Uitgangsvraag

Behandeling van depressie vanuit patiëntenperspectief

Aanbeveling

Ten aanzien van behandelinterventies

Het is aanbevolen om:

  • De patiënt goed te begeleiden bij medicijngebruik, ook het afbouwen ervan.
  • Goede voorlichting te geven over psychotherapie en zich bewust te zijn van de drempel die veel patiënten hebben ten aanzien van psychosociale interventies.

 

Ten aanzien van culturele diversiteit

Het is aanbevolen om voorlichtingsmateriaal in verschillende talen beschikbaar te hebben.

 

Ten aanzien van gender

Het is aanbevolen om:

  • Rekening te houden met hormonale veranderingen (zwangerschap, de overgang, de menstruatiecyclus) die van invloed kunnen zijn op de gemoedstoestand en de kwetsbaarheid voor angstklachten en depressie bij de vrouw.
  • Voorlichting te geven over het gebruik van medicatie tijdens de zwangerschap.

 

Ten aanzien van stepped-care

Het is aanbevolen om:

  • Klachten niet te onderschatten en tijdig door te verwijzen (doorverwijzen heeft niet met falen te maken).
  • Goed op te hoogte te zijn van de verschillende gespecialiseerde centra.

 

Ten aanzien van arbeid

Het is aanbevolen om:

  • De patiënt een gevoel van veiligheid te geven bij het nemen van stappen om (weer) te participeren.
  • Zich bewust te zijn van het belang van participatie voor de patiënt. Dit zorgt ervoor dat de patiënt zich nuttig voelt.
  • De nadruk te leggen op de dingen die patiënt nog wel kan en niet op wat de patiënt niet meer kan, positieve bevestiging werkt beter dan het opvoeren van de druk.

Inleiding

Patiënten verklaren en ervaren een depressie op verschillende manieren. Hulpverleners kunnen de visie van patiënten op depressie beïnvloeden door de informatie die zij geven. Ook door andere bronnen wordt het beeld van patiënten over depressie bepaald, zoals de televisie of verhalen van lotgenoten. Visies op de oorzaak en betekenis van een depressie kunnen de voorkeuren en keuzes van patiënten voor de invulling van de behandeling beïnvloeden. Het is voor de samenwerking tussen patiënt en hulpverlener van belang dat beide partijen hun visie op de problematiek uiten en nagaan of men verschillend over de problemen en hun oorzaak denkt. Dit gesprek zal periodiek moeten plaatsvinden, omdat in de loop van een behandeling de ideeën van patiënten over depressie veranderen en de hulpbehoefte daarmee mogelijk ook.

Het is voor patiënten belangrijk dat zij met hun hulpverleners kunnen praten over het gelijktijdig volgen van op hun effect onderzochte behandelingen en hulp die niet wetenschappelijk bewezen is. Hulpverleners dienen erop bedacht te zijn dat veel patiënten aanvullend aan de behandeling andere, niet op effect onderzochte hulp zoeken en uitproberen. Een tolerante houding van hulpverleners ten opzichte van deze vormen van hulp bevordert de openheid van patiënten en kan niet-zinvolle of schadelijke keuzes voorkomen. Een hulpverlener dient naast voorlichting over het behandelaanbod dat door hemzelf of zijn instelling wordt vertegenwoordigd, altijd te wijzen op relevante alternatieven. De hulpverlener dient het zoek- en afwegingsproces actief te ondersteunen. Zo kan de patiënt veel informatie van derden betrekken en actiever kiezen voor een specifieke behandeling of behandelaar.

 

Patiënten kunnen zich tijdens een depressieve periode onbegrepen voelen door de omgeving, waardoor zij problemen ondervinden bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten. Hulp hierbij, met name hulp die in de eigen omgeving geboden wordt, kan mensen stimuleren om te blijven functioneren in hun sociale netwerk. De omgeving van de patiënt kan gebaat zijn bij uitleg over de betekenis van een depressie en bij aanwijzingen hoe als omgeving met een depressie om te gaan. Hulpverleners moeten de patiënt erop attenderen dat direct betrokkenen uitgenodigd kunnen worden voor een informatief en steunend gesprek. Patiënten hebben tijdens een depressieve periode vaak grote problemen met het structureren van en invulling geven aan de dag. Dit probleem verdient de aandacht van hulpverleners. Activiteiten en andere vormen van dagbesteding kunnen helpen de dag structuur te geven en een positieve functie te vervullen voor patiënten in het kader van werken aan herstel.

