Follow-up MCI
Uitgangsvraag
Wanneer is follow up geïndiceerd bij patiënten met lichte cognitieve stoornissen (MCI) en op welke wijze dient de follow-up te worden vormgegeven?
Aanbeveling
Geef samen met de patiënt en naasten de follow-up bij MCI vorm. Houd hierbij rekening met de patiënt kenmerken, expertise van de zorgverlener en de lokale en regionale organisatie van zorg. Kies de meest simpele en betrouwbare vorm: poliklinische controle is niet nodig als opvolging in de eerste lijn kan plaatsvinden door de huisartsenzorg of casemanager.
Redenen om geen follow-up te overwegen kunnen zijn:
- u acht de kans op progressie naar dementie klein;
- de zorginfrastructuur in de regio is adequaat;
- de patiënt heeft geen behoefte aan verdere controle.
Redenen om juist wel follow-up te overwegen zijn:
- onzekerheid over de diagnose;
- sterke wens van patiënt of naaste voor controle;
- beperkingen in de eerstelijn voor vervolgdiagnostiek of zorg;
- sprake van een beperkt cliëntsysteem/sociaal netwerk.
Overwegingen
Eerst volgt een omschrijving van een aantal relevante studies over follow-up bij milde cognitieve stoornissen. Deze studies vormen samen met expert opinie de basis voor de aanbevelingen in deze module.
Beschrijving van de relevante literatuur
Een recente Italiaanse studie (Bonanni, 2024) voerde een enquête uit onder zorgverleners op geheugenpoliklinieken over het beleid bij MCI. De resultaten tonen grote variatie in het beleid omtrent follow-up, diagnostiek en behandeling met (off-label) medicatie. De auteurs pleiten voor meer uniformiteit, maar geven geen bewijs dat deze praktijkvariatie leidt tot slechtere uitkomsten, noch dat centra met een strikter geprotocolleerd beleid betere resultaten behalen.
Een Nederlandse studie uit 2012 (Meeuwsen, 2012) vergeleek de follow-up van patiënten met dementie (n=175) op de geheugenpolikliniek met die via de huisarts, middels een gerandomiseerde opzet. De populatie had slechts enkele patiënten met milde cognitieve stoornissen: 80% had een CDR-score van 1 had en 5% een CDR-score van 0,5; de gemiddelde leeftijd was 78 jaar (SD 5,7). Na zowel 6 als 12 maanden bleken er geen verschillen in kwaliteit van leven of mantelzorgbelasting tussen de groepen. Hoewel deze studie gerandomiseerd was, blijft het risico op selectiebias hoog, omdat de inclusie door artsen op de geheugenpolikliniek plaatsvond. Dit kan ertoe hebben geleid dat patiënten met een sterke voorkeur voor poli-vervolg niet zijn geïncludeerd, evenals die waarbij artsen een dergelijke voorkeur vermoedden bij patiënt of mantelzorger. Omgekeerd zullen mensen met een sterke voorkeur voor de eerste lijn ook niet hebben meegedaan. Ondanks de selectiebias werd in deze studie duidelijk dat wanneer de voorkeur van patiënt en arts wordt meegenomen, er geen verschillen zijn in uitkomsten tussen follow-up op de polikliniek of bij de huisarts bij mensen met een diagnose dementie.
De Manchester-consensus over MCI biedt daarnaast inzicht in de situatie in het Verenigd Koninkrijk (Dunne, 2021) rondom follow-up vanuit de geheugenpoli. Daar bestaat eveneens aanzienlijke variatie in praktijkvoering. In dit artikel worden enkele mogelijke determinanten van deze variatie benoemd.
Afweging van gewenste en ongewenste effecten
Op basis van deze literatuur kan een eerste afweging gemaakt worden van de gewenste en ongewenste effecten van follow-up bij MCI.
Progressie van milde cognitieve stoornissen naar dementie
MCI is niet altijd een voorstadium van dementie. MCI werd oorspronkelijk geïntroduceerd als concept (Petersen, 2004) om een ‘voorstadium van dementie’ te identificeren. Inmiddels is bekend dat MCI een heterogeen concept is, waarbij verschillende onderliggende oorzaken kunnen spelen: zowel neurodegeneratief als niet-neurodegeneratief (zoals stemmingsgerelateerde stoornissen, burn-out, of middelenmisbruik). Hoewel een deel van de MCI-patiënten een dementie ontwikkelt, blijft een aanzienlijk aantal stabiel of verbetert zelfs.
De etiologie van MCI hangt sterk samen met de setting waarin de diagnose wordt gesteld. De heterogeniteit in oorzaken is groter in de algemene bevolking (in onderzoek context) en de huisartspraktijk dan op de geheugenpoli. Patiënten die de diagnose MCI krijgen op een geheugenpoli vormen een geselecteerde populatie, met een hogere kans op neurodegeneratieve oorzaken en daarmee ook een hogere kans op progressie naar dementie. Tussen geheugenpoliklinieken bestaan echter ook regionale verschillen in populatiesamenstelling, bijvoorbeeld door de specialisaties binnen de poli (zoals geriatrie, neurologie, (neuro)psychologie of psychiatrie) en het type ziekenhuis (academisch versus perifeer). Deze variatie beïnvloedt factoren als leeftijd, en psychiatrische en neurologische comorbiditeit, die op hun beurt de kans op progressie naar dementie kunnen beïnvloeden.
Door de combinatie van deze sterke variabiliteit op meerdere niveaus (patiënt, mantelzorger, zorgverlener, poliklinische en regionale zorgkenmerken), en het gebrek aan bewijs, lijkt een uniform landelijk protocol niet realistisch of wenselijk. Box 1 biedt een overzicht van de door de Manchester-consensus geïdentificeerde factoren die bijdragen aan de praktijkvariatie bij MCI in het Verenigd Koninkrijk.
