COVID-19

Initiatief: Verenso / VRA Aantal modules: 59

Meetinstrumenten binnen de MSR/GRZ

Uitgangsvraag

Welke domeinen moeten in kaart gebracht worden voor de evaluatie van de gezondheidsstatus van patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt en behandeld worden binnen de medisch specialistische revalidatie (MSR) of geriatrische revalidatiezorg (GRZ)? En welke meetinstrumenten en/of vragenlijsten zouden hiervoor gebruikt kunnen worden?

Aanbeveling

Breng de domeinen zoals beschreven in tabel 1 in kaart om de gezondheidsstatus van patiënten met COVID-19 binnen de medisch specialistische revalidatie of geriatrische revalidatiezorg te evalueren.

 

Gebruik hierbij gestandaardiseerde en gevalideerde vragenlijsten en meetinstrumenten. Voorbeelden zijn hier gepresenteerd, dit betreft geen uitputtende opsomming.

 

Houd bij de keuze voor vragenlijsten en meetinstrumenten rekening met:

  • Het individueel in kaart brengen van patiënten in voor de patiënt relevante domeinen.
  • De (fysieke en mentale) belastbaarheid van patiënten.
  • Het minimaliseren van redundantie in meetinstrumenten.

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs

Er zijn geen systematische reviews gevonden waarin de psychometrische eigenschappen zijn onderzocht van meetinstrumenten waarmee eventueel de gezondheidsstatus van patiënten in kaart zou kunnen worden gebracht. Daarnaast zijn er geen internationale richtlijnen of publicaties gevonden waarin specifieke klinimetriesets voor deze groep patiënten zijn vergeleken.

 

Gezien het grillige en onvoorspelbare beloop en de soms lange periode van herstel bij COVID-19, pleit de werkgroep voor een integrale benadering van de patiënt. Hierbij is niet alleen het somatisch functioneren belangrijk, maar ook de psychische, cognitieve en sociale aspecten. Vanwege de afwezigheid van literatuur, kiest de werkgroep ervoor om aanbevelingen te formuleren over welke domeinen gemeten zouden moeten worden, en niet om strikt een set meetinstrumenten voor te schrijven. Er worden wel voorbeelden gegeven van meetinstrumenten die gebruikt zouden kunnen worden in de praktijk.

 

De werkgroep raadt aan om de domeinen zoals beschreven in Tabel 1 in kaart te brengen.

 

Voor het bepalen van de domeinen zijn we uitgegaan van de verschillende domeinen die in generalistische beroepsgroepen gebruikt worden (NVKG, 2010; Verenso 2020; VRA 2020). Het patroon en de diversiteit van de klachten en functiestoornissen die internationaal uitgebreid beschreven zijn tijdens het beloop van het herstel na COVID-19 (Lopez-Leon, 2021) zijn leidend geweest bij de keuze van de relevante domeinen. Als methode voor het indelen van de verschillende domeinen is de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) gebruikt (WHO, 2001). Het ICF-model bestaat uit een raamwerk van classificaties die tezamen een gestandaardiseerd begrippenkader vormen voor het beschrijven van het menselijk functioneren en de problemen die daarin kunnen optreden. In dit model wordt het functioneren van de patiënt beschreven vanuit verschillende perspectieven (zoals anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie).

 

Tabel 1 Domeinen die in kaart gebracht moeten worden bij patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt.

Domein

Perspectief

Items

Sub-items

Functies en anatomische eigenschappen

Hierbij gaat het om het perspectief van het menselijk organisme (orgaansystemen).

  • Mentale functies en anatomische eigenschappen

 

Algemene mentale functies (moeheid)

Specifieke mentale functies (cognitie)

Specifieke mentale functies (stemming)

Specifieke mentale functies (post-traumatische stress)*

  • Zenuwstelsel:
    • Sensorische functie en (neuropatische) pijn
    • Tremoren

Pijn

  • Slik, spraak- en stemfuncties

Specifieke orofaryngeale functies als tongkracht, larynxheffing, slikreflex en algemene mondmotoriek

  • Functies gerelateerd aan het hart- en bloedvatenstelsel, hematologisch, afweer en ademhalingsstelsel

Ademhaling, functies van ademhalingsspieren

Andere functies en gewaarwordingen van hart, bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel (dyspnoe, inspanningstolerantie)

  • Functies gerelateerd aan spijsvertering, metabool- en hormoonstelsel.

Functies van spijsverteringsstelsel, screening voedingstoestand

Lichaamssamenstelling (vetvrije massa)

  • Functies gerelateerd aan bewegingssysteem

Spierfuncties

Activiteiten en participatie

Dit betreft het perspectief van het menselijk handelen en de mate van als deelnemer aan het maatschappelijke leven.

  • Leren en toepassen van kennis

Leren en toepassen van kennis

  • Algemene taken en eisen

 

Gedrag objectief

Gedrag subjectief

Ondernemen van taken en omgaan met stress

  • Communicatie

Begrijpen, zich uiten

  • Mobiliteit

Lopen, zich verplaatsen, manipuleren

  • Zelfverzorging

Algemene dagelijkse levensverrichtingen

  • Huishoudelijke taken

Huishouden, bijvoorbeeld het bereiden van maaltijden.

  • Tussenmenselijke interacties en relaties

Mantelzorgbelasting

  • Belangrijke levensgebieden

Opleiding, beroep.

  • Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven

Sociaal functioneren

Externe factoren

 

Externe factoren bevatten de fysieke en sociale omgeving waarin mensen leven, deze factoren kunnen een positieve of negatieve invloed hebben op alle componenten van het functioneren en de problemen daarmee.

