COVID-19

Initiatief: NVOG Aantal modules: 51

Zwangerschap, bevalling en kraambed

Waar gaat deze richtlijnmodule over?

Binnen deze module worden aanbevelingen gedaan over het niet-farmacologische beleid, inclusief informatieverstrekking, voor zwangere vrouwen en kraamvrouwen met COVID-19 ten aanzien van:

  1. Het risico van zwangerschapscomplicaties bij COVID-19 of SARS-CoV-2 infectie.
  2. Het risico van COVID-19 bij een zwangere vrouw.
  3. Het risico van complicaties bij de geboorte door infectie met SARS-CoV-2.
  4. Het beleid bij PPROM bij zwangere vrouwen met COVID-19.
  5. Preventie van besmetting van de pasgeborene door de moeder wanneer zij COVID-19 heeft of SARS-CoV-2 positief is.

 

COVID-19 is de ziekte veroorzaakt door besmetting met het SARS-CoV-2 virus.

Voor farmacologisch beleid bij zwangere vrouwen wordt verwezen naar https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/covid-19/behandeling.html.

 

Deze richtlijnmodule behandelt niet de adviezen over vaccinatie tegen COVID-19. Hiervoor wordt verwezen naar het eveneens door deze werkgroep opgestelde standpunt ‘Vaccinatie tegen COVID-19 rondom zwangerschap en kraambed’ en naar de meest recente versie van de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie tijdens de zwangerschap van het RIVM (https://lci.rivm.nl/richtlijnen/covid-19-vaccinatie#4-covid-19-vaccinatie-tijdens-de-zwangerschap).

 

De aanbevelingen in deze module zijn gebaseerd op data verkregen tijdens de pandemie met de Alfa- en Bèta-variant van SARS-CoV-2. Mogelijk hebben de Delta- en Omikronvariant (en opvolgende varianten) andere risico’s voor zwangere vrouwen, ongeborenen en kraamvrouwen.

 

Voor wie is deze richtlijnmodule bedoeld?

Deze richtlijnmodule is ontwikkeld voor alle leden van beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor zwangere en pas bevallen vrouwen, met of zonder COVID-19.

 

Informatie voor patiënten en naasten

Er is nog veel onzeker over het risico van COVID-19 voor zwangere vrouwen. Het lijkt erop dat sommige zwangerschapscomplicaties vaker voorkomen bij vrouwen die COVID-19 doormaken tijdens de zwangerschap, en dat met name in de tweede helft van de zwangerschap het risico om ademhalingsproblemen te krijgen groter is dan bij niet-zwangere vrouwen. Het is belangrijk dat vrouwen goed geïnformeerd worden over de risico’s.

 

Zie ook de informatie op Thuisarts.nl: https://www.thuisarts.nl/corona/ik-ben-zwanger-en-heb-misschien-corona

 

Hoe is deze richtlijnmodule tot stand gekomen?

Deze module is in 2021 ontwikkeld op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). De module is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de gynaecologen, verloskundigen, kinderartsen, anesthesiologen, medisch microbiologen, deskundigen infectiepreventie, en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Ook hebben patiëntvertegenwoordigers van de Patiëntenfederatie aan deze module meegewerkt.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 22-03-2022

Laatst geautoriseerd  : 22-03-2022

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2020 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor zwangere vrouwen, al dan niet met COVID-19, en hun pasgeboren baby.

 