Doelen van de follow-up bij MCI
De literatuur biedt weinig concrete of onderbouwde richtlijnen over de doelen van de follow-up bij milde cognitieve stoornissen (MCI). Mogelijke doelen van follow-up kunnen de volgende zijn:
1. Diagnostische redenen
Een controle na bijvoorbeeld 6 of 12 maanden kan de diagnostiek ondersteunen. Omdat neurodegeneratieve oorzaken van MCI progressief zijn, kan tijd als diagnostisch middel dienen. Bij de meeste neurodegeneratieve aandoeningen is na 6-12 maanden objectieve achteruitgang in cognitie, gedrag of motoriek zichtbaar. Deze follow-up kan daarmee een alternatief zijn voor meer complexe en kostbare diagnostische procedures, in situaties waarbij er bij de eerste klinische beoordeling diagnostische onzekerheid is. Intensieve diagnostiek, zoals neuropsychologisch onderzoek, MRI, PET-scan of liquordiagnostiek kan belastend zijn, of geeft niet altijd meer zekerheid. Ook is niet alle aanvullende diagnostiek op alle geheugenpoli’s beschikbaar. Dergelijke onderzoeken verhogen ook het risico op fout-positieve uitkomsten. Een patiënt met MCI en hippocampusatrofie bij MRI of amyloïdmarkers bij liquor of PET, hoeft bijvoorbeeld niet per se binnen 5 jaar of tot aan overlijden dementie te ontwikkelen. Ter illustratie, een recente studie van Van de Veere (2024) op een academische geheugenpolikliniek onderzocht progressie bij MCI-patiënten (gemiddelde leeftijd 66 jaar, SD 7, 45% vrouw) met positieve amyloïd-biomarkers (via liquor of PET). De gemiddelde MMSE-score daalde in 5 jaar slechts van 26 naar 21, en 16% van de patiënten bleef stabiel (MMSE-daling van slechts 1 punt); de progressie naar dementie werd niet gerapporteerd (Van de Veere, 2024). Omgekeerd bestaat het risico op fout-negatieve bevindingen, wat kan leiden tot onterecht geruststellende conclusies. In geval van diagnostische onzekerheid kan een uitgestelde diagnose en follow-up na 6-12 maanden dan ook een passende strategie zijn.
2. Tijdige diagnose van dementie en zorginzet
Het is belangrijk om progressie van MCI naar dementie tijdig op te merken om onvoldoende zorg en verhoogde belasting van mantelzorgers met kans op crisissituaties te voorkomen. Follow-up in de eerste lijn of op de geheugenpolikliniek kan ervoor zorgen dat progressie tijdig wordt herkend, waardoor passende zorg ingezet kan worden, zoals casemanagement, thuiszorg of dagbehandeling, of een WLZ-indicatie kan worden aangevraagd.
Sommige patiënten en mantelzorgers zijn goed te instrueren dat ze bij achteruitgang ‘aan de bel trekken’ bij de huisarts of bij de geheugenpolikliniek. Het is belangrijk dat de arts dit duidelijk bespreekt. Een follow-up afspraak hoeft dan niet gemaakt te worden en het initiatief ligt bij de patiënt. Als er twijfel is bij arts, patiënt of mantelzorger of de achteruitgang zo tijdig gesignaleerd zal worden, is een ‘vangnet’ nodig. Dit kan door follow-up op de poli of in de huisartsenzorg (bijvoorbeeld door de praktijkondersteuner huisarts (POH)). Een eenvoudige afname van een IADL en ADL schaal is vaak al genoeg om achteruitgang te signaleren.
De lokale organisatie van zorg speelt hierbij een belangrijke rol. Is de zorgverlener bekend met dementiezorg? Voelt de zorgverlener zich voldoende bekwaam om een persoon met MCI te vervolgen en dementie te diagnosticeren? Zijn er casemanagers dementie of zorgtrajectbegeleiders beschikbaar? Kan de zorgverlener een specialist ouderengeneeskunde raadplegen? Voor dit doel moet het beleid van de geheugenpoli afgestemd worden op de lokale zorgstructuur en samenwerking met de eerstelijns zorg. Gezien de sterke regionale verschillen lijkt een uniform landelijk beleid hier niet wenselijk.
3. Patiënt-specifieke en zorgverlener-specifieke kenmerken
Patiënten en hun mantelzorgers hebben uiteenlopende behoeftes. Sommige patiënten hebben meer angst of onzekerheid en ervaren rust en zekerheid als zij weten dat er na een bepaalde periode een controle plaatsvindt. Follow-up kan dan mogelijk ook leiden tot minder belasting van de eerstelijns zorg, minder second opinions en een hogere patiënttevredenheid. Voor anderen kan controle echter belastend of zelfs stressverhogend werken. Bij patiënten met angst voor dementie die te wijten is aan stemming of stress kan een geplande controle juist averechts werken.
Bij zorgverleners spelen werkervaring en de eigen behoefte aan (diagnostische) zekerheid een rol in de keuze voor wel of geen follow-up. Voor zorgverleners (zoals artsen, verpleegkundigen of physician assistants) biedt follow-up ook een leermoment: het terugzien van patiënten biedt inzicht in het verloop van MCI, de effecten van adviezen en de manier waarop regionale zorg en begeleiding door patiënten worden ervaren.
