Uitgangsvraag

  • Welke interventies/behandelmethoden zijn efficiënt binnen de verschillende niveaus van stemmingsstoornissen?
  • Wat is bekend over de verschillende combinaties van interventies wat betreft werkzaamheid, effectiviteit en kostenefficiëntie en welke beslisbomen zijn op basis daarvan op te stellen?
  • Wat zijn de concrete criteria in de diverse settings voor de indicatiestelling van de verschillende behandelmethoden/interventies binnen de verschillende niveaus van stemmingsstoornissen?
  • Wat is de rol van de verschillende beroepsgroepen in deze settings (ambulant, deeltijd of klinisch)?
  • Zijn er indicatoren te onderkennen waarmee een uitspraak gedaan kan worden over de kwaliteit van de zorg binnen de verschillende niveaus van stemmingsstoornissen en van de verschillende interventies?

 

Diagnostiek en interventies bij depressie

Aanbeveling

Bij deze module zijn geen aanbevelingen geformuleerd.

Inleiding

De rol van het maatschappelijk werk bij angst- en stemmingsstoornissen is in vier panelraadplegingen in kaart gebracht. De panels bestonden uit een representatieve vertegenwoordiging van maatschappelijk werkers, allen lid van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers.

Er zijn drie panelbijeenkomsten georganiseerd met maatschappelijk werkers die werkzaam zijn in de tweede- en derdelijns-GGZ (minus verslavingszorg), en één panelbijeenkomst met maatschappelijk werkers die werkzaam zijn in het algemeen maatschappelijk werk.

Maatschappelijk werkers die werkzaam zijn in de tweede- en derdelijns-GGZ, drukken de interventies meer uit in duur en frequentie; maatschappelijk werkers in de eerste lijn benadrukken sterk de samenhang in de uitvoering. De interventies vormen voor hen meer de elementen/activiteiten waaruit ze een hulpverleningstraject opbouwen. Een aantal van de beschreven interventies kwam ook al in het literatuuronderzoek naar voren, zij het dat ze daar vaak niet eenduidig omschreven waren. De ene keer wordt onder bijvoorbeeld psychoeducatie iets anders verstaan dan de andere keer. Om die reden is elke interventie mede door de doelgroep gedefinieerd in termen van doel en werkwijze.

 

Achtergrond

Na literatuuronderzoek werd duidelijk dat er niet veel onderzoek gedaan is naar praktische en sociale interventies. Als er al onderzoek gedaan is, dan zijn de praktische en sociale interventies vaak nevengeschikt of ondersteunend voor interventies van de andere disciplines. Onderzoek naar de

maatschappelijkwerkinterventies zoals ze in de eerste lijn uitgevoerd worden - opzichzelfstaand en los van de inbreng van andere disciplines - is nog schaarser.

Om meer licht te werpen op de rol van maatschappelijk werkers bij de behandeling van depressieve stoornissen, zijn er panelraadplegingen georganiseerd en is de bijdrage van maatschappelijk werkers in de begeleiding en behandeling van mensen met angst- en stemmingsstoornissen beschreven.

Voor het toepassen van de verschillende - contextgerichte - interventies is het tevens van belang om te kijken naar de positie die maatschappelijk werkers innemen binnen de GGZ. Voor de problemen van patiënten en voor de daaraan gekoppelde keuze van interventies mag de organisatorische setting geen rol spelen. In de praktijk, waar het gaat om een samenspel tussen de verschillende disciplines, speelt deze wel degelijk een rol.

 

Overeenkomsten en verschillen tussen de interventies

De interventies van maatschappelijk werkers in een tweede- of derdelijns setting zijn deels hetzelfde en deels anders dan de interventies in de eerstelijnssetting door het algemeen maatschappelijk werk. Hierbij gaat het niet zozeer om de inhoud van de interventies, maar vooral om de plaats in het geheel.

In de tweede- en derdelijns setting is tenminste een deel van de interventies duidelijk afgebakend en vooraf ingepland. De maatschappelijk werker weet welk programma-onderdeel voor zijn rekening komt en overlegt hierover ook met andere disciplines. Afstemming gebeurt vaak door middel van hulpverleningsprogramma's (zorgprogramma's), waardoor alle disciplines een duidelijke rol hebben in een geheel.