Werk kan voor veel patiënten met depressieve klachten een belangrijke functie vervullen, ook al is werken soms tijdelijk niet mogelijk. Hulpverlener en patiënt zullen de rol van het werk in kaart moeten brengen: is deze ondersteunend of belemmerend voor het herstel? Als werk een positieve functie voor de patiënt vervult, zal de hulpverlener met de patiënt kunnen bespreken hoe passend werk behouden of verkregen kan worden.

 

Soms ervaren patiënten nadat zij van een depressie hersteld zijn dat de periode hen sterker heeft gemaakt en het leven heeft verrijkt. Het is belangrijk dat patiënten in een latere fase van de behandeling, bijvoorbeeld tijdens de herstelperiode, door hulpverleners op deze groeimogelijkheid gewezen worden.

Patiënten hebben vaak behoefte aan een evaluatie van de behandeling. Ook tijdens de behandeling bestaat vaak de behoefte regelmatig samen met de behandelaar te kijken of de behandeling effect heeft, dat wil zeggen of het effect van de hulp in het dagelijks leven te merken is.

Genezing is niet altijd een haalbaar doel. Het accepteren van beperkingen en grenzen kan op een gegeven moment een zinvol doel worden dat patiënt en hulpverlener bewust kunnen nastreven.

Hulpverleners zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige afronding van de behandeling. Hulpverleners wordt aangeraden afspraken met patiënten te maken over afbouwen en stoppen van hulp en over eventuele nazorg. Dit betekent dat patiënten goede uitleg over deze stappen ontvangen.

Conclusies

Niveau 4

Patiënten verklaren en ervaren een depressie op verschillende manieren. Deze visies worden beïnvloed door informatie van hulpverleners en van andere bronnen, zoals televisie en lotgenoten. Op hun beurt kunnen deze de voorkeuren en keuzes van patiënten voor de invulling van de behandeling beïnvloeden. Het is voor de samenwerking tussen patiënt en hulpverlener van belang dat beide partijen hun visie op de problematiek en de oorzaak daarvan uiten en vergelijken. Dit moet periodiek gebeuren, omdat beelden van patiënten over depressie in de loop van een behandeling veranderen en de hulpbehoefte daarmee mogelijk ook.

Het is voor patiënten belangrijk dat zij met hun hulpverleners kunnen praten over het gelijktijdig volgen van wel én niet wetenschappelijk bewezen behandelingen en hulp. Hulpverleners dienen erop bedacht te zijn dat veel patiënten naast de reguliere behandeling andere, niet op effect onderzochte hulp zoeken en uitproberen. Een tolerante houding van hulpverleners ten opzichte van deze vormen van hulp bevordert de openheid van patiënten en kan niet-zinvolle of schadelijke keuzes voorkómen. Een hulpverlener dient altijd te wijzen op relevante alternatieven die bestaan naast het behandelaanbod wat hijzelf of zijn instelling aanbiedt. Het zoek- en afwegingsproces ondersteunt hij actief. Zo kan de patiënt veel informatie van derden betrekken en actiever kiezen voor een specifiek behandeling of behandelaar.

Patiënten kunnen zich tijdens een depressieve periode onbegrepen voelen door de omgeving, waardoor zij problemen ondervinden bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten. Hulp hierbij, en vooral hulp die in de eigen omgeving geboden wordt, kan mensen stimuleren om te blijven functioneren in hun sociale netwerk. De omgeving van de patiënt kan gebaat zijn bij uitleg over de betekenis van een depressie en bij aanwijzingen voor het als omgeving omgaan met een depressie. Hulpverleners dienen de patiënt erop te attenderen dat directbetrokkenen uitgenodigd kunnen worden voor een informatief en steunend gesprek.

Patiënten hebben tijdens een depressieve periode vaak grote problemen met het structureren van en invulling geven aan de dag. Dit probleem verdient de aandacht van hulpverleners. Activiteiten en andere vormen van dagbesteding kunnen helpen de dag structuur te geven en een positieve impuls geven aan het werken aan herstel.

