Instrumenten diagnostiek depressie jeugd

Laatst beoordeeld: 01-01-2009

Uitgangsvraag

Welke instrumenten (vragenlijsten en interviews) zijn het meest geschikt om in de klinische praktijk een depressie vast te stellen, inclusief de ernst van de depressie?

Aanbeveling

Mede om geen comorbiditeit te missen, verdient het de voorkeur gebruik te maken van een (semi-)gestructureerd interview voor de diagnostiek van depressieve stoornissen bij kinderen van 8 tot 18 jaar, waarbij de eerste keuze de K-SADS is, gevolgd door de ADIS-C/P.

Indien geen gebruik wordt gemaakt van een (semi-) gestructureerd interview voor de diagnostiek van depressieve stoornissen bij kinderen en jongeren, wordt aanbevolen in elk geval systematisch alle DSM-IV symptomen van de depressie in engere zin en de dysthymie tijdens of na het diagnostisch interview af te vinken op aan- of afwezigheid.

Nader onderzoek is nodig naar geschikte instrumenten om tijdens de behandeling de ernst van de depressie en de behandelrespons te monitoren. Voorlopig beveelt de werkgroep aan gebruik te maken van de CDI als zelfrapportage vragenlijst.

Indien gebruik gemaakt wordt van de CDI als zelfrapportagelijst beveelt de werkgroep aan om een herhaalde meting na twee weken uit te voeren en een cut-off waarde van 16 te hanteren om van een ernstige depressie te spreken.

De werkgroep beveelt aan in de opleidingen het afnemen van semi-gestructureerde interviews te trainen.

Er is onderzoek nodig naar de cut-off waarden van de diagnostische instrumenten. Daarnaast verdient het aanbeveling een instrument te ontwikkelen dat de behandelaar kan afnemen om de ernst van de depressie bij kinderen en jongeren in kaart te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan een bewerking van de Hamilton Depressieschaal (HAMD) die veel bij volwassenen wordt gebruikt.

Er is onderzoek nodig naar de kosteneffectiviteit van het gebruik van tijdsintensieve diagnostische (semi-)gestructureerde interviews.

Overwegingen

Bij een semi-gestructureerd interview is een goede werkrelatie met het kind en ouders van belang.

De toepasbaarheid van (semi-)gestructureerde interviews binnen de klinische praktijk is afhankelijk van de competenties van de interviewer en de praktische mogelijkheden (afnameduur, verwerkingsduur, inzichtelijkheid, complexiteit, benodigde training) en van de competenties van de geïnterviewden (opbouw, taalgebruik, afnameduur en de mate waarin het interview confronterend is).

Uit een onderzoek naar het gebruik van (semi-)gestructureerde interviews binnen kinder-en jeugdpsychiatrische centra (Esmeijer, 1998) bleek dat slechts in twee van de 21 centra's deze vorm van diagnostiek toegepast werd (vanwege wetenschappelijk onderzoek). Behalve kosteneffectiviteit wordt vanuit de klinische praktijk ook de beperkte waarde voor de klinische praktijk naar voren gebracht als reden om geen gebruik te maken van deze vorm van diagnostiek.

Het nut van klinische interviews in de praktijk is onderzocht door Jensen en Weisz (2002). Zij lieten bij 245 jongeren zowel een reguliere intake doen als een semi-gestructureerd interview. De overeenkomst tussen beide methoden was bedroevend laag (behalve voor ADHD en gedragsstoornis). Via het klinisch interview werden doorgaans meer diagnoses gesteld. De conclusie van de auteurs was onder meer dat vooral de internaliserende stoornissen vaak worden gemist zonder gestandaardiseerd interview. Uit een vervolgstudie (Jensen-Doss & Weisz, 2008) bleek dat juist die overeenstemming tussen een klinisch oordeel en de resultaten uit een semigestructureerd onderzoek voorspellend waren voor zowel een voorspoedig beloop als voor behandelresultaat. Concluderend wordt gepleit voor het invoeren van gestructureerde interviews in klinische settingen.

Het is onvoldoende duidelijk of het toepassen van (semi-)gestructureerde interviews kosteneffectief is in de zin van tijd, geld en menskracht (Esmeijer, 1998).

Gezien de mate van comorbiditeit is het van belang dat het (semi-) gestructureerd interview mogelijkheden biedt om ook comorbide stoornissen te diagnosticeren.

Het (semi-)gestructureerde interview dient ook in staat te zijn om subklinische depressies te diagnosticeren. Dat is van belang om het beloop van de depressie tijdig te kunnen beïnvloeden. Het vaststellen van het effect van de symptomen op het dagelijkse functioneren is ook essentieel.

Er is in Nederland geen onderzoek gedaan naar de geschiktheid van instrumenten om tijdens de behandeling van depressies bij kinderen en adolescenten de ernst van de depressie en de behandelrespons te monitoren.

