Contacteczeem werkplekinterventies

Laatst beoordeeld: 30-11-2013

Uitgangsvraag

Mogelijke werkplekinterventies.

Aanbeveling

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Crèmes

Aanbevolen wordt snel inwerkende emolliëntia aan te brengen na het reinigen van de handen en iedere natwerk handeling.

 

Indien de handen niet zichtbaar zijn vervuild: gebruik in plaats van water en zeep een handalcohol indien desinfectie is gewenst. Gebruik alleen water indien geen desinfectie nodig is (Boyce et al 2000; Jungbauer et al, 2004; Held et al, 2001).

Een handalcohol desinfecteert beter dan desinfecterende zeep en is minder schadelijk voor de huid. In situaties waarin de handen niet zichtbaar zijn vervuild en geen desinfectie nodig is, bestaat strikt genomen geen ratio voor handen wassen. Voor het opfrissen van de handen is dan water alleen voldoende. (NVAB Richtlijn Contacteczeem)

 

Handschoenen

Het gebruik van handschoenen dient afgestemd te worden op de aard van het werk en de gewenste bescherming tegen blootstelling. Zo zijn wegwerp-vinyl handschoenen zeer bruikbaar bij natwerk in de zorg, maar ongeschikt voor werken met chemische stoffen. Handschoenen van nitril verdienen hiervoor de voorkeur.

 

Voor gepoederde eiwitrijke handschoenen van latex bestaan goede alternatieven in de vorm van ongepoederde, eiwitarme handschoenen van latex en non-latex rubber handschoenen, bijvoorbeeld van nitril.

 

Voorlichting op de werkplek

Werknemers hebben het recht om voorgelicht te worden over het risico voor contacteczeem op het werk. De werkgever dient hiervoor zorg te dragen.

 

Dermatologische risicowerknemers in risicoberoepen verdienen individuele voorlichting en begeleiding (NVAB Richtlijn 2006).

 

Primaire preventie

Bij risico-inventarisatie en -evaluatie van de werkplek dient ook aandacht geschonken te worden aan de belasting van de huid.

 

Secundaire preventie

Bij verdenking op werkgebonden factoren dient overleg met de bedrijfsarts plaats te vinden en dienen luxerende werkfactoren geïdentificeerd te worden. Vervolgens dienen werkplekaanpassingen overwogen te worden.

 

Tertiaire preventie

Als behandeling niet werkt: zoek samenwerking met bedrijfsarts en dermatoloog.

Ieder handeczeem dat na zes tot acht weken ondanks optimale behandeling en therapietrouw persisteert, verdient contactallergisch onderzoek.

Overwegingen

Voorlichting op de werkplek

Bij het zoeken naar werkgebondenheid van klachten is het door de bedrijfsarts zelf interpreteren en onderzoeken van werkplekblootstellingen nodig om de puzzel op te lossen. Dit kan niet voldoende worden ondervangen door het uit te besteden aan niet-medici.

Inleiding

Werkplekinterventies

  • Persoonlijke beschermingsmiddelen
  • Crèmes
  • Handschoenen
  • Voorlichting op de werkplek
  • Primaire preventie
  • Secundaire preventie
  • Tertiaire preventie

Conclusies

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Crèmes

Niveau 1

Emolliëntia kunnen de kans op het ontstaan van irritatief contacteczeem verkleinen.

 

A2 Williams, 2009

A2 Kütting, 2010

C Van Kampf, 2006

 

Niveau 1

Er is onvoldoende bewijs dat het preventief gebruiken, aanbrengen vóór het werken, van barrièrecrèmes beschermt tegen het ontwikkelen van contacteczeem. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat het gebruik van barrièrecrèmes ineffectief is, het bewijs is echter mager en van slechte kwaliteit.

Barrièrecrème kan niet worden gebruikt als vervanging van handschoenen.

 

A1 Bauer, 2010

 

Handschoenen

Niveau 1

Adequate handschoenen dienen zo nodig en zo kort mogelijk gedragen te worden.