Werk kan voor veel patiënten met depressieve klachten een belangrijke functie vervullen, ook al is werken soms tijdelijk niet mogelijk. Hulpverlener en patiënt zullen de rol van het werk in kaart moeten brengen: is dit ondersteunend aan de behandeling of belemmert het het herstel van de patiënt? Indien werk een positieve functie voor de patiënt vervult, zal de hulpverlener met de patiënt kunnen bespreken hoe passend werk behouden of verkregen kan worden.

Soms ervaren patiënten nadat zij van een depressie hersteld zijn dat de periode hen sterker heeft gemaakt en het leven heeft verrijkt. Het is belangrijk dat patiënten in een latere fase van de behandeling, bijvoorbeeld tijdens de herstelperiode, door hulpverleners op deze groeimogelijkheid gewezen worden.

Patiënten hebben vaak behoefte aan een evaluatie van de behandeling. Ook tijdens de behandeling bestaat vaak de behoefte regelmatig samen met de behandelaar te kijken of de behandeling effect heeft - of het effect van de hulp in het dagelijks leven te merken is.

Genezing is niet altijd een haalbaar doel. Het accepteren van beperkingen en grenzen kan op een gegeven moment een zinvol doel worden dat patiënt en hulpverlener bewust kunnen nastreven.

Hulpverleners zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige afronding van de behandeling. Hun wordt aangeraden afspraken met patiënten te maken over afbouwen en stoppen van hulp en over eventuele nazorg en de patiënt daarover goede uitleg geven.

 

D Panelraadpleging, focusgroep patiënten

Samenvatting literatuur

Farmacotherapie

De behandeling van een depressie met medicijnen mag niet los worden gezien van psychologische, sociale en lichamelijke factoren. Begeleidende gesprekken mogen niet achterwege blijven als medicijnen als voorkeursbehandeling gekozen worden. Patiënten beschouwen medicijnen vaak niet als dé oplossing van hun probleem en willen er vaak ook op een andere manier aan werken.

Als een behandeling met medicijnen aan de orde is, moeten patiënten, mits de ernst van de depressie dit toestaat, door de hulpverlener goed geïnformeerd worden. Goede en volledige uitleg over medicijnen, hun inwerkingverschijnselen, hun bijwerkingen en mogelijke effecten is cruciaal bij medicatietherapie en wordt in de praktijk vaak als een knelpunt ervaren. Ook informatie over de duur en het verloop van de behandeling en het tijdstip waarop positieve effecten te verwachten zijn is voor patiënten belangrijk. Hulpverleners moeten patiënten ook wijzen op de informatie en ervaringskennis over medicijngebruik die aanwezig is bij patiëntenorganisaties. Bedacht moet worden dat eventuele positieve effecten bij puur depressieve patiënten aanzienlijk eerder op kunnen treden, dan bij patiënten die zich tevens angstig voelen. Dit wordt zelden door hulpverleners besproken en in de behandeling geïntegreerd. Bij het voorschrijven van medicatie heeft de patiënt baat bij een vervolgafspraak. In het begin zal deze afspraak al na korte tijd, binnen maximaal veertien dagen, gepland moeten worden. Initiatief van de hulpverlener, bijvoorbeeld zelf contact opnemen of een assistent dit laten doen, is in deze fase noodzakelijk.

De hulpverlener dient de patiënt vóór het afbouwen te attenderen op specifieke onttrekkingsverschijnselen.

Het gaat om meer verschijnselen dan alleen het terugkeren van de depressie. Bij sommige patiënten zijn deze onttrekkingsverschijnselen zo heftig dat niet gestopt kan worden.

Patiënten ervaren veel nadelige effecten van het gebruik van kalmeringsmiddelen bij een depressie. Deze maken hen vaak nog suffer en initiatieflozer. De depressieve klachten worden dus juist niet weggenomen. Hulpverleners wordt aanbevolen deze medicijnen niet voor te schrijven, tenzij daar een duidelijke indicatie of rationale voor is.