Inleiding

Het vaststellen van de diagnose 'depressie' bij een kind of jongere is moeilijk, mede omdat depressieve jongeren niet geneigd zijn om de symptomen aan derden te vertellen, terwijl tegelijkertijd de jongere zelf de belangrijkste informatiebron is. (NICE, 2005).

 

Gezien de hoge mate van comorbiditeit bij depressie (zie hoofdstuk 2) is het belangrijk om te benadrukken dat een symptoom niet meer dan één keer een rol mag spelen bij het vaststellen van meerdere stoornissen. Een dubbele diagnose mag alleen dan gesteld worden als er sprake is van twee duidelijk afzonderlijke diagnoses die tegelijkertijd voorkomen. Het is zeldzaam dat drie diagnoses of meer tegelijkertijd gesteld worden. Als dat toch het geval is dan betreft het vaak ernstige psychiatrische problematiek (NICE, 2005).

 

In de klinische praktijk is het gebruikelijk om, in aanvulling op diagnostiek gericht op het vaststellen van de aanwezigheid van de depressieve stoornis, ook psychodiagnostisch onderzoek te verrichten naar het persoonlijk functioneren van het kind of de adolescent. Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende instrumenten (gestandaardiseerde vragenlijsten, projectieve technieken en observaties) die niet specifiek voor het diagnosticeren van depressieve stoornissen ontwikkeld zijn. Deze vorm van psychologisch onderzoek wordt gebruikt voor het in kaart brengen van persoonlijke beschermende factoren of persoonlijke onderhoudende factoren. Denk daarbij aan het onderzoeken van cognitieve vervormingen, attributiestijlen, gevoel van eigenwaarde, afweermechanismen, cognitieve capaciteiten, coping, locus of control, self-efficacy en mate van zelfkritiek (Carr, 1999). Het psychodiagnostisch onderzoek blijft in dit Addendum verder buiten beschouwing.

 

Diagnostische instrumenten zijn veelal ontworpen voor wetenschappelijk onderzoek en zijn minder bruikbaar in de klinische praktijk, omdat ze tijdsintensief zijn en training vragen. De diagnostische instrumenten bestaan vooral uit gestructureerde interviews en in mindere mate uit zelfrapportage lijsten. Een aantal diagnostische instrumenten die in het buitenland worden gebruikt zijn niet beschikbaar in Nederland omdat er geen vertaling beschikbaar is en/of de psychometrische gegevens voor de Nederlandse populatie ontbreken. Voor de volledigheid vermelden we hier de diagnostische instrumenten die niet geselecteerd zijn, onder vermelding van de reden.

  1. DISC-IV: Diagnostic Interview Schedule for Children (kind- en ouderversie). De DISC is een sterk gestructureerd interview dat is af te nemen door getrainde leken (en niet per se door clinici). Er is geen ruimte voor een klinische indruk of bijvoorbeeld het doorvragen of herformuleren van vragen. Dit instrument is geschikt voor epidemiologisch onderzoek en minder relevant voor de klinische praktijk.
  2. DICA-R: Diagnostic interview for Children and Adolescents-revised. Dit interview is niet vertaald in het Nederlands.
  3. CAPA; Child and Adolescent Psychiatrie Assessment. Dit interview is niet in het Nederlands vertaald.
  4. CBSK/CBSA: Competentie Belevingsschaal Kinderen/Adolescenten. Deze vragenlijst kan geen diagnoses vaststellen.
  5. RCADS: Revised Child Anxiety and Depression Scale is nog in ontwikkeling voor het Nederlandse taalgebied.
  6. KID-SCID: is onvoldoende onderzocht voor de Nederlandse populatie. 

 

Er zijn drie instrumenten geselecteerd voor bespreking:

  1. K-SADS: Schedule for Affective Disorders and Schizophrenia for School Aged Children
  2. ADIS-C/P
  3. SCICA: Semi-structured Clinical Interview for Children and Adolescents

 

De zelfrapportage vragenlijst CDI (Children's Depression Inventory) is reeds in module ‘Screening’ besproken. Voor een uitgebreide beschijving zie aldaar.

Conclusies

Niveau 1

De K-SADS en de ADIS-C zijn semi-gestructureerde interviews waarmee depressieve stoornissen bij kinderen en adolescenten kunnen worden gediagnosticeerd.

 

A2: Herbert et al, 1996; Silverman & Rabian, 1995; Rapee et al, 1994

 

Niveau 2

De SCICA is een semi-gestructureerd interview/ kinderpsychiatrisch onderzoek van het kind waarmee depressieve stoornissen bij kinderen en adolescenten kunnen worden gediagnosticeerd (B).

