Uitgangsvraag

Welke beperkingen in het functioneren in een arbeidssituatie zijn bij patiënten met een depressie te verwachten?

Aanbeveling

Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen dienen zich ervan bewust te zijn dat bij patiënten met een depressie affectieve en functionele beperkingen te verwachten in het functioneren in een arbeidssituatie.

 

Na het verdwijnen van de affectieve beperkingen kunnen nog functionele (cognitieve en fysieke) beperkingen blijven bestaan. Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen dienen zich hiervan bewust te zijn bij hun advisering ten aanzien van werkhervatting/reïntegratie en ten aanzien van vaststellen van de beperkingen (FML lijst - functionele mogelijkhedenlijst) in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving.

 

Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen dienen zich ervan bewust te zijn dat ernstige vermoeidheid en/of pijnklachten kunnen wijzen op het bestaan van een depressie, waarbij de prognose ten aanzien van verzuim en arbeidsongeschiktheid slechter is en de functionele beperkingen (cognitieve en fysieke) langer blijven bestaan.

 

Het is aan te bevelen om leidinggevenden (middenkader) bij te scholen op het onderwerp arbeid en depressie, zodat zij vroege verschijnselen van een depressie kunnen vaststellen bij hun werknemers. Zij kunnen dan tijdig ingrijpen met een advies ten aanzien van werktaken en verwijzing naar de bedrijfsarts voor advies.

Inleiding

In Nederland is tot ruim negen keer zoveel verzuim door mensen met een depressie dan zonder een depressie. De prevalentie van depressie is hoog in de arbeidssituatie en recidief-episoden treden frequent op. Er is een moeilijker onderscheid te maken tussen de symptomatologie, de kwaliteit van leven en het sociaal functioneren dan bij andere chronische aandoeningen. Negatief zelfbeeld, verlies van interesse en plezier in activiteiten raken direct aan de kwaliteit van het leven.

Als vastgesteld kan worden welke beperkingen een werknemer met depressie mogelijk kan ervaren en welke daarvan van invloed zijn op het functioneren in arbeid en op welke manier, dan hebben bedrijfsarts en verzekeringsarts de mogelijkheid om te zoeken naar een specifieke interventie gericht op het opheffen dan wel doen verminderen van de beperkingen. Indien gewenst in overleg met de huisarts en/of behandelaars in de eerste en tweede lijn. Tevens zouden zij, door rekening te houden met de beperkingen van de werknemer, beter in staat zijn te adviseren bij het zoeken naar passend werk in het kader van reïntegratie (eigen of ander werk).

Ondanks dat de uitgangsvraag naar beperkingen bij een depressieve stoornis in arbeidssituaties niet direct beantwoord wordt blijkt uit het verzekeringsgeneeskundige protocol Depressie (2006) en de module depressie en arbeid (NVAB,versie 10-1-2005) dat er wel onderzoek naar is gedaan. Besloten is om deze bronnen mee te nemen bij de overige overwegingen bij de beantwoording van de uitgangsvragen.

Conclusies

Niveau 1

Het is aangetoond dat affectieve beperkingen (distress, interesseverlies, onvrede met werk) zich meer en eerder voordoen dan functionele beperkingen ongeacht de ernst van de depressie.

 

A1 Mintz, 1992

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat zich bij depressieve patiënten de volgende beperkingen voordoen op het gebied van werkperformance: mentale-interpersoonlijke taken, timemanagement en output taken.

 

B Adler, 2006; Lerner,2004

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat zich bij depressieve patiënten beperkingen voordoen bij fysieke taken.

 

B Adler, 2006

Samenvatting literatuur

Een prospectief onderzoek van Lerner e.a. (2004), een longitudinaal-observationeel onderzoek van Adler e.a. (2006) en een geïntegreerde meta-analyse van Mintz e.a. (1992) vormen de basis voor het beantwoorden van de uitgangsvraag.