 

A1 Saary, 2005

A2 Dulon, 2009

C Chummun, 2005

 

Voorlichting op de werkplek

Niveau 1

Voorlichting op de werkplek vermindert de incidentie en prevalentie van contacteczeem.

 

A1 Nicholson, 2010

A2 Dulon, 2009

C Krecisz, 2010

C Loffler, 2002

 

Primaire preventie

Niveau 1

Primaire preventie bestaat uit het vervangen en/of vermijden van allergenen en irritantia, technische maatregelen, controle over de gezondheid op de werkplek en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

A1 Nicholson, 2011

C Löffler, 2002

 

Secundaire preventie

Niveau 3

Interdisciplinaire secundaire preventie (voorkomen dat het contacteczeem verergert) zorgt voor minder verlies van de huidige baan dan dermatologische behandeling alleen.

 

B Wulfhorst, 2010

C Apfebacher, 2009

 

Niveau 3

Screening van medewerkers op handeczeemklachten draagt bij aan de reductie van de prevalentie van handeczeemklachten.

 

C Smit, 2004

C Warshaw, 2003

C Leitkin, 2000

C Addams, 1997

 

Tertiaire preventie

Niveau 3

Toepassing van tertiaire individuele preventie (TIP) helpt bij de behandeling van ernstig handeczeem, baanbehoud en het bevorderen van de positieve houding ten opzichte van persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

C Matterne, 2010

C Skudlik, 2007

Samenvatting literatuur

Werkplekinterventies

Classificatie van stofrisico’s

Volgens de Europese verordening voor Registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) moet de werkgever op de hoogte zijn van de risico’s van gevaarlijke stoffen binnen het bedrijf en de werknemers hierover informeren. Van alle producten dient de leverancier Veiligheidsinformatiebladen (Material Safety Data Sheets : MSDS) beschikbaar te stellen, gelabeld met etiketten die de aard en de klasse van het risico aangegeven .

 

Dit nieuwe pictogram staat voor irriterende, sensibiliserende, schadelijke stoffen

 

Bestanddelen die een allergie kunnen veroorzaken zijn te herkennen aan de code R43. Helaas hoeft de leverancier niet alle bestanddelen op de MSDS te vermelden. Alleen bestanddelen boven een bepaalde concentratie of met specifieke eigenschappen, zoals carcinogenen, mutagenen etc., dienen wettelijk vermeld te worden. Conserveermiddelen worden dan ook zelden vermeld. Van de meest gangbare chemische stoffen in Nederland worden samenvattingen in de vorm van “chemiekaarten” gebundeld in het Chemiekaartenboek (http://www.arbozone.nl). Deze kunnen behulpzaam zijn bij de beantwoording van de vraag of blootstelling aan de chemische stof in kwestie de klinische verschijnselen kan verklaren. Zowel op de MSDS als de Chemiekaart staat tevens vermeld welke beschermende handschoen gebruikt dient te worden.

 

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Crèmes

Volgens de RCT van Williams et al. (Williams, 2009) heeft het gebruik van 5 verschillende crèmes gunstig effect bij herhaaldelijk contact met irritantia. Dit is getest op vrijwilligers van 16-65 jaar die 15 keer per dag de handen wasten. Na iedere wasbeurt werd één van de vijf of geen crème aangebracht. Het resultaat hiervan was significante toename van de hydratatie van de huid bij drie van de vijf crèmes in vergelijking met de controlegroep. Er wordt geconcludeerd dat het regelmatig gebruik van hydraterende crèmes beschermt tegen het ontwikkelen van contacteczeem.

In een case-serie van Van Kampf & Ennen, 2006 zijn 25 mensen met een normale huid getest op de ruwheid en hydratatie. De testgroep waste de handen 4 keer 2 minuten per dag gedurende twee weken. Vervolgens werd dit twee weken herhaald, waarna een hydraterende crème werd aangebracht na iedere wasbeurt. Het resultaat was dat het gebruik van hydraterende crèmes de symptomen van irritant contacteczeem vermindert.