  • Producten en technologie, natuurlijke omgeving, ondersteuning en relaties, attitudes, diensten/systemen en beleid

 

Persoonlijke factoren

 

Persoonlijke factoren betreffen de individuele achtergrond van het leven van een individu en bestaan uit kenmerken van het individu die géén deel uitmaken van de functionele gezondheidstoestand.

  • Acceptatie
  • Levensstijl

 

Acceptatie en verwerking beperkingen dagelijks leven (bijvoorbeeld ontkenning, verzet, verdriet, acceptatie)

  • Algemene tevredenheid

Algemene tevredenheid

  • Copingstijl

Reacties op stress of een probleem

  • Zelfeffectiviteit

Vertrouwen in eigen bekwaamheid/oplossend vermogen

Als methode voor het indelen van de verschillende domeinen is de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) gebruikt (WHO, 2001).

 

In de bijlage van deze module doet de werkgroep een aantal suggesties voor gevalideerde meetinstrumenten en vragenlijsten waarmee deze domeinen in kaart kunnen worden gebracht tijdens het intake-assessment, het beoordelen van de voortuitgang van revalidatie en bij de overdracht naar huisarts of andere instelling. Hoewel geen van deze vragenlijsten specifiek gevalideerd zijn voor patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt en behandeld worden binnen de medisch specialistische revalidatie (MSR) of geriatrische revalidatiezorg (GRZ), zijn er op het eerste gezicht geen concrete redenen dat ze niet geschikt zouden zijn bij deze patiëntengroep. Veel van deze meetinstrumenten worden reeds breed gebruikt binnen de MSR en GRZ en het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) is hier vaak op ingericht. Hoewel er variatie is tussen meetinstrumenten, is de (tijds)belasting van de individuele meetinstrumenten redelijk beperkt, zijn de resultaten/eindscores eenduidig te interpreteren en zijn er veelal normwaarden beschikbaar.

 

Zoals uit de bijlage blijkt, zijn er voor de meeste domeinen meerdere opties beschikbaar. Bij de samenstelling van de set meetinstrumenten is het belangrijk om rekening te houden met de volgende punten:

  • Als een meetinstrument gebruikt wordt om te monitoren hoe iemand op een behandeling reageert, moeten er per individu relevante domeinen geïdentificeerd worden. Als testen te intensief blijkt kunnen observaties van het dagelijks handelen (het liefst in de eigen context) gebruikt worden als screening en dynamisch meetinstrument waar interventies op gebaseerd kunnen worden.
  • Houd rekening met de individuele (fysieke en mentale) belastbaarheid van de patiënt en eventueel aanwezige vertraagde reactie op overbelasting.
  • Bij de ontwikkeling van een set meetinstrumenten kan het samenvoegen van domeinen leiden tot redundantie (overtolligheid/ overbodigheid), waardoor een vragenlijst onnodig veel te lang wordt en weinig verschillende aspecten meet.

 

Mochten er andere meetinstrumenten niet in de lijst gerapporteerd staan maar wel geschikt lijken, dan is het belangrijk dat de psychometrische eigenschappen (validiteit, betrouwbaarheid en responsiviteit) in acht genomen wordt voordat de meetinstrumenten in de praktijk gebruik worden.

 

Voorbeelden van vragenlijsten die domein overstijgend ingezet kunnen worden zijn de Nijmegen Clinical Screening Instrument (NCSI) en de Utrechtse Schaal voor de Evaluatie van Klinische Revalidatie (USER). Het NCSI is een samengestelde set van (onderdelen van) bestaande gevalideerde vragenlijsten en brengt integrale gezondheidstoestand in kaart (Peters, 2009). De USER is een meetinstrument om het resultaat van de klinische revalidatie te meten, waarbij wordt gemeten hoe zelfredzaam iemand is op het gebied van mobiliteit, zelfverzorging en cognitie (Post, 2009).

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun verzorgers)

Voor patiënten is het belangrijk om zo spoedig en volledig mogelijk te herstellen van COVID-19. Uit de resultaten van de patiëntenquête blijkt dat testen veelal in het begin, tijdens en aan het einde van het revalidatietraject worden afgenomen (zie de bijlage ‘Resultaten enquête onder patiënten’). De respondenten ervaarden de testen die afgenomen werden in het kader van revalidatie vaak als goed of als zwaar. Té zwaar of té makkelijk is niet genoemd. Het bespreken van de uitslag van de test met de patiënt wordt door de meeste patiënten ervaren als meerwaarde, het kan de patiënt meer inzicht geven en kan motiverend werken.

 

Patiënten hebben naar verwachting baat bij vaststellen van het pre-morbide niveau van functioneren en participatie. Door vervolgens een breed scala aan aspecten van gezondheidsstatus te evalueren vooraf, gedurende en na de medisch specialistische revalidatie of geriatrische revalidatiezorg, krijgen patiënt en behandelaar inzicht in de vooruitgang van de patiënt gedurende het revalidatietraject. De uitkomsten van de meetinstrumenten kunnen zo een therapeutisch doel dienen: door het stellen van einddoelen kan patiënt toewerken naar verbetering ten opzichte van een startpunt. Daarnaast is het voor de behandelaar mogelijk om met de resultaten uit de meetinstrumenten de interventies meer op maat te maken, zodat deze nog beter aansluit bij de behoefte van de patiënt.