Werkgroep

  • Dr. J.J. Duvekot, gynaecoloog-perinatoloog, werkzaam in het Erasmus MC te Rotterdam, NVOG (voorzitter)
  • Dr. E. van Leeuwen, gynaecoloog-perinatoloog werkzaam in het Amsterdam UMC te Amsterdam, NVOG
  • Dr. S. David, senior beleidsadviseur werkzaam bij het RIVM Centrum infectieziekten bestrijding (Cib) te Bilthoven, RIVM
  • Drs. H. Bart, senior adviseur patiëntenbelang, werkzaam bij de Patiëntenfederatie Nederland te Utrecht, Patiëntenfederatie
  • Dr. A.E. Hitzerd, AIOS obstetrie en gynaecologie, werkzaam in het Erasmus MC te Rotterdam, NVOG
  • Dr. M. van Westreenen, arts-microbioloog, afdeling Microbiologie en infectieziekten, werkzaam in het Erasmus MC te Rotterdam, NVMM
  • Drs. J.H. Mooij, adviseur patiëntenbelangen, werkzaam bij de Patiëntenfederatie Nederland te Utrecht, Patiëntenfederatie
  • Prof. dr. C. Verhoeven, onderzoeker Verloskundige Wetenschap, werkzaam bij het Amsterdam UMC te Amsterdam, KNOV
  • Prof. Dr. K.W.M. Bloemenkamp, Hoogleraar Verloskunde, afdeling Verloskunde, WKZ geboortecentrum, Divisie Vrouw en Baby, UMC Utrecht, NVOG
  • Dr. C. van den Berg, AIOS obstetrie en gynaecologie, werkzaam bij het Erasmus MC te Rotterdam, NVOG
  • Drs. P. Houtman, deskundige infectiepreventie, werkzaam bij het Spaarne Gasthuis te Haarlem, VHIG
  • Dr. I. Beenakkers, anesthesioloog, werkzaam in het UMC Utrecht locatie Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht, NVA
  • Dr. T. van den Berg, anesthesioloog, werkzaam in het Amsterdam UMC te Amsterdam, NVA
  • Dr. J. Visser, gynaecoloog en medisch manager, werkzaam in het Amphia ziekenhuis te Breda, NVOG
  • Dr. R. Kornelisse, kinderarts-neonatoloog, werkzaam in het Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam, NVK
  • Drs. N. van der Laan, verloskundige, werkzaam bij verloskundigenpraktijk de Bakermat te Wageningen, KNOV.

 

Met ondersteuning van

  • Dr. J.H. van der Lee, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. M. van Son, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Duvekot

Gynaecoloog-Perinatoloog fulltime, Erasmus MC

Directeur Medisch Advies en Expertise Bureau Duvekot, betaald, parttime

Geen

Geen restrictie

Van Leeuwen

Gynaecoloog-Perinatoloog AmsterdamUMC locatie AMC (0,68 fte)

Bestuurder Stichting Prenatale Screening Amsterdam en Omstreken (SPSAO) (0,22 fte)

Secretaris Werkgroep Foetale Echoscopie NVOG (onbetaald)

Bestuurslid Werkgroep Infectieziekten NVOG (onbetaald)

Geen

Geen restrictie

David

RIVM Centrum Infectieziekten bestrijding (Cib)

Geen

Geen

Geen restrictie

Bart

Senior adviseur patientenbelang bij de Patientenfederatie Nederland (24 uur p.w.) en beleidsmedewerker uitkomstgerichte zorg bij de Nierpatientenvereniging Nederland (8 uur p.w.)

Geen

Geen

Geen restrictie

Hitzerd

AIOS Obstetrie en Gynaecologie, Erasmus MC, Rotterdam

Geen

Geen

Geen restrictie

Van Westreenen

Arts microbioloog, afdeling Microbiologie en infectieziekten, ErasmusMC Rotterdam

arts-microbioloog STAR-SHL (betaald)

Geen

Geen restrictie

Mooij

Adviseur patientenbelangen

Geen

Geen

Geen restrictie

Verhoeven

Onderzoeker, afdeling Verloskundige Wetenschap Amsterdam UMC (0.8fte)

Hoogleraar Verloskunde, Department of Midwifery, School of Health Sciences, Nottingham, VK (0,2fte)

Verloskundige (Máxima Medisch Centrum, Veldhoven)

Commissie Buitenslands Gediplomeerden Verloskundigen (betaald)

Expert werkgroep Herijking VIL, CPZ

Examencommissie EBPiHC, AMC-UvA

Geen

Geen restrictie

Bloemenkamp

Hoogleraar Verloskunde, afdeling Verloskunde, WKZ geboortecentrum, Divisie Vrouw en Baby, UMC Utrecht

Voorzitter NVOG Audit commissie moedersterfte en maternale morbiditeit (AMSM); onbetaald

 

Voorzitter Nethoss (Netherlands Obstetric Surveillance systems) nationale registratie of maternale sterfte, morbiditeit en zeldzame aandoeningen: onbetaald

 

Voorzitter INOSS (International Obstetric Survey Systems): onbetaald

Principal investigator. INOSS COVID-19 in Pregnancy. Consignproject, EMA subsidie