Uit een RCT (Kütting, 2010) onder 800 metaalwerkers is gebleken dat het gebruik van crèmes handeczeem op het werk vermindert, in vergelijking met de controlegroep zonder interventie. Er is geen significant verschil tussen het effect van beschermende en verzorgende crèmes.

Uit een systemetic review van vier RCT’s (Bauer, 2010) onder werknemers in beroepen met ‘nat werk’ is gebleken dat barrièrecrèmes geen significant verschil tonen in het voorkomen van beroepsgebonden contacteczeem, in vergelijking met de controlegroep die geen interventie onderging of alleen een basiscrème kreeg. In de interventiegroep van een van de RCT’s was een prevalentie van beroepsgebonden contacteczeem te zien van 39,9% na 12 maanden, in de controlegroep was dit 45% na 12 maanden.

In de Nederlandse praktijk wordt aanbevolen snel inwerkende emollientia aan te brengen na het reinigen van de handen en na (iedere) natwerk handelingen (werkgroep richtlijn contacteczeem 2012).

 

Handschoenen

Volgens de arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht doeltreffende en passende beschermingsmiddelen beschikbaar te stellen aan de werknemer. In de richtlijn voor persoonlijke beschermingsmiddelen (89/686/EEG) staat dat voor de hand- en armbescherming handschoenen gedragen dienen te worden, tegen mechanische, chemische en thermische invloeden. Het gebruik van handschoenen kan de huid beschermen tegen blootstelling aan irritantia, mits ze op de juiste manier gebruikt worden (Dulon, 2009). De handschoenen moeten nooit langer gedragen worden dan nodig. Het occlusief effect van handschoenen draagt bij aan het ontstaan van irritant contacteczeem. Het is dan nodig om er katoenen handschoenen onder te dragen, of handschoenen met een katoenen voering te dragen. Ook in een systematic review (Saary 2005) van 49 studies is naar voren gekomen dat katoenen voering en zachte stoffen aan de binnenkant van de handschoen het ontstaan van contacteczeem tegengaan. Welke handschoen gekozen dient te worden, wordt bepaald door de aard van de blootstelling en de duur van het werk  (Boman, 2012).

 

Met de opkomst van infectieziekten als HIV en Hepatitis B steeg in de jaren tachtig het gebruik van handschoenen enorm. Waar eerder al monteurs, schoonmakers en keukenpersoneel handschoenen droegen tijdens het werk, gingen nu ook artsen, verpleegkundigen, tandartsen en vele anderen handschoenen dragen om zich te beschermen in het contact met patiënten. Het bracht een nieuw probleem met zich mee: het aantal meldingen van latexallergie steeg explosief.

Eind jaren 90 bleek 3 tot 17 procent van de verpleegkundigen en artsen overgevoelig te zijn geworden voor latex. In Duitsland werd in 1997 het gebruik van gepoederde latexhandschoenen verboden, het aantal gevallen van latexallergie daalde toen in vijf jaar met meer dan tachtig procent (Almers 2005; Bakker 2007). Ook in Nederland namen verschillende branches hun verantwoordelijkheid. Afspraken zijn gemaakt over vervangen van latexhandschoenen door poedervrije, eiwitarme handschoenen of handschoenen van vinyl of nitril.

Merget et al. onderzochten in 2010 het effect van wettelijke preventiemaatregelen in Duitsland op de gezondheid bij medewerkers in de gezondheidszorg 10 jaar na het verbod op het gebruik van eiwitrijke gepoederde handschoenen van latex. Eenennegentig medewerkers met een vastgestelde latex-allergie tussen 1996 en 2004 werden in 2007 onderzocht. Bij 35 % werden werkgerelateerde, mogelijk allergische symptomen geconstateerd met name van de slijmvliezen van de ogen, de neus en de luchtwegen. De auteurs pleiten op basis hiervan voor nog verder gaande preventieve maatregelen mbt latex in de Duitse gezondheidszorg.