In de eerste lijn staan de interventies veel meer „op zichzelf” en wordt er gecombineerd al naar gelang de behoefte van dat moment.

Samenvatting literatuur

Diagnostiek in het maatschappelijk werk

In het maatschappelijk werk in de eerste lijn wordt doorgaans aangesloten bij de direct ervaren knelpunten en belemmeringen van de patiënt. Het hier en nu vormt daarbij de uitgangssituatie. Het diagnostische kader van maatschappelijk werkers wordt gevormd door een achttal leefgebieden waarin problemen zich kunnen

afspelen: psychische beleving, lichamelijke gezondheid, huisvesting, financiën, vrije tijd, arbeid, interpersoonlijke relaties, gezin/familie. Deze gebieden worden niet standaard uitputtend uitgevraagd, wel wordt er globaal nagegaan in hoeverre de problematiek zich uitstrekt over de verschillende terreinen.

In de tweede- en derdelijns-GGZ wordt meestal geanalyseerd binnen het diagnostische kader van de psychiatrie: de DSM-IV. Ook hier benoemt de maatschappelijk werker doorgaans problematiek binnen de verschillende leefgebieden. Voor zowel maatschappelijk werkers binnen de eerste lijn als voor maatschappelijk werkers in de tweede- en derdelijns-GGZ geldt dat zij een verbinding leggen tussen het psychische en het sociale functioneren. Het functioneren in de dagelijkse leefsituatie en de contacten met anderen vormen de aangrijpingspunten om de hulpverlening op te baseren.

 

Interventies maatschappelijk werk

Ondersteunend groepswerk

Het doel van ondersteunend groepswerk is de autonomie te versterken door het opdoen van kennis en informatie en/of het uitwisselen van ervaringen, in combinatie met steun en (h)erkenning geven en ontvangen. Afhankelijk van het type groep ligt het accent meer op kennis en informatie of op het uitwisselen van ervaringen. Als het doel bijvoorbeeld uitsluitend kennis opdoen is, dan hebben we te maken met voorlichting of psychoeducatie (afhankelijk van type kennis).

Enkele bijzondere vormen van ondersteunend groepswerk zijn supportgroepen (een combinatie van informatie-uitwisseling en kennis en ervaring opdoen):

  • Mannengroepen/vrouwengroepen
  • Partnergroepen
  • Empowerment-groepen (mannen en vrouwen)
  • Themagroepen

 

Emotionele ondersteuningen begeleiding

Het doel van emotionele ondersteuning en begeleiding is het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen door hen te stimuleren zich te uiten (ontladen) en stil te staan bij hun pijn, door het ontrafelen van gedrags- en belevingsaspecten, en door hen te stimuleren netwerksteun te zoeken en sociale contacten aan te gaan, en dergelijke.

Deze interventie bestaat uit individuele gesprekken. Daarbij wordt enerzijds planmatig gewerkt aan de hand van een probleemverkenning rondom verschillende leefgebieden, en anderzijds is de insteek pragmatisch en flexibel en wordt aangesloten bij datgene waar de patiënt concreet tegenaan gelopen is. Verschillende gespreksvormen worden gehanteerd: coachende gesprekken (aanmoedigen, stimuleren en motiveren); inzichtgevende en explorerende gesprekken; structurerende gesprekken; gesprekken die gericht zijn op uiten, acceptatie en verwerking.

 

Praktische ondersteuning en begeleiding

Hierbij is het doel de zelfredzaamheid te bevorderen door het bieden van praktische hulp, zoals informatie en advies, hand- en spandiensten, en het regelen en organiseren van zaken daar waar de patiënt dat zelf (nog) niet kan.

In individuele gesprekken wordt de problematiek ontrafeld en wordt een plan van aanpak voorgesteld. Vaak neemt de maatschappelijk werker in het begin sterk het voortouw en naar mate de hulpverlening vordert, neemt de patiënt zelf de touwtjes weer meer in handen. Praktische begeleiding en ondersteuning is doorgaans oplossingsgericht en voorwaarde scheppend. Het gaat om het regelen van allerhande praktische zaken (zoals schuldsanering, huisvesting, bemiddeling tussen patiënt en instanties). Kennis van de sociale kaart is hierbij van groot belang.

