Uitgangsvraag

Wat is de diagnostische waarde van PET- of SPECT-onderzoek in de differentiaaldiagnose van dementie?

Aanbeveling

FDG-PET, perfusie-SPECT en FP-CIT SPECT hebben geen plaats in de routinediagnostiek bij dementie (zie stroomschema diagnostiek, tenzij als onderdeel van de diagnostische criteria voor FTD).

 
Overweeg FDG-PET bij twijfel over de diagnose ziekte van Alzheimer, bijvoorbeeld in verband met atypische presentatie dan wel jonge debuutleeftijd.
 
Gebruik FDG-PET onderzoek voor het kunnen vaststellen van de diagnose ‘waarschijnlijk FTD’ bij ontbreken van atrofie bij MRI-onderzoek.
 
Overweeg FP-CIT SPECT onderzoek indien er maar één kerncriterium voordementie met Lewy bodies aanwezig is, en derhalve twijfel over de diagnose blijft bestaan.

Inleiding

Voor de diagnostiek van diverse vormen van dementie kan Single Photon Emission Computed Tomography (SPECT) of Positron Emission Tomography (PET) onderzoek van aanvullende waarde zijn. Met perfusie-SPECT (bijvoorbeeld met de radiotracer HMPAO) is het mogelijk een indruk te krijgen van de corticale en subcorticale perfusie, maar er kunnen ook radiotracers gebruikt worden die een indruk geven van het aantal dopaminetransporters. Door gebruik te maken van fluorodeoxyglucocse (FDG) kan met behulp van PET een indruk worden gekregen van het cerebrale metabolisme. Over de waarde van deze onderzoeken is literatuuronderzoek gedaan waarbij in eerste instantie naar meta-analyses en gestructureerde reviews is gezocht. Als referentietest geldt autopsie als de goudstandaard. De meeste studies werken echter met een klinische diagnose met beeldvorming en eventueel liquoronderzoek en follow-up als referentie. Specifieke tracers voor amyloid kunnen een indruk geven van de amyloidstapeling in de hersenen. Gezien de recente ontwikkeling van deze technieken en het feit dat ze nog zeer beperkt beschikbaar zijn, is er geen systematische literatuurstudie naar deze onderzoeken verricht maar wordt deze techniek wel beschrijvend in de huidige richtlijn opgenomen. 

Conclusies

Hoog

Zowel FDG-PET als perfusie-SPECT zijn bruikbaar bij het onderscheid tussen patiënten met de ziekte van Alzheimer en gezonde personen met een sensitiviteit tussen 78% en 96% en een specificiteit tussen 81% en 90%. Bij het onderscheid met andere oorzaken van dementie ligt de sensitiviteit tussen de 71% en 87% en de specificiteit tussen de 75% en 81%.

 

A1 Bohnen, 2012; A2 Durand-Martel, 2010; A2 Bloudek, 2007; A1 Dougall, 2004

 

Matig

Zowel bij vergelijking van de gevonden diagnostische waardes in de meta-analyses als bij een directe vergelijking tussen FDG-PET en perfusie-SPECT lijkt FDG-PET superieur met een sensitiviteit van 97% voor FDG-PET vergeleken met 80% voor perfusie-SPECT.

 

A2 Morinaga, 2010

 

Matig

FP-CIT SPECT kan bijdragen aan de diagnostiek van dementie met Lewy bodies met een sensitiviteit van 87% en een specificiteit van 94%.

 

A2 Papathanasiou, 2012

Samenvatting literatuur

PET

In een review naar de waarde van FDG PET bij de diagnose ziekte van Alzheimer werden 11 studies geanalyseerd (Bohnen, 2012). Vier van de 11 studies gebruikten postmortem diagnose als goudstandaard. De gepoolde data van vijf case control studies lieten een sensitiviteit van 96% en een specificiteit van 90% zien voor het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en gezonde controles. De twee cohortstudies uit deze review lieten een sensitiviteit tussen 78 en 92% en een specificiteit tussen 81 en 89% zien voor het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en controles. De specificiteit voor het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en andere vormen van dementie was hoger dan 95%. De vier postmortem-studies toonden een gepoolde sensitiviteit van 87% en een specificiteit van 81% voor het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en andere oorzaken van dementie.

 

Een review van zes studies met postmortem-diagnose als goudstandaard vond vergelijkbare resultaten maar includeerde ook één additionele studie ten opzichte van de studie van Bohnen (Durand-Martel, 2010). Zowel bij de ziekte van Alzheimer als bij dementie met Lewy bodies wordt corticaal hypometabolisme gevonden. Bij dementie met Lewy bodies is de occipitale cortex meer aangedaan dan bij de ziekte van Alzheimer waar juist de gyrus cinguli in eerste instantie is aangedaan (Gilman, 2005). In een studie door Foster et al., uit 2007 naar het onderscheidend vermogen van FDG PET bij de ziekte van Alzheimer en frontotemporale dementie werd een hoge sensitiviteit voor de ziekte van Alzheimer gevonden van 97.6% met een specificiteit van 73.2% (Bohnen, 2012; Foster, 2007).

 

SPECT

Een meta-analyse die 19 studies includeerde naar de waarde van perfusie-SPECT bij de diagnose ziekte van Alzheimer toonde een sensitiviteit van 79% en een specificiteit van 84% (Bloudek, 2011). De controlegroep bestond uit een combinatie van patiënten met diverse andere oorzaken van dementie en gezonde personen. Een andere meta-analyse rapporteerde de diagnostische waarde bij de ziekte van Alzheimer versus diverse andere oorzaken van dementie (Dougall, 2004). Perfusie-SPECT had een sensitiviteit van 71.3% en een specificiteit van 75.9% bij het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie. Bij het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en frontotemporale dementie was de sensitiviteit 71.5% en de specificiteit 78.2%. De sensitiviteit was 65.7% en de specificiteit 79.1% bij de analyse van studies naar de ziekte van Alzheimer met niet demente patiënten als controles. In een directe vergelijking tussen FDG-PET en perfusie-SPECT bleek voornamelijk in de vroege ziektefase FDG-PET een betere diagnostische waarde te hebben dan perfusie-SPECT bij het onderscheid tussen patiënten met de ziekte van Alzheimer en gezonde controles (Morinaga, 2010). De sensitiviteit voor FDG PET in patiënten met een lichte ernst van dementie (CDR 1) was 97% vergeleken met 80% voor perfusie-SPECT.

 

In een systematische meta-analyse naar de waarde van dopaminetransporter imaging met FP-CIT SPECT bij de diagnose dementie met Lewy bodies werden vier studies geïncludeerd (Papathanasiou, 2012). Drie van de vier studies gebruikten de klinische diagnose als goudstandaard en één de postmortem-diagnose. De controlegroep was een combinatie van gezonde personen en patiënten met een andere vorm van dementie. FP-CIT SPECT had een gepoolde sensitiviteit van 87% en een zeer hoge specificiteit van 94% voor dementie met Lewy bodies versus afwezigheid van dementie met Lewy bodies. 

Zoeken en selecteren

Er is gezocht naar systematische reviews en vergelijkend onderzoek van 1 januari 2005 tot juni 2012 in de databases Medline (OVID) en Embase. Dit leverde in totaal 229 artikelen op.

Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie 32 studies voorgeselecteerd. Na raadpleging van de volledige tekst, werden vervolgens zeven studies definitief geselecteerd en opgenomen in de literatuuranalyse.

 

Relevante uitkomstmaten:

  • diagnostische waarde (sensitiviteit, specificiteit);
  • kosten(effectiviteit).