 

In de nationale UK guideline “latex allergy, occupational aspects of management” uit 2008 concludeert het Royal College of Physicians dat het gebruik van poedervrije, eiwitarme latex handschoenen als alternatief voor gepoederde exemplaren de incidentie van latexallergie als ook de prevalentie van latex-gerelateerde symptomen significant vermindert. Bij een bestaande latexallergie dient latex volledig vermeden te worden.

Chummun, 2002 beschreef in een review dat in latex handschoenen verschillende proteïnen en chemische stoffen zijn toegevoegd. Langdurige blootstelling aan deze stoffen kan lokale irritatie, overgevoeligheid of een allergische reactie veroorzaken.

Bergendorff et al. (Bergendorff 2006) waarschuwen voor gebruik van verkeerde handschoenen bij overgevoeligheid voor rubberadditieven als mercaptobenzothiazol-derivaten, thiuramverbindingen en dithiocarbamaten. Met vloeistofchromatografisch onderzoek konden zij in 10 van de 16 commercieel verkrijgbare rubberen wegwerphandschoenen de aanwezigheid van dithiocarbamaten aantonen en in 2 handschoenen mercaptobenzothiazol. Het ging om 13 latex handschoenen, 2 nitril en1 neopreen. Neopreenhandschoenen bevatten geen van beide additieven. Thiuram werd niet aangetroffen, maar dit kan spontaan ontstaan uit dithio­carbamaten (Bergendorff en Hansson 2002).

Pontén (2006) adviseert om bij het voorschrijven van wegwerphandschoe­nen bij patiënten met een allergie voor formaldehyde expliciet te checken op de afwezigheid van formaldehyde in de betrokken handschoenen. Bij onderzoek in Zweden van hand­schoenen van vinyl (PVC), nitril rubber en latex bleken 6 van de 9 formal­dehyde af te geven. Dit is vergelijkbaar met de emissie van crèmes met formaldehyde-releasers. Vermoedt wordt dat emissie van formaldehyde uit beschermende handschoenen bij patiënten met een formaldehyde-allergie eczeem kan veroorzaken of verergeren.

De veelal als inert beschouwde (poly)vinyl handschoenen blijken niet alleen formaldehyde af te kunnen geven, maar ook benzisothiazolinone. Dat bleek bij een kleine epidemie van contacteczeem door deze handschoenen in Finland (Aalto-Korte 2007). Verder kunnen bij deze handschoenen

problemen optreden door ethylhexylmaleaat (Ito 2009), adipinepolyester (Sowa 2005) en bisfenol A (Mathieu 2003).

Online informatie over databases en bronnen van informatie leiden een vluchtig bestaan. Wilke en John (Kanerva’s Occupational Dermatology, 2012) presenteren een overzicht anno 2012.

 

Voorlichting op de werkplek

Uit een case-serie (Krecisz 2010) onder 139 Poolse kappers in opleiding blijkt dat de kennis over irritantia en allergenen en het gebruik van handschoenen binnen het beroep nihil is. Slechts 2% is zich bewust van het effect van het gebruik van handschoenen. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat een educatief programma nodig is om de kennis over irritantia, allergenen en het gebruik van handschoenen te bevorderen.

In de systematic review van Nicholson et al. (Nicholson 2010) en een review van Löffler et al. (Löffler 2002) komt naar voren dat een educatief programma op de werkplek belangrijk is om contacteczeem op de werkplek te voorkomen/verminderen. Herhaling van de educatie en motivatie is belangrijk om het effect van de maatregelen te behouden.