 

Lid advisory committee SPOT impact study. Improving care for women with pre-eclampsia in Ghana; onbetaald

 

Consultant/expert Obstetrics / perinatal epidemiology WHO taskforces and working groups on maternal health (maternal mortality, maternal sepsis, Postpartum Hemorrhage); vergoeding voor reis en verblijfkosten

 

Evaluatie (ontstaan van) samenwerking in verloskundige samenwerkingsverbanden. Kwalitatief onderzoek naar de huidige stand van zaken en ontwikkelingen op terrein van samenwerking en netwerkvorming. Berenschot consultancy group. Betaald

 

Getuige-deskundige voor recht bank, letselschade. Betaald

 

Expert obstetrics in meeting van Pharmaceutical companies ie CLS Behring EU advisory Board on the Challenges in the current management of postpartum hemorrhage,

Ferring, prevention of postpartum hemorrhage. Reis en verblijfkostenvergoeding

 

 

LId NVOG Hector Treub Society. Biannual awards for person who greatly contributes to psychosocial aspects of obstetrics and gynecology or any other work in the light of Prof Hector Treub’s legacy (born 1856, former Professor Obstetrics in Leiden, the Netherlands); onbetaald

 

Lid wetenschappelijke adviescommissie Bioneedle; onbetaald

Geen

Geen restrictie

C. van den Berg

Aios gynaecologie Erasmus MC, momenteel gedetacheerd in Albert Schweitzerziekenhuis

Geen

Geen

Geen restrictie

Houtman

Deskundige infectiepreventie, Spaarne Gasthuis

Geen

Geen

Geen restrictie

Beenakkers

Anesthestioloog, UMCU, locatie Wilhelmina Kinderziekenhuis

Diverse commissies en werkgroepen die obstetrisch anesthesiologisch gerelateerd zijn.

Deze zijn alle onbetaald, met uitzondering van vacatiegelden voor voorzitterschap keuzehulp pijnbehandeling tijdens de bevalling

Geen

Geen restrictie

T. van den Berg

Anesthesioloog, Amsterdam UMC

Voorzitter Commissie Kwaliteitsdocumenten NVA - onbetaald

Lid adviescommissie richtlijnen FMS - onbetaald

Lid beoordelingscommissie SKMS - onkostenvergoeding

Geen

Geen restrictie

Visser

gynaecoloog en medisch manager Amphia ziekenhuis Breda

werkzaam als gynaecoloog en medisch manager in het amphia ziekenhuis te Breda. Dit is een betaalde functie.

Geen

Geen restrictie

Kornelisse

Kinderarts-neonatoloog, Erasmus MC-Sophia

Bestuurslid sectie Neonatologie (onbetaald) NVK

Bestuurslid perined (betaald)

klankbordgroep LNR (onbetaald)

commissie herregistratie PCSO (onbetaald)

expertgroep "Eenheid van Taal" (betaald)

Geen

Geen restrictie

Van der Laan

Verloskundige, eerste lijn

KNOV werkgroeplid Corona, Anticonceptie, Kwaliteit en Wetenschap

KNOV lid klankbordgroep VIL

allen betaald tegen vacatiegelden

Geen

Geen restrictie

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door deelname van een vertegenwoordiger van de Patiëntenfederatie aan de werkgroep.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de COVID-19 pandemie zijn knelpunten op verschillende manieren geïnventariseerd:

  1. De expertiseteams benoemde de knelpunten in de zorg voor patiënten met COVID-19.
  2. Er is een mailadres geopend (covid19@demedischspecialist.nl) waar verschillende partijen knelpunten konden aandragen, die vervolgens door de expertiseteams geprioriteerd werden.
  3. Door de Federatie van Medisch Specialisten zijn Webinars georganiseerd waarbij vragen konden worden ingestuurd. Deze vragen zijn na afloop van de Webinars voorgelegd aan de expertiseteams en geprioriteerd.

 

Op basis van de uitkomsten van de bovenstaande knelpuntenanalyses zijn door de expertiseteams concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello, 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE-gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Organisatie van zorg

Bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënten)organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593.

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016.

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089.

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42.

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html.

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Langdurige klachten en revalidatie na COVID-19