 

Psychologische/psychotherapeutische interventies

Tijdens gesprekstherapie is het belangrijk dat patiënten ruimte hebben om het eigen verhaal te vertellen. Zij willen steun ervaren en het gevoel hebben dat de professional er voor hen is. Als het niet klikt tussen patiënt en hulpverlener, dan willen patiënten de mogelijkheid hebben om van hulpverlener te veranderen.

Patiënten willen desgevraagd toelichting van een behandelaar op diens kwaliteiten inzake de behandeling van de zorgvraag van de patiënt.

 

Ondersteunende interventies

Lotgenotencontact kan een belangrijke functie vervullen voor patiënten. Verhalen van andere mensen die een depressieve periode hebben doorgemaakt en zich weer beter voelen, de zogenaamde herstelverhalen, kunnen hoop bieden en motiveren om te vechten voor verbetering of herstel. Ook het besef dat men niet de enige is die dit overkomt, kan een grote steun zijn. In dit kader is het belangrijk dat de patiënt in de loop van de behandeling gewezen wordt op de mogelijkheden voor lotgenotencontact.

 

Relationele aspecten van hulpverlening

Een goede werkrelatie met de hulpverlener is erg belangrijk voor patiënten met depressie. Een wenselijke houding van de hulpverlener wordt door patiënten gekenmerkt door begrippen als gelijkwaardigheid, betrokkenheid en steun. De rol van de hulpverlener is die van deskundig adviseur die het verhaal van de patiënt en niet de eigen kennis en vaardigheden als uitgangspunt neemt. De kwaliteit van de werkrelatie is onderwerp van gesprek en evaluatie. De communicatie tussen patiënt en hulpverlener kan ondersteund worden door het gebruik van een checklist met aandachtspunten die tijdens de contacten besproken dienen te worden. Voorbeelden van dergelijke checklists zijn voorhanden in de somatische zorg.

Patiënten willen het veilige gevoel hebben dat hun hulpverlener tijdens en na afloop van de behandeling de vinger aan de pols houdt. Patiënten en hulpverleners wordt aanbevolen over de mogelijkheden om contact te hebben afspraken te maken. Wanneer patiënten zich erg onzeker of afhankelijk voelen, zoals in het begin van een medicamenteuze behandeling het geval kan zijn, zullen hulpverleners zich actief moeten opstellen in het contact zoeken met patiënten. Een concrete mogelijkheid is telefonische evaluatie van medicijngebruik door de hulpverlener of diens assistent.

Inbreng van patiënten in de besluitvorming in de behandeling is een complex proces. De besluitvorming over het behandelaanbod kan verschillende vormen aannemen, waarin de ruimte voor patiënten gewenst of ongewenst in meer of mindere mate aanwezig is. In de praktijk is er lang niet altijd sprake van voldoende ruimte voor inbreng van de patiënt. De behoeften en mogelijkheden tot inspraak worden beïnvloed door verschillende factoren, zoals persoonskenmerken, maar ook (toenemende) kennis en ervaring van de patiënt over behandelingen en het al dan niet bestaan van een crisissituatie. Hulpverleners wordt aanbevolen om regelmatig:

  • Tijdens de hulpverlening na te gaan of en hoe de patiënt inspraak in de besluitvorming wil en goed op verzoeken tot inspraak te letten;
  • Na te gaan wat de patiënt belemmert en bevordert om de gegeven en gewenste ruimte in te nemen;
  • Na te gaan of de patiënt informatie heeft ontvangen en begrepen;
  • De patiënt te stimuleren om zelf mee te beslissen;
  • Open te staan voor wensen, kritiek en verzoeken.

 

Het aanbieden en verwerven van ruimte voor gezamenlijke besluitvorming speelt zich af binnen een context van een verschil in kennis en afhankelijkheid tussen de patiënt en de hulpverlener. Inbreng van patiënten bij de besluitvorming wordt belemmerd doordat patiënten hun mening uit gevoelens van afhankelijkheid of uit angst voor sancties vaak niet durven te verwoorden. Soms zijn zij te verward en maakt de depressie het hun moeilijk om anderen duidelijke informatie over hun problemen te geven. Veel patiënten hebben behoefte aan een betrokken hulpverlener en aan een relatie met de hulpverlener waarin sprake is van gelijkwaardigheid. Hulpverleners moeten patiënten in principe altijd bij de besluitvorming betrekken, tenzij de patiënt zelf niet mee kan of wil beslissen. Een afstandelijke houding van de hulpverlener en het gevoel niet serieus genomen te worden, bemoeilijken een gelijkwaardig contact. Hulpverleners wordt aanbevolen om:

  • niet alleen aandacht te hebben voor de symptomen van de ziekte, maar de patiënt als mens te benaderen, met oog voor de gevolgen van de depressie in het leven van deze individuele patiënt;
  • de eigen inbreng van patiënten in de behandeling te stimuleren door een open houding, actief vragen om feedback en door het periodiek inlassen van evaluatiemomenten;
  • de patiënt aan te moedigen om zelf verantwoordelijkheid voor de behandeling te nemen;
  • zich waar mogelijk op te stellen als deskundig adviseur;
  • in crisissituaties, of wanneer patiënten niet mee willen of kunnen beslissen, de verantwoordelijkheid van de besluitvorming van patiënten over te nemen.

 

Organisatorische aspecten van de hulpverlening

Het is voor de patiënt van groot belang dat de hulpverleners goed bereikbaar zijn, vooral wanneer zij plotseling iemand nodig hebben of wanneer zij net begonnen zijn met het slikken van medicijnen of het voeren van therapeutische gesprekken. Afspraken over de frequentie van het contact met een hulpverlener kan het gevoel van veiligheid bij de patiënt vergroten. In de eerste lijn kan contact ook bestaan uit een gesprek met de assistent van de arts of met een verpleegkundige. Essentieel is dat er afspraken zijn over het contact en dat het contact goed is georganiseerd.

Wanneer patiënten op hulp moeten wachten, hebben zij behoefte aan duidelijke afspraken over de hulpverlener of de instantie bij wie ze terechtkunnen met vragen en problemen. Ook informatie over de wachttijd en de stappen erna kunnen de periode van wachten makkelijker maken.

Als hulpverleners patiënten naar collegans verwijzen, zullen zij hen moeten helpen bij het vinden van de juiste persoon. Dit betekent dat hulpverleners, rekening houdend met de voorkeuren van de patiënt, suggesties doen voor andere hulpverleners. Het vinden van een hulpverlener die aansluit bij de individuele problematiek van patiënten is een professionele verantwoordelijkheid. Ook het organiseren van de geïndiceerde hulp is een taak van de verwijzende hulpverlener.

Samenwerking tussen hulpverleners van verschillende instanties bevordert de kwaliteit van de hulpverlening in de ogen van patiënten. Hulpverleners dienen elkaar, na verkregen toestemming van de patiënt, te informeren over het eigen handelen en de hulp in samenhang aan te bieden.

Patiënten kunnen in een aantal situaties behoefte hebben aan het oordeel van een andere hulpverlener. De mogelijkheid een second opinion aan te vragen moet actief aangeboden worden.

Soms worden patiënten in hun keuze beperkt door het bestaande vergoedingssysteem. De keuze voor een vrijgevestigde therapeut kan niet altijd gerealiseerd worden. Ook worden behandelingen soms verkort tot minder sessies dan wenselijk. Bij de besluitvorming moeten patiënten en hulpverleners deze beperkingen bespreken en zoeken naar andere bestaande mogelijkheden. Onderhandelen met de financier kan hiertoe behoren.