 

Netwerkondersteuning

Netwerkondersteuning wordt thuis, in de relationele sfeer, geboden om de behandeling zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de thuissituatie door enerzijds het netwerk te informeren en hun eigen aandeel in het geheel te laten zien en anderzijds hen te leren zo goed mogelijk met de patiënt om te gaan en daarmee het behaalde effect van de behandeling te verstevigen en vast te houden om terugval te voorkomen. Tevens wordt ondersteuning geboden om de eigen grenzen te leren bewaken (coping-mechanismen) om te voorkomen dat personen uit het netwerk er zelf aan onderdoor gaan. Hiernaast wordt zo nodig praktische ondersteuning georganiseerd, bijvoorbeeld in de vorm van gespecialiseerde gezinszorg.

Netwerkondersteuning omvat elementen van psychoeducatie, emotionele ondersteuning en praktische tips en adviezen, en het bespreken van mogelijke coping-mechanismen. Een maatschappelijk werker of sociaal-psychiatrisch verpleegkundige voert dan gesprekken met het thuisfront doorgaans in de thuissituatie, en regelt zo nodig praktische zaken. Sociale-kaart-kennis is hierbij van groot belang.

 

Veranderingsgerichte begeleiding

Veranderingsgerichte begeleiding beoogt bij de patiënt een blijvende gedragsverandering teweeg te brengen door te werken aan inzicht en hem bewust te trainen in alternatieve gedragsmogelijkheden. Veranderingsgerichte begeleiding ligt dicht tegen psychotherapie aan. Er wordt veel gebruikgemaakt van allerhande psychotherapeutische modellen en technieken. Maatschappelijk werkers die zich hiermee bezighouden, hebben vaak een gerichte voortgezette opleiding gevolgd (gezinstherapie, psychosociale therapie, rationeel-emotieve therapie, en dergelijke)

Mogelijke organisatorische vormen:

  • Veranderingsgerichte begeleiding als opzichzelfstaande interventie, dit kan zowel individueel of met partner/steunsysteem
  • Veranderingsgericht groepswerk

 

Sociale diagnostiek

De sociale diagnostiek wil de situatie en de problematiek van de patiënt ontrafelen teneinde een hulpverleningsplan op te kunnen stellen.

De verschillende leefgebieden worden systematisch afgelopen, waarbij de patiënt uitgenodigd wordt te vertellen wat goed en wat minder goed loopt. Het functioneren in het dagelijks leven en de context van de patiënt staan centraal. Dit gebeurt aan het begin van de behandeling - dan spreken we van een intake, of tijdens behandeling en op verzoek van (meestal) andere disciplines. Op die manier worden sociale risico- of stressfactoren opgespoord die mogelijk nog andere begeleiding vragen naast de behandeling die al ingezet is. Als ook informatie van derden gewenst is, dan wordt de patiënt hiervoor om toestemming gevraagd.

Specifieke vormen van sociale diagnostiek:

  • Intake
  • Onderzoek en rapportage ten behoeve van derden
  • Sociale screening/social assessment (vooral in de GGZ)

 

Informatie en advisering

Met informatie en advisering moet de zelfredzaamheid van de patiënt vergroot worden.

Informatie en advisering gebeurt naar aanleiding van een vraag van een patiënt, zonder dat daar een uitgebreide intake aan vooraf is gegaan. Het gaat om een eenmalige activiteit, hoewel een patiënt altijd terug kan komen voor aanvullende of nieuwe informatie of advies. Het gaat zowel om mondelinge informatie en advies, om folders en brochures, als om het aanreiken van geautomatiseerde kennisbronnen (websites). Varianten van informatie en advisering zijn:

  • Spreekuur
  • Informatiewinkel/informatiepunt al dan niet bemenst door ervaringsdeskundigen

 

Zorgcoördinatie

Bij zorgcoördinatie wordt de samenwerking tussen professionals die verantwoordelijk zijn voor de opbouw van een (gezamenlijk) dossier afgestemd en gecoördineerd. De maatschappelijk werker is al dan niet de behandelaar of begeleider van de patiënt, maar onderhoudt ten minste op basis van gelijkwaardigheid contact met de patiënt over de gewenste en noodzakelijke afstemming tussen de verschillende onderdelen van het hulpverleningstraject.