De directe relatie tussen symptomen en functioneringsbeperkingen komt in veel onderzoek naar voren in de vorm van synchroniciteit tussen ernst van de klachten en ernst van het functioneringsverlies, waarbij het herstel van functioneringsverlies in een later stadium optreedt dan symptoomherstel (Mintz e.a.1992). Mintz onderscheid 2 typen beperkingen: affectieve en functionele. Affectieve beperkingen (distress, verlies aan interesse en onvrede met het werk) manifesteren zich al/nog bij lichte ernstgraden (gemeten: Hamilton en BDI) terwijl functionele beperkingen (verzuim, productiviteitsverlies en conflicten) zich manifesteren bij matige en ernstige depressies.

Daarnaast zijn affectieve beperkingen meer aanwezig ongeacht de ernst van de depressie. Affectieve beperkingen zijn dus meer en eerder aanwezig, los van de mate van ernst.

In het onderzoek van Lerner e.a. (2004) naar de uitkomsten van werkresultaten onder werknemers die niet van plan waren te stoppen met werk bleek dat zij die een depressie hadden het slechter deden dan werknemers zonder depressie en werknemers met reumatoïde artritis. De scores voor presenteïsme waren bij de depressie/groep slechter en dat betrof bijv. moeite met tijdmanagement, moeite met mentale en interpersoonlijke werkeisen en moeite met „output tasken. De uitkomst van dit onderzoek geeft aan dat er een behoefte is aan interventies, als aanvulling op de huidige behandelprogramma, om zo werknemers met een depressie te leren omgaan met de problemen die ze ervaren bij specifieke werktaken.

In een observationele, longitudinale studie (Adler e.a., 2006) wordt de relatie tussen de ernst van een depressie en werkperformance van patiënten in de eerste lijn bekeken. De werkenden met een depressieve stoornis worden vergeleken met een gezonde controlegroep en een groep met reumatoïde artritis De depressieve groep heeft significant grotere beperkingen in werkperformance dan de andere twee groepen. Er worden significante verschillen gevonden ten aanzien van mentale-interpersoonlijke taken, timemanagement, output taken en fysieke taken.

Het onderzoek van Adler (2006) en Lerner (2004) is vergelijkbaar qua patiëntaantallen en inclusiecriteria. Bij Lerner is er een driemaal langere folow-up (18 mnd). Beide studies meten het functioneren in werk aan de mate van werkperformance (managementtaken, output, mentale en interpersoonlijke taken), mate van werkloosheid in tijdsbeloop. Lerner meet daarbij nog de mate van klachten aanwezig tijdens werken (presenteïsme) en mate van klachten na uitval voor werk (absenteïsme). Resultaten kunnen niet gegeneraliseerd worden naar de algemene bevolking daar de onderzoekspopulatie een hogere mate van ernst qua klachten laat zien dan in een vergelijkbare, op de algemene bevolking gebaseerde, groep.

Zoeken en selecteren

Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties naar literatuur in Medline, Cochrane database en Embase vanaf 2000 tot maart 2008. Deze systematische literatuursearch resulteerde in 96 mogelijk relevante onderzoeken. Er zijn geen studies gevonden die de uitgangsvragen rechtstreeks en eenduidig beantwoorden. Dit bleek na bestudering van 26 (full-tekst) artikelen die geselecteerd zijn op basis van de volgende exclusiecriteria:

  • Specifiek verband van het effect van de therapie op depressie en niet op de beperkingen zelf.
  • Specifiek gerelateerd zijn aan een ziekte/stoornis anders dan depressie. Wel werd comorbiditeit in het algemeen meegenomen.
  • Als het geen depressie-episode, eenmalig of unipolair recidiverend (major depression) betrof.

Bij selectie van de 26 full-tekst artikelen werd nogmaals geselecteerd op deze criteria, met name op depressie, episode, eenmalig- of unipolair, recidiverend (major depression). Drie artikelen werden geselecteerd.