Referenties

  1. Bloudek LM, Spackman DE, Blankenburg M, et al. Review and meta-analysis of biomarkers and diagnostic imaging in Alzheimer's disease. J Alzheimers Dis 2011;26(4):627-645.
  2. Bohnen NI, Djang DS, Herholz K, et al. Effectiveness and safety of 18F-FDG PET in the evaluation of dementia: a review of the recent literature. J Nucl Med 2012;53(1):59-71.
  3. Dougall NJ, Bruggink S, Ebmeier KP. Systematic review of the diagnostic accuracy of 99mTc-HMPAO-SPECT in dementia. Am J Geriatr Psychiatry 2004;12(6):554-570.
  4. Durand-Martel P, Tremblay D, Brodeur C, et al. Autopsy as gold standard in FDG-PET studies in dementia. Can J Neurol Sci 2010;37(3):336-342.
  5. Foster NL, Heidebrink JL, Clark CM, et al. FDG-PET improves accuracy in distinguishing frontotemporal dementia and Alzheimer's disease. Brain 2007;130(Pt 10):2616-2635.
  6. Gilman S, Koeppe RA, Little R, et al. Differentiation of Alzheimer's disease from dementia with Lewy bodies utilizing positron emission tomography with [18F]fluorodeoxyglucose and neuropsychological testing. Exp Neurol 2005;191 Suppl 1:S95-S103.
  7. Johnson KA, Minoshima S, Bohnen NI, et al. Appropriate use criteria for amyloid PET: A report of the Amyloid Imaging Task Force, the Society of Nuclear Medicine and Molecular Imaging, and the Alzheimer's Association. J Nucl Med. 2003.
  8. Klunk WE. Amyloid imaging as a biomarker for cerebral beta-amyloidosis and risk prediction for Alzheimer dementia. Neurobiol Aging 2011;32 Suppl 1:S20-36.
  9. Klunk WE, Engler H, Nordberg A, et al. Imaging brain amyloid in Alzheimer's disease with Pittsburgh Compound-B. Ann Neurol 2004;55(3):306-319.
  10. McKeith IG, Dickson DW, Lowe J, et al. Diagnosis and management of dementia with Lewy bodies: third report of the DLB Consortium. Neurology 2005;65(12):1863-1872.
  11. McKhann GM, Knopman DS, Chertkow H, et al. The diagnosis of dementia due to Alzheimer's disease: recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer's Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer's disease. Alzheimers Dement 2011;7(3):263-269.
  12. Morinaga A, Ono K, Ikeda T, et al. A comparison of the diagnostic sensitivity of MRI, CBF-SPECT, FDG-PET and cerebrospinal fluid biomarkers for detecting Alzheimer's disease in a memory clinic. Dement Geriatr Cogn Disord 2010;30(4):285-292.
  13. Papathanasiou ND, Boutsiadis A, Dickson J, et al. Diagnostic accuracy of (1)(2)(3)I-FP-CIT (DaTSCAN) in dementia with Lewy bodies: a meta-analysis of published studies. Parkinsonism Relat Disord 2012;18(3):225-229.
  14. Rascovsky K, Hodges JR, Knopman D, et al. Sensitivity of revised diagnostic criteria for the behavioural variant of frontotemporal dementia. Brain 2011;134(Pt 9):2456-2477.

Evidence tabellen

Systematic reviews

Author, year

Design

Inclusion criteria

Quality

Results

Bohnen 2012

Review (2000 – now) on the effectiveness and safety of 18F-FDG PET in the assessment of dementia, in particular suspected AD.

 

Studies included (n=11):

  • Cross-sectional case-control studies (n=5);
  • Cohort Studies with Clinical Diagnosis of AD Based on Longitudinal Assessment (n=2);
  • Postmortem diagnosis (n=4).

Inclusion criteria: not well described

 

Studies included:

Cohort Studies:

Dobert et al., 2005):

  • Longitudinal clinical diagnosis; prospective cohort study in primary care–like setting;

Panegyres et al., 2009):

  • Longitudinal clinical diagnosis with average clinical follow-up of 5–6 y; prospective cohort study of 18F-FDG PET diagnostic utility in primary care setting

 

Studies with Postmortem diagnosis:

Silverman et al., 2001:

  • Multicentric, PET to autopsy : 2,9 yrs average, PET : axial and coronal, Pathology : Varied, unspecified

Jagust et al., 2007

  • Retrospective, monocentric; PET to autopsy: 3,6 yrs average; PET : axial, sagittal and coronal; Pathology: CERAD and NIA-Reagan

Minoshima et al., 2001

  • Retrospective, monocentric; PET to autopsy : 3,2 yrs average; PET : 3D-SSP, Z score for visual cortex; Pathology : Khachaturian, Lewy bodies

Foster et al., 2007

  • Retrospective, monocentric; PET to autopsy : N/A; PET : transaxial and SSP; Pathology : NIA-Reagan, FTLD unspecified

 

Not discussed in article or supplemental data

 

Search:

NA

 

Selection:

NA

 

Quality assessment of individual studies:

NA

Case-control studies:

The pooled diagnostic summary (n=5 studies) revealed an overall diagnostic accuracy of 93% for differentiating AD subjects from healthy subjects, with sensitivity of 96% and specificity of 90% (all 5 studies met AAN level III diagnostic evidence).

 

Cohort Studies:

Dobert et al., 2005:

  • Pure AD: sensitivity 44%, specificity 83%;
  • mixed AD and vascular dementia: sensitivity 71%, specificity 78%;
  • Pure or mixed vs absence of AD: sensitivity 91.7%, specificity 88.9%.

Panegyres et al., 2009:

  • Diagnosis of AD, 18F-FDG PET sensitivity 78% , specificity 81%
  • Differential diagnosis of other dementias, incl. FTD, 18F-FDG PET specificity>95%.

 

Studies with Postmortem diagnosis:

Silverman et al., 2001:

  • AD vs. other causes of dementia: sensitivity 94% (95% CI, 89%–99%),specificity 73% (95% CI, 60%–87%);
  • Subject of patients mild AD at time of PET: sensitivity (95%), specificity (71%), overall diagnostic accuracy (89%).

Jagust et al., 2007

  • For diagnosing AD, accuracy of 18F-FDG PET (sensitivity, 84%; specificity, 74%) was better than that of initial clinical evaluation (sensitivity, 76%; specificity, 58%). 18F-FDG PET (78%) also had better NPV than did initial clinical evaluation (65%).

Minoshima et al., 2001

  • 18F-FDG PET can distinguish AD from DLB with 90% sensitivity and 80% specificity.

Foster et al., 2007

18F-FDG PET is significantly more accurate

in distinguishing FTD from AD than clinical

methods. For AD diagnosis compared with FTD,

sensitivity was 96.7% and specificity

was 85.7%.

 

Other outcomes:

Pooled Differential Diagnosis of AD vs. Other Dementias: sensitivity 87%, specificity 81%, accuracy 85%. (n=5 studies)

Durand-Martel 2010

Review of evidence-based on the diagnostic

accuracy of brain FDG-PET in dementia with cerebral autopsy as gold standard

Inclusion criteria:

Presence and correlation of FDG-PET imaging and cerebral autopsy for the same patient(s).

 

Exclusion: not English or French, animal researches, no FDG as a tracer for PET, studied only mild cognitive impairment (MCI) or used clinical diagnosis, genetic testing or histopathological data from a brain biopsy as gold standard.

 

Overlap with Bohnen 2012. Only describing additional studies.

 

Hoffman et al., 2000

  • Prospective, monocentric; PET to autopsy: 2,1 yrs average; PET: transaxial; Pathology: CERAD

Search:

Medline and Pubmed: till June 24th 2009. Pubmed: 43 articles meeting inclusion criteria, Medline: no additional. 4 articles included through references. Total: 47 articles.

 

Selection:

Only 5 studies with 20 or more patients included.

 

Quality assessment of individual studies:

NA

Overlap with Bohnen 2012! Only describing additional studies.

Hoffman et al., 2000

  • Ac for AD only : 81,8%
  • Se for AD only : 92,9%
  • Sp for AD only : 62,5%
  • Ac for AD + other pathology : 81,8%
  • Se for AD + other pathology : 87,5%
  • Sp for AD + other pathology : 66,7%

 

Limitations and considerations:

  • Only two out of five studies analysed effect of combining FDG-PET with clinical evaluation;
  • No study evaluated prospectively the accuracy of FDG-PET for differentiating the various dementia subtypes;
  • In Jagust and Foster et al the clinical and pathological diagnoses were also dichotomized in the evaluations of the adjunctive effect of PET on diagnostic accuracy, limiting the application of the results to our clinical practice.

 

Overall conclusion

The studies found show good accuracy and sensitivity for Alzheimer’s disease pathology, including in the early clinical stages when it is the most clinically valuable.

Papathanasiou, 2011

Systematic meta-analysis on the diagnostic accuracy of presynaptic dopaminergic imaging with 123I-FP-CIT (DaTSCAN) in dementia with Lewy bodies (DLB).

 

Search:

Pubmed search updated until august 2011, only English.

 

Keywords:” dementia with Lewy bodies”, “ioflupane”, “FP-CIT”, “DaTSCAN”, and “dopaminergic imaging

 

Study Selection:

Inclusion criteria:

- uncertain cases in which DaTSCAN was performed to define a diagnosis of DLB versus non-DLB dementia and

- patients with an already established diagnosis of DLB, non-DLB dementia or normalcy, against which the diagnostic accuracy of DaTSCAN was tested.