Uit de RCT van Dulon et al. (Dulon 2009) blijkt dat door voorlichting op de werkplek de werknemers meer gebruik zijn gaan maken van persoonlijke beschermingsmiddelen. Onder andere is het gebruik van katoenen handschoenen met 162% toegenomen. Daarnaast is de toepassing van lange handschoenen toegenomen van 0% naar 13%. Ook hydraterende crèmes werden na de voorlichting door de hele interventiegroep gebruikt. Bij de nulmeting werden hydraterende crèmes door 90% van de interventiegroep gebruikt.

 

Preventie

Er zijn drie verschillende vormen van preventie. Primaire preventie wordt toegepast om contacteczeem te voorkomen. Dit wordt onder andere gedaan door het elimineren van allergenen en irritantia en het geven van voorlichting op de werkplek.

Secundaire preventie betekent dat contacteczeem of een determinant van contacteczeem wordt opgespoord en behandeld en maatregelen worden genomen ter voorkoming van de klachten. Bij tertiaire preventie wordt verergering van reeds aanwezige contacteczeem voorkomen (Schaapveld 1997).

 

Primaire preventie

Voor het ontwikkelen van contacteczeem is contact met een irritantia of allergeen nodig. Primaire preventie van contacteczeem bestaat daarom uit het vermijden van contact met allergenen en irritantia of aanpassen van de frequentie, concentratie en tijd waarmee de huid hieraan blootgesteld wordt. Dit kan worden bereikt door het dragen van beschermende kleding en handschoenen (Löffler 2002).

De verschillende stappen in de toepassing van de maatregelen bij primaire preventie zijn omschreven in een meta-analyse van Nicholson, 2011. Deze stappen zijn hieronder beschreven.

1. Vermijden/verwijderen van allergenen/irritantia

2. Vervangen van allergenen/irritantia door een vergelijkbaar werkende stof

3. Technische maatregelen, zoals behuizing of automatisering.

4. Gezondheidstoezicht en controle op veilige werkwijzen

5. Persoonlijke beschermingsmaatregelen, zoals handschoenen, veiligheidsbrillen en stofmaskers.

 

De Nederlandse overheid stimuleert dat de sociale partners in branches afspraken maken over gezondheid en werk in de vorm van arbocatalogi. Een arbocatalogus is een document waarin is vastgelegd hoe de werkzaamheden in een bepaalde sector van bedrijven veilig kunnen worden uitgevoerd. Voor informatie over welke branches afspraken gemaakt hebben over irriterende en allergene stoffen wordt verwezen naar de website van de Overheid www.arboportaal.nl.

 

Secundaire preventie

In een case-controlstudie (Wulfhorst 2010) onder 300 kappers, komt naar voren dat interdisciplinaire secundaire preventie (ISP) (zorgketen met huisarts, dermatoloog, bedrijfsarts, verpleegkundige, etc) beter werkt dan alleen dermatologische behandeling. ISP bestaat uit vier verschillende fasen.

1. Dermatologisch onderzoek en behandeling

2. Informatieverstrekking over huidafwijkingen en persoonlijke beschermingsmiddelen

3. Consultatie op de werkplek

4. Voorlichting/consultatie en dermatologisch onderzoek.

In figuur 2 zijn de controlegroep (CG) en de interventiegroep (IG) vergeleken, door te kijken naar het behouden van het werk na de toepassing van ISP.

 

Tijd

IG behouden van werk

CG behouden van werk

IG ontslag door OSD

CG ontslag door OSD

9 maanden

71,8%

60%

14,7%

22,5%

5 jaar

58,7%

29,1%

12,8%

27,3%

10 jaar

53,2%

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Figuur 2. Behoud en ontslag van werk, na toepassing van ISP bij de controle- en interventiegroep.

Occupational skin disease (OSD).

 

Uit een case-serie (Apfelbacher 2009) onder 206 gezondheidszorgmedewerkers blijkt dat secundaire individuele preventie (SIP) helpt om werkgerelateerde huidaandoeningen te verminderen. In het onderzoek is een verbetering waargenomen van beroepsgebonden contacteczeem van 23,9%. Van de 206 deelnemers vindt 72% dat de huidconditie verbeterd is na de SIP. 20% geeft aan dat de symptomen gestabiliseerd zijn.