Referenties

  1. Adler DA, McLaughlin TJ, Rogers WH, Chang H, Lapitsky L, Lerner D. Job Performance Deficits Due to Depression. Am J Psychiatry 2006;163(3):1569-1576
  2. Emptage NP, Sturm R, Robinson RL. Depression and comorbid pain as predictors of disability. Psychiatric Services 56(4),468-474.
  3. Hirschfield RMA, Montgomery SA, Keller MB, Kasper S, Schatzberg AF, Möller HJ, et al. Social Functioning in Depression: A Review. J Clin Psychiatry 2000; 61(4):268-275
  4. Lerner D, Adler DA, Chang H, Lapitsky L, Hood MY, Perissinotto C, et al. Unemployment, Job Retention, and Productivity Loss Among Employees Wit Depression. Psychiatr Serv 2004; 55(12);1371-1378
  5. Kruijshaar ME, Hoeymans N, Bijl RV, Spijker J, Essink-Bot ML. Levels of disability in major depression:findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). J.Affect Disord. 2003 Oct.,77(1):53-64.
  6. McClanahan TM, Antonucco DO. In Thomas JC.Hersen M(Eds), Psychopathology in the workplace: Recognition and adaptation. New York:Brunner-Routledge, 2004.
  7. Mintz J, Mintz LI, Arruda MJ, Hwang SS. Treatments of Depression and the Functional Capacity to Work. Arch Gen Psychiatry 1992;49:761-768
  8. Module Depressie en Arbeid (NVAB), versie 10-01-2005.
  9. De Vries G, Kikkert MJ, Schene AH, Swinkels J. Helpt arbeidshulpverlening bij depressie? Ned. Tijdschrift voor Ergotherapie 2003;3:103-108.
  10. Verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis (gezondheidsraad, 2006).

Overwegingen

De studie van Mintz (1992) verwoordt een klassieke opvatting waar tot nu toe met meeste bewijs over is. Uit deze studie kan de conclusie worden getrokken dat functioneringsherstel en werkhervatting niet hoeven te wachten tot alle symptomen in remissie zijn. Uit een meer recente studie (De Vries & Schene, 2003) wordt het focus op functioneringsherstel gelegd en dan blijkt dit van invloed op het functioneringsherstel zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met symptoomreductie. Dit focus op functioneringsherstel ontbreekt vaak in begeleiding en behandeling. Verder blijkt (Ormel, 2004) dat verzuim in de voorgeschiedenis in zijn algemeenheid een krachtige voorspeller is van verzuim (traitn kwetsbaarheid).

Het productiviteitsverlies ten koste van verminderd functioneren op de werkplek door vooral de cognitieve beperkingen (concentratieverlies, geheugenstoornissen, besluiteloosheid en initiatiefverlies) bedraagt circa 20% ten opzichte van de gezonde populatie (Kruishaar, 2003).

Uit onderzoek blijkt dat een aantal cognitieve (besluiteloosheid), gedragsmatige (verlies aan interesse) en fysieke symptomen (gebrek aan energie) van een depressie direct tot uitdrukking komen in het werk. Vanuit patiëntperspectief is het opvallend dat depressieve patiënten zelf met name die klachten rapporteren die directe beperkingen van het functioneren inhouden: concentratieverlies, moeite met beslissingen nemen en gebrek aan initiatief en energie (McClanahan & Antonuccio 2004, Hirschfeld e.a. 2000).

Het Verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis (2006) sluit hierop aan als zij de aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden van iemand met een depressieve stoornis formuleert (FML - functionele mogelijkhedenlijst). Hierbij zijn van belang:

  • dat bij een depressieve stoornis klachten en beperkingen voor een deel samenvallen;
  • dat het cognitieve proces waarmee iemand zijn klachten en beperkingen zelf tracht in te schatten, op zijn beurt door de depressieve stoornis beïnvloedt wordt.