De zorgcoördinatie is vaak een specifieke interventie bij complexe hulpvragen en na behandeling in de derdelijns ggz wanneer meerdere hulpverleners/organisaties/disciplines betrokken blijven.

Andere termen voor de zorgcoördinator zijn behandelcoördinator of casemanager.

 

Specifieke maatschappelijkwerkinterventies bij angst- en stemmingsstoornissen

Enkele verbijzonderingen van de genoemde generieke interventies zijn:

  • Looptraining (verbijzondering van lichaamsgericht werken).
  • Ademhalingsoefeningen (verbijzondering van lichaamsgericht werken).
  • Trainingen als 'in de put, uit de put'; 'omgaan met je dip' (verbijzondering van veranderingsgericht werken).
  • Voorlichtingspsychoeducatie en thematische psychoeducatie betreffende de stoornis, prognose, behandeling, en dergelijke (verbijzondering van psychoeducatie).
  • Lotgenotencontact, supportgroepen, en dergelijke (verbijzondering van ondersteuningsgroepen).

 

Hiernaast zijn er nog verschillende combinaties van interventies, zoals nazorg.

De inhoud en omvang van de interventies is afhankelijk van de behoefte van patiënt. Meestal bestaat de interventie uit een combinatie van netwerkbegeleiding en emotionele en praktische ondersteuning en begeleiding.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-08-2013

Laatst geautoriseerd : 01-08-2013

Een richtlijn berust op resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming door beroepsbeoefenaren en patiënten, gericht op het uitdrukkelijk omschrijven van goed handelen. Bij deze gedeeltelijke richtlijnherziening is de EBRO-methode van evidence-based richtlijnontwikkeling gevolgd en zijn de uitgangspunten van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ nagevolgd. Ook is het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument gehanteerd. Dit instrument is in Europees verband opgesteld om de kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Tenslotte heeft Health Technology Assessment een rol gekregen in de onderbouwing van de aanbevelingen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en het ministerie van VWS en met ondersteuning van het Trimbos-Instituut. Deze richtlijnherzieningen zijn tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma Kennisbeleid, Kwaliteit Curatieve zorg (KKCZ).

Doel en doelgroep

Doel

Het ontwikkelen van richtlijnen is geen doel op zich, maar dient op de eerste en de laatste plaats de kwaliteit van zorg. De patiënt moet er beter van worden en de behandelaar moet er daadwerkelijk advies aan kunnen ontlenen bij beslissingen in het behandelbeleid. Een multidisciplinaire richtlijn is een leidraad met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. Dit uitgangspunt wordt geregeld met evaluatieonderzoek getoetst. De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is te zien als een “moederrichtlijn”: een multidisciplinair basisdocument. Op basis hiervan zal een vertaling kunnen plaatsvinden naar monodisciplinaire richtlijnen van de afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn biedt ook aanknopingspunten voor transmurale afspraken of lokale protocollen, hetgeen de implementatie van de aanbevelingen zal bevorderen.

Samenstelling werkgroep

De Richtlijnwerkgroep is multidisciplinair samengesteld: naast psychiaters, psychotherapeuten, (eerstelijns)psychologen, huisartsen en verpleegkundigen in de GGZ nemen ook patiënten, maatschappelijk werkers, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, ziekenhuisapothekers, sociaal pedagogisch hulpverleners en vaktherapeuten deel. Onderdeel van de Richtlijnwerkgroep is de Kerngroep, samengesteld uit twee psychiaters, twee psychotherapeuten, een eerstelijnspsycholoog, twee huisartsen, een voorzitter (psychiater) en secretaris (psycholoog). De voorzitter van deze Kerngroep is tevens voorzitter van de voltallige Richtlijnwerkgroep. Daarnaast werd een breed samengestelde Klankbordgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de Richtlijnwerkgroep en de Kerngroep is rekening gehouden met de geprioriteerde uitgangsvragen in deze ronde van richtlijnherziening.

