten in de eerste en tweedelijns gezondheidszorg en bij klinische opname (2005). Het addendum is zoveel mogelijk afgestemd op deze NICE richtlijn. De informatie uit de bestaande richtlijnen, systematische reviews en meta-analyses is aangevuld met informatie uit oorspronkelijk recent onderzoek (vanaf de datum van de laatste systematische review over een onderwerp) van hoog bewijsniveau (gecontroleerde trials en prospectief cohortonderzoek).

 

In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse, Nederlandse, Franse, en Duitse taalgebieden In de literatuursearches is gebruik gemaakt van o.a. de volgende zoektermen:

  • Depressie: KW depressie, Bipolar Disorder, Major Depression, Anaclitic Depression, Dysthymic Disorder, Endogenous Depression, Reactive Depression, Recurrent Depression, Treatment Resistant Depression, Atypical Depression
  • Jeugd: KW + Ti + AB: child*, young*, adolescen*, teen*.
  • Screening en diagnostiek: KOPP kinderen, offspring, hoog risico groep, STAR*D, signalering, sub-threshold, sub-clinical, symptoms, screen*, risicofactor, YSR, TRF, RCADS, K-SADS, CES-D, suïcide, KDVK, Hamilton, projectietesten, tekenen, HTP, TAT, CAT, Columbus, DISC, CIDI, ADIS, ZALC, Zung, SCICA, assessment, Rorschach, questionnaire, diagnostic, interview, SIQ, anamnese, NPVJ, informant agreement, rater perspective, CBCL, SDQ, 4 DKL, SPSY
  • Preventie: TI + KW prevent, preventing, preventive, Prevention, children of depressed parents, children of depressed mothers, bipolar parents, depressed parents, maternal depression, maternal anxiety, At Risk Populations, Offspring.
  • Minimale interventies/preventies: Bibliotherapy, Self Help Techniques, Self Management, Psychoeducation, Yoga, Mindfulness, Meditation, Counseling, Peer Counseling, Psychotherapeutic Counseling, Family Therapy, Problem Solving, Anagram Problem Solving, Cognitive Hypothesis Testing, Group Problem Solving, Heuristics, Running, Physical Therapy, Exercise, Aerobic Exercise, Weightlifting, Online Therapy, Computer Assisted Therapy, minimal intervention, watchful waiting, running therapy, physiotraining therapy, exercise, behavioral activation, behavioural activation, computer*, e-health, e-mental health, internet* Coping with depression course, Pak Aan (Braet), Stemmingmakerij, Taking action (Kendall), SERT.
  • Psychotherapie: Psychotherapy, Adlerian Psychotherapy, Adolescent Psychotherapy, Analytical Psychotherapy, Autogenic Training, Behavior Therapy, Brief Psychotherapy, Child Psychotherapy, Client Centered Therapy, Cognitive Behavior Therapy, Eclectic Psychotherapy, Emotion Focused Therapy, Existential Therapy, Experiential Psychotherapy, Expressive Psychotherapy, Eye Movement Desensitization Therapy, Feminist Therapy, Geriatric Psychotherapy, Gestalt Therapy, Group Psychotherapy, Guided Imagery, Humanistic Psychotherapy, Hypnotherapy, Individual Psychotherapy, Insight Therapy, Integrative Psychotherapy, Interpersonal Psychotherapy, Logotherapy, Narrative Therapy, Persuasion Therapy, Primal Therapy, Psychoanalysis, Psychodrama, Psychodynamic Psychotherapy, Psychotherapeutic Counseling, Rational Emotive Behavior Therapy, Reality Therapy, Relationship Therapy, Solution Focused Therapy, Supportive Psychotherapy, Transactional Analysis, Behavior Therapy, Aversion Therapy, Exposure Therapy, Implosive Therapy, Reciprocal Inhibition Therapy, Response Cost, Systematic Desensitization Therapy,Child Psychotherapy, Play Therapy, Group Psychotherapy, Encounter Group Therapy, Therapeutic Community, Humanistic Psychotherapy, Client Centered Therapy, Hypnotherapy, Age Regression (Hypnotic, Psychoanalysis, Adlerian Psychotherapy, Dream Analysis, Self Analysis, Psychotherapeutic Counseling, Family TherapyConjoint Therapy, TI psychological interventions or KW psychological interventions.Nortriptyline, Serotonin Reuptake Inhibitors, Chlorimipramine, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Paroxetine, Zimeldine, Antidepressant Drugs, Bupropion, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Iproniazid, Isocarboxazid, Lithium Carbonate, Methylphenidate, Mianserin, Moclobemide, Molindone, Nefazodone, Nialamide, Nomifensine, Paroxetine, Phenelzine, Pheniprazine, Pipradrol, Serotonin, Norepinephrine, Reuptake Inhibitors, Sertraline, Sulpiride, Tranylcypromine, Trazodone, Tricyclic Antidepressant Drugs, Venlafaxine, Zimeldine, Electroconvulsive Shock Therapy, Hypericum Perforatum, TI st. john's wort or KW st. john's wort, Shock therapy.
  • Gezinscontext: Parents, Adoptive Parents, Fathers, Foster Parents, Homosexual Parents, Mothers, Single Parents, Stepparents, Surrogate Parents (Humans), Parental Characteristics, Parent Educational Background, Parental Attitudes, Parental Occupation, Parental Permissiveness, Parental Role, Parenting Skills, Parenting Style, Parental Expectations, Parenting Style, Parental Permissiveness, Childrearing Practices, Child Discipline, Weaning, Father Child Relations,Mother Child Relations, Parent Child Relations, Children of Alcoholics, Parent Child Communication, Dysfunctional Family, Parental Investment, Parental Involvement, Family Therapy, Conjoint Therapy, Family Intervention, Family Life Education, Parent Training, Family Socioeconomic Level, Family Systems Theory, Parental Absence, Father Absence, Mother Absence, Family Structure, Family Relations
  • Biologische behandeling: Drug Therapy, Antidepressant Drugs, Serotonin Norepinephrine Reuptake Inhibitors, Venlafaxine, Tricyclic Antidepressant Drugs, Amitriptyline, Chlorimipramine, Desipramine, Doxepin, Imipramine, Maprotiline,