 

Exclusion criteria:

- Population <10

- another tracer or modality used next to DaTSCAN

- DLB versus other causes of nigrostriatal degenerative dementias

- the number of true positives, false negatives, true negatives, and false positives against the study’s reference standard could not be extracted from the individual study;

- overlap of cases with a cohort already included in the meta analysis

 

Initially 21 studies selected, 17 excluded based on exclusion criteria. 4 studies suitable for meta-analysis (N total: 419)

The number of true positives, false negatives, true negatives, and false positives was extracted from every individual study. Diagnostic odds ratios (DORs) of the included individual studies were calculated. Fixed-effects Mantel-Haenszel model was applied to calculate overall pooled weighted DOR. Finally, hierarchical logistic regression models for meta-analysis of diagnostic test accuracy was applied.

 

Main outcome:

Estimated pooled sensitivity of DaTSCAN in differentiating DLB versus no DLB was 86.5% [95% Confidence Intervals (CI): 72e94.1%], the specificity was 93.6% (95% CI: 88.5e96.6%), and

the DOR was 94.2 (95% CI: 25.7e345).

 

The Mantel-Haenszel estimate of overall DOR was calculated at 48.95 (95% CI: 26.16e91.59). There was some heterogeneity among studies (I2 ¼ 45%), but this was not found statistically significant (c2 test for heterogeneity p value ¼ 0.142). Funnel plot analysis showed no significant bias.

 

Overall conclusion:

Results showed a high diagnostic accuracy of DaTSCAN in DLB diagnosis, especially in terms of specificity, but small number of studies.

Bloudek, 2011

Systematic review and meta-analysis to estimate the SN and SP of AD diagnostic strategies clinical guidelines, MRI, CT, SPECT, FDG-PET, and CFS analysis of Ttau, Ptau, and Aβ1−42.

Clinical guidelines

8 studies, primarily the NINCDS-ADRDA guidelines.

 

MRI

26 studies

 

CT

6 studies

 

FDG-PET

27 studies

 

SPECT

19 studies

 

CSF biomarker Aβ1−42

20 studies

 

CSF Ttau

30 studies

 

CSF Ptau

24 studies

In addition 6 studies evaluated Ptau for differentiating AD from MCI

 

Combination of CSF biomarker Aβ1−42

and tau

12 studies

Search:

Medline, English, between 1990 and March 2010 using MeSH terms “Alzheimer Disease/diagnosis” [Mesh] AND “Sensitivity and Specificity” [Mesh] AND (imaging OR biomarkers) and (“Dementia/diagnosis” [Mesh] AND “Biological Markers/cerebrospinal fluid” [Mesh]) OR “Dementia/diagnosis” [Mesh]) AND “Alzheimer Disease/radionuclide imaging” [Mesh].

 

Selection

1840 unique studies, of which 97 were relevant and contributed data to the final analysis.

 

Quality assessment of individual studies:

Not performed

Clinical guidelines

SN 79% (95%CI 69% to 87%)

SP 73% (95%CI 63% to 81%)

 

MRI

SN 83% (95%CI 79% to 87%)

SP 85% (95%CI 80% to 89%)

AUROC highest among non demented controls (0.93 compared to 0.86 and 0.90 for dementia including and excluding MCI, respectively)

 

CT

SN 80% (95%CI 68% to 88%)

SP 87% (95%CI 78% to 93%)

 

FDG-PET

SN 91%(95%CI 86% to 94%)

SP 86% (95%CI 79% to 91%)

 

SPECT

SN 79% (95% CI 72% to 85%)

SP 84% (95% CI 78% to 88%)

 

CSF biomarker Aβ1−42

SN 76% (95%CI 72% to 80%)

SP 77% (95%CI 72% to 82%)

 

CSF T-Tau

SN 79% (95%CI 75% to 83%)

SP 85% (95%CI 81% to 89%)

 

CSF P-Tau

SN 78% (95% CI 73% to 83%)

SP 81% (95% CI 76% to 85%)

 

Differentiating AD from MCI:

SN 73% (95%CI 54% to 86%)

SP 69% (95%CI 53% to 82%)

AUROC 0.77

I2 = 95 95% CI 91 to 99

 

Combination of CSF biomarker Aβ1−42

and Ttau

SN 80% (95%CI 72% to 85%)

SP 76% (95%CI 57% to 88%)

Dougall, 2004

Systematic Review and meta analysis of the Diagnostic Accuracy of 99mTc-HMPAO-SPECT in

Dementia

 

Funding:

the Gordon Small Charitable Trust and the European Commission (Grant BMH4 98 3130) and Socrates/Erasmus Scheme

Exclusion criteria applied to all potentially

relevant primary studies:

1. Not a 99mTc-HMPAO-SPECT examination

2. No Alzheimer disease patients examined

3. Not an original patient study (e.g., narrative review)

4. Not peer reviewed (e.g., conference proceedings)

5. Studies with subject groups of 5 or less or total subjects of 10 or less across groups

6. No extractable data for true/false positives and negatives (e.g., no cut-off given for binary classification)

7. Overlapping patient populations between studies; details published previously

 

 

Search:

Adequate

 

Articles published between 1985 and 2002 retrieved systematically from MEDLINE and EMBASE, cross-referencing with personal collections and 13 narrative reviews

 

Selection:

301 identified, 48 selected

 

Quality assessment of individual studies:

Adequate

The pooled weighted sensitivity and specificity of 99mTc-HMPAO-SPECT in discriminating clinically defined AD from:

 

VD:

Sen 71.3% (67.5%–75.2%);

Spe 75.9% (70.8%–81.1%)

FTD:

Sen 71.5% (66.3%–76.7%);

Spe 78.2% (71.2%–85.2%)

 

(Non-Dementia) Patient Comparison Groups:

Sen 65.7% (62.2%–69.3%)

Spe 79.1% (75.1%–83.1%)

 

Normal Comparison Groups

Sen 77.1% (74.5%–79.7%)

Spe 89.0% (86.7%–91.4%)

 

 

Diagnostic test accuracy studies

Study reference

Study characteristics

Patient characteristics

Index test

(test of interest)

Reference test

 

Follow-up

Outcome measures and effect size

Comments

Gilman, 2005

Prospective clinical evaluation comparing the

utility of PET with [18F]FDG to examine cerebral metabolic

profiles with neuropsychological testing and with evaluation

of motor function by a family member in patients with AD and DLB.

 

Country: US

 

Funding:

Supported in part by NIH grants P50 AG08671 from the National Institute of Aging and P01 NS15655 from the National Institute of Neurological Disorders and Stroke.

N=64

(AD=25; DLB=20; Control=19)

 

DLB and AD patients

with established diagnoses by currently accepted clinical

criteria. The two groups had equivalent levels of dementia

and were well-matched in age and duration of disease.

 

No difference between patient groups for MMSE, confrontational naming, or verbal learning.

 

AD group contained a higher ratio of females to

males than the DLB group (P=0.003).

18F-FDG PET scanning

 

Scans were performed 30–50 min after intravenous injection of 8 mCi of 18F-FDG.

1) Neuropsychological testing

2) evaluation of motor function by a family member

 

 

 

PET data

ICMRglc values

  • -AD&DLB <control groups
  • -DLB<AD (p<0.05)

 

 Pairwise comparisons between normal control, AD and DLB groups for Brodmann areas 17, 18, and 19 revealed lower values in DLB than AD and lower values in AD than normal controls, with significant differences between all groups ( P<0.001 for areas 17 and 18, P≤ 0.02 for area 19 for all

comparisons).

 

Neuropsychological results

MMSE, confrontational naming, or

verbal learning: no sign. Diff

 

verbal fluency:

DLB more impaired than AD (p=0.04)

 

Verbal delayed recall:

AD more impaired than DLB (p=0.04)

 

Motor coordination difficulties:

DLB more difficulties than AD (p=0.001)

 

The results demonstrate a similar profile of cerebral hypometabolism in the two patient groups except in the visual cortex, where the DLB group shows markedly lower lCMRglc than the AD group.

 

The relatively lower significance levels of the neuropsychological measures in comparison to the PET and motor rating findings may be partly accounted for by the fact that not all patients completed neuropsychological testing, resulting in smaller power to detect differences.

 

On three patients (one in DLB group and two in AD group) autopsy verification of diagnosis was performed.