 

B: McConaughy SH, Achenbach TM (2001); Kasius MC (1997)

Samenvatting literatuur

1. K-SADS

De Schedule for Affective Disorders and Schizophrenia for School Aged Children (K-SADS) (Kaufman e.a. 1997; Nederlandse vertaling van Reichart et al.,2001 en beschikbaar op www.kenniscentrum-kjp.nl/) is een semi-gestructureerd interview voor 6- tot 18- jarigen waaruit DSM-IV-diagnoses kunnen worden afgeleid. Voor het interview zijn klinische ervaring en training noodzakelijk. Het meetinstrument wordt bij zowel kinderen als ouders afgenomen. Voor iedere mogelijke stoornis wordt eerst een screeningsinterview afgenomen. Wanneer een kind of ouder op basis van deze inventariserende vragen positief scoort, dient een meer gestructureerd supplement afgenomen te worden. Desgewenst kan van iedere stoornis zowel een huidige episode als een meest ernstige, vroegere episode worden uitgevraagd. De stoornissen die door de K-SADS-PL gediagnostiseerd kunnen worden zijn: depressieve stoornis, dysthyme stoornis, manie, hypomanie, cyclothyme stoornis, bipolaire stoornissen, schizo-affectieve stoornis, schizofrenie, schizofreniforme stoornis, kortdurende psychotische stoornis, paniekstoornis, agorafobie, separatieangststoornis, dreigende ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, specifieke fobie, sociale fobie, overmatige angststoornis, gegeneraliseerde angststoornis, obsessieve-compulsieve stoornis, aandachtstekortstoornis, gedragsstoornis, oppositioneel-opstandige gedrags-stoornis, enuresis, encopresis, anorexia nervosa, bulimia, passagère tic-stoornis, stoornis van Gilles de la Tourette, chronische motorische of vocale tic- stoornis, alcoholmisbruik, middelenmisbruik, posttraumatische stress-stoornis en aanpassingsstoornissen.

Betrouwbaarheid is acceptabel; er zijn weinig studies hiernaar gedaan. Er is evidentie voor de validiteit inclusief de ernstschalen en het voorspellen van depressie in de tijd (Ambrosini et al, 1989; Mc Cauley et al., 1988; McGeen & Williams, 1988; Herbert et al., 1996). Het instrument presteert goed in het vaststellen van een depressie en het evalueren van gedetailleerde psychopathologie.

Er is geen COTAN beoordeling beschikbaar.

 

2. ADIS-C/P

De ADIS-C/P (Silverman & Albano, 1997; Nederlandse versie van Siebelink & Treffers, 2001) is een semigestructureerd interview, gebaseerd op de DSM-IV classificatie van psychopathologie (American Psychiatrie Association, 1994).

Het bestaat uit een interviewschema voor het kind en een interviewschema voor ouders, die apart van elkaar worden afgenomen door een GZ-psycholoog of psychiater. Het instrument heeft het vermogen om alle angststoornissen (separatieangst, sociale fobie, gegeneraliseerde angst, paniek met en zonder agorafobie, enkelvoudige fobie, posttraumatische stressstoornis, dwangstoornis) en depressie en dysthymie in kaart te brengen. Het brengt ook andere stoornissen zoals ADHD, oppositioneel opstandige stoornis en agressieve gedragsstoornis in kaart. De interviewer volgt de procedure van het interview en heeft als leidraad de gestandaardiseerde vragen die verwijzen naar de DSM-IV-criteria van een stoornis. Deze criteria bestaan uit de symptomen van de stoornis, de duur en het interferentieniveau op het dagelijks functioneren. De classificatie die het hoogst scoort op dit interferentieniveau wordt overwogen als primaire diagnose. Interferentiescores lopen van 0 (geen belemmering) tot 8 (ernstige belemmering zoals volledig schoolverzuim vanwege de stoornis, geen vrienden, veel ruzie thuis). Een score vanaf 4 geeft een stoornis aan, scores lager dan 4 geven een subklinisch beeld aan. De afname van een interview neemt gemiddeld 1,5 uur in beslag. De ADIS-C/P heeft een voldoende hertest-betrouwbaarheid (Silverman & Eisen, 1992; Silverman & Rabian, 1995) en gemiddeld tot hoge inter-beoordelaar betrouwbaarheid (Rapee, Barrett, Dadds & Evans, 1994; Silverman & Nelles, 1988). Er is geen COTAN beoordeling beschikbaar.

 

3. SCICA

De SCICA (Semi-structured Clinical Interview for Children and Adolescents; Kasius, 1997) is een semi-gestructureerde onderzoeksmethode waarin de onderzoeker of hulpverlener systematische wijze informatie verzamelt over alle domeinen van functioneren van het kind en het kind ook observeert. Het interview duurt ongeveer een uur. De zo verkregen informatie stelt de onderzoeker in staat om een vragenlijst in te vullen op een vierpuntsschaal. Deze vragenlijst kan uitgewerkt worden en geeft een profiel in dezelfde categorieën als de CBCL en YSR. Er is een conversie mogelijkheid naar DSM-IV classificaties. Herhaling van het interview maakt het mogelijk om de ontwikkeling of behandeleffect te evalueren. Er bestaat van de SCICA een Nederlandstalige genormeerde versie. Men dient getraind te worden om dit interview af te nemen. De interbeoordelaar betrouwbaarheid dient in het behandelteam met intervisies regelmatig bewaakt en geactualiseerd te worden. Er is geen COTAN beoordeling beschikbaar.