 

Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van geselecteerde artikelen. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in combinatie met overige overwegingen van de werkgroepleden en ervaringskennis van patiënten en familie zijn conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd.

 

Voor het zoeken naar publicaties is gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

  • Richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guideline International Network.
  • Systematic reviews: De Cochrane-database of 'systematic reviews' van de Cochrane Library tot en met 2006? Mei 2008 oid?.
  • Systematic reviews + oorspronkelijk onderzoek van hoog bewijsniveau: Medline (Pubmed), PsychInfo en Pilots.

 

De gevonden richtlijnen zijn door de adviseurs van het Trimbos-instituut op methodologische kwaliteit beoordeeld met het AGREE-instrument. Alleen de richtlijnen die in dit opzicht voldoende waren, zijn gebruikt voor deze richtlijn.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met voor het betreffende onderzoekstype relevante checklists welke zijn gebaseerd op checklists van het EBRO-platform (Handleiding voor werkgroepleden CBO, 2005). Daarna zijn ze geordend naar mate van methodologische kwaliteit. Hierbij is onderstaande indeling gebruikt (tabel 1).

 

Tabel 1 Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch

accuratesse

onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow- up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen 

 

De werkgroep sluit zich aan bij de voor GGZ-richtlijnen veel toegepaste interpretatie van deze tabel, waarbij ook single blind RCT's in de richtlijn een A niveau toegekend krijgen. Omdat onderzoek naar psychologische interventies niet dubbelblind uitgevoerd kan worden, is de indeling van methodologische kwaliteit anders niet volledig van toepassing op onderzoek naar psychologische interventies.

 

Niveau van bewijs van conslusie

Conclusie

Gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

De beoordeling van de verschillende artikelen staat in de verschillende teksten onder het kopje 'wetenschappelijke onderbouwing'. De belangrijkste literatuur waarop de conclusie is gebaseerd, staat bij de conclusie vermeld, inclusief het niveau van bewijs.

Volgende:
Preventie depressie bij jeugd