Bij vermoeden op een meer zeldzame onderliggende ziekte bij de MCI, zoals bijvoorbeeld Lewy Body ziekte, heeft follow-up als doel om de patiënt en mantelzorger te informeren over en te controleren op bijkomende gevolgen van de ziekte. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het hogere risico op wegrakingen (syncope) en orthostatische hypotensie door autonoom falen bij Lewy body ziekte, Parkinson en MSA; toenemende problemen in de taal en communicatie bij PPA, visuele stoornissen bij PCA, of sterke verandering in gedrag bij FTD.
4. Toekomstige ontwikkelingen in de behandeling
Als in de toekomst effectieve geneesmiddelen beschikbaar komen voor specifieke neurodegeneratieve aandoeningen, die in het MCI stadium gestart kunnen of moeten worden, kunnen er nieuwe doelen voor follow-up bij MCI ontstaan. Bijvoorbeeld het doel om patiënten te informeren en om de aanvullende diagnostiek te verrichten die voor de behandeling noodzakelijk is. De verwachting is dat hiervoor dan specifieke aanvullende richtlijnen zullen komen en dat dit daarmee buiten deze algemene module over follow-up bij MCI valt.
Handvatten voor de praktijk
1. Bij welke patiënten moet je follow-up sterk overwegen?
2. Bij welke patiënten kun je follow-up goed achterwege laten?
1. Bij welke patiënten moet je follow-up sterk overwegen?
Dunne (2021) (Box 2) beschrijft een aantal factoren die geassocieerd zijn met een hoger risico op progressie naar dementie, oftewel MCI patiënten waarbij er grotere kans is dat je bij controle na 6 of 12 maanden progressie naar dementie vast gaat stellen. Een aantal van deze factoren is bij veel patiënten vast te stellen op basis van (hetero) anamnese, lichamelijk onderzoek inclusief cognitieve screening, en beperkt labonderzoek op indicatie: stoornissen in episodisch geheugen op de voorgrond (amnestisch subtype), uitval in meerdere cognitieve domeinen, aanwijzing voor een snelle cognitieve achteruitgang in de periode voorafgaand aan het bezoek (al dan niet ondersteund door 2 of meer cognitieve testen over de tijd), depressie, doorgemaakt delier in de VG, kwetsbaarheid (bijvoorbeeld clinical frailty score), of slecht ingestelde diabetes.
Het cluster wil hieraan toevoegen:
- patiënten bij wie er diagnostische onzekerheid is en wel behoefte is aan meer zekerheid, en follow-up gedaan wordt om gebruik te maken van het beloop in de tijd;
- patiënten met (een vermoeden
op) een andere oorzaak dan Alzheimer of vasculaire cognitieve stoornis, bv Lewy body dementie, FTD, MSA, PSP. Door de zeldzaamheid van deze ziekten en de minder bekende uitingsvormen is de aanbeveling deze patiënten in de tweede lijn te volgen; - patiënten bij wie door lokale of regionale omstandigheden er onvoldoende zekerheid is dat progressie naar dementie tijdig gesignaleerd zal worden (huisarts die op relatief grote afstand staat van deze patiënt of van de dementiezorg), geen casemanagers/zorgtrajectbegeleider (ZTB) in de regio, alleenstaande patiënt met beperkt steunsysteem;
- patiënten bij wie een functionele stoornis in de differentiaaldiagnose staat, en waarbij het beloop in de tijd deze diagnose kan ondersteunen of toch een onderliggende neurodegeneratieve ziekte duidelijk kan maken;
- situaties waarbij patiënt en arts samen concluderen dat follow-up de voorkeur heeft (patiëntkenmerken: angst, onzekerheid; arts kenmerken: diagnostische onzekerheid, onervarenheid).
De andere factoren in Box 2 gaan uit van meer uitgebreide diagnostiek (MRI, liquordiagnostiek, PET-scan, genetische diagnostiek) die niet onder de routine zorg vallen en niet overal beschikbaar zijn, en zeker ook niet per se geïndiceerd zijn.
Het is hierbij nadrukkelijk niet de aanbeveling om aanvullende diagnostiek te doen om te bepalen of je bij een patiënt wel of niet follow-up moet doen. De individueel voorspellende waarden van alle op dit moment bekende biomarkers is hiervoor nog onvoldoende, ook wanneer je ze in een rekenmodel combineert. Zie hiervoor bijvoorbeeld de Nederlandse studie van Van de Veere (2024).
Er zullen natuurlijk patiënten met MCI zijn waarbij deze aanvullende onderzoeken (MRI, liquor, PET) gedaan zijn om de diagnose te ondersteunen. In die gevallen is met name het vinden van normale waarden het meest informatief. Bijvoorbeeld een patiënt met MCI met een normale MRI of normale liquormarkers heeft een heel lage kans op progressie naar dementie, en daarbij is follow-up waarschijnlijk minder zinvol. Omgekeerd heeft een patiënt met MCI en hippocampusatrofie, of uitgebreide witte stof schade, of afwijkende liquor, meer risico op progressie naar dementie bij follow-up. Toch adviseren we niet om aanvullende diagnostiek te doen om te selecteren wie wel of niet te volgen. Dat is omdat alleen een normale bevinding helpt om vast te stellen wie waarschijnlijk NIET dementie ontwikkeld. Een afwijkende bevinding betekent niet dat er WEL progressie naar dementie zal optreden in de volgende 5 jaar.
2. Bij welke patiënten kun je follow-up op de geheugenpolikliniek achterwege laten?
Patiënten met een duidelijke andere oorzaak voor MCI dan een neurodegeneratieve ziekte, hiervoor is wellicht wel in een andere setting follow up of behandeling noodzakelijk.
Patiënten waarbij aanvullende diagnostiek gedaan is en normale bevindingen geeft.
Patiënten waarbij goede follow-up in de eerste lijn gewaarborgd is (bv huisarts of specialist ouderengeneeskunde (SO) zal bij progressie naar dementie de diagnose stellen en zorg inzetten).