Referenties

  1. Bos, F. (2002). Berichten uit het laboratorium van de samenleving over ervaringen met depressie en antidepressiva beeldvorming, realiteit en belangen bij medicijngebruik en de maatschappelijke positie van mensen met psychische of psychiatrische problemen. Amsterdam: Stichting Pandora.
  2. Department of Health (2001). Treatment choice in psychological therapies and counselling. Evidence based clinicalpractice guideline. Verkregen van internet via www.dh.gov.uk.
  3. Eland, A., Franx, G., & Wieman, G. (2001). Het perspectief van cliënten op de hulpverlening bij depressie. Een inventarisatie van ervaringskennis ten behoeve van de ontwikkeling van een GENDER (VERSIE 2010) 166 multidisciplinaire richtlijn depressie. Utrecht: Trimbos-instituut.
  4. Franx, G., & Zeldenrust, W. (2002). Cliënten en hun omgeving over GGZ-programma’s: Aanbevelingen voor het hulpaanbod. Utrecht: GGZ Nederland.
  5. Gezondheidsraad. (2000). Van implementeren naar leren: het belang van tweerichtingsverkeer tussen praktijk en wetenschap in de gezondheidszorg. Den Haag: Gezondheidsraad.
  6. Landelijke Commissie Cliëntenparticipatie (2001). Checklist voor de ontwikkeling en inhoud van multidisciplinaire richtlijnen in de GGZ. gezien vanuit cliënten- en familieperspectief (1ste versie). Utrecht: Trimbos-instituut.
  7. Manning, M. (1996). Onderstromen: een psychotherapeute overwint haar depressie. Baarn: Ambo.
  8. Meijsing, G. (1997). Tussen mes en keel. Amsterdam: Arbeiderspers.
  9. Pandora Depressielijn. (2002). Jaarrapportage 2001. Amsterdam: Stichting Pandora.
  10. Solomon, A. (2002). Demonen van de middag: een persoonlijke geschiedenis van depressie. Amsterdam: Anthos.
  11. Stichting Pandora. (2002). Gebruikers over antidepressiva. Amsterdam: Stichting Pandora.
  12. Udink, B. (2001). Klein leed. Amsterdam: Meulenhoff.
  13. Wolpert, L. (1999). De anatomie van een depressie. Den Haag: Bzztöh.
  14. Wurtzel, E. (1998). Het land Prozac: alles mee en toch depressief. Amsterdam: Meulenhoff.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-08-2013

Laatst geautoriseerd : 01-08-2013

Een richtlijn berust op resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming door beroepsbeoefenaren en patiënten, gericht op het uitdrukkelijk omschrijven van goed handelen. Bij deze gedeeltelijke richtlijnherziening is de EBRO-methode van evidence-based richtlijnontwikkeling gevolgd en zijn de uitgangspunten van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ nagevolgd. Ook is het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument gehanteerd. Dit instrument is in Europees verband opgesteld om de kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Tenslotte heeft Health Technology Assessment een rol gekregen in de onderbouwing van de aanbevelingen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en het ministerie van VWS en met ondersteuning van het Trimbos-Instituut. Deze richtlijnherzieningen zijn tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma Kennisbeleid, Kwaliteit Curatieve zorg (KKCZ).

Doel en doelgroep

Doel

Het ontwikkelen van richtlijnen is geen doel op zich, maar dient op de eerste en de laatste plaats de kwaliteit van zorg. De patiënt moet er beter van worden en de behandelaar moet er daadwerkelijk advies aan kunnen ontlenen bij beslissingen in het behandelbeleid. Een multidisciplinaire richtlijn is een leidraad met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. Dit uitgangspunt wordt geregeld met evaluatieonderzoek getoetst. De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is te zien als een “moederrichtlijn”: een multidisciplinair basisdocument. Op basis hiervan zal een vertaling kunnen plaatsvinden naar monodisciplinaire richtlijnen van de afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn biedt ook aanknopingspunten voor transmurale afspraken of lokale protocollen, hetgeen de implementatie van de aanbevelingen zal bevorderen.

Samenstelling werkgroep

De Richtlijnwerkgroep is multidisciplinair samengesteld: naast psychiaters, psychotherapeuten, (eerstelijns)psychologen, huisartsen en verpleegkundigen in de GGZ nemen ook patiënten, maatschappelijk werkers, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, ziekenhuisapothekers, sociaal pedagogisch hulpverleners en vaktherapeuten deel. Onderdeel van de Richtlijnwerkgroep is de Kerngroep, samengesteld uit twee psychiaters, twee psychotherapeuten, een eerstelijnspsycholoog, twee huisartsen, een voorzitter (psychiater) en secretaris (psycholoog). De voorzitter van deze Kerngroep is tevens voorzitter van de voltallige Richtlijnwerkgroep. Daarnaast werd een breed samengestelde Klankbordgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de Richtlijnwerkgroep en de Kerngroep is rekening gehouden met de geprioriteerde uitgangsvragen in deze ronde van richtlijnherziening.