 

Literatuurbespreking overige literatuur

In een review van Brooks et al. (Brooks et al., 2001) werden 160 publicaties over depressie bij jongeren bekeken. Er werden 33 verschillende instrumenten geïdentificeerd die de diagnose en de ernst van de depressie meten. Ze vonden dat in 1/3 van de studies instrumenten werden gebruikt die bedoeld waren voor volwassenen. Van de 33 werden er 12 geselecteerd die het meest gebruikt werden. De review beschrijft de voor- en nadelen van deze 12 instrumenten. De conclusies zijn: de meest gebruikte instrumenten (K-SADS, DISC en de DICA-R) zijn zwak in het identificeren van MDD. Inmiddels zijn er nieuwere versies van deze instrumenten ontwikkeld, maar er zijn nog geen gegevens over de validiteit. Geen van deze instrumenten heeft een ernst index en de sensitiviteit is onbekend bij metingen in de tijd.

Bovenstaande instrumenten hebben een goede 'face validity', 'criterion validity' en betrouwbaarheid.

 

Renou et al. (Renou et al., 2004) vergeleken 2 gestructureerde interviews (DISC en ChIPS) en 4 semi-gestructureerde interviews (K-SADS, DICA, CAPA en ISCA) op 4 punten: aangepast aan DSM-IV/ICD-10 criteria, aantal stoornissen, reviewed artikelen en aanwezigheid van psychometrische data. De K-SADS had van deze interviews de beste test/hertest resultaten voor angststoornissen en affectieve stoornissen.

Referenties

  1. Achenbach TM. (1991) Manual for the child behavior checklist/4-18, YSR, and TRF profiles(University of Vermont Department of Psychiatry, Burlington, VT)
  2. Ambrosini PJ, Metz C, Prabucki K, Lee JC. Videotape reliability of the third revised edition of the K-SADS. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 1989 Sep;28(5):723-8.
  3. Boys, A., Farrell, M., Taylor, C., et al. (2003) Psychiatric morbidity and substance use in young people aged 13-15 years: results from the Child and Adolescent Survey of Mental Health. British Journal of Psychiatry, 182, 509-517.
  4. Brooks SJ, Kutcher S. Diagnosis and measurement of adolescent depression: a review of commonly utilized instruments.J Child Adolesc Psychopharmacol. 2001 Winter;11(4):341-76. Review.
  5. Carr, A. (1999). The handbook of Child and Adolescent Clinical Psychology, Taylor &Francis Inc. 1087¬1021.
  6. Esmeijer, FJ. , Veerman, J.W. , ten Brink, L.T., van Leeuwen, H.M.P. (1998) Gestructureerde interviews bij DSM-classificatie van probleemgedrag bij kinderen en jeugdigen. Kind en Adolescent, 19 (1998), 19,p. 263-273
  7. Ferdinand, R.F. van Lier M.H.F., van der Most, g.h.f., de Nijs p.f.a , Reichart c.g., Dekkers, f.h.w. Meetinstrumenten bij psychiatrische stoornissen bij kinderen en jeugdigen. Tijdschrift voor psychiatrie 46(2004)10, 659-664.
  8. Ferdinand, R.F., & van der Ende, J. (2002). Nederlandse vertaling van de DISC-IV; Diagnostic Interview Schedule for Children. Rotterdam: Afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het Sophia Kinder¬ziekenhuis.
  9. Goodyer, I.M. & Cooper, P.J. (1993) A community study of depression in adolescent girls. II: The clinical features of identified disorder. British Journal of Psychiatry, 163, 374-380.
  10. Herbert, J., Goodyer, I.M., Altham, P.M., et al. (1996) Adrenal secretion and major depression in 8- to 16-year-olds. II. Influence of co-morbidity at presentation. Psychological Medicine, 26, 257-263.
  11. Herbert J, Goodyer IM, Altham PM, Pearson J, Secher SM, Shiers HM. Adrenal secretion and major depression in 8- to 16-year-olds, II. Influence of co-morbidity at presentation. Psychol Med. 1996 Mar;26(2):257-63.
  12. Jensen, A., & Weisz, J. (2002). Assessing match and mismatch between practitioner-generated and standardized interview-generated diagnoses for clinic-referred children and adolescents. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 70(1), 158-168.
  13. Jensen-Doss A, Weisz J. (2008). Diagnostic agreement predicts treatment process and outcomes in youth mental health clinics. Journal of Consulting and Clinical Psychology [serial online], 76(5), 711-722.
  14. Kasius, M. (1997). Interviewing children. Development of the Dutch version of the Semi structured Clinical Interview for Children and Adolescents (SCICA) and testing of the psychometric properties. Thesis Erasmus University, Rotterdam, The Netherlands.
  15. Kaufman, J., Birmaher, B., Brent, D., e.a. (1997). Schedule of Affective Disorders and Schizophrenia for School-Age Children-Present and Lifetime Version (k-sads-pl): initial reliability and validity data. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 36, 980-988.
  16. Kovacs, M. (1992). Children's Depression Inventory Manual. North Tonawanda, NY: Multi-Health Systems.
  17. McGee R, Williams S. A longitudinal study of depression in nine-year-old children. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 1988 May;27(3):342-8.
  18. McCauley E, Mitchell JR, Burke P, Moss S. Cognitive attributes of depression in children and adolescents. J Consult Clin Psychol. 1988 Dec;56(6):903-8. No abstract available.
  19. McConaughy SH, Achenbach TM (2001) Manual for the semistructured clinical interview for children and adolescents. University of Vermont, Burlington.
  20. Reichart, C.G., Wals, M., & Hillegers, M. (2000). Vertaling k-sads. Utrecht: H.C. Rümke Groep.
  21. Renou S, Hergueta T, Flament M, Mouren-Simeoni MC, Lecrubier Y (2004). Diagnostic structured interviews in child and adolescents psychiatry. Encephale 30 (2) :122-34.
  22. Van Lang, N.D.J., Ferdinand, R.F., Oldehinkel, A.T., Ormel, J.A., & Verhulst, F.C. (2005). Concurrent validity of the DSM-IV scales Affective Problems and Anxiety Problems of the Youth Self-Report. Behaviour Research and Therapy, 43, 11, 1485-1494
  23. Meltzer, H., Gatward, R., Goodman, R., et al. (2003a) Mental health of children and adolescents in Great Britain. International Review of Psychiatry, 15, 185-187.
  24. Mitchell, J., McCauley, E., Burke, P.M., et al. (1988) Phenomenology of depression in children and adolescents. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 27, 12-20.
  25. Reichart, C.G., Wals, M. en Hillegers, M (2001). Nederlandse vertaling en bewerking van de KSADS. Rotterdam: AZR-Sophia/Altrecht, interne publicatie
  26. Ryan, N.D. (2005). Treatment of depression in child and adolescents. Lancet, 366, 933-940.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Uiterlijk in 2015 wordt bepaald of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een vervroegd herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Algemene gegevens