 

In the course of this investigation, the PET scanner was replaced.

Morinaga, 2010

A systematic comparison of the diagnostic sensitivity of MRI, CBF-SPECT, FDGPET and CSF biomarkers in detecting AD and to examine their value for clinical practice in a memory clinic.

 

Country:

Japan

207 patients diagnosed with probable AD

according to NINDAS-ADRDA criteria. Severity was evaluated using CDR and MMSE.

 

Exclusion criteria:

Age-Related White Matter Change

Rating Scale ≥30

 

N=207

30 patients at CDR 0.5, 144 at CDR 1 and 33 at CDR 2;

MRI, CBF-SPECT, FDG-PET and Cerebrospinal Fluid Biomarkers

 

Cut-off point(s):

  • MRI: MTA-score ≥2
  • CBF-SPECT: perfusion reduction in the parietotemporal lobe and/or posterior cingulate gyrus and relative sparing of the CBF in the sensorimotor cortex, occipital cortex and cerebellum
  • FDG-PET: reduction in the metabolism in the parietotemporal lobe and/or posterior cingulate gyrus and relative sparing of the metabolism in the sensorimotor cortex, occipital cortex and cerebellum
  • CFB: abnormalities of CSF amyloid β-protein 1–42 (490pg/ml), total tau (202 pg/ml) and phosphorylated tau (49 pg/ml)

 

 

No reference testing since patients were tested at all four diagnostic tests.

 

Based on positive or negative results for 1 diagnostic

tool, percentages of positive findings with

the other tools were analyzed

 

The Cochran-Armitage trend test was used to determine whether the severity of AD evaluated by CDR correlated with the

positive percentages of each tool, and Fisher’s exact test was applied to determine whether there was any difference in positive results with these diagnostic tools between women and men. The significance level was set at p<0.05.

 

No significant differences in

the positive percentages for AD were found with these tools between women and men.

Primary outcome measures:

CDR 0.5:

At the stage of CDR 0.5

positive SSF biomarker: 90%(87.5% for p-tau and 86.7% for t-tau),

positive MRI: 65.5%

 

CDR 1:

At the stage of CDR 1, FDG-PET (96.7%) and CSF biomarkers (95.5%) showed high sensitivity, but MRI (76.4%) and CBF-SPECT (79.6%) did not.

 

CDR 2:

all diagnostic tools displayed high positive percentages.

 

CDR scale showed a positive correlation with the positive rates of MRI (p=0.010), FDG-PET (p=0.003) and CSF-p-tau/Aβ42 (p=0.035), indicating the increase in diagnostic sensitivity of these tools in association with the increase in disease severity.

 

Cross-table comparing:

The MRI-positive AD patients presented with high positive percentages for CSF biomarkers (94.0%) and FDG-PET (97.0%). On the other hand, the MRI-negative AD patients showed high positive percentage only for CSF biomarkers (96.3%).

 

Conclusion:

The diagnosis of AD was most often supported by CSF biomarkers and FDG-PET at the early stage of dementia (CDR 1) and by CSF biomarkers at the earlier stage (CDR 0.5).

No reference testing or control group: the diagnosis of AD was based on clinical and not pathological findings.

 

Only one clinic: possible risk for selection bias

Overwegingen

Gezien de brede beschikbaarheid van FDG-PET en de betere diagnostische eigenschappen vergeleken met perfusie-SPECT verdient naar mening van de werkgroep FDG-PET de voorkeur boven perfusie-SPECT. Wat betreft kosten zijn beide onderzoeken vergelijkbaar. De kosten van FDG-PET en perfusie-SPECT liggen gemiddeld hoger dan van structurele beeldvorming.

 

De beschreven studies zijn hoofdzakelijk in zeer geselecteerde populaties uitgevoerd. De generaliseerbaarheid naar de algemene klinische praktijk is daardoor onduidelijk.

 

In de huidige criteria voor de ziekte van Alzheimer kan de waarschijnlijkheid van de diagnose worden vergroot door biomarkers. Hierbij worden amyloïd tracer PET en FDG-PET genoemd (McKhann, 2011). Afwijkingen bij dopaminetransporter imaging met FP-CIT SPECT geldt als ondersteunend criterium voor de diagnose DLB en kan zodoende samen met één kernsymptoom leiden tot de diagnose waarschijnlijke DLB (McKeith, 2005). Bij de criteria voor FTD moeten of atrofie op structurele beeldvorming of typische afwijkingen op PET- of SPECT-onderzoek worden aangetoond voor de diagnose waarschijnlijke FTD (Rascovsky, 2011).

 

Sinds 2004 is het mogelijk om amyloïdstapeling tijdens het leven in beeld te brengen met behulp van PET. Het eerste radioligand hiervoor was [11C] PIB, dat gezien de korte halfwaardetijd van 11C alleen maar gebruikt kan worden in centra met een eigen cyclotron (Klunk, 2004). In een review van alle op dat moment gepubliceerde PIB-PET-studies was de sensitiviteit voor de ziekte van Alzheimer (klinische diagnose als goudstandaard) versus cognitief normale personen 96% en de specificiteit 76% (Klunk, 2011). Er zijn onvoldoende gegevens om de waarde in de differentiaal diagnostiek met andere oorzaken van dementie te kunnen beoordelen. Momenteel zijn er meerdere 18F-gelabelde amyloïdtracers ontwikkeld die in alle instituten met een PET-camera toepasbaar zijn, zoals Amyvid (Florbetapir), NeuraCeq  (Florbetaben) en Vizamyl (Flutemetamol). Deze zijn momenteel nog niet geregistreerd in Nederland. Beide amyloïdtracers zijn goedgekeurd door de Food and Drug Administration (FDA). Amyloïd-imaging kan een rol gaan spelen bij patiënten met cognitieve stoornissen waarbij gedacht wordt aan de ziekte van Alzheimer maar waar deze diagnose klinisch onvoldoende zeker is. Recent zijn door de Alzheimer’s Association en de Society of Nuclear Medicine and Molecular Imaging criteria gedefinieerd voor het op de juiste wijze inzetten van amyloïd imaging in de diagnostiek van cognitieve stoornissen (Johnson, et al., 2013). Het gaat dan om patiënten bij wie de ziekte van Alzheimer nog onvoldoende zeker wordt geacht en waarbij aantonen van amyloid pathologie het beleid beïnvloedt. De diagnostische twijfel kan gelden voor bijvoorbeeld patiënten met een jonge beginleeftijd van de ziekte, atypische klinische verschijnselen of aanwijzingen voor gemengde etiologie.

 

Op dit moment is er nog geen duidelijke aanbeveling te geven over het in vivo aantonen van amyloid met behulp van PET. Mogelijk kan dit van waarde zijn in geselecteerde casuïstiek waarbij het aantonen van Alzheimerpathologie als belangrijk wordt ingeschat.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-10-2014

Laatst geautoriseerd : 01-10-2014

De richtlijnwerkgroep heeft als doel de richtlijn periodiek (digitaal) van updates te voorzien.

 

De NVKG is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde

Algemene gegevens

In samenwerking met

Alzheimer Nederland

Mezzo, Landelijke vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg

 

Aanleiding

Dementie is een veelvoorkomende aandoening. Naar schatting wordt jaarlijks in Nederland bij 20.000 mensen de diagnose dementie gesteld. De kans op dementie neemt sterk toe met de leeftijd: de kans dat men dement wordt is vanaf het 85e levensjaar ongeveer één op vier en loopt daarna nog verder op. Uiteindelijk krijgt één op de vijf mensen een vorm van dementie, waarvan de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie, al dan niet in combinatie, de meest voorkomende zijn.

 

Gezien de tijd die verlopen is sinds het verzamelen van het wetenschappelijke bewijs voor de inhoud van de richtlijn uit 2005 (referenties lopend tot 2004), is het noodzakelijk de richtlijn van een update te voorzien: de nieuwe richtlijn dient voor het veld aan te geven wat de laatste stand van zaken is op gebied van classificatie van dementie, diagnostiek en behandeling. Daarmee is sprake van een actuele kwaliteitsstandaard waartegen de kwaliteit van het medisch specialistisch handelen kan worden afgemeten en de variatie daarin kan worden verminderd. De plaatsbepaling van nieuwe medisch diagnostische technieken wordt hiermee wetenschappelijk onderbouwd en het medisch handelen uniformer, hetgeen ook voor de bepaling van vergoedingen van groot belang is. In de vorige richtlijn stond nog niets over de plaatsbepaling van psychosociale interventies, terwijl het belang toegenomen is. Deze omissie is met deze update van de richtlijn rechtgezet.