 

Projectgroep

  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen (projectleider), senior wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. E. Fischer, adviseur, wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. A. Hagemeijer, adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO
  • Dr. H.C.A.M. van Rijswijk, adviseur-huisartsen, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dhr. Drs. H.J.H. in den Bosch, adviseur Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Tot Juni 2008
  • Mw. Drs. E.P. Poot, senior adviseur-verpleegkundigen, Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Vanaf Juni 2008
  • Mw. Dr. T.L. Feenstra, gezondheidseconoom, UMCG
  • Prof. Dr. E. Buskens, hoogleraar HTA, UMCG

 

Samenstelling van de Kerngroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

 

Samenstelling van de Werkgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie (de Richtlijnwerkgroep)

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Dr. R.J. Bosscher, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Dr. P. Brock, verzekeringsarts, Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
  • Dr. D.J. Bruinvels, bedrijfsarts, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. drs. A. Van Geleuken, Depressiecentrum/Fonds Psych. Gezondheid
  • Dhr. O. Glas, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Mw. J. van Hamersveld, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Mw. B. Hoitzing, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. J. Huijser, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dhr. I. Keuchenius, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. E.M.A.A. Rozenbroek, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S. Stevens, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. S. Visser, klinisch psycholoog-psychotherapeut Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S.J.W. Wessels-Basten, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

 

Samenstelling van de Klankbordgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Dr. F.A. Albersnagel, psycholoog
  • Dhr. R. van Alphen, muziektherapeut
  • Dhr. W.A. de Boer, verzekeringsarts
  • Mw. M. Clijsen, verpleegkundige
  • Dhr. M. Cox, huisarts
  • Drs. J.A.C. Delimon, psychotherapeut
  • Mw. L. Doomen, dramatherapeut
  • Dhr. J. Dopper, huisarts
  • Dhr. R. van Dyck, psychiater
  • Dhr. W. Houtjes, verpleegkundige
  • Dhr. C. Hulshof, bedrijfsarts
  • Dhr. F. Jansen, nurse practitioner
  • Mw. M. de Kater, senior maatschappelijk werk
  • Mw. J. Kil, danstherapeut
  • Dhr. drs. H. van der Kleij, Directeur VGCT
  • Dhr. K. Korrelboom, psychotherapeut
  • Mw. Y. van der Leest-Tijmense, verpleegkundige
  • Drs. A. de Leeuw, psychiater
  • Dhr. P. Lucassen, huisarts
  • Dhr. K. van der Meer, huisarts
  • Mw. P. Moelker, verpleegkundige
  • Prof. Dr. W.A. Nolen, psychiater
  • Drs. J.C.G.J. Oomen, psychotherapeut
  • Mw. I. van der Padt, docent verpleegkundige
  • Dhr. H. Penninx, psychomotorisch therapeut
  • Mw. G.J.M. Roodbol, verpleegkundig specialist
  • Drs. A.G. Rutgers, verpleegkundig onderzoeker
  • Mw. R. Schalk, danstherapeut
  • Prof. dr. A.H. Schene, psychiater
  • Mw. K. Schouten, beeldend therapeut
  • Mw. M. Schouten, nurse practitioner
  • Dhr. F. Schüsler, apotheker
  • Mw. M.L. Seelen, nurse practitioner
  • Prof. dr. P. Spinhoven, psychotherapeut
  • Mw. T. Sporrel, huisarts
  • Dhr. R. Starmans, huisarts
  • Dr. J.C. van der Stel, senior onderzoeker
  • Dhr. A.H.J.M. Sterk, bedrijfsarts
  • Drs. J.M. Tromp, arts
  • Mw. E. van Weel-Baumgarten, huisarts
  • Dhr. P. Voskuilen, verpleegkundige

Belangenverklaringen

Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van Richtlijnwerkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, “scholen” en academische achtergronden. De Richtlijnwerkgroepleden handelen onafhankelijk en zijn gemandateerd door hun vereniging. De Richtlijnwerkgroepleden hebben geen relevante binding met (farmaceutische) industrieën, producten of diensten, noch met enige andere relevante derde partij.

Inbreng patiëntenperspectief

Bijzonder aandachtspunt bij deze richtlijnrevisie is het patiëntenperspectief vanuit de inbreng van patiëntenvertegenwoordigers. Een geïntegreerde richtlijn is uitdrukkelijk ook een beslissingsondersteunend instrument voor de patiënt, als medebeslisser in de behandeling.