 

Kosten (middelenbeslag)

Op het gebied van kosten worden er geen noemenswaardige voordelen of bezwaren gezien die van invloed zijn op de besluitvorming. De aanschaf van gevalideerde meetinstrumenten en vragenlijsten kan theoretisch gezien kosten met zich meebrengen. Echter, deze kosten zijn uiterst laag in vergelijking met andere benodigde faciliteiten voor behandeling van patiënten met doorgemaakte COVID-19 binnen de MSR/GRZ en personeelskosten van zorgverleners.

 

Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie

Binnen de GRZ/MSR is het gebruikelijk om te werken met meetinstrumenten. Echter, vanuit het werkveld was er behoefte om het klinisch beeld en het beloop van COVID-19 meer uniform in kaart te brengen. Bij aanvang, tijdens en bij afsluiting van de behandeling kunnen de meetinstrumenten worden gebruikt om het beloop te evalueren. De afname meetinstrumenten en vragenlijsten is tegenwoordig steeds meer verweven met de mogelijkheden in het EPD. Dit kan tijdsbesparing en een efficiëntere werkwijze opleveren. Daarentegen blijft de balans cruciaal tussen de beschikbare behandeltijd per patiënt en de tijdsinvestering van de afname van meetinstrumenten en vragenlijsten.

 

Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Hoewel er nog weinig evidentie is met betrekking tot de klinimetrische eigenschappen van meetinstrumenten bij patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt en er in internationale richtlijnen nog geen set van meetinstrumenten is beschreven, is de werkgroep wel van mening dat het in kaart brengen van specifieke domeinen een onmisbaar onderdeel uitmaakt van de MSR en GRZ. Naast de aanbeveling om bepaalde domeinen in kaart te brengen, geeft de werkgroep per domein enkele meetinstrumenten die gebruikt zouden kunnen worden in de praktijk, zodat meer uniformiteit gerealiseerd kan worden. Bij voorkeur worden gevalideerde meetinstrumenten en vragenlijsten gebruikt.

Onderbouwing

Het klinisch beeld van COVID-19 verschilt per fase (acuut/ subacuut/ herstel) en lijkt onder andere af te hangen van het premorbide niveau van functioneren. Het is belangrijk om het functioneren van patiënten die COVID-19 hebben doorgemaakt en die behandeld worden binnen de medisch specialistische revalidatie (MSR) of geriatrische revalidatiezorg (GRZ) in kaart te brengen, te volgen en te evalueren, zowel bij de start van het revalidatietraject, tussentijds als aan het einde ervan. Indien meetinstrumenten worden ingezet, dan is het belangrijk dat ze een adequaat, breed en gedetailleerd beeld van de patiënt geven.

 

Er is veel praktijkvariatie in welke domeinen worden gemeten, welke meetinstrumenten en vragenlijsten hiervoor worden gebruikt en wanneer deze testen worden afgenomen. In deze module worden aanbevelingen gedaan over welke domeinen in kaart gebracht moeten worden voor de evaluatie van deze patiëntengroep binnen de medisch specialistische revalidatie of geriatrische revalidatiezorg, en welke meetinstrumenten en vragenlijsten hiervoor passend zijn.

A systematic review of the literature was performed to answer the following questions:

  1. What is the validity, reliability, and responsiveness of instruments used to determine and monitor the health status in patients who experienced COVID-19?
  2. Which set of clinimetric instruments have been described for patients who experienced COVID-19?

 

P: patients who experienced COVID-19

I: set of clinimetric instrument (consisting of instruments to determine health status)

C: other set of clinimetric instruments, single instruments

O: validity, reliability, responsiveness

 

Relevant population

Patients with COVID-19 were eligible regardless of the time since active viral infection and the severity of the disease. However, patients admitted to the intensive care or a hospital ward other than the rehabilitation department, are excluded.

 

Relevant outcome measures

The working group considered validity, reliability, and responsiveness as a critical outcome measure for decision making.

 

The working group defined the measurement properties according to the taxonomy of the Consensus-based Standards for the selection of health Measurement INstruments (COSMIN) (Mokkink, 2010).

 

Search and select (Methods)

The databases Medline (via OVID) and Embase (via Embase.com) were searched with relevant search terms from 1st January 2019 until 15th March 2021. The detailed search strategy is depicted under the tab Methods. The systematic literature search resulted in 731 hits.

 

Studies were selected based on the following criteria: systematic reviews (searched in at least two databases, including an available detailed search strategy, risk of bias assessment and an overview of the individual studies) answering the search question and meeting the additional criteria for the population and outcome measures described above. Furthermore, guidelines describing sets of clinimetric instruments were included.

 

None of the studies fulfilled the selection criteria, thus no studies were selected for the literature summary.

 

Results

No systematic reviews or relevant guidelines were found that answered the questions:

  1. What is the validity, reliability, and responsiveness of instruments to determine and monitor the health status in patients who experienced COVID-19?
  2. Which clinimetric-sets have been described for patients who experienced COVID-19?
  1. Aaronson NK, Muller M, Cohen PD, Essink-Bot ML, Fekkes M, Sanderman R, Sprangers MA, te Velde A, Verrips E. Translation, validation, and norming of the Dutch language version of the SF-36 Health Survey in community and chronic disease populations. J Clin Epidemiol. 1998 Nov;51(11):1055-68. doi: 10.1016/s0895-4356(98)00097-3. PMID: 9817123.
  2. Achttien RJ et al. KNGF-richtlijn Hartrevalidatie. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2011.
  3. Altmann VC, Geurts ACH, Limbeek J van, Gotwalt A, Tielemans M. Betrouwbaarheid van de WCN observatielijst voor cognitief functioneren. Presentatie: WCN-congres, 2002.
  4. Arrindell, W. A., J. Heesink, and J. A. Feij (1999). The Satisfaction With Life Scale (SWLS): appraisal with 1700 healthy young adults in The Netherlands. Personality and Individual Differences, 26, 815-826.
  5. Bakker, A., van der Meer, C. A. I., & Olff, M. (2014). Primary care PTSD screen for DSM-5 (PC-PTSD-5)–Nederlandstalige versie. Amsterdam: Uitgave: Academisch Medisch Centrum.
  6. Beck AT, Steer RA, Brown GK. Manual for Beck Depression Inventory-II. San Antonio: TX: Psychological Corporation; 1996.
  7. Bestall JC, Paul EA, Garrod R, Garnham R, Jones PW, Wedzicha JA. Usefulness of the Medical Research Council (MRC) dyspnoea scale as a measure of disability in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Thorax 1999; 54:581-586.
  8. Bergner M, Bobbitt RA, Carter WB, et al. The Sickness Impact Profile: development and final revision of a health status measure. Medical care. 1981 Aug;19(8):787-805.
  9. Blomert L, Koster Ch, Kean M-L. Amsterdam-Nijmegen Test voor Alledaags taalgebruik, Handleiding. Swets & Zeitlinger B.V.: Lisse; 1995.
  10. Boer LM, Daudey L, Peters JB, Molema J, Prins JB, Vercoulen JH. Assessing the stages of the grieving process in chronic obstructive pulmonary disease (COPD): validation of the Acceptance of Disease and Impairments Questionnaire (ADIQ). Int J Behav Med. 2014 Jun;21(3):561-70. doi: 10.1007/s12529-013-9312-3. PMID: 23645551.
  11. Boeschoten MA, Van der Aa N, Bakker A, Ter Heide FJJ, Hoofwijk MC, Jongedijk RA, Van Minnen A, Elzinga BM, Olff M. Development and Evaluation of the Dutch Clinician-Administered PTSD Scale for DSM-5 (CAPS-5). Eur J Psychotraumatol. 2018 Nov 22;9(1):1546085. doi: 10.1080/20008198.2018.1546085. PMID: 30510643; PMCID: PMC6263102.
  12. Boeschoten M.A., Bakker A., Jongedijk R.A., Olff M. 2014. PTSD Checklists for DSM-5: Nederlandstalige versie. Stichting Centrum'45. Verkrijgbaar via http://www.psychotraumadiagnostics.centrum45.nl/.
  13. Boonstra, A. M., Reneman, M. F., Stewart, R. E., & Balk, G. A. (2012). Life satisfaction questionnaire (Lisat-9): reliability and validity for patients with acquired brain injury. International Journal of Rehabilitation Research, 35(2), 153-160. https://doi.org/10.1097/MRR.0b013e328352ab28
  14. Collen FM, Wade DT, Bradshaw CM. Mobility after stroke: reliability of measures of impairment and disability. International disability studies. 1990 Jan-Mar;12(1):6-9.
  15. Borg GA. Psychophysical bases of perceived exertion. Medicine and science in sports and exercise. 1982;14(5):377-381.
  16. Van den Borst B, Peters JB, Brink M, Schoon Y, Bleeker-Rovers CP, Schers H, van Hees HWH, van Helvoort H, van den Boogaard M, van der Hoeven H, Reijers MH, Prokop M, Vercoulen J, van den Heuvel M. Comprehensive health assessment three months after recovery from acute COVID-19. Clin Infect Dis. 2020 Nov 21:ciaa1750. Doi: 10.1093/cid/ciaa1750. Epub ahead of print. PMID: 33220049; PMCID: PMC7717214.
  17. Brink TL, Yesavage JA, Lum O, Heersema PH, Adey M, Rose TL. Screening tests for geriatric depression. Clinical gerontologist. 1982;1(1):37-43.
  18. Brom, D., & Kleber, R. J. (1985). De schok verwerkingslijst. Nederlands Tijdschrift voor Psychologie en haar Grensgebieden, 40, 164-168.
  19. Butland RJ, Pang J, Gross ER, Woodcock AA, Geddes DM. Two-, six-, and 12-minute walking tests in respiratory disease. BMJ. 1982 May 29;284(6329):1607-1608.
  20. Crary MA, Mann GD, Groher ME. Initial psychometric assessment of a functional oral intake scale for dysphagia in stroke patients. Arch Phys Med Rehabil. 2005 Aug;86(8):1516-20. doi: 10.1016/j.apmr.2004.11.049. PMID: 16084801.
  21. Cooper KH. A means of assessing maximal oxygen intake. Correlation between field and treadmill testing. JAMA. 1968 Jan 15;203(3):201-204.
  22. Cummings JL, Mega M, Gray K, Rosenberg-Thompson S, Carusi DA, Gornbein J. The Neuropsychiatric Inventory: comprehensive assessment of psychopathology in dementia. Neurology. 1994 Dec;44(12):2308-14. doi: 10.1212/wnl.44.12.2308. PMID: 7991117.