Sinds de vorige richtlijn is er veel vooruitgang geboekt op het gebied van diagnostische technieken, zijn de classificatiecriteria voor dementie en de onderliggende ziektebeelden gewijzigd en is de toepassing van acetylcholinesteraseremmers geëvolueerd. Verder zijn regelingen door de overheid aangepast, met name op het gebied van rijgeschiktheid, en is aanvullend onderzoek gedaan op het gebied van zorgdiagnostiek, psychosociale interventies en wilsbekwaamheid. Dit alles is meegenomen in deze richtlijnherziening.

 

Voor de patiënt is het van groot belang dat de beroepsgroepen samen vaststellen wat voor hen de wetenschappelijke basis is voor hun medisch handelen en welke kwaliteit van zorg de patiënt mag verwachten.

Maatschappelijk is het van groot belang dat de medische professionals, die de snel in omvang toenemende zorg voor patiënten met dementie voor hun rekening nemen, zich goed kunnen verantwoorden voor de inhoud van de zorg die zij bieden. De update van de richtlijn zal verder belangrijk zijn voor realisatie van effectieve en doelmatige zorg. Tevens zal de update van de richtlijn richting geven aan de invulling van De Zorgstandaard Dementie, met name voor wat betreft het deel van de zorg dat geboden wordt door psychiaters, neurologen, klinische geriaters, internisten ouderengeneeskunde en specialisten ouderengeneeskunde.

 

Financiering

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn vormt een handzame leidraad voor de dagelijkse praktijk van zowel eerste- als tweede- en derdelijns medisch professionals in de dementiezorg (resp. huisarts/specialist ouderengeneeskunde, geheugenpolikliniek ziekenhuis/GGZ en Alzheimer centra in academische ziekenhuizen en professionals zoals casemanager en praktijkverpleegkundige). De richtlijn vormt een aanvulling op de NHG standaard dementie. Goede toepassing vraagt naast voldoende specifieke (na- en bij)scholing op dit gebied ook voldoende ervaring in diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met geheugenklachten en dementie van voldoende diverse etiologie. De richtlijn beoogt voor deze artsen een kwaliteitsstandaard vast te stellen voor goede diagnostiek, begeleiding en behandeling en zo de variatie in de kwaliteit van zorg te verminderen. Die variatie zou ook minder moeten worden wat betreft de duur van het traject vanaf de vraag van de patiënt of diens naaste om duidelijkheid (“Wat is er aan de hand?”), tot het moment waarop een diagnose gesteld wordt, omdat dit traject in een aanzienlijk aantal gevallen nog te veel vertraging kent.

  

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de medische beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met dementie.

 

Afbakening

De richtlijn richt zich op het handelen bij de meest voorkomende vormen van dementie. Dit zijn de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie, frontotemporale dementie, dementie van gemengde etiologie, dementie met Lewy bodies en dementie bij de ziekte van Parkinson. Alcohol gerelateerde dementie en zeer zeldzame vormen van dementie zoals AIDS-dementie, dementie bij Huntington, bij infectieziekten en bij neoplasmata etc., vallen buiten dit bestek. De dementie bij jong volwassenen (jonger dan 65 jaar) heeft een specifieke context, waarmee goed rekening moet worden gehouden bij uitvoering van (zorg)diagnostiek, behandeling en begeleiding. Er is echter geen aparte werkwijze te schetsen waar het gaat om de in deze richtlijn behandelde achtergrondvragen. Daarom wordt deze groep verder niet als aparte groep omschreven bij de conclusies en aanbevelingen. Hetzelfde geldt voor de groep ouderen met een dementie en de specifieke context van veel bijkomende ziektelast en het vaak gemengd voorkomen van meerdere neurodegeneratieve beelden. Hier moet bij diagnostiek, classificatie en behandeling goed rekening mee worden gehouden, zonder dat er zoveel bewijs beschikbaar is gebleken, dat een ander antwoord op de achtergrondvragen en dus de globale richtlijntekst te geven is.

 

Naar ernst van cognitieve stoornissen wordt de richtlijn afgebakend aan het begin en het einde van het ziektebeloop. Diagnostiek, behandeling en begeleiding van lichte cognitieve stoornissen (‘Mild cognitive impairment’ of Minor Neurocognitive Disorder volgens de DSM-5) en eindstadia van dementie omvatten een apart kennisdomein, dat vanwege de omvang hier niet wordt meegenomen. In zijn algemeenheid wordt ook hier een werkwijze aanbevolen die patiënt gericht is en gebaseerd wordt op bewijs van diagnostische of therapeutische meerwaarde. Dat zijn ook de uitgangspunten van de aanbevelingen die in deze richtlijn worden gedaan.

In deze richtlijn wordt geen aandacht besteed aan dementie als relevante bijkomende ziekte bij kwetsbare ouderen of patiënten met andere chronische ziekten, wanneer het om diagnostiek en beïnvloeding van de behandeling van die andere ziekten gaat door dementie. Hiervoor zal een addendum bij deze richtlijn worden geschreven  (opdracht gegeven aan NVKG).

Wel wordt een overzicht geboden van een aantal relevante regelingen en procedures, bijvoorbeeld ten aanzien van rijgeschiktheid, wilsbekwaamheid en beslissingen rond het levenseinde. Omdat een aantal zaken op dit gebied onderwerp zijn van maatschappelijke discussie, heeft de werkgroep bewust afgezien van aanbevelingen op specifieke gebieden (bijvoorbeeld over euthanasie en hulp bij zelfdoding bij gevorderde dementie).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2012 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met dementie.

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn.

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Kerngroep

  • Prof. dr. M.G.M. Olde Rikkert, klinisch geriater, Radboud Alzheimer Centrum, UMC St Radboud, Nijmegen
  • Dr. E. van Exel, psychiater, GGZ in Geest, Amsterdam
  • Dr. W. Knol, klinisch geriater en klinisch farmacoloog, UMC Utrecht
  • Dr. A.W. Lemstra, neuroloog, VUmc Alzheimercentrum, Amsterdam
  • Drs. J.H.C.M. Meerveld, Alzheimer Nederland
  • Dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog, St Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg
  • Prof. dr. F.R.J. Verhey, psychiater, Alzheimer Centrum Limburg, Maastricht UMC

 

Klankbordgroep

  • Dr. B.N.M. van Berckel, Nucleair Geneeskundige, VUmc, Amsterdam
  • Prof. dr. M.A. Blankenstein, klinisch chemicus, VUmc, Amsterdam
  • Prof. dr. J. Booij, nucleair geneeskundige, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • Dr. P. Hofman, radioloog, MUMC, Maastricht
  • Drs. M. Hooimeijer, Mezzo Landelijke vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg (tot juli 2012)
  • Drs. L. Kleemans, specialist ouderengeneeskunde/beleidsarts, Geriant, Heerhugowaard
  • Drs. S.L.E. Lambooij, internist ouderengeneeskunde, Maxima Medisch Centrum, Veldhoven
  • Drs. A.W. Lenderink, ziekenhuisapotheker, AllCare4IT
  • Dr. E.P. Moll van Charante, huisarts, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • Dr. M. Perry, huisarts, Arnhem
  • Prof. dr. W.H.M. Ponds, klinisch neuropsycholoog, Universiteit Maastricht
  • Prof. dr. A.M. Pot, ouderenpsycholoog, VUmc Amsterdam
  • Dr. E.C.W. van Straaten, neuroloog, VUmc, Amsterdam
  • R. Verheggen, Mezzo Landelijke vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg (vanaf november 2012)
  • P.J. Verkade Msc, verpleegkundig specialist/casemanager, Geriant, Heerhugowaard
  • Dr. R.B. Wetzels, specialist ouderengeneeskunde/onderzoeker, UMC St Radboud, Nijmegen

 

Met ondersteuning van

  • Dr. M.A. Pols, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • P.H. Broos MSc, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

N.B. De werkgroep, verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de richtlijn, is opgesplitst in een kerngroep en een klankbordgroep. De kerngroep heeft zich gericht op de daadwerkelijke ontwikkeling van de richtlijn en was verantwoordelijk voor het schrijven van de teksten. De klankbordgroep heeft op gezette momenten commentaar op de conceptrichtlijn gegeven.

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Een overzicht hiervan vindt u hieronder.