Patiënten, bij wie het maken van een follow-up afspraak de angst voor dementie versterkt in plaats van vermindert.
Kwaliteit van bewijs
Er is geen systematische literatuursearch uitgevoerd en dus ook geen analyse van de literatuur waaronder een inschatting van de overall kwaliteit van bewijs conform GRADE.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)
Vanwege het gebrek aan bewijs voor de meerwaarde van follow-up bij mensen met MCI, zijn de waarden en voorkeuren van patiënten en naasten extra belangrijk. Patiënten met MCI en hun naasten zijn, net als bij dementie, heel heterogeen in hun wensen. De ene patiënt hangt sterk aan contact met de medisch specialist, verpleegkundig specialist of physician assistent op de poli, de ander verkiest de huisarts, of de POH, of de casemanager dementie. Een ding is duidelijk: de meeste patiënten geven duidelijk aan dat ze er waarde aan hechten dat de beslissing over wel of geen follow-up samen met hen wordt genomen (Fruijtier, 2019).
Kostenaspecten
De interventie (follow-up) levert wat hogere kosten op dan vervolg in de eerste lijn, maar de kosten voor poliklinische follow-up zijn nog altijd laag. Ook kan follow-up kosten besparen. Er zijn geen cijfers beschikbaar omdat er geen vergelijkend onderzoek is gedaan. Follow-up zou extra kosten voor verwijzing naar een ander ziekenhuis (bijvoorbeeld second opinion) kunnen voorkomen, kan zorgen voor minder belasting van de eerste lijn, en tijdig ingezette zorg dankzij follow-up zou in theorie de tijd tot opname in het verpleeghuis kunnen uitstellen en acute opnames in ziekenhuis en verpleeghuis kunnen verminderen.
Gelijkheid ((health) equity/equitable)
Het voorgestelde beleid heeft geen invloed op gezondheidsgelijkheid want de aanbevolen zorg is over het algemeen al standaardzorg in de praktijk.
Aanvaardbaarheid:
Ethische aanvaardbaarheid
De interventie (follow-up) lijkt aanvaardbaar voor de betrokkenen. Er zijn geen ethische bezwaren zolang voldaan wordt aan het uitganspunt dat het besluit tot wel of geen follow-up in afstemming met patiënt en naaste wordt gedaan.
Duurzaamheid
Bij de interventie spelen de reiskosten en vervoersbelasting van patiënt en naaste een rol. Dit kan deels ondervangen worden door follow-up via videobellen of telefonisch spreekuur.
Het achterwege laten van follow-up is echter niet per se meer duurzaam, in theorie kan bijvoorbeeld onvoldoende zorg (ontstaan door het niet doen van follow-up) leiden tot meer reizen van de kinderen om mantelzorg te bieden, of tot extra reiskosten of medische kosten door een second opinion.
Haalbaarheid
De interventie lijkt haalbaar. De interventie is in allerlei varianten al standaardzorg in de praktijk.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventie
De beslissing om follow-up aan te bieden vereist een zorgvuldige afweging van de diagnostische onzekerheid, de regionale zorgstructuur, de voorkeuren van de patiënt, de mogelijke kosten en duurzaamheid van de zorg. Follow-up kan achterwege gelaten worden als de kans op progressie naar dementie klein is, de zorginfrastructuur adequaat of de patiënt geen behoefte heeft aan verdere controle. In andere gevallen, vooral als er onzekerheid bestaat over de diagnose of als er regionale tekorten zijn op het gebied van dementiezorg, kan follow-up een noodzakelijke stap zijn voor tijdige diagnostiek en zorgverlening. Aangezien veel aspecten een rol spelen, waaronder ook heel sterk de voorkeur van de patiënt, is gekozen voor een zwakke aanbeveling met een nadruk op samen beslissen.
Eindoordeel:
Conditionele aanbeveling voor.
Onderbouwing
Achtergrond
There is currently no standard clinical guideline for the follow-up of patients diagnosed with mild cognitive impairment (MCI) in memory clinics, a situation observed not only in the Netherlands but globally. Scientific evidence to support such a guideline is not available. Significant variation exists in practices both between memory clinics and among individual clinicians. The lack of a formal guideline can contribute to medical uncertainty, and internationally, there have been calls for a standardized approach to MCI follow-up in memory clinics (Bonanni, 2024). However, even in countries with established guidelines—such as the UK’s NICE guideline (2006-2019), which recommended annual follow-ups for MCI patients—substantial variability in practice persisted.
This raises the question of whether pursuing a uniform guideline for MCI follow-up is practical, and if this is even warranted given the lack of evidence to support it. What essentially contributes to this issue, is the inherent diversity in the underlying causes of MCI, which may be neurodegenerative, psychiatric, psychosocial, or stress related. Even in cases where MCI is neurodegenerative, further variability is evident in the progression rate to dementia, as well as in the attitudes and preferences of patients, caregivers, and clinicians towards follow-up.
In light of these complexities, rather than advocating for a rigid protocol that may not align with clinical realities, this module seeks to provide guidance that supports practitioners in developing individualized follow-up strategies. This approach emphasizes shared decision-making between clinician and patient to tailor care to each unique case.
Samenvatting literatuur
No systematic review of the literature has been performed as a randomized design answering the initial question seems not feasible due to the variety of potential contributing factors in the Dutch clinical setting (e.g. decision making, type of follow-up) and the fact that the question does not have a PICO shape. Therefore, this question is answered based on relevant reports found by experts and snowballing and expert opinion of the cluster group.
Zoeken en selecteren
No systematic review of the literature was performed to answer the following question:
How should follow-up be performed for patients with MCI?