  23. Dautzenberg PLJ, de Jonghe JFM. Montreal Cognitive Assessment: afname- en scoringinstructies. 2004. Beschikbaar via: http://www.mocatest.org/wp-content/uploads/2015/tests-instructions/MoCAInstructions-Dutch.pdf (Geraadpleegd op: 2016 Mar 2).
  24. Van der Does AJW. Handleiding bij de Nederlandse versie van Beck Depression Inventory - second edition (BDI-II-NL). Amsterdam: Pearson; 2002.
  25. Doesborgh SJ, van de Sandt-Koenderman WM, Dippel DW, van Harskamp F, Koudstaal PJ, Visch-Brink EG. Linguistic deficits in the acute phase of stroke. J Neurol. 2003 Aug;250(8):977-982.
  26. De Bodt MS, Wuyts FL, Van de Heyning PH, Croux C. Test-retest study of the GRBAS scale: influence of experience and professional background on perceptual rating of voice quality. J Voice. 1997 Mar;11(1):74-80. doi: 10.1016/s0892-1997(97)80026-4. PMID: 9075179.
  27. De Renzi E, Vignolo LA. The Token Test: A sensitive test to detect receptive disturbances in aphasics. Brain. 1962; 85; 665-678.
  28. van Duijn HM, Niezen AA, Cardol M, et al. Canadees meetinstrument voor handelingen en vaardigheden (Canadian Occupational Performance Measure (COPM)-Dutch version). Amsterdam: VUMC; 1999.
  29. Fillenbaum GG, SmyerM. The development, validity, and reliability of the OARS multidimensional Functional Assesment Questionnaire. J Gerontol 1981; 36:428-34.
  30. Gallagher D, Heymsfield SB, Heo M, Jebb SA, Murgatroyd PR, Sakamoto Y. Healthy percentage body fat ranges: an approach for developing guidelines based on body mass index. Am J Clin Nutr. 2000 Sep;72(3):694-701. doi: 10.1093/ajcn/72.3.694. PMID: 10966886.
  31. De Haan R, Limburg M, Schuling J, Broeshart J, Jonkers L, van Zuylen P. Klinimetrische evaluatie van de Barthel Index: een maat voor beperkingen in het dagelijks functioneren. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde. 1993;137(18):917-21.
  32. Hakkesteegt MM, Wieringa MH, Gerritsma EJ, Feenstra L. Reproducibility of the Dutch version of the Voice Handicap Index. Folia Phoniatr Logop. 2006;58(2):132-8. doi: 10.1159/000089613. PMID: 16479134.
  33. Herdman M, Gudex C, Lloyd A, et al. Development and preliminary testing of the new five-level version of EQ-5D (EQ-5D-5L). Quality of life research: an international journal of quality of life aspects of treatment, care and rehabilitation 2011; 20(10): 1727-36.
  34. Van Heugten, C.M., Visser-Meily, J.C.M., & Verwijk, E. (2020). Checklijst voor cognitieve gevolgen na een IC-opname (CLC-IC). https://www.lvmp.nl/wp-content/uploads/2020/05/Monitoring-COVID-19-patienten.vs2_.1.01052020-1.pdf.
  35. Jacobson, B. H., Johnson, A., Grywalski, C., Silbergleit, A., Jacobson, G., Benninger, M. S., & Newman, C. W. (1997). The voice handicap index (VHI) development and validation. American Journal of Speech-Language Pathology, 6(3), 66-70.
  36. De Jong K, et al. Richtlijnen Timed ‘Up & Go’ test. Utrecht: Revalidatiecentrum De Hoogstraat; 2000.
  37. Katz S, Ford AB, Moskowitz RW, Jackson BA, Jaffe MW. Studies of illness in the aged: the index of ADL: a standardized measure of biological and psychosocial function. JAMA. 1963 Sep 21;185:914-919.
  38. KNGF, 2010. KNGF-richtlijn Artrose Heup-knie. Supplement Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapie. 2010.
  39. Kok R, Verhey F. Dutch translation of the Mini Mental State Examination (Folstein et al.,1975). 2002.
  40. Lopez-Leon S, Wegman-Ostrosky T, Perelman C, Sepulveda R, Rebolledo PA, Cuapio A, Villapol S. More than 50 Long-term effects of COVID-19: a systematic review and meta-analysis. medRxiv (Preprint). 2021 Jan 30:2021.01.27.21250617. doi: 10.1101/2021.01.27.21250617. PMID: 33532785; PMCID: PMC7852236.
  41. Luttik A, Jacobs HM, de Witte L. Een Nederlandstalige versie van de Sickness Impact Profile. Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht; 1985.
  42. Mahoney FI, Barthel DW. Functional evaluation: the Barthel Index. Maryland state medical journal. 1965 Feb;14:61-65
  43. Merkelbach H, Muris P, Nijman H, de Jong PJ. Self-reported cognitive failures and neurotic symptomatology. Personality and Individual Differences. 1996;20(6):715-724.
  44. Van der Meulen, I., Gelder-Houthuizen, J. V., Wiegers, J., Wielaert, S., & Van De Sandt-Koenderman, W. M. E. (2009). De Scenariotest. Verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden van afasiepatiënten (The Scenario Test. Verbal and non-verbal communicative abilities in patients with aphasia).
  45. Mokkink, L. B., Terwee, C. B., Patrick, D. L., Alonso, J., Stratford, P. W., Knol, D. L.,... & de Vet, H. C. (2010). The COSMIN study reached international consensus on taxonomy, terminology, and definitions of measurement properties for health-related patient-reported outcomes. Journal of clinical epidemiology, 63(7), 737-745.
  46. NVKG, 2010. Richtlijn Comprehensive geriatric assessment (CGA). Link: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/comprehensive_geriatric_assessment_cga/cga_-_korte_beschrijving.html.