Deze richtlijn is samengesteld in samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (nwp)*
  • Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (ajn)*
  • Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (nvp/vkjp)*
  • Federatie Vaktherapieen (fvb)*
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (nvpmt)*
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (v&vn)*
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (nhg)**
  • Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (nip)*
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (vgct)*
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (nvk)*

 

* Organisaties die deze richtlijn hebben geautoriseerd

** Organisaties die geen procedure kennen voor het autoriseren van multidisciplinaire richtlijnen

Doel en doelgroep

Het addendum Depressie bij Jeugd geeft aanbevelingen ter ondersteuning van mensen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de herkenning, diagnostiek of behandeling van depressie bij jeugdigen. Hierbij kan gedacht worden aan GGZ hulpverleners, jeugdartsen, huisartsen, kinderartsen en professionals van de GGD. Het addendum betreft kinderen en adolescenten van 8 tot 18 jaar. De werkgroep heeft besloten geen aanbevelingen te doen voor de groep van 0 tot 8 jaar.

Voor deze leeftijdsgroep gelden andere concepten. De uitgangsvragen worden waar mogelijk apart beantwoord voor de groep kinderen (8-12) en de groep adolescenten (12-18). De richtlijn duidt de groep 8-12 jarigen aan met de term kinderen. De groep 12-18 jarigen wordt aangeduid met de term adolescenten. De term jeugdigen omvat de hele groep (8-18 jarigen).

Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen geeft de richtlijn een overzicht van goed ('optimaal') handelen als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van depressie bij jeugdigen.

 

Afbakening

Alle soorten depressie zijn meegenomen in het addendum, behalve depressie tijdens zwangerschap en postnatale depressie. Er worden in dit Addendum geen aanbevelingen gegeven voor de diagnostiek en behandeling van dysthyme stoornissen. Studies over kinderen en jongeren met subklinische symptomen zijn meegenomen, met als reden dat patiënten met een subklinische depressie vaak jaren later evenveel risico hebben op een depressie als patiënten met een 'normale' depressie. Over het onderwerp bipolaire depressie zijn geen aanbevelingen gedaan, maar de categorie bipolaire depressie is niet uitgesloten in de literatuursearches. Artikelen waarbij de termen kinderen/jeugd alleen zijn opgenomen in de keywords, maar waarbij geen specifieke data over deze groep worden vermeld, zijn niet meegenomen in het addendum.

In het kader van de beperkte vraagstelling van dit addendum blijft het onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van psychodiagnostisch onderzoek en de aanvullende waarde ervan voor de behandeling en de behandeluitkomsten buiten beschouwing. Hierover worden dan ook geen uitspraken gedaan.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Addendum Depressie bij Jeugd is op initiatief van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ opgesteld door de werkgroep Depressie bij Jeugd. Hierin werkten beroepsverenigingen en organisaties samen. Het Trimbos-instituut heeft de werkgroep - in samenwerking met het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO - methodologisch en organisatorisch ondersteund.