Referenties
- Bonanni L, Cagnin A, Carrarini C, Logroscino G, Marra C, Rainero I. Real-life management of patients with mild cognitive impairment: an Italian survey. Neurol Sci. 2024 Mar 25. doi: 10.1007/s10072-024-07478-9. Epub ahead of print. PMID: 38528281.
- Dunne RA, Aarsland D, O'Brien JT, et al. Mild cognitive impairment: the Manchester consensus. Age Ageing. 2021 Jan 8;50(1):72-80. doi: 10.1093/ageing/afaa228. PMID: 33197937; PMCID: PMC7793599.
- Fruijtier AD, Visser LNC, van Maurik IS, Zwan MD, Bouwman FH, van der Flier WM, Smets EMA. ABIDE Delphi study: topics to discuss in diagnostic consultations in memory clinics. Alzheimers Res Ther. 2019 Aug 31;11(1):77. doi: 10.1186/s13195-019-0531-y. PMID: 31472676; PMCID: PMC6717649.
- Meeuwsen EJ, Melis RJ, Van Der Aa GC, et al. Effectiveness of dementia follow-up care by memory clinics or general practitioners: randomised controlled trial. BMJ. 2012 May 15;344:e3086. doi: 10.1136/bmj.e3086. PMID: 22589500; PMCID: PMC3352696.
- Petersen RC. Mild cognitive impairment as a diagnostic entity. J Intern Med. 2004 Sep;256(3):183-94. doi: 10.1111/j.1365-2796.2004.01388.x. PMID: 15324362.
- van der Veere PJ, Hoogland J, Visser LNC, Van Harten AC, Rhodius-Meester HF, Sikkes SAM, Venkatraghavan V, Barkhof F, Teunissen CE, van de Giessen E; Alzheimer's Disease Neuroimaging Initiative (ADNI),; Berkhof J, Van Der Flier WM. Predicting Cognitive Decline in Amyloid-Positive Patients With Mild Cognitive Impairment or Mild Dementia. Neurology. 2024 Aug 13;103(3):e209605. doi: 10.1212/WNL.0000000000209605. Epub 2024 Jul 10. PMID: 38986053; PMCID: PMC11238942.
Evidence tabellen
Risk of Bias tables
Niet van toepassing.
Table of excluded studies
Niet van toepassing.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 03-11-2025
Beoordeeld op geldigheid : 23-10-2025
Algemene gegevens
De verantwoording zal op de Richtlijnendatabase (Richtlijnendatabase.nl) bij elke geprioriteerde module die is ontwikkeld binnen dit cluster worden geplaatst. De betrokken expertiseleden, de kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de autoriserende partijen kunnen variëren per module.
De ontwikkeling van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Cognitieve stoornissen en dementie bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepleden
- Dhr. prof. dr. M.G.M. (Marcel) Olde Rikkert (voorzitter), klinisch geriater; NVKG
- Dhr. prof. dr. A.R. (Tony) Absalom, anesthesioloog; NVA
- Dhr. dr. J.H.J.M. (Jeroen) de Bresser, radioloog; NVvR
- Mevr. dr. I.K. (Indrag) Lampe, psychiater; NVvP
- Mevr. R. (Renske) Leistra, patiëntvertegenwoordiger; Alzheimer Nederland
- Mevr. prof. dr. B.C. (Barbara) van Munster, internist; NIV
- Dhr. prof. dr. E. (Edo) Richard, neuroloog; NVN
- Mevr. prof. dr. Ir. C. (Charlotte) Teunissen, klinisch chemicus; NVKC
- Dhr. dr. R.A.W. (Ronald) Verhagen, orthopedisch chirurg; NOV
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- Dhr. dr. A.P.A. (Auke) Appelman, radioloog; NVvR
- Mevr. dr. R.L. (Rozemarijn) van Bruchem-van Visser, internist ouderengeneeskunde; NIV
- Dhr. drs. B.P.H. (Bas) ter Brugge, specialist ouderengeneeskunde; Verenso
- Dhr. dr. J.A.H.R. (Jurgen) Claassen, klinisch geriater; NVKG
- Dhr. dr. P.L.J. (Paul) Dautzenberg, klinisch geriater; NVKG
- Mevr. dr. M.E.A. (Marlise) van Eersel, internist; NIV
- Mevr. drs. C.M. (Christa) de Geus, neurogeneticus; NVKG
- Mevr. dr. E.M. (Elsmarieke van de Giessen), radioloog; NVNG
- Mevr. drs. M. (Marjolein) Groeneveld, verpleegkundig Consulent Geriatrie, klinisch epidemioloog; V&VN
- Mevr. drs. H. (Hiltsje) Heemskerk, klinisch geriater; NVKG
- Dhr. dr. R.B. (Rients) Huitema, klinisch neuropsycholoog; NIP
- Dhr. drs. A. (Ali) Lahdidioui, internist; NIV
- Dhr. dr. J. (Jules) Lavalaye, nucleair geneeskundige; NVNG
- Mevr. drs. L. (Lieke) Mitrov, ziekenhuisapotheker; NVZA
- Mevr. dr. M. (Marieke) Perry, huisarts/onderzoeker; NHG
- Dhr. dr. G. (Gerwin) Roks, neuroloog; NVN
- Mevr. dr. T.R. (Rikje) Ruiter, internist; NIV
- Mevr. A.J.B.P. (Astrid) Schoonbrood, ergotherapeut; EN
- Mevr. dr. N. (Niki) Schoonenboom, neuroloog; NVN
- Dhr. dr. H. (Harro) Seelaar, neuroloog; NVN
- Dhr. dr. K.S. (Koen) Simons, intensivist-internist; NVIC
- Mevr. drs. M.M.E. (Marlies) Sleegers-Kerkenaar, klinisch geriater; NVKG
- Mevr. drs. VCJ (Vera) van Stek-Smits, neuropsycholoog-gezondheidszorgpsycholoog; NIP
- Mevr. dr. E.M. (Eveline) Veltman, psychiater; NVvP
- Dhr. drs. D. (Dave) Verkaik, AIOS geriatrie; NVKG
- Mevr. prof. dr. M. (Meike) Vernooij, radioloog; NVvR
- Dhr. dr. E.G.B. (Jort) Vijverberg, neuroloog; NVN
- Mevr. dr. M.A. (Marjolein) Wijngaarden, internist; NIV
Met ondersteuning van