  47. Paemeleire, F., Savonet, A., & Van Beneden, G. (2007). Aandachtsproblemen bij volwassenen: zelfevaluatie en behandeling met het totaalpakket FOCUMIX. Signaal, 59, 4-21.
  48. Peters JB, Daudey L, Heijdra YF, Molema J, Dekhuijzen PN, Vercoulen JH. Development of a battery of instruments for detailed measurement of health status in patients with COPD in routine care: the Nijmegen Clinical Screening Instrument. Qual Life Res. 2009;18(7):901-912. doi:10.1007/s11136-009-9502-2.
  49. Post MW, van de Port IG, Kap B, Berdenis van Berlekom SH. Development and validation of the Utrecht Scale for Evaluation of Clinical Rehabilitation (USER). Clin Rehabil. 2009 Oct;23(10):909-17. doi: 10.1177/0269215509341524. Epub 2009 Aug 28. PMID: 19717505.
  50. Post MW, van der Zee CH, Hennink J, Schafrat CG, Visser-Meily JM, van Berlekom SB. Validity of the utrecht scale for evaluation of rehabilitation-participation. Disabil Rehabil. 2012;34(6):478-85. doi: 10.3109/09638288.2011.608148. Epub 2011 Oct 6. PMID: 21978031.
  51. Rietberg MB, van Wegen EEH, Kwakkel G. Measuring fatigue in patients with multiple sclerosis: reproducibility, responsiveness and concurrent validity of three Dutch self-report questionnaires. Disability and rehabilitation. 2010;32(22):1870-1876.
  52. De Ridder DTD, van Heck GL. Coping inventory for stressful situations. CISS Handleiding. Lisse: Swets Test Publishers, 2004. 54 p.
  53. Rikli, 1999: Rikli RE, Jones CJ. Development and validation of a functional fitness test vor community residing older adults. Journal of Aging and Physical Activity 1999 7 129-61.
  54. Rubenstein LZ, Harker JO, Salva A, Guigoz Y, Vellas B. Screening for Undernutrition in Geriatric Practice: Developing the Short-Form Mini Nutritional Assessment (MNA-SF). J. Geront 2001; 56A: M366-377. Dutch version: https://www.mna-elderly.com/forms/MNA_dutch.pdf.
  55. Schreurs, P.J.G., Tellegen, B. & Willige, G. van de (1984). Coping-lijst. Gedrag, 12, 101–117.
  56. Sevat, R., & Heesbeen, I. (2001). Behoeften-inventarisatie en Probleem-analyse van Communicatieve Activiteiten en Birkhovense Evaluatieschaal Behandeldoelen Afasie (BIPAC-BEBA). Verpleeg-en activeringscentrum Birkhoven, Amersfoort/Universiteit Utrecht.
  57. Sikkes SA, Knol DL, Pijnenburg YA, de Lange-de Klerk ES, Uitdehaag BM, Scheltens P. Validation of the Amsterdam IADL Questionnaire©, a new tool to measure instrumental activities of daily living in dementia. Neuroepidemiology. 2013;41(1):35-41. doi: 10.1159/000346277. Epub 2013 May 25. PMID: 23712106.
  58. Silbergleit AK, Schultz L, Jacobson BH, Beardsley T, Johnson AF. The Dysphagia handicap index: development and validation. Dysphagia. 2012 Mar;27(1):46-52. doi: 10.1007/s00455-011-9336-2. Epub 2011 Mar 20. PMID: 21424584.
  59. Spinhoven P, Ormel J, Sloekers PP, Kempen GI, Speckens AE, Van Hemert AM. A validation study of the Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) in different groups of Dutch subjects. Psychol Med. 1997 Mar;27(2):363-70. doi: 10.1017/s0033291796004382. PMID: 9089829.
  60. Stichting Afasienet, 2016. AfasieNet-CCS (Cognitieve Communicatie Screening), Stichting AfasieNet, werkgroep CCS, 2016. Zie: https://www.afasienet.com/professionals/diagnostiek-en-therapie/cognitieve-communicatiestoornissen/
  61. Swinburn K, Porter G, Howard D. Comprehensive Aphasia Test. Hove, UK: Psychology Press; 2004.
  62. Terwee CB, Roorda LD, de Vet HCW, Dekker J, Westhovens R, van Leeuwen J, Cella D, Correia H, Arnold B, Perez B, Boers M. Dutch-Flemish translation of 17 item banks from the Patient Reported Outcomes Measurement Information System (PROMIS). Qual Lif Res 2014;23:1733-1741.
  63. Vercoulen JH, Swanink CM, Fennis JF, Galama JM, van der Meer JW, Bleijenberg G. Dimensional assessment of chronic fatigue syndrome. J Psychosom Res. 1994 Jul;38(5):383-92. doi: 10.1016/0022-3999(94)90099-x. PMID: 7965927.
  64. Versteegh M, M. Vermeulen K, M. A. A. Evers S, de Wit GA, Prenger R, A. Stolk E. Dutch Tariff for the Five-Level Version of EQ-5D. Value in Health 2016; 19(4): 343-52.
  65. Verenso, 2020. Behandeladvies post-COVID-19 (geriatrische) revalidatie module Klinische revalidatie. Versie 2.1, 1-12-2020.
  66. VRA, 2020. Basisset Klinimetrie Nazorgpoli van de VRA. Stuurgroep Onderzoek Corona d.d. 30 april 2020.
  67. Wijnhoven HAH, Schilp J, van Bokhorst-de van der Schueren MAE, de Vet HCW, Kruizenga HM, Deeg DJH, Ferrucci L, Visser M. Development and validation of criteria for determining undernutrition in community-dwelling older men and women: the Short Nutritional Assessment Questionnaire 65+. Clin Nutr. 2012 Jun;31(3):351-358.
  68. WHO, 2001. International classification of functioning, disability and health: ICF. Geneva, World Health Organization, 2001. Resolutie WHA 54.21.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 14-01-2022