 

De mogelijke beperkingen bij een depressieve stoornis zijn daarbij als volgt in te delen:

  • Affectieve beperkingen als gevolg van:
    • Stoornis in het emotioneel beleven: negatief zelfbeeld, schaamte over de eigen prstaties, gespannenheid, verlies aan interesse, onvermogen te genieten en gevoelens van onvrede
    • Stoornis in de empathie: teruggang van het vermogen om relationele contacten aan te gaan of te onderhouden
  • Cognitieve beperkingen als gevolg van:
    • Stoornis in geheugen en concentratie
    • Verlies aan mentale energie
    • Verlies aan flexibiliteit
  • Fysieke beperkingen als gevolg van:
    • Verlies aan fysieke energie
    • Vermoeidheid als gevolg van slaapstoornissen

 

Functionele beperkingen manifesteren zich zowel bij matige als bij ernstige vormen van depressieve stoornissen en hebben verzuim, productieverlies en conflicten tot gevolg. Voorbeelden van functionele beperkingen zijn het plannen, initiëren en uitvoeren van doelgerichte activiteiten.

 

Uit met name de module Depressie en Arbeid (NVAB, 2005) en het Verzekeringsgeneeskundige protocol Depressieve stoornis (2006) komen de beperkingen die werknemers met een depressieve stoornis kunnen ervaren duidelijk naar voren. Uit de geselecteerde literatuur (na search) komen beperkingen in de directe zin niet naar voren. Wel zien we daar dat er risicofactoren voor het ontstaan en/of voortduren van een depressieve stoornis zijn te duiden. Verder komt uit deze literatuur naar voren dat bepaalde werkkarakteristieken van invloed zijn op ontstaan en/of voortduren van een depressieve stoornis, waaruit is af te leiden dat bepaalde beroepen ‘at risk’ zijn voor het ontstaan van een depressieve stoornis.

Bij het overwegen van een te starten reïntegratie van een individuele werknemer moet rekening worden gehouden met het feit dat affectieve symptomen meestal eerder verdwijnen dan de functionele symptomen. Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen dienen daarom rekening te houden met de mogelijkheid dat de betrokken werknemer vrij weinig klachten heeft, terwijl hij op uitvoerend niveau soms nog aanzienlijke beperkingen heeft. Bijwerkingen van medicatie moeten daarbij worden meegewogen.

Vanuit professioneel opzicht kan bij het beoordelen van het aanwezig zijn van tijdelijke en/of blijvende beperkingen bij werknemers met een depressie een neuropsychologisch onderzoek soms antwoord geven op de vraag naar mogelijkheden/onmogelijkheden ten aanzien van reïntegratie en de te verwachten effectiviteit van een bepaalde interventie naar werk (eigen of ander werk).

Bij stagnatie van ziekteverzuimbegeleiding in de eerste 2 jaar is het van belang dat de bedrijfsarts denkt aan mogelijk onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. De verzekeringsarts wordt hier vaak mee geconfronteerd, echter vaak in een laat stadium. Tevens zou men ook moeten denken aan psychosociale problematiek, tegenwerking in de werk- en/of privésituatie en onvoldoende coping.

Uit observationeel onderzoek (Emptage e.a.2005) blijkt dat de patiënt/werknemer die een depressie samen met comorbide (met name ernstige) pijn heeft meer at risk is voor blijvende beperkingen en langere duur qua arbeidsongeschiktheid. Het effect op de kosten is voor deze groep werknemers groot.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-08-2013

Laatst geautoriseerd : 01-08-2013

Een richtlijn berust op resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming door beroepsbeoefenaren en patiënten, gericht op het uitdrukkelijk omschrijven van goed handelen. Bij deze gedeeltelijke richtlijnherziening is de EBRO-methode van evidence-based richtlijnontwikkeling gevolgd en zijn de uitgangspunten van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ nagevolgd. Ook is het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument gehanteerd. Dit instrument is in Europees verband opgesteld om de kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Tenslotte heeft Health Technology Assessment een rol gekregen in de onderbouwing van de aanbevelingen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en het ministerie van VWS en met ondersteuning van het Trimbos-Instituut. Deze richtlijnherzieningen zijn tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma Kennisbeleid, Kwaliteit Curatieve zorg (KKCZ).