- Mevr. dr. C.T.J. (Charlotte) Michels, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Mevr. dr. L.C. (Lotte) Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Mevr. drs. L.C. (Laura) van Wijngaarden, junior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Olde Rikkert* |
Hoogleraar Geriatrie, Radboudumc, Nijmegen |
Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde |
Geen; uitsluitend ZonMw gefinancierd onderzoek dat overheidsbelang centraal stelt. Sinds 2017 geen farma-onderzoek meer. |
Geen restrictie |
|
Absalom |
Hoogleraar Anesthesiologie, UMCG, Groningen |
Consultancy werkzaamheden (betaald, alle betalingen aan UMCG) 6. Consultancy werk voor Becton Dickinson (Eysins, Switzerland) en Terumo (Tokyo, Japan) – technische advies over spuitpompen. Niet gerelateerd aan dementie/ MCI/ delier. |
Extern gefinancierd onderzoeken, maar financier heeft geen belangen bij de richtlijn. * Rigel Pharmaceuticals (San Francisco, USA) (PAST) * The Medicines Company (Parsippany, NJ, USA)(PAST) |
Geen restricties, omdat adviseurswerk niet gerelateerd is aan de afbakening van het cluster |
|
De Bresser |
- Neuroradioloog 1.0fte, LUMC, Leiden |
Geen |
Mijn onderzoek wordt mede gesponsord door Alzheimer Nederland. Deze financier heeft geen belang bij bepaalde uitkomsten van de richtlijn. |
Geen restrictie |
|
Lampe |
Psychiater, OLVG Ziekenhuis, Amsterdam |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Leistra |
Belangenbehartiger, Alzheimer Nederland |
Casemanager Dementie bij de King Arthur Groep |
Geen |
Geen restrictie |
|
Richard |
Hoogleraar neurologie: * afdeling neurologie Radboudumc (0.8fte) * afdeling Public and Occupational Health Amsterdam UMC (0.2 fte) |
- Neuroloog-onderzoeker AmsterdamUMC, locatie AMC, gastvrijheidsaanstelling. - Hoofdredacteur Leerboek Neurologie (Bohn Staffleu van Loghem) |
Geen, uitsluitend onderzoek financiering van non-profit instellingen (e.g. ZonMw, Europese Commissie). |
Geen restrictie |
|
Teunissen |
Hoofd Neurochemisch laboratorium, Afdeling Klinische Chemie, AmsterdamUMC, lokatie VUmc, Amsterdam |
*Adviseur voor educatief blad: Mednet Neurologie (betaald). * Alle betalingen zijn aan het AmsterdamUMC. |
*Wetenschappelijke samenwerking met ADxNeurosciences, Olink, Quanterix, Roche in kader van o.a. Marie Curie subsidie. Het doel van het Marie Curie project is om een nieuwe generatie van onderzoekers in het biomarker veld op te leiden, tot experts in alle aspecten van biomarker onderzoek. Aan het einde van de ontwikkeling van biomarkers zullen deze via bedrijven op de markt moeten komen, en omdat niet alle wetenschappers uiteindelijk in de academische wereld blijven, is het belangrijk dat jonge onderzoekers ervaring opdoen met de manier van onderzoek doen in het bedrijfsleven. In marie curie projecten gebeurt dat door een deel van het onderzoek bij een bedrijf uit te voeren. *Het Neurochemisch laboratorium doet contractresearch voor Acumen, ADx Neurosciences, AC-Immune, Alamar, Aribio, Axon Neurosciences, Beckman-Coulter, BioConnect, Bioorchestra, Brainstorm Therapeutics, Celgene, Cognition Therapeutics, EIP Pharma, Eisai, Eli Lilly, Fujirebio, Instant Nano Biosensors, Novo Nordisk, Olink, PeopleBio, Quanterix, Roche, Toyama, Vivoryon. Dit zijn meestal biomarker-analyses voor hun trials, bij inclusies en als uitkomstmaten. *Grants: Research of CET is supported by the European Commission (Marie Curie International Training Network, grant agreement No 860197 (MIRIADE) and TAME, Innovative Medicines Initiatives 3TR (Horizon 2020, grant no 831434) EPND ( IMI 2 Joint Undertaking (JU), grant No. 101034344) and JPND (bPRIDE, CCAD), European Partnership on Metrology, co-financed from the European Union’s Horizon Europe Research and Innovation Programme and by the Participating States ((22HLT07 NEuroBioStand), CANTATE project funded by the Alzheimer Drug Discovery Foundation, Alzheimer Association, Michael J Fox Foundation, Health Holland, the Dutch Research Council (ZonMW), Alzheimer Drug Discovery Foundation, The Selfridges Group Foundation, Alzheimer Netherlands. CT is recipient of ABOARD, which is a public-private partnership receiving funding from ZonMW (#73305095007) and Health~Holland, Topsector Life Sciences & Health (PPP-allowance; #LSHM20106). CT is recipient of TAP-dementia, a ZonMw funded project (#10510032120003) in the context of the Dutch National Dementia Strategy. |
Geen restrictie |
|
Van Munster |
* Hoogleraar Interne Geneeskunde, Ouderengeneeskunde/Geriatrie, UMCG, Groningen. *Plaatsvervangend opleider Geriatrie, UMCG, Groningen. |
- 2020 – heden Voorzitter Alzheimer Centrum Groningen (alle functies zijn onbetaald) |
*2022 ZONMw: Young Onset Dementia- INCLUDED: Advance care planning. 2022 ZEGG/ZONMw: "The impact of a comprehensive geriatric assessment including advance care planning in acutely hospitalized frail patients with cognitive disorders: the GOAL study" |
Geen restrictie |
|
Verhagen |