Laatst geautoriseerd  : 14-01-2022

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Vereniging voor Sportgeneeskunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Ergotherapie Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie
  • Nederlandse Vereniging van Diëtisten
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck
  • Longfonds
  • Revalidatie Nederland

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor 1. volwassen COVID-19 patiënten opgenomen in het ziekenhuis of eerstelijnsverblijf; en 2. volwassen COVID-19 patiënten met een indicatie voor (poli)klinische medisch specialistische revalidatie of geriatrische revalidatiezorg.

 

Werkgroep

  • Drs. F. Harberts, revalidatiearts, VRA (voorzitter)
  • Drs. E. van der Kooi, revalidatiearts, VRA (voorzitter, tot april 2021)
  • Prof. dr. W.P. Achterberg, specialist ouderengeneeskunde, Verenso (voorzitter)
  • Dr. V.A.E. Baadjou, revalidatiearts, VRA
  • M.A. Bakker, MSc, GZ-psycholoog, NIP (vanaf juni 2021)
  • Dr. E.F. Van Dam van Isselt, specialist ouderengeneeskunde, Verenso
  • R. Dijkhuizen, ergotherapeut, EN
  • Dr. E.M.M. van de Glind, klinisch geriater, NVKG
  • Dr. K.H. Groenewegen-Sipkema, longarts, NVALT
  • Dr. H.J. Hulzebos, klinisch inspanningsfysioloog en (sport)fysiotherapeut, KNGF
  • R. Kool, MPT, patiëntvertegenwoordiger, Longfonds
  • M. Kuijpers, MSc, diëtist, NVD
  • Drs. R. Rozenberg, sportarts, VSG
  • D. Schröder, diëtist, NVD
  • J.J. Tazmi-Staal, MSc, verpleegkundig specialist, V&VN
  • Dr. J.H.M.M. Vercoulen, klinisch psycholoog, NIP (tot mei 2021)
  • Drs. N.J. de Vries, logopedist, NVLF
  • Drs. F. Wester, patiëntvertegenwoordiger, Longfonds

 

Meelezers

  • Drs. Y.Y. van Horn, revalidatiearts/lid raad van bestuur Adelante Zorggroep, RN
  • Drs. Conijn, beleidsmedewerker Kwaliteit en Wetenschap, VvOCM

 

Met ondersteuning van

  • Dr. C.T.J. Michels, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. S. Persoon, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Achterberg (voorzitter)

Hoogleraar Institutionele zorg en ouderengeneeskunde LUMC (0,6 FTE). Specialist ouderengeneeskunde Topaz, Leiden (0,4 FTE).

Lid raad van toezicht Meander zorggroep, (betaald).

Voorzitter kamer ouderengeneeskunde Capaciteitsorgaan, (onbetaald).

Lid adviesraad CME online (onbetaald).

Lid ZonMw commissie Herstel en Nazorg Covid-19 (onbetaald).

Geen

Geen actie nodig

Harberts (voorzitter)

Revalidatiearts Basalt.

Voorzitter Bestuur Medische staf Basalt (onbetaald).

Lid Gebruikerscommissie Prinses Beatrix Spierfonds (onbetaald).

Geen

Geen actie nodig

 

Van der Kooi (voorzitter)

Revalidatiearts Tolbrug, Jeroen Bosch Ziekenhuis.

Secretaris werkgroep Hand en Pols revalidatie VRA (onbetaald).

Geen

Geen actie nodig

Baadjou

Revalidatiearts (0,6 FTE) en onderzoeker (0,2 FTE), Adelante Zorggroep/Universiteit Maastricht

Geen

Geen

Geen actie nodig

Bakker

GZ-psycholoog, Dijklander Ziekenhuis, Purmerend

ZZP, GZ-psycholoog, betaald (eigen praktijk)

Geen

Geen actie nodig

De Vries

Logopedist (12u per week, Topaz, Leiden).

PhD kandidaat (16u per week, afd. PHEG, LUMC, Leiden).

Geen

PhD wordt betaald, subsidie voor 2 dagen per week 5 jaar van het Zorgondersteuningsfonds. Het betreft een onderzoek naar het meten van pijn bij personen met afasie. Dit onderzoek heeft als doel een valide en betrouwbaar alternatief bieden door het ontwikkelen van een pijnprotocol voor personen met afasie.

Geen actie nodig

 

Dijkhuizen

Ergotherapeut Isala, 1FTE

Geen

Geen

Geen actie nodig

Groenewegen-Sipkema

Longarts, Deventer Ziekenhuis (vrijgevestigd), deelname aan Vrijgevestigde Specialisten Deventer via eigen BV.

Geen

Onderzoek naar telemonitoring bij COPD via zilveren Kruis.

Geen actie nodig

Hulzebos

Medisch Fysioloog en (sport)fysiotherapeut, UMC Utrecht

Bestuurslid Vereniging voor Hart- Vaat- en Longfysiotherapie (onbetaald; vacatiegeld).

Geen

Geen actie nodig

Kool

Projectleider zorgveld, Longfonds

Geen

Geen

Geen actie nodig.

 

Het Longfonds ontvangt sponsoring door AstraZeneca BV, Boehringer Ingelheim BV, Fonds SGS van Zorgverzekeraar Zilveren Kruis, Glaxo Smith Kline BV, Novartis Pharma BV en Westfalen Medical. Roche Farma Holding neemt deel aan ‘bedrijven in actie’. Daarnaast zijn er verschillende strategische partners, partners, bedrijfsvrienden en ‘bedrijven in actie’.