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Olde Rikkert

Klinisch geriater, hoofd afdeling Geriatrie UMC St Radboud en Hoofd Radboud Alzheimer Centrum

Lid cie. van Deskundigen Kwaliteitszorg VWS (onbetaald)

 Lid EDCON Europese Dementie Consensus consorium (onbetaald)       Lid cie. Wetenschap en Onderwijs NVKG (onbetaald)

 Lid Evaluatie Commissie NPO (onbetaald)

 

 

Voorzitter ISF Alzheimer Nederland (International Scientific Board)

Numico studie naar effecten Souvenaid bij dementie. Namisol studie naar THC bij dementie. CTMM studie naar efficiente biomarkers. Devon onderzoek naar foutloos leren bij MCI

 

 

van Exel

Psychiater (0,5fte)

Onderzoeker (0,5fte)

 

 

 

 

Zie Belangenverstrengeling voor opsomming

 

 

Knol

Klinisch geriater/farmacoloog UMC Utrecht

 

 

 

 

 

 

 

Lemstra

Neuroloog

 

 

 

 

 

Expertise en ontwikkelaar van e-health toepassingen voor patiënten met dementie

 

Roks

Neuroloof St Elisabeth ziekenhuis (1fte) SCEN arts

 

2009-2010 lid wetenschappelijke adviesraad Novartis

 

 

Deelname Lipididiex trial. Trial vanuit Nutricia naar voedingssupplementen bij MCI

 

 

Verheij

Hoogleraar Ouderen en Neuropsychiatrie

 

 

 

 

Lid adviesraad Nutricia/Danone Deelnemer onderzoek Souvenaid

 

 

Meerveld

Hoofd belangenbehartiging en zorgvernieuwing Alzheimer Nederland

Lid begeleidingscie. Monitor woonvormen Dementie (onbetaald)   Lid projectgroep NPO-evaluatie casemanagement Nivel/Trimbos (onbetaald)

 Lid adviescie. Opleiding casemanagement Gerion, VU (onbetaald)

 Docent opleiding Casemanagement Gerion, VU en opleiding Hogeschool Rotterdam (betaald) Lid benoemingscie. Platform integrale dementiezorg (onbetaald) Projectleider Alzheimer Nederland ontwikkeling Zorgstandaard Dementie (betaald)

Partner werkzaam bij Nivel

Partner werkzaam bij Nivel

Belangenbehartiger bij Alzheimer Nederland

 

 

 

van Berckel

Nucleair Geneeskundige (0,8 VUMC, 0,2fte UMCU)

 

 

 

NVT, ben wel binnen de NVNG de meest gekwalificeerde

zie voor lijst blz van de verklaring

Geen conflicten, maar ben wel een van de weinige deskundigen op het gebied van FDG en amyloid imaging bij geheugenkliniek patiënten, daar geef ik cursussen over (tot nu toe gratis, maar gaat wel voor betaald worden in de toekomst)

 

Blankenstein

 

 

 

 

 

 

 

 

Booij

staflid Nucleaire geneeskunde AMX

Consultant GE Healthcare (betaald en onkostenvergoediing)               Consultant Bayer Schering Healthcare (onkostenvergoeding)

 

 

 

Onderzoeksgeld ontvangen van GE Healtcare

 

 

Hofman

Radioloog MUMC

Medische expertise (betaald)

 

 

 

 

 

 

Hooijmeijer

sr. Beleidsmedewerker MEZZO

 

 

 

 

 

 

Lid begeleidingsgroep evaluate casemanagement dementie. Lid platform integrale dementiezorg (ten behoeve van implementatie Zorgstandaard Dementie).

Kleemans

Specialist Ouderengeneeskunde, Sociaalgeriatrisch Beleidsarts Geriant (team Geriant en DOC team)

 

 

 

 

 

 

 

Lambooij

Internist Ouderengeneeskunde, Maxima Medisch Centrum

Cie. lid sectie Ouderengeneeskunde NIV (onbetaald)                            Cie. lid Programmaraad Dementie regio Eindhoven (onbetaald)

 

 

 

 

 

 

Lenderink

 

 

 

 

 

 

 

 

Moll van Charante

staflid/senior onderzoeker afd. Huisartsengeneeskunde AMC (0,8fte)      Huisarts (0,2fte)

Lid cie. Gezondheidsraad (Achtervang basis SEH) onbetaald (vacatiegelden)         Lid werkgroep Herziening NHG standaard Dementie (onbetaald, vacatiegelden)                     NHG Kaderopleiding Huisarts-onderzoeker (onbetaald)

 

 

Onafhankelijk werkgroeplid herziening standaard Dementie

Onderzoek gefinancierd door VWS, ZONMw en Innovatiefonds zorgverzekeraars (voor zover mij bekend hebben deze financiers geen rechststreekse belangen bij de uitkomsten van het onderzoek)

 

 

Perry

 

 

 

 

 

 

 

 

Ponds

Hoogleraar Medische Psychologie, Klinisch Neuropsycholoog, Afdelingshoofd Psychiologie MUMC

 

 

 

 

 

 

 

Pot

 

 

 

 

 

 

 

 

van Straaten

Klinisch Neurofysioloog 0,8fte, waarvan 0,5fte gedetacheerd aan de Danone Research

Examencommissie NVKNF (onbetaald)

 

 

 

Betrokken (onbetaald) bij de analyse van EEG en MEG onderzoeken van een klinische multicenter trial (Souvenir II) die uitgevoerd en betaald wordt door Danone naar de werking van een zuiveldrank met synaptische nutrienten. Wellicht wordt de samenwerking uitgebreid naar andere ziektebeelden en zal ik betrokken worden in de dissiminatie van de resultaten en onderwijs over de analyse methoden.                           Per 1 augustus 2012 als gedetacheerde vanuit VUMC (o,5 fte) betrokken bij de analyse van EEG en MEG onderzoeken van een klinische multicenter trial (Souvenir II) die uitgevoerd en betaald wordt door Danone naar de werking van een zuiveldrank met synaptische nutrienten (Souvenaid) bij de ziekte van Alzheimer. Mogelijk in de toekomst ook bij de analyse van KNF onderzoek naar de werking van Souvenaid bij andere neurologische aandoeningen.

Alhoewel de kans op valorisatie naar mijn idee klein is, zal ik hier toch noemen: betrokken bij ontwikkelen van nieuwe methoden om EEG en MEG met netwerkanalayse te onderzoeken.

 

Verheggen

Programmamanager Mezzo

             

Verkade

Manager DOC team NKN Geriant Heerhugowaard (36 uur)

Voorzitter kerngroep V&VN Netwerk casemanagers dementie (onbetaald)

 

 

Voorzitter kerngroep V&VN Netwerk casemanagers dementie

Lid adviescie. Evaluatieonderzoek casemanagement dementie NIVEL/Trimbos                   Consortiumlid onderzoek 'Shared decisionmaking in zorgnetwerken van ouderen met dementie'                Lectoraat innoveren in de ouderenzorg Windesheim Zwolle. Lid van onderzoeksgroep 'E-health interventie Plezierige activiteiten bij dementie' NIVEL

 

 

Wetzels

Specialist Ouderengeneeskunde SZR-Tiel (0,7fte), Senior-onderzoeker (0,15fte), Docent (0,2fte)

Sporadisch presentatie in het gebruik van meetschalen voor het in kaart brengen van probleemgedrag bij dementie. In opdracht van firma Lundbeck BV Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door drie focusgroep bijeenkomsten met patiënten met dementie en mantelzorgers. Basis hiervoor vormden de resultaten uit de dementiemonitor en een onderzoek naar casemanagement. Daarnaast maakte een vertegenwoordiger van Alzheimer Nederland onderdeel uit van de kerngroep. MEZZO participeerde in de klankbordgroep. Verslagen van de focusgroep bijeenkomsten zijn besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Zowel in het algemene stuk dat een inleiding vormt op diagnostiek als in de inleiding op behandeling zijn de meest relevante items voor patiënten en mantelzorgers opgenomen als reminders voor behandelaars. Het is niet mogelijk en ook niet de bedoeling om alle vragen van de patiënten en mantelzorgers in deze richtlijn te beantwoorden. Op de meeste van deze vragen (zoals de praktische vraag in welk tijdsbestek de diagnostiek van dementie het beste kan plaatsvinden, één dag of juist in meerdere contacten), is immers geen antwoord op grond van wetenschappelijk bewijs mogelijk. Het is wel relevant dat deze vragen worden meegenomen bij het inrichten van lokaal en regionaal beleid. Waar relevant zijn de vragen/aandachtspunten dan ook in de desbetreffende onderdelen van de richtlijn opgenomen. Het verslag van de focusgroepen is hieronder te vinden. De conceptrichtlijn is besproken met medewerkers van Alzheimer Nederland en vergeleken met de wensen en behoeften van de achterban van patiëntvertegenwoordigers. Om de vorm van de richtlijn volgens de handleiding 2.0 vast te houden kunnen wij in deze richtlijn geen aanbevelingen doen die alleen gevoed zijn door expert opinies en patiënt voorkeuren. Waar mogelijk hebben we deze adviezen wel opgenomen in de overwegingen. In algemene zin zullen we het Kennisinstituut van Medisch Specialisten adviseren om het gesprek aan te gaan met patiëntenverenigingen en wetenschappelijke verenigingen om de ruimte te verkennen voor (een prominentere plaats van) aanbevelingen alleen op grond van expert opinie en/of patiënt voorkeuren.