Orthopedisch chirurg/opleider in Tergooi MC |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Clusterexpertisegroepleden
Richtlijn Dementie: Module ‘Antipsychotica bij dementie’
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Mitrov |
Ziekenhuisapotheker, Flevoziekenhuis, Almere |
Special Interest Group Farmacotherapie bij ouderen (NVKG/NVZA), onbetaald |
Geen |
Geen restrictie |
|
Verkaik |
Aios geriatrie, betaalde functie. In opleiding vanuit Gelre ziekenhuizen Apeldoorn en Zutphen. |
Deelname pvc commissie als aios lid voor kwaliteits visitaties (onbetaald) |
Geen |
Geen restrictie |
Richtlijn Dementie: Module ‘Antidepressiva bij dementie’
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Heemskerk |
Klinisch geriater, Arkin Ouderen (GGZ, Amsterdam) |
NVKG, commissie ouderenpsychiatrie |
Geen |
Geen restrictie |
|
Veltman |
Psychiater, UMCU |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Richtlijn MCI: Module 'Biomarkers’
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Van de Giessen |
Radioloog (aandachtsgebeid nucleaire geneeskunde), Amsterdam UMC |
- NVNG, commissie onderwijs en themagroep neuro |
Beoordelingen PET scans voor Ixico (betaald aan instituut) Contract research voor Roche (betaald aan instituut) Onderzoeksfinanciering van non-profit instelingen (o.a. ZonMw, Alzheimer Nederland, Hersenstichting, Health~Holland, KWF) |
Geen restrictie |
|
Richard |
Hoogleraar neurologie: * afdeling neurologie Radboudumc (0.8fte) * afdeling Public and Occupational Health Amsterdam UMC (0.2 fte) |
- Neuroloog-onderzoeker AmsterdamUMC, locatie AMC, gastvrijheidsaanstelling. - Hoofdredacteur Leerboek Neurologie (Bohn Staffleu van Loghem) |
Geen, uitsluitend onderzoek financiering van non-profit instellingen (e.g. ZonMw, Europese Commissie). |
Geen restrictie |
Richtlijn MCI: Module ‘Leefstijladviezen’
|
Clusterlid
|
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Groeneveld |
Verpleegkundig consulent geriatrie (16 uur) Verpleegkundig onderzoeker Waardengedreven zorg (16 uur) |
Geen
|
Extern gefinancieerd onderzoek: * Catharina onderzoeksfonds: Prestatie en acceptatie van een predictiemodel voor vallen in het ziekenhuis (rol als projectleider) *KIPZ subsidie t/m 31 december: Prestatie en acceptatie van een predictiemodel voor vallen in het ziekenhuis (ja) |
Geen restrictie |
|
Ruiter |
*Internist ouderen geneeskunde en klinische farmacologie Maasstad Ziekenhuis 0,8fte *Post-doctoraal onderzoeker & Epidemioloog B Erasmus MC dept. Epidemiologie 0,1 fte * Lid van het College ter beoordeling van geneesmiddelen |
*Lid raad van toezicht Stichting Landelijk Wonen Klein Houtdijk (Onbetaald). *Secretaris Forum Visitatorum NIV (Onbetaald). *Redactielid Tijdschrift Geriatrie en Gerontologie (Onbetaald). * Voorzitter commissie beroepsbelangen kerngroep ouderengeneeskunde NIV. |
Geen |
Geen restrictie |
|
Claassen |
Universitair hoofddocent en klinisch geriater (1.0 fte), Radboudumc, Nijmegen |
Geen |
*Fase 3 onderzoek Novo Nordisk (EVOKE, NCT04777396. Wereldwijde geneesmiddelenstudie (semaglutide) over Alzheimer. Rol als lokale PI. Middel komt niet aan bod in huidige vijf modules. *MOCIA-project, gefinancierd door ZonMW (www.mocia.nl). *ABOARD onderzoek (gefinancierd door ZonMW en Health Holland, projectnummer: 73305095007) |
Geen restrictie |
Richtlijn MCI: Module ‘Follow-up’
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Claassen |
Universitair hoofddocent en klinisch geriater (1.0 fte), Radboudumc, Nijmegen |
Geen |
*Fase 3 onderzoek Novo Nordisk (EVOKE, NCT04777396. Wereldwijde geneesmiddelenstudie (semaglutide) over Alzheimer. Rol als lokale PI. Middel komt niet aan bod in huidige vijf modules. *MOCIA-project, gefinancierd door ZonMW (www.mocia.nl). *ABOARD onderzoek (gefinancierd door ZonMW en Health Holland, projectnummer: 73305095007) |
Geen restrictie |
|
Perry |
* Huisarts, Huisartsenpraktijk Velp, 0.5 fte * Senior-onderzoeker afdelingen eerstelijnsgeneeskunde en Geriatrie van het Radboudumc en bij het Radboud Alzheimer Centrum, 0.5 fte |
Auteur hoofdstuk Vergeetachtigheid in Álledaagse klachten 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep multidisciplinaire richtlijn Dementie 2018 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep heziening NHG standaard Dementie 2017 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep Addendum MCI bij multidisciplinaire richtlijn Dementie 20 1 6-20 1 B (onkostenvergoeding) Auteur online nascholing dementie Accredidact huisartsen 2016 en doktersassistenten 2017 (betaald) Auteur twee boekhoofdstukken dementie (palliatieve zorg en diagnostische verrichtingen) 2017 en 2018 in opdracht van het NHG (onkostenvergoeding) Auteur hoofdtsuk Vergeetachtigheid (Alledaagse klachten in de huisartsgeneeskunde) 2020 Onkostenvergoeding Expert bij www.dementie.nl tot heden (vrijwillig) Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) |