 

Samenwerkende beroepsverengingen en organisaties:

 Werkgroep

Naam

Beroepsvereniging

Werkzaam bij

1. Buitelaar, prof.dr. J.K. (Jan) (voorzitter)

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

UMC St.Radboud, Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie Universitair Centrum, Nijmegen

2. Keulen van, drs. M. (Marijke)

Artsen(vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

GGD Regio IJssel-Vecht

3. Nauta, dr. M.H. (Maaike)

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP/VGCt)

Vakgroep Klinische en Ontwikkelingspsycholo­gie RuG; Accare, Univer­sitair Centrum Kinder­en Jeugdpsychiatrie

4. Stikkelbroek, drs. Y.A.J. (Yvonne)

Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP/ VKJP)

Universiteit Utrecht, faculteit Sociale Wetenschappen, IPEDON, Ambulatorium

5. Ruiter, M, dr. (Marijke)

Richtlijnadviseur

Trimbos-instituut

6. Duin van, D. drs. (Daniëlle)

Projectleider en richtlijn­adviseur

Trimbos-instituut

 

Klankbordgroep

Naam

Beroepsvereniging        

Werkzaam bij

1. Foks-Appelman, T.L.M. (Theresa)

Federatie Vaktherapieën  (FVB)

Praktijk voor Creatieve Therapie op Zolder

2. Samaritter, R. (Rosemarie)

Federatie Vaktherapieën (FVB)

Praktijk Therapie-in-beweging, Maastricht

3. Jacobs, drs. M. (Maarten)

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Medisch centrum Maandereng, Ede

4. Dr. J.A.M. Widdershoven

Nederlandse Vereniging  voor Kindergeneeskunde (NVK)

Jeroen Bosch Ziekenhuis (’s Hertogenbosch)

5. Haasteren - Rollema, van, T. (Talitha)

Nederlandse Vereniging  voor Psychomotorische Therapie (NVPMT)

Rivierduinen, afd GGZ- Leiden

 

6. Tuinman, F. (Frits)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Mondriaan Zorggroep, divisie K&J

 

Commentaarfase

Naam

Beroepsvereniging

Bestuur

1. Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, Vakcie GGZ (V&VN)

Bestuur

2. Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Bestuur

3. Nederlands Instituut van Psychologen, Sector jeugd (NIP)

Bestuur

4. Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve therapie (VGcT)

Bestuur

5. Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

Bestuur

6. Nederlandse Vereniging voor (kinder- en jeugd) Psychotherapie (NVP / VKJP)

Bestuur

7. Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW)

Bestuur

8. Federatie Vaktherapieën (FVB)

Bestuur

9. Artsen (vereniging) Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN)

Bestuur

10. Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

Bestuur

11. Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)

Bestuur

12. Stichting Pandora

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Werkgroep en werkwijze

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is een multidisciplinaire werkgroep samengesteld, onder voorzitterschap van prof. dr. J.K. Buitelaar. Leden van deze werkgroep waren, naast de voorzitter: mw. M. Nauta, mw. Y. Stikkelbroek en mw. M. van Keulen.

Het ontwikkelproces werd begeleid door mw. D. van Duin, richtlijnadviseur en projectleider van het Trimbos-instituut.

De beoordeling en beschrijving van de literatuur werd gedaan door mw. M. Moret van het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (CBO) en mw. S. Onrust van het Trimbos-instituut.

Een gedeelte van de literatuur rond de onderwerpen medicatie en psychotherapie heeft een tweede beoordeling gekregen door mw. M Vonk-Noordegraaf-Schouten van Pallas Health Research and consultancy. Een klankbordgroep gaf reactie op het werk van de werkgroep.

In totaal vertegenwoordigden 4 werkgroepleden en 6 klankbordgroepleden de beroepsverenigingen die zich bezighouden met herkenning, diagnostiek en behandeling van depressie bij jeugdigen. Daarnaast nam een aantal beroepsverenigingen deel aan de commentaarfase. Voor een volledig overzicht van de werkgroepleden, de verenigingen en organisaties die zij vertegenwoordigen en de overige medewerkers, wordt verwezen naar de samenstelling werkgroep.

De werkgroep kwam negen keer bijeen in een periode van dertien maanden. De leden van de werkgroep hadden daarnaast contact met elkaar via mail, telefonische vergaderingen en de digitale projectomgeving.

De conceptrichtlijn is door de werkgroepleden ter becommentariëring en voor akkoord aan hun achterban voorgelegd. Caroline de Pater, van Denk en Doewerk, bood de richtlijnwerkgroep tijdens de commentaarfase ondersteuning in de rol van ambtelijk secretaris. Bij de laatste vergadering van de werkgroep zijn twee extra experts (mw. dr. C. Reichart en mw. Prof. dr. C. Braet) aanwezig geweest die eerder vanuit respectievelijk de NVvP en de VCGT commentaar hadden geleverd op de conceptrichtlijn. Naar aanleiding van uitlatingen in de pers is ook dr. D. Bijl, hoofdredacteur van het Geneesmiddelbulletin uitgenodigd om zijn visie op de effectiviteit en veiligheid van antidepressiva in de vergadering toe te lichten. De heer Bijl bleek verhinderd, maar heeft de werkgroep schriftelijk van zijn visie op de hoogte gesteld.