 

Deze richtlijn richt zich echter niet op de farmacologische interventies en het risico op belangenverstrengeling door farmaceutische bedrijven werd daardoor minimaal geacht.

Kuijpers

Diëtist, revalidatiecentrum Heliomare (betaald)

Begeleiden HBO studenten (onder andere bij afstudeeronderzoek dieetbegeleiding bij post-COVID patiënten vanaf september 2021).

Geen, er wordt geen financiering ontvangen voor het afstudeeronderzoek dieetbegeleiding.

Geen actie nodig

Rozenberg

Sportarts Sportgeneeskunde Friesland (0,6 FTE).

Sportgeneeskunde Rotterdam (0,2 FTE).

Rijndam Revalidatie (0,2 FTE)

Wetenschappelijk onderzoek Erasmus MC (deels betaald, deels onbetaald).

VSG Exercise is Medicine commissie (onbetaald).

VRA AIRe commissie (onbetaald).

Team lKO schaatsen (betaald).

Geen

Geen actie nodig

 

Team IKO wordt niet gesponsord door bedrijven met activiteiten die gerelateerd zijn aan de inhoud van de richtlijn.

Schröder

Diëtist, Roessingh, Centrum voor Revalidatie, Enschede (betaald)

Geen

Geen

Geen actie nodig

Tazmi-Staal

Verpleegkundig specialist, Laurens Intermezzo

Geen

Geen

Geen actie nodig

 

Van Dam van Isselt

Specialist ouderengeneeskunde (zelfstandig) 0,67 FTE

Senior onderzoeker LUMC afdeling PHEG en UNC-ZH (0,33 FTE)

Gastdocent kaderopleiding geriatrische revalidatie Gerion, Amsterdam (betaald).

Geen

Geen actie nodig

 

Van de Glind

Klinisch geriater, Alrijne Ziekenhuis Leiderdorp/Alphen/Leiden

Geen

Geen

Geen actie nodig

 

Vercoulen

Klinisch psycholoog. Afd. Medische Psychologie, Radboudumc, te Nijmegen

Geen

 

Researchproject vermoeidheid bij COPD, gefinancierd door het Longfonds.

Betrokken bij ontwikkeling Nijmegen Clinical Screening Instrument vragenlijst

Geen actie nodig

Wester

Gepensioneerd

Ervaringsdeskundige bij Longfonds.

Coronaplein:

* deelname adviesraad website Coronaplein

* deelname patiënt adviesraad onderzoek bij het UMCG (onbetaald).

Geen

Geen actie nodig

 

Michels

Adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Afronding artikel behorende bij promotieonderzoek Rijnstate Ziekenhuis, Arnhem/Radboudumc, Nijmegen (nu onbetaald).

Geen.

Promotieonderzoek werd gefinancierd door ZonMw, financier had geen invloed op uitkomsten onderzoek of op huidige werkzaamheden.

Geen actie nodig

Persoon

Adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Tot oktober 2018 Gastvrijheidsaanstelling afdeling Revalidatie Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, vanwege promotietraject. Project: Physical fitness to improve fitness and combat fatigue in patients with multiple myeloma or lymphoma treated with high dose chemotherapy.

 

April 2018-september 2018: Docent Team Technologie, Fontys Paramedische Hogeschool. Begeleiden van studenten bij afstudeerstages. Max 1 dag in de week, betaald.

Geen.

Promotieonderzoek werd gefinancierd door KWF, financier had geen invloed op uitkomsten onderzoek of op huidige werkzaamheden.

Geen actie nodig

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door 1. het uitnodigen van de Harteraad, Longfonds en IC Connect/FCIC (afgezegd) voor de Invitational conference die georganiseerd is in het kader van de ontwikkeling van de richtlijn Nazorg voor patiënten met COVID-19 (zie het verslag in de bijlage); 2. de afvaardiging van het Longfonds in de werkgroep; en 3. De raadpleging van patiënten door middel van een enquête (zie de bijlage ‘Resultaten enquête onder patiënten’). De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan Patiëntenfederatie Nederland, de Harteraad, IC Connect/FCIC en KBO-PCOB. De eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Er zijn vier verschillende methoden gebruikt om de knelpunten te inventariseren.

 

Als eerste heeft de werkgroep tijdens de voorbereidende fase de knelpunten in de revalidatie van patiënten met COVID-19 binnen de MSR en GRZ geïnventariseerd. Als tweede zijn er knelpunten aangedragen tijdens de Invitational conference die 8 december 2020 heeft plaatsgevonden in het kader van de te ontwikkelen richtlijn Nazorg voor patiënten met COVID-19 (initiatief van de Federatie Medisch Specialisten, het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Long Alliantie Nederland). Aan deze Invitational hebben 42 organisaties deelgenomen. Als derde zijn de revalidatieteams via de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen en Verenso gevraagd om door middel van een enquête input te geven op het concept raamwerk van de richtlijn. Als laatste is er ook een enquête gehouden onder patiënten. Het verslag van de Invitational conference en de resultaten van de twee enquêtes zijn te vinden in de bijlagen.

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello, 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE-gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. EN, KNGF, Longfonds, NVALT, NVD, NVKG, NVLF, Verenso, VRA, VSG, V&VN, RN, Actiz, FCIC – IC Connect, Harteraad, IGJ, KBO-PCOB, LVMP, NHG, NIV, NVVS, NVZ, Patiëntenfederatie Nederland, VvOCM, ZKN en ZN hebben gereageerd op ons verzoek. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.