 

Verslagen focusgroepen

 

Inleiding

Er hebben, in samenwerking met Alzheimer Nederland, twee focusgroepbijeenkomsten plaatsgevonden. De eerste bijeenkomst vond plaats op 22 juni 2012 in Bunnik en was met patiënten met dementie en mantelzorgers. De tweede bijeenkomst was op 3 juli 2012 in Amsterdam met mantelzorgers. Hieronder staan de samenvattingen van de focusgroepen, gerangschikt per onderwerp.

 

Diagnose

1e focusgroep:

snelheid in het handelen van de arts (doorverwijzen, serieus nemen van klachten), sociale vaardigheden, luisteren naar de adviezen van de mantelzorger, bij jongere mensen extra alert zijn (het spoor van burnout, depressie kan misleidend zijn), diagnose in één dag.

 

2e focusgroep:

Het stellen van een diagnose is vaak een langdurig proces. Er is ook aandacht nodig voor de follow-up indien niet de diagnose dementie wordt gesteld. De mantelzorgers geven aan dat bejegening van de patiënten en mantelzorgers beter kan. Diagnostiek op één dag kan goed, mits de patiënt en mantelzorger goed worden voorbereid van tevoren (inlichten wat er gaat gebeuren). Bij sommige (hoogopgeleide) patiënten is dit zelfs beter, omdat het lastig is om een ‘façade’ een dag vol te houden. Zorg er wel voor dat de uitslag van diagnostische testen niet telefonisch wordt gegeven, maar mondeling in aanwezigheid van een mantelzorger.

 

Diagnostisch onderzoek

1e focusgroep:

per patiënt kunnen aangeven wat voor patiënt haalbaar is: of tests hele dag of in stukjes, net wat men aankan. Tests uitvoeren als onderdeel van een gesprek, dit maakt het minder confronterend. Testvragen op de persoon toespitsen(intelligentie/ontwikkeling/fase van dementie), testen zijn namelijk erg confronterend voor patiënten zeker als hun eigenwaarde door de ziekte al in het geding is.

 

Begeleiding en behandeling

1e focusgroep:

Behandeling: arts moet overleg plegen met patiënt en mantelzorger voordat medicijnbeleid wordt gewijzigd. Mantelzorger zou hierin geraadpleegd worden.

Wijzigen van medicatie/stoppen van consulten geven veel onzekerheid, daarom moet arts dit goed doorspreken. Arts moet bijdrage leveren aan eigenwaarde van de persoon met dementie door hem/haar aan te spreken, uitleg te geven over de inhoud van het consult. Separaat gesprek met mantelzorger is noodzakelijk (in verband met loyaliteit aan partner). Specialisten moeten meer met elkaar overleggen, doorgaan op elkaars beleid, want nu gaat het ten koste van de patiënt.

Andere behandeling: dagbehandeling is zowel voor patiënt als mantelzorger goed. Er moet beter ingespeeld worden op de situatie als patiënten niet naar dagbehandeling willen, goede begeleiding, maar ook dagbehandeling meer op maat maken.

 

2e focusgroep:

In de behandeling en begeleiding van mensen met dementie en mantelzorgers is de benadering door artsen en andere zorgverleners erg belangrijk en men verwacht aandacht, duidelijkheid en empathie ‘want het verdriet is zo groot’. Men is erg te spreken over de begeleiding van de casemanager en ziet veel in niet-medicamenteuze behandelingen zoals aangeboden op de dagopvang en beweging. De ervaringen met medicatie zijn wisselend. Ervaringen met niet-medicamenteuze behandelingen (zoals bewegen en muziektherapie) zijn positief. Neem ook de belasting van de mantelzorgers als uitkomstmaat mee.

 

Organisatie van zorg

1e focusgroep:

het aanbieden van dagbehandeling is erg belangrijk voor patiënt en mantelzorger, maar ook de toegeleiding ernaartoe (weerstand) en beoordelen of het programma passend is bij de persoon.

Een verzorger/vrijwilliger aan huis is een ideale oplossing maar lukt niet altijd vanwege weerstand van de patiënt.

Tijdelijke logeerplekken zijn erg belangrijk om het vol te kunnen houden en bij ziekte van mantelzorger.

Patiënten/mantelzorgers vinden structurele belangstelling van de arts een voorwaarde voor goede zorg en als steun in de rug. Maar ook dat de arts bij een consult voor een ander probleem dan de dementie toch naar de situatie hierover vraagt. Als persoon is dit wenselijk maar ook vanuit zijn professionele attitude bij deze progressieve ziekte.

 

Beslissingen over het levenseinde/ Wilsverklaring /rijgeschiktheid

1e focusgroep:

Met betrekking tot beslissingen over het levenseinde: bespreken van wensen ten aanzien van het levenseinde op het moment dat het behandelplan (net na diagnose) wordt besproken, rekening houdend met de tegenstrijdige gevoelens die hierover bestaan (rouwproces, ontkenning van de ziekte, strijd om te overleven). Naast het tijdpad van het gesprek (zie behandeling) dus ook het tijdpad van het proces van de ziekte aan de orde stellen.

Het is noodzakelijk dat het diagnosegesprek en behandelgesprek gescheiden worden omdat het twee ingrijpende gesprekken zijn.

Met betrekking tot rijgeschiktheid: wees duidelijk als arts, neem een beslissing en deel dit duidelijk mede. En luister naar de ervaringen van de partner. Adviseer iemand een rijles te nemen ter controle.

 

2e focusgroep:

Bespreek een wilsverklaring in een vroeg stadium en betrek hier de mantelzorgers bij. Let erop dat een wilsverklaring ook kan veranderen. Geef praktische tips zodat bepaalde zaken nog geregeld kunnen worden, omdat de patiënt nog wilsbekwaam is.

 

Overige

1e focusgroep:

Opname in Ziekenhuis. Altijd navraag doen bij dementie door artsen in ziekenhuis en behandeling hierop afstemmen.[1]

 


[1] Zie ook: klantpreferenties dementie geheugenpolikliniek en opname ziekenhuis (Zichtbare Zorg 2010).

 

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Voor een beperkt aantal aanbevelingen, namelijk die waarvan de maatschappelijke impact door de kerngroep als groot werd ingeschat, is een doorrekening van de gewijzigde kosten bij integrale implementatie van de richtlijn gerealiseerd in de een zogenaamde Budget Impact Analyse (BIA). Module ‘Budgetimpactanalyse’ bevat een korte samenvatting van de BIA. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage ‘Rapportage budget impact analyse’.

 

De richtlijn wordt opgenomen in de richtlijnendatabase waarmee hij beschikbaar is voor alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de Kwaliteitskoepel en websites van betrokken wetenschappelijke verenigingen.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport ‘Richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn in een invitational conference knelpunten besproken waarbij, naast de partijen in de werkgroep, aanwezig waren de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP), Nefarma, Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) en zorgverzekeraar VGZ. Een verslag hiervan staat online, maar deze staat echter niet in het menu van de aanverwanten. Onderaan deze sectie staat een kopie van het verslag.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn vervolgens verder uitgewerkt door de leden van de kerngroep en tijdens de werkgroepvergadering vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als cruciaal, belangrijk en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt is.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de kolom ‘Beoordeling kwaliteit studie’ van een evidencetabel.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/) (Atkins et al, 2004).

 

B) Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

Bij dit type vraagstelling kan GRADE (nog) niet gebruikt worden. De bewijskracht van de conclusie is bepaald volgens de gebruikelijke EBRO-methode (van Everdingen et al, 2004).