 

Projectgroep

  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen (projectleider), senior wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. E. Fischer, adviseur, wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. A. Hagemeijer, adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO
  • Dr. H.C.A.M. van Rijswijk, adviseur-huisartsen, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dhr. Drs. H.J.H. in den Bosch, adviseur Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Tot Juni 2008
  • Mw. Drs. E.P. Poot, senior adviseur-verpleegkundigen, Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Vanaf Juni 2008
  • Mw. Dr. T.L. Feenstra, gezondheidseconoom, UMCG
  • Prof. Dr. E. Buskens, hoogleraar HTA, UMCG

 

Samenstelling van de Kerngroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

 

Samenstelling van de Werkgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie (de Richtlijnwerkgroep)

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Dr. R.J. Bosscher, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Dr. P. Brock, verzekeringsarts, Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
  • Dr. D.J. Bruinvels, bedrijfsarts, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. drs. A. Van Geleuken, Depressiecentrum/Fonds Psych. Gezondheid
  • Dhr. O. Glas, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Mw. J. van Hamersveld, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Mw. B. Hoitzing, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. J. Huijser, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dhr. I. Keuchenius, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. E.M.A.A. Rozenbroek, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S. Stevens, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. S. Visser, klinisch psycholoog-psychotherapeut Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S.J.W. Wessels-Basten, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

 

Samenstelling van de Klankbordgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Dr. F.A. Albersnagel, psycholoog
  • Dhr. R. van Alphen, muziektherapeut
  • Dhr. W.A. de Boer, verzekeringsarts
  • Mw. M. Clijsen, verpleegkundige
  • Dhr. M. Cox, huisarts
  • Drs. J.A.C. Delimon, psychotherapeut
  • Mw. L. Doomen, dramatherapeut
  • Dhr. J. Dopper, huisarts
  • Dhr. R. van Dyck, psychiater
  • Dhr. W. Houtjes, verpleegkundige
  • Dhr. C. Hulshof, bedrijfsarts
  • Dhr. F. Jansen, nurse practitioner
  • Mw. M. de Kater, senior maatschappelijk werk
  • Mw. J. Kil, danstherapeut
  • Dhr. drs. H. van der Kleij, Directeur VGCT
  • Dhr. K. Korrelboom, psychotherapeut
  • Mw. Y. van der Leest-Tijmense, verpleegkundige
  • Drs. A. de Leeuw, psychiater
  • Dhr. P. Lucassen, huisarts
  • Dhr. K. van der Meer, huisarts
  • Mw. P. Moelker, verpleegkundige
  • Prof. Dr. W.A. Nolen, psychiater
  • Drs. J.C.G.J. Oomen, psychotherapeut
  • Mw. I. van der Padt, docent verpleegkundige
  • Dhr. H. Penninx, psychomotorisch therapeut
  • Mw. G.J.M. Roodbol, verpleegkundig specialist
  • Drs. A.G. Rutgers, verpleegkundig onderzoeker
  • Mw. R. Schalk, danstherapeut
  • Prof. dr. A.H. Schene, psychiater
  • Mw. K. Schouten, beeldend therapeut
  • Mw. M. Schouten, nurse practitioner
  • Dhr. F. Schüsler, apotheker
  • Mw. M.L. Seelen, nurse practitioner
  • Prof. dr. P. Spinhoven, psychotherapeut
  • Mw. T. Sporrel, huisarts
  • Dhr. R. Starmans, huisarts
  • Dr. J.C. van der Stel, senior onderzoeker
  • Dhr. A.H.J.M. Sterk, bedrijfsarts
  • Drs. J.M. Tromp, arts
  • Mw. E. van Weel-Baumgarten, huisarts
  • Dhr. P. Voskuilen, verpleegkundige

Belangenverklaringen

Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van Richtlijnwerkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, “scholen” en academische achtergronden. De Richtlijnwerkgroepleden handelen onafhankelijk en zijn gemandateerd door hun vereniging. De Richtlijnwerkgroepleden hebben geen relevante binding met (farmaceutische) industrieën, producten of diensten, noch met enige andere relevante derde partij.

Inbreng patiëntenperspectief

Bijzonder aandachtspunt bij deze richtlijnrevisie is het patiëntenperspectief vanuit de inbreng van patiëntenvertegenwoordigers. Een geïntegreerde richtlijn is uitdrukkelijk ook een beslissingsondersteunend instrument voor de patiënt, als medebeslisser in de behandeling.