De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) beoogt de patiënt in staat te stellen een actieve rol te vervullen in de behandeling. Hiervoor kunnen patiëntversies van de richtlijn worden gebruikt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Toepassing van de richtlijn

Het toepassingsgebied van de Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een depressieve stoornis (depressie). Indien aanbevelingen uit de richtlijn in de concrete praktijksituatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt of de mening van de behandelaar kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn. Deze richtlijnherzieningen bevatten aanbevelingen die op een transparante manier gebaseerd zijn op bewijs in combinatie met ervaring en opinie. De aanbevelingen zijn geldig voor de in de aanbeveling besproken patiëntengroep en zijn geldig voor zoveel mogelijk zorgverleners en settingen. Uiteraard vallen beslissingen over de daadwerkelijk toe te passen zorg onder de verantwoordelijkheid van de individuele zorgverlener in overleg met de individuele zorgvrager, toegespitst op diens unieke situatie. Tevens is het volgens de WGBO een vereiste om iedere behandelstap in overleg met de patiënt vast te stellen. Het is belangrijk om het systeem rondom de patiënt te betrekken in het overleg waarin een keuze wordt gemaakt over aanvullende interventies. Eveneens is het in de vervolgbehandeling belangrijk om het sociale systeem rondom de patiënt te betrekken in het afwegingsproces bij het bepalen van het behandelbeleid.

Werkwijze

De Kerngroep werkte aan de totstandkoming van deze conceptrichtlijnherzieningen en tevens aan de conceptrichtlijnherzieningen voor de Multidisicplinaire richtlijn Angststoornissen. De Kerngroepleden werkten aan de feitelijke revisie van de richtlijn door de betreffende uitgangsvragen te prioriteren en vervolgens te beantwoorden. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, droegen zoektermen voor de literatuursearches en literatuur aan, selecteerden, beoordeelden en wogen de literatuur op inhoud en betrouwbaarheid van de resultaten naar mate van bewijs en beoordelen en wegen praktijkkennis uitmondend in wetenschappelijke onderbouwing voor concrete conclusies en aanbevelingen. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, schrijven conceptrichtlijnteksten, met inbegrip van de formulering van overige overwegingen en van richtlijnaanbevelingen, en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen teneinde deze gereed te maken voor commentaar van de voltallige Richtlijnwerkgroep, de Klankbordgroep en anderen. De voltallige Richtlijnwerkgroep is actief betrokken bij het proces van richtlijnherziening door gevraagd en ongevraagd advies te geven, met name in de startfase en commentaarfase van het traject. De Richtlijnwerkgroepleden worden hierin ondersteund door de adviseurs. De adviseurs in de Projectgroep adviseerden de Kerngroep en voltallige Richtlijnwerkgroep bij de richtlijnherzieningen, wat betreft zowel proces als inhoud, en geven methodologische en organisatorische ondersteuning volgens het format voor richtlijnherziening in het werkplan. De adviseurs ordenden commentaar op de conceptrichtlijnherzieningen en leggen dit voor aan de Kerngroep. De adviseurs schrijven mee met de Kerngroep aan de conceptrichtlijnteksten en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen. HTA-experts in de Projectgroep droegen bij aan het gezondheidseconomische perspectief bij richtlijnontwikkeling.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht naar vanaf 2001 gepubliceerde artikelen in PsychINFO, Medline, Cochrane, Embase en databases. De zoekacties werden gesloten per juni 2007. Daarnaast werden artikelen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur gehaald. Ook werden andere (buitenlandse) richtlijnen aangaande depressie geraadpleegd. De geselecteerde artikelen zijn door de Kerngroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijskracht (zie tabel 1.1). De beoordeling van de verschillende artikelen is in de verschillende teksten terug te vinden onder het kopje Samenvatting van de literatuur. Het wetenschappelijke bewijs is vervolgens kort samengevat in de Conclusies, met daarbij een niveau van bewijs (zie tabel 1.1). Om te komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden vermeld onder het kopje Overige overwegingen. De Aanbevelingen zijn het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Het volgen van deze procedure verhoogt de transparantie van de richtlijn. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie in de Richtlijnwerkgroep en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies.

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 1.2: Niveau van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

1 onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, november 2007