Projectleider DementieNet (financiering door Giekes-Strijbis fonds, Alzheimer Nederland en ZonMw) Andere ZonMw/Memorabel projecten: - Decidem (anticiperende besluitvorming met mensen met dementie door huisartsen), medeprojectleider - Crisisreductie in de dementiezorg, medeaanvrager - SHiMMy en SHARED (relatie sociale gezondheid en ontstaan en progressie van dementie), medeaanvrager - S-Decided (gezamelijke besluitvorming bij diagnostiek bij geheugenklachten), medeaanvrager
Diverse projecten omtrent transmurale/interprofessionele aanpak van advance care planning van Zorginstituut Nederland, Stoffels-Hornstra fonds, ZonMw EPOS: Extramurale praktijkontwikkeling specialist ouderengeneeskunde UNICITY: dementie op jonge leeftijd, oa signalering door huisartsen en onderscheid met depressie, burn-out
*DementieNet aanpak, generieke benadering voor lokale eerstelijns netwerkzorg *Expert bij www.dementie.nl, website van Alzheimer Nederland (vrijwillig) *Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) *Diverse malen gastspreker bij verschillende Alzheimer Cafés (vrijwillig) |
Geen restrictie |
|
Roks |
Neuroloog ETZ Tilburg |
METC Brabant, lid en vice voorzitter (onkostenvergoeding) |
Geen |
Geen restrictie |
Algemene herziening: Nieuwe concept indeling (richtlijn Dementie en richtlijn MCI)
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Lampe |
Psychiater, OLVG ziekenhuis |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Olde Rikkert* |
Hoogleraar Geriatrie, Radboudumc, Nijmegen |
Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde |
Geen; uitsluitend ZonMw gefinancierd onderzoek dat overheidsbelang centraal stelt. Sinds 2017 geen farma-onderzoek meer. |
Geen restrictie |
|
Perry |
* Huisarts, Huisartsenpraktijk Velp, 0.5 fte * Senior-onderzoeker afdelingen eerstelijnsgeneeskunde en Geriatrie van het Radboudumc en bij het Radboud Alzheimer Centrum, 0.5 fte |
Auteur hoofdstuk Vergeetachtigheid in Álledaagse klachten 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep multidisciplinaire richtlijn Dementie 2018 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep heziening NHG standaard Dementie 2017 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep Addendum MCI bij multidisciplinaire richtlijn Dementie 20 1 6-20 1 B (onkostenvergoeding) Auteur online nascholing dementie Accredidact huisartsen 2016 en doktersassistenten 2017 (betaald) Auteur twee boekhoofdstukken dementie (palliatieve zorg en diagnostische verrichtingen) 2017 en 2018 in opdracht van het NHG (onkostenvergoeding) Auteur hoofdtsuk Vergeetachtigheid (Alledaagse klachten in de huisartsgeneeskunde) 2020 Onkostenvergoeding Expert bij www.dementie.nl tot heden (vrijwillig) Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) |
Projectleider DementieNet (financiering door Giekes-Strijbis fonds, Alzheimer Nederland en ZonMw) Andere ZonMw/Memorabel projecten: - Decidem (anticiperende besluitvorming met mensen met dementie door huisartsen), medeprojectleider - Crisisreductie in de dementiezorg, medeaanvrager - SHiMMy en SHARED (relatie sociale gezondheid en ontstaan en progressie van dementie), medeaanvrager - S-Decided (gezamelijke besluitvorming bij diagnostiek bij geheugenklachten), medeaanvrager
Diverse projecten omtrent transmurale/interprofessionele aanpak van advance care planning van Zorginstituut Nederland, Stoffels-Hornstra fonds, ZonMw EPOS: Extramurale praktijkontwikkeling specialist ouderengeneeskunde UNICITY: dementie op jonge leeftijd, oa signalering door huisartsen en onderscheid met depressie, burn-out
*DementieNet aanpak, generieke benadering voor lokale eerstelijns netwerkzorg *Expert bij www.dementie.nl, website van Alzheimer Nederland (vrijwillig) *Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) *Diverse malen gastspreker bij verschillende Alzheimer Cafés (vrijwillig) |
Geen restrictie |
|
Richard |
Hoogleraar neurologie: * afdeling neurologie Radboudumc (0.8fte) * afdeling Public and Occupational Health Amsterdam UMC (0.2 fte) |
- Neuroloog-onderzoeker AmsterdamUMC, locatie AMC, gastvrijheidsaanstelling. - Hoofdredacteur Leerboek Neurologie (Bohn Staffleu van Loghem) |
Geen, uitsluitend onderzoek financiering van non-profit instellingen (e.g. ZonMw, Europese Commissie). |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
| Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Follow-up MCI |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het overgrote deel van de zorgverleners al aan de norm voldoet, het geen nieuwe manier van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal voltijdsequivalenten of wijziging in het opleidingsniveau van zorgverleners betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.