 

Formuleren van de conclusies

Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusie(s), waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven. Omwille van de homogeniteit is het niveau van bewijs voor alle conclusies weergegeven als hoog/matig/laag/zeer laag, waarbij EBRO niveau 1 is vertaald naar hoog, 2 naar matig, 3 naar laag en 4 naar zeer laag.

 

Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar een of meer artikelen, maar wordt getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence). Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op van elke interventie. Bij het opmaken van de balans werden door de werkgroep de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen.

 

Wanneer er voor een uitgangsvraag geen systematisch literatuuronderzoek werd verricht, is de literatuur niet beoordeeld op kwaliteit en is de kracht van het bewijs niet bepaald.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen.

Zoals voorgesteld in Richtlijnen 2.0 zijn de aanbevelingen uit deze richtlijnen ook genormeerd. Bij deze normering zijn de volgende uitgangspunten gebruikt:

  • veiligheidsnorm: het niet volgen van deze aanbeveling leidt mogelijk tot een veiligheidsrisico;
  • minimumnorm: beschrijving van minimale eisen, als er ook een betere (optimum)variant mogelijk is. Een minimumnorm wordt dus enkel gesteld in aanwezigheid van een optimumnorm/streefnorm;
  • streefnorm: beschrijft het gewenste niveau van zorg bij volledige implementatie van de richtlijn. Omdat deze norm vaak (nog) niet overal is gerealiseerd wordt een streefnorm aangeduid met een implementatietermijn.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werd gekeken naar de indicatoren die al voorhanden zijn in het veld op het gebied van dementie. Er werd op basis van consensus een bijlage geschreven over implementatie en gebruik van indicatoren (bijlage 6). Vanwege het grote aantal indicatoren op het gebied van dementie werd bewust afgezien van ontwikkeling van nieuwe indicatoren.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

 

Verslag invitational conference

Datum:                donderdag 6 oktober 2011

Tijd:                     18.30-21.00 uur

Locatie:                Catharina Ziekenhuis te Eindhoven

 

Aanwezig: Alzheimer Nederland, KNMP, Nederlands Kenniscentrum Ouderenpsychiatrie (TRIMBOS), Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde, Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie, Nederlandse Vereniging voor Klinische Neurofysiologie, Nederlandse Vereniging voor Neurologie, Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde, Nederlandse Vereniging voor Radiologie, Nefarma, Nederlandse Internisten Vereniging, Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, VGZ, Verenso.

 

Korte schets van het richtlijnproces

Eind september is er een subsidieaanvraag ingediend bij de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) voor een update van de Richtlijn Dementie. Deze is ingediend door drie wetenschappelijke verenigingen; Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG), Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Rond half november krijgen we hier uitsluitsel over, waarna de werkgroep zal starten. Het ontwikkelen van de richtlijn zal ongeveer twee jaar in beslag nemen en wordt hierbij ondersteund door de Orde van Medisch Specialisten (OMS). Het doel van deze invitational conference is om te kijken waar de knelpunten in het veld liggen en of er nog witte vlekken bestaan ten opzichte van de voorgestelde opzet (zie ook voorbereidende stuk). Tijdens de invitational conference hebben de leden van de kerngroep een korte presentatie gehouden over de vier hoofdonderwerpen waarop een korte discussie volgde waarbij de deelnemers aanvullingen konden geven. Hieronder een korte weergave van de aangedragen punten.

 

Aanvullende criteria

    • aandacht voor scheiding research en klinische criteria, diagnostiek 80+, 85+ met comorbiditeit, frail elderly, zorgdiagnostiek versus ziektediagnostiek, alcoholdementie meenemen.
    • dient de richtlijn ook een uitspraak doen over preventie van dementie? Door toenemende aantal (jonge) mensen met obesitas, zal het aantal patiënten met dementie in de toekomst waarschijnlijk ook toenemen. De richtlijn kan een uitspraak doen over het belang van preventie (leefstijl, sporten, gezonde voeding, ophogen pensioenleeftijd, etc.).
    • naast de farmaceutische industrie is het wellicht ook handig om technologische bedrijven (bijvoorbeeld ASML) bij de richtlijn te betrekken.
    • twijfel of MCI in de richtlijn moet worden meegenomen. MCI is geen diagnose, maar waardering van een symptoom.
    • hoe vroeg wil je Alzheimer/dementie vaststellen en wanneer wil je dit meedelen aan de patiënt?
    • is een etiologische diagnose wel altijd nodig? Moeten we hier niet juist een stap terugdoen?
    • nosologische diagnose: zin tussen onderscheid jong en oud dementerende. Wel informeren over verloop; zeker op jonge leeftijd.
    • moet je wel onderscheiden op leeftijd of juist op toestand (hoe lang heeft iemand nog)?

 

Aanvullend onderzoek

    • centrale vraag is: ‘wat doe je wanneer waar bij welke patiënt?’ Er is veel vooruitgang geboekt binnen de diagnostiek, maar een biomarker vaststellen heeft alleen toegevoegde waarde als je hier iets meer kan zoals bijvoorbeeld de zorgbehoefte in de toekomst vast te stellen. Hoe ga je om met afwijkende waarden bij een patiënt die nog niet klinisch dement is? Hier dient de richtlijn ook iets over te zeggen. In het buitenland speelt de discussie over injury markers al;
    • PET: niet overal beschikbaar (of niet iedereen kan een PET-scan goed uitvoeren) à verwijs naar een instituut met veel ervaring, kostbaar. In de Verenigde Staten wordt FDG-PET wel vergoed;
    • diagnostiek kan ook ingezet worden als monitor van de progressie van de ziekte;
    • screeningstesten: allochtonen/hoog niveau;
    • er dient bij de anamnese ook gekeken te worden naar medicatie die dementie-achtige verschijnselen kunnen veroorzaken. Hier zouden de apothekers een rol in kunnen spelen;
    • lichamelijk/psychologisch onderzoek is vaak een ondergeschoven kindje. Aandacht hiervoor in de richtlijn is wenselijk. In de praktijk gebeurt er veel bed-sideonderzoek. Ook graag aandacht hiervoor;
    • kijk bij diagnostiek niet alleen naar de klinische uitkomstwaarden, maar ook naar andere overwegingen. Een CT kan bijvoorbeeld veel sneller worden gedaan dan een MRI, waarvoor een oudere patiënt veel langer voor stil moet liggen;
    • bespreek bij de diagnose ook de rijgeschiktheid;
    • shared-decision-making: wanneer starten met de diagnostiek. Geef patiënten hier ook een stem in.

 

Behandeling

    • neem bij psychosociale interventies ook de vergevorderde fase van dementie mee;
    • einde van leven beleid àpalliatieve zorg dementie (zie ook white paper van EU en richtlijn van psychologen). Bespreek ook de wilsverklaring. KNMG heeft ook handreiking gemaakt over het bespreekbaar maken van Tijdig praten over het overlijden;
    • duidelijke criteria zijn wenselijk voor wanneer je begint met een behandeling, maar ook wanneer je ermee eindigt;
    • besteed ook aandacht aan interventies thuiswonende patiënten (incl. mantelzorgers).

 

Overige

    • Alzheimer Nederland heeft een korte presentatie gehouden over de Zorgstandaard Dementie. Deze zal in het voorjaar van 2012 gereed zijn. Belangrijk om goed af te stemmen tussen de Richtlijn Dementie en de zorgstandaard, zodat ze bij elkaar aansluiten. In de zorgstandaard zijn blokken opgenomen waar de richtlijn invullen aan zal geven. Verder wordt als opmerkingen gegeven dat de indicatoren in de zorgstandaard lastig werkbaar zijn in de praktijk. Door Alzheimer Nederland wordt aangegeven dat bij veel mensen de diagnose nog niet is vastgesteld. Zou je deze groep actief op moeten sporen? Alleen als je de kwaliteit van leven kan verbeteren door eerder te starten met de behandeling. Opgemerkt wordt nog dat een hulpvraag ook uit omgeving van patiënt kan komen;
    • de NHG-standaard Dementie is nog in ontwikkeling. Hier zal ook te zijner tijd mee worden afgestemd, zodat de richtlijnen naadloos op elkaar aansluiten.

 

Dit verslag zal worden aanboden aan alle uitgenodigde partijen. Ook de (concept)richtlijn zal later in het proces voor commentaar worden aangeboden aan deze partijen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.