Doel en doelgroep

Doel

Het ontwikkelen van richtlijnen is geen doel op zich, maar dient op de eerste en de laatste plaats de kwaliteit van zorg. De patiënt moet er beter van worden en de behandelaar moet er daadwerkelijk advies aan kunnen ontlenen bij beslissingen in het behandelbeleid. Een multidisciplinaire richtlijn is een leidraad met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. Dit uitgangspunt wordt geregeld met evaluatieonderzoek getoetst. De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is te zien als een “moederrichtlijn”: een multidisciplinair basisdocument. Op basis hiervan zal een vertaling kunnen plaatsvinden naar monodisciplinaire richtlijnen van de afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn biedt ook aanknopingspunten voor transmurale afspraken of lokale protocollen, hetgeen de implementatie van de aanbevelingen zal bevorderen.

Samenstelling werkgroep

De Richtlijnwerkgroep is multidisciplinair samengesteld: naast psychiaters, psychotherapeuten, (eerstelijns)psychologen, huisartsen en verpleegkundigen in de GGZ nemen ook patiënten, maatschappelijk werkers, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, ziekenhuisapothekers, sociaal pedagogisch hulpverleners en vaktherapeuten deel. Onderdeel van de Richtlijnwerkgroep is de Kerngroep, samengesteld uit twee psychiaters, twee psychotherapeuten, een eerstelijnspsycholoog, twee huisartsen, een voorzitter (psychiater) en secretaris (psycholoog). De voorzitter van deze Kerngroep is tevens voorzitter van de voltallige Richtlijnwerkgroep. Daarnaast werd een breed samengestelde Klankbordgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de Richtlijnwerkgroep en de Kerngroep is rekening gehouden met de geprioriteerde uitgangsvragen in deze ronde van richtlijnherziening.

 

Projectgroep

  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen (projectleider), senior wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. E. Fischer, adviseur, wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut
  • Mw. drs. A. Hagemeijer, adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO
  • Dr. H.C.A.M. van Rijswijk, adviseur-huisartsen, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dhr. Drs. H.J.H. in den Bosch, adviseur Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Tot Juni 2008
  • Mw. Drs. E.P. Poot, senior adviseur-verpleegkundigen, Landelijk Expertisecentrum voor Verpleging & Verzorging (LEVV). Vanaf Juni 2008
  • Mw. Dr. T.L. Feenstra, gezondheidseconoom, UMCG
  • Prof. Dr. E. Buskens, hoogleraar HTA, UMCG

 

Samenstelling van de Kerngroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

 

Samenstelling van de Werkgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie (de Richtlijnwerkgroep)

  • Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (voorzitter)
  • Mw. drs. J.A.C. Meeuwissen, psycholoog, Trimbos-instituut (secretaris)
  • Mw. dr. C.L.H. Bockting, klinisch psycholoog-psychotherapeut, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Dr. R.J. Bosscher, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Dr. P. Brock, verzekeringsarts, Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
  • Dr. D.J. Bruinvels, bedrijfsarts, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Prof. dr. P. Emmelkamp, psychotherapeut, Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. drs. A. Van Geleuken, Depressiecentrum/Fonds Psych. Gezondheid
  • Dhr. O. Glas, psychomotorisch therapeut, Federatie Vaktherapeutische Beroepen
  • Mw. J. van Hamersveld, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Mw. B. Hoitzing, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. J. Huijser, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Dr. P. Kop, psycholoog, Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Dhr. I. Keuchenius, Angst Dwang en Fobie stichting
  • Dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. E.M.A.A. Rozenbroek, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Dr. J. Spijker, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S. Stevens, Federatie Verpleegkunde in de Geestelijke Gezondheidszorg
  • Dr. B. Terluin, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. S. Visser, klinisch psycholoog-psychotherapeut Nederlands Instituut van Psychologen
  • Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. S.J.W. Wessels-Basten, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