 

Wetenschappelijke onderbouwing van de aanbevelingen

De richtlijn is geïnitieerd door de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn­ontwikkeling GGZ en ontwikkeld volgens de methodiek van de evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO). Om de uitgangsvragen te beantwoorden is, door informatiespecialisten van het Trimbos-instituut, gezocht naar relevante onderzoeksbevindingen door het verrichten van systematische zoekacties. Er is hierbij gezocht naar publicaties van 1994 (verschijnen DSM-IV) tot heden (aangevuld met 'sleutelartikelen' van vóór 1994). Onder de publicatiedatum 'heden' vallen artikelen die ten tijde van de ontwikkelfase (uiterlijk augustus 2008) zijn geaccepteerd door een tijdschrift en al zijn verschenen in pubmed. Uitzondering is gemaakt voor een belangwekkend artikel over voortgezette behandeling en het voorkomen van terugval dat verschenen is in 2009.

 

Als uitgangspunt is gezocht naar bestaande (buitenlandse) evidence-based richtlijnen voor de zorg rond depressie bij jeugdigen, en systematische reviews of meta-analyses.

De NICE is een onafhankelijke Engelse organisatie die richtlijnen ontwikkelt voor de gezondheidszorg. Deze instantie heeft een richtlijn gemaakt voor de identificatie en management van depressie bij kinderen en adolescenten in de eerste en tweedelijns gezondheidszorg en bij klinische opname (2005). Het addendum is zoveel mogelijk afgestemd op deze NICE richtlijn. De informatie uit de bestaande richtlijnen, systematische reviews en meta-analyses is aangevuld met informatie uit oorspronkelijk recent onderzoek (vanaf de datum van de laatste systematische review over een onderwerp) van hoog bewijsniveau (gecontroleerde trials en prospectief cohortonderzoek).

 

In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse, Nederlandse, Franse, en Duitse taalgebieden In de literatuursearches is gebruik gemaakt van o.a. de volgende zoektermen:

  • Depressie: KW depressie, Bipolar Disorder, Major Depression, Anaclitic Depression, Dysthymic Disorder, Endogenous Depression, Reactive Depression, Recurrent Depression, Treatment Resistant Depression, Atypical Depression
  • Jeugd: KW + Ti + AB: child*, young*, adolescen*, teen*.
  • Screening en diagnostiek: KOPP kinderen, offspring, hoog risico groep, STAR*D, signalering, sub-threshold, sub-clinical, symptoms, screen*, risicofactor, YSR, TRF, RCADS, K-SADS, CES-D, suïcide, KDVK, Hamilton, projectietesten, tekenen, HTP, TAT, CAT, Columbus, DISC, CIDI, ADIS, ZALC, Zung, SCICA, assessment, Rorschach, questionnaire, diagnostic, interview, SIQ, anamnese, NPVJ, informant agreement, rater perspective, CBCL, SDQ, 4 DKL, SPSY
  • Preventie: TI + KW prevent, preventing, preventive, Prevention, children of depressed parents, children of depressed mothers, bipolar parents, depressed parents, maternal depression, maternal anxiety, At Risk Populations, Offspring.
  • Minimale interventies/preventies: Bibliotherapy, Self Help Techniques, Self Management, Psychoeducation, Yoga, Mindfulness, Meditation, Counseling, Peer Counseling, Psychotherapeutic Counseling, Family Therapy, Problem Solving, Anagram Problem Solving, Cognitive Hypothesis Testing, Group Problem Solving, Heuristics, Running, Physical Therapy, Exercise, Aerobic Exercise, Weightlifting, Online Therapy, Computer Assisted Therapy, minimal intervention, watchful waiting, running therapy, physiotraining therapy, exercise, behavioral activation, behavioural activation, computer*, e-health, e-mental health, internet* Coping with depression course, Pak Aan (Braet), Stemmingmakerij, Taking action (Kendall), SERT.
  • Psychotherapie: Psychotherapy, Adlerian Psychotherapy, Adolescent Psychotherapy, Analytical Psychotherapy, Autogenic Training, Behavior Therapy, Brief Psychotherapy, Child Psychotherapy, Client Centered Therapy, Cognitive Behavior Therapy, Eclectic Psychotherapy, Emotion Focused Therapy, Existential Therapy, Experiential Psychotherapy, Expressive Psychotherapy, Eye Movement Desensitization Therapy, Feminist Therapy, Geriatric Psychotherapy, Gestalt Therapy, Group Psychotherapy, Guided Imagery, Humanistic Psychotherapy, Hypnotherapy, Individual Psychotherapy, Insight Therapy, Integrative Psychotherapy, Interpersonal Psychotherapy, Logotherapy, Narrative Therapy, Persuasion Therapy, Primal Therapy, Psychoanalysis, Psychodrama, Psychodynamic Psychotherapy, Psychotherapeutic Counseling, Rational Emotive Behavior Therapy, Reality Therapy, Relationship Therapy, Solution Focused Therapy, Supportive Psychotherapy, Transactional Analysis, Behavior Therapy, Aversion Therapy, Exposure Therapy, Implosive Therapy, Reciprocal Inhibition Therapy, Response Cost, Systematic Desensitization Therapy,Child Psychotherapy, Play Therapy, Group Psychotherapy, Encounter Group Therapy, Therapeutic Community, Humanistic Psychotherapy, Client Centered Therapy, Hypnotherapy, Age Regression (Hypnotic, Psychoanalysis, Adlerian Psychotherapy, Dream Analysis, Self Analysis, Psychotherapeutic Counseling, Family TherapyConjoint Therapy, TI psychological interventions or KW psychological interventions.Nortriptyline, Serotonin Reuptake Inhibitors, Chlorimipramine, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Paroxetine, Zimeldine, Antidepressant Drugs, Bupropion, Citalopram, Fluoxetine, Fluvoxamine, Iproniazid, Isocarboxazid, Lithium Carbonate, Methylphenidate, Mianserin, Moclobemide, Molindone, Nefazodone, Nialamide, Nomifensine, Paroxetine, Phenelzine, Pheniprazine, Pipradrol, Serotonin, Norepinephrine, Reuptake Inhibitors, Sertraline, Sulpiride, Tranylcypromine, Trazodone, Tricyclic Antidepressant Drugs, Venlafaxine, Zimeldine, Electroconvulsive Shock Therapy, Hypericum Perforatum, TI st. john's wort or KW st. john's wort, Shock therapy.
  • Gezinscontext: Parents, Adoptive Parents, Fathers, Foster Parents, Homosexual Parents, Mothers, Single Parents, Stepparents, Surrogate Parents (Humans), Parental Characteristics, Parent Educational Background, Parental Attitudes, Parental Occupation, Parental Permissiveness, Parental Role, Parenting Skills, Parenting Style, Parental Expectations, Parenting Style, Parental Permissiveness, Childrearing Practices, Child Discipline, Weaning, Father Child Relations,Mother Child Relations, Parent Child Relations, Children of Alcoholics, Parent Child Communication, Dysfunctional Family, Parental Investment, Parental Involvement, Family Therapy, Conjoint Therapy, Family Intervention, Family Life Education, Parent Training, Family Socioeconomic Level, Family Systems Theory, Parental Absence, Father Absence, Mother Absence, Family Structure, Family Relations
  • Biologische behandeling: Drug Therapy, Antidepressant Drugs, Serotonin Norepinephrine Reuptake Inhibitors, Venlafaxine, Tricyclic Antidepressant Drugs, Amitriptyline, Chlorimipramine, Desipramine, Doxepin, Imipramine, Maprotiline,

 

Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van geselecteerde artikelen. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in combinatie met overige overwegingen van de werkgroepleden en ervaringskennis van patiënten en familie zijn conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd.

 

Voor het zoeken naar publicaties is gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

  • Richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guideline International Network.
  • Systematic reviews: De Cochrane-database of 'systematic reviews' van de Cochrane Library tot en met 2006? Mei 2008 oid?.
  • Systematic reviews + oorspronkelijk onderzoek van hoog bewijsniveau: Medline (Pubmed), PsychInfo en Pilots.

 

De gevonden richtlijnen zijn door de adviseurs van het Trimbos-instituut op methodologische kwaliteit beoordeeld met het AGREE-instrument. Alleen de richtlijnen die in dit opzicht voldoende waren, zijn gebruikt voor deze richtlijn.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met voor het betreffende onderzoekstype relevante checklists welke zijn gebaseerd op checklists van het EBRO-platform (Handleiding voor werkgroepleden CBO, 2005). Daarna zijn ze geordend naar mate van methodologische kwaliteit. Hierbij is onderstaande indeling gebruikt (tabel 1).

 

Tabel 1 Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch

accuratesse

onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow- up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen 

 

De werkgroep sluit zich aan bij de voor GGZ-richtlijnen veel toegepaste interpretatie van deze tabel, waarbij ook single blind RCT's in de richtlijn een A niveau toegekend krijgen. Omdat onderzoek naar psychologische interventies niet dubbelblind uitgevoerd kan worden, is de indeling van methodologische kwaliteit anders niet volledig van toepassing op onderzoek naar psychologische interventies.

 

Niveau van bewijs van conslusie

Conclusie

Gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

De beoordeling van de verschillende artikelen staat in de verschillende teksten onder het kopje 'wetenschappelijke onderbouwing'. De belangrijkste literatuur waarop de conclusie is gebaseerd, staat bij de conclusie vermeld, inclusief het niveau van bewijs.