De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) beoogt de patiënt in staat te stellen een actieve rol te vervullen in de behandeling. Hiervoor kunnen patiëntversies van de richtlijn worden gebruikt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Toepassing van de richtlijn

Het toepassingsgebied van de Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een depressieve stoornis (depressie). Indien aanbevelingen uit de richtlijn in de concrete praktijksituatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt of de mening van de behandelaar kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn. Deze richtlijnherzieningen bevatten aanbevelingen die op een transparante manier gebaseerd zijn op bewijs in combinatie met ervaring en opinie. De aanbevelingen zijn geldig voor de in de aanbeveling besproken patiëntengroep en zijn geldig voor zoveel mogelijk zorgverleners en settingen. Uiteraard vallen beslissingen over de daadwerkelijk toe te passen zorg onder de verantwoordelijkheid van de individuele zorgverlener in overleg met de individuele zorgvrager, toegespitst op diens unieke situatie. Tevens is het volgens de WGBO een vereiste om iedere behandelstap in overleg met de patiënt vast te stellen. Het is belangrijk om het systeem rondom de patiënt te betrekken in het overleg waarin een keuze wordt gemaakt over aanvullende interventies. Eveneens is het in de vervolgbehandeling belangrijk om het sociale systeem rondom de patiënt te betrekken in het afwegingsproces bij het bepalen van het behandelbeleid.

Werkwijze

De Kerngroep werkte aan de totstandkoming van deze conceptrichtlijnherzieningen en tevens aan de conceptrichtlijnherzieningen voor de Multidisicplinaire richtlijn Angststoornissen. De Kerngroepleden werkten aan de feitelijke revisie van de richtlijn door de betreffende uitgangsvragen te prioriteren en vervolgens te beantwoorden. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, droegen zoektermen voor de literatuursearches en literatuur aan, selecteerden, beoordeelden en wogen de literatuur op inhoud en betrouwbaarheid van de resultaten naar mate van bewijs en beoordelen en wegen praktijkkennis uitmondend in wetenschappelijke onderbouwing voor concrete conclusies en aanbevelingen. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, schrijven conceptrichtlijnteksten, met inbegrip van de formulering van overige overwegingen en van richtlijnaanbevelingen, en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen teneinde deze gereed te maken voor commentaar van de voltallige Richtlijnwerkgroep, de Klankbordgroep en anderen. De voltallige Richtlijnwerkgroep is actief betrokken bij het proces van richtlijnherziening door gevraagd en ongevraagd advies te geven, met name in de startfase en commentaarfase van het traject. De Richtlijnwerkgroepleden worden hierin ondersteund door de adviseurs. De adviseurs in de Projectgroep adviseerden de Kerngroep en voltallige Richtlijnwerkgroep bij de richtlijnherzieningen, wat betreft zowel proces als inhoud, en geven methodologische en organisatorische ondersteuning volgens het format voor richtlijnherziening in het werkplan. De adviseurs ordenden commentaar op de conceptrichtlijnherzieningen en leggen dit voor aan de Kerngroep. De adviseurs schrijven mee met de Kerngroep aan de conceptrichtlijnteksten en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen. HTA-experts in de Projectgroep droegen bij aan het gezondheidseconomische perspectief bij richtlijnontwikkeling.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht naar vanaf 2001 gepubliceerde artikelen in PsychINFO, Medline, Cochrane, Embase en databases. De zoekacties werden gesloten per juni 2007. Daarnaast werden artikelen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur gehaald. Ook werden andere (buitenlandse) richtlijnen aangaande depressie geraadpleegd. De geselecteerde artikelen zijn door de Kerngroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijskracht (zie tabel 1.1). De beoordeling van de verschillende artikelen is in de verschillende teksten terug te vinden onder het kopje Samenvatting van de literatuur. Het wetenschappelijke bewijs is vervolgens kort samengevat in de Conclusies, met daarbij een niveau van bewijs (zie tabel 1.1). Om te komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden vermeld onder het kopje Overige overwegingen. De Aanbevelingen zijn het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Het volgen van deze procedure verhoogt de transparantie van de richtlijn. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie in de Richtlijnwerkgroep en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies.

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 1.2: Niveau van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

1 onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, november 2007