 

Samenstelling van de Klankbordgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling Angststoornissen/Depressie

  • Dr. F.A. Albersnagel, psycholoog
  • Dhr. R. van Alphen, muziektherapeut
  • Dhr. W.A. de Boer, verzekeringsarts
  • Mw. M. Clijsen, verpleegkundige
  • Dhr. M. Cox, huisarts
  • Drs. J.A.C. Delimon, psychotherapeut
  • Mw. L. Doomen, dramatherapeut
  • Dhr. J. Dopper, huisarts
  • Dhr. R. van Dyck, psychiater
  • Dhr. W. Houtjes, verpleegkundige
  • Dhr. C. Hulshof, bedrijfsarts
  • Dhr. F. Jansen, nurse practitioner
  • Mw. M. de Kater, senior maatschappelijk werk
  • Mw. J. Kil, danstherapeut
  • Dhr. drs. H. van der Kleij, Directeur VGCT
  • Dhr. K. Korrelboom, psychotherapeut
  • Mw. Y. van der Leest-Tijmense, verpleegkundige
  • Drs. A. de Leeuw, psychiater
  • Dhr. P. Lucassen, huisarts
  • Dhr. K. van der Meer, huisarts
  • Mw. P. Moelker, verpleegkundige
  • Prof. Dr. W.A. Nolen, psychiater
  • Drs. J.C.G.J. Oomen, psychotherapeut
  • Mw. I. van der Padt, docent verpleegkundige
  • Dhr. H. Penninx, psychomotorisch therapeut
  • Mw. G.J.M. Roodbol, verpleegkundig specialist
  • Drs. A.G. Rutgers, verpleegkundig onderzoeker
  • Mw. R. Schalk, danstherapeut
  • Prof. dr. A.H. Schene, psychiater
  • Mw. K. Schouten, beeldend therapeut
  • Mw. M. Schouten, nurse practitioner
  • Dhr. F. Schüsler, apotheker
  • Mw. M.L. Seelen, nurse practitioner
  • Prof. dr. P. Spinhoven, psychotherapeut
  • Mw. T. Sporrel, huisarts
  • Dhr. R. Starmans, huisarts
  • Dr. J.C. van der Stel, senior onderzoeker
  • Dhr. A.H.J.M. Sterk, bedrijfsarts
  • Drs. J.M. Tromp, arts
  • Mw. E. van Weel-Baumgarten, huisarts
  • Dhr. P. Voskuilen, verpleegkundige

Belangenverklaringen

Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van Richtlijnwerkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, “scholen” en academische achtergronden. De Richtlijnwerkgroepleden handelen onafhankelijk en zijn gemandateerd door hun vereniging. De Richtlijnwerkgroepleden hebben geen relevante binding met (farmaceutische) industrieën, producten of diensten, noch met enige andere relevante derde partij.

Inbreng patiëntenperspectief

Bijzonder aandachtspunt bij deze richtlijnrevisie is het patiëntenperspectief vanuit de inbreng van patiëntenvertegenwoordigers. Een geïntegreerde richtlijn is uitdrukkelijk ook een beslissingsondersteunend instrument voor de patiënt, als medebeslisser in de behandeling.

De Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) beoogt de patiënt in staat te stellen een actieve rol te vervullen in de behandeling. Hiervoor kunnen patiëntversies van de richtlijn worden gebruikt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Toepassing van de richtlijn

Het toepassingsgebied van de Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie) is de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een depressieve stoornis (depressie). Indien aanbevelingen uit de richtlijn in de concrete praktijksituatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt of de mening van de behandelaar kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn. Deze richtlijnherzieningen bevatten aanbevelingen die op een transparante manier gebaseerd zijn op bewijs in combinatie met ervaring en opinie. De aanbevelingen zijn geldig voor de in de aanbeveling besproken patiëntengroep en zijn geldig voor zoveel mogelijk zorgverleners en settingen. Uiteraard vallen beslissingen over de daadwerkelijk toe te passen zorg onder de verantwoordelijkheid van de individuele zorgverlener in overleg met de individuele zorgvrager, toegespitst op diens unieke situatie. Tevens is het volgens de WGBO een vereiste om iedere behandelstap in overleg met de patiënt vast te stellen. Het is belangrijk om het systeem rondom de patiënt te betrekken in het overleg waarin een keuze wordt gemaakt over aanvullende interventies. Eveneens is het in de vervolgbehandeling belangrijk om het sociale systeem rondom de patiënt te betrekken in het afwegingsproces bij het bepalen van het behandelbeleid.

Werkwijze

De Kerngroep werkte aan de totstandkoming van deze conceptrichtlijnherzieningen en tevens aan de conceptrichtlijnherzieningen voor de Multidisicplinaire richtlijn Angststoornissen. De Kerngroepleden werkten aan de feitelijke revisie van de richtlijn door de betreffende uitgangsvragen te prioriteren en vervolgens te beantwoorden. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, droegen zoektermen voor de literatuursearches en literatuur aan, selecteerden, beoordeelden en wogen de literatuur op inhoud en betrouwbaarheid van de resultaten naar mate van bewijs en beoordelen en wegen praktijkkennis uitmondend in wetenschappelijke onderbouwing voor concrete conclusies en aanbevelingen. De Kerngroepleden, ondersteund door de Projectgroep, schrijven conceptrichtlijnteksten, met inbegrip van de formulering van overige overwegingen en van richtlijnaanbevelingen, en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen teneinde deze gereed te maken voor commentaar van de voltallige Richtlijnwerkgroep, de Klankbordgroep en anderen. De voltallige Richtlijnwerkgroep is actief betrokken bij het proces van richtlijnherziening door gevraagd en ongevraagd advies te geven, met name in de startfase en commentaarfase van het traject. De Richtlijnwerkgroepleden worden hierin ondersteund door de adviseurs. De adviseurs in de Projectgroep adviseerden de Kerngroep en voltallige Richtlijnwerkgroep bij de richtlijnherzieningen, wat betreft zowel proces als inhoud, en geven methodologische en organisatorische ondersteuning volgens het format voor richtlijnherziening in het werkplan. De adviseurs ordenden commentaar op de conceptrichtlijnherzieningen en leggen dit voor aan de Kerngroep. De adviseurs schrijven mee met de Kerngroep aan de conceptrichtlijnteksten en redigeren de conceptrichtlijnherzieningen. HTA-experts in de Projectgroep droegen bij aan het gezondheidseconomische perspectief bij richtlijnontwikkeling.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht naar vanaf 2001 gepubliceerde artikelen in PsychINFO, Medline, Cochrane, Embase en databases. De zoekacties werden gesloten per juni 2007. Daarnaast werden artikelen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur gehaald. Ook werden andere (buitenlandse) richtlijnen aangaande depressie geraadpleegd. De geselecteerde artikelen zijn door de Kerngroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijskracht (zie tabel 1.1). De beoordeling van de verschillende artikelen is in de verschillende teksten terug te vinden onder het kopje Samenvatting van de literatuur. Het wetenschappelijke bewijs is vervolgens kort samengevat in de Conclusies, met daarbij een niveau van bewijs (zie tabel 1.1). Om te komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden vermeld onder het kopje Overige overwegingen. De Aanbevelingen zijn het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Het volgen van deze procedure verhoogt de transparantie van de richtlijn. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie in de Richtlijnwerkgroep en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies.

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 1.2: Niveau van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

1 onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, november 2007

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.