 

Periodiek medisch onderzoek voor werknemers
Beroepsgebonden huidaandoeningen kunnen tot verlies van werk leiden. Gegevens uit het Britse Epidermproject lieten zien dat 7% van de patiënten met contacteczeem hierdoor werk was kwijtgeraakt en 16.8 % er door had moeten verzuimen (Adisesh 2002). De meeste werknemers met handeczeem verzuimen echter niet en blijven onbekend aan de bedrijfsarts (NVAB Richtlijn Contacteczeem, 2006).

Dit is reden voor de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde om een actieve monitoring te bepleiten van de dermatologische gezondheidsschade als gevolg van het werk. In de praktijk betekent dit een screening handeczeem met extra aandacht voor medewerkers met een atopische constitutie, respectievelijk met eczeem in de anamnese  (Dickel 2003; Coenraads 1998; Rystedt 1985)

 

Tertiaire preventie

Tertiaire preventie houdt in het voorkomen van optreden van een recidief. De case-serie van Matterne, Diepgen en Weisshaar, 2010, geeft weer dat het belangrijk is voorlichting en gedragsverandering toe te passen bij patiënten in de gezondheidszorg met beroepsgebonden contacteczeem.

Bevordering van persoonlijke controle en de houding ten opzichte van persoonlijke beschermingsmiddelen, kunnen de symptomen van OSD verminderen.

In een andere case-serie (Skudlik, 2007) van 1164 patiënten met beroepsgebonden contacteczeem is naar voren gekomen dat het baanbehoud door toepassing van tertiaire individuele preventie (TIP) significant groter is.

Implementatie van tertiaire preventie in de Nederlandse markt is onvoldoende ontwikkeld. 

Referenties

  1. Adisesh A, Robinson E, Nicholson PJ, Sen D, Wilkinson M. UK Standards of Care for Occupational vontact dermatitis and Occupational Contact Urticaria. Br J Dermatol. 2013 Feb 3.
  2. Chew AL, Maibach HI. Occupational issues of irritant contact dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 2003; 76: 339–346.
  3. Dickel H et al. Occupational skin diseases in Northen Bavaria between 1990: a population based study. Br. J. Dermatol 2001; 145: 453-462.
  4. Diepgen TL. Occupational skin disease data in Europe. Int Arch Occup Environ Health 2003; 76: 331-338.
  5. Diepgen TL, Coenraads PJ. Occupational Contact Dermatitis.In : Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 51-58.
  6. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009;161: 337-344.
  7. Geier J, Krautheim A, Lessmann H. Allergologische Diagnostik und aktuelle Allergene in der Berufsdermatologie. Hautarzt 2009. 60: 708–717.
  8. Kütting B, Baumeister T, Weistenhöfer W, Pfahlberg A, Uter W, Drexler H. Effectiveness of skin protection measures in prevention of occupational hand eczema: results of a prospective randomized controlled trial over a follow-up period of 1 year. British Journal of Dermatology 2010, 162: 362–370.
  9. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of dermatology 2002; 12: 4-9.
  10. Pal T.M., Bakker J.G. Werken met allergenen. Arbo-Informatieblad 2010, 55. Sdu uitgevers, Den Haag.
  11. Smedley J Concise guidance: diagnosis, management and prevention of occupational contact dermatitis.; OHCEU Dermatitis Group;BOHRF Dermatitis Group. Clin Med. 2010 Oct;10(5):487-90.
  12. Uter W, Rämsch C, Aberer W, Ayala F, Balato A, Beliauskiene A, et al. The European baseline series in 10 European Countries, 2005/2006--results of the European Surveillance System on Contact Allergies (ESSCA). Contact Dermatitis 2009, 61(1): 31-8.
  13. Johansen JD, Frosch PJ, Lepoittevin J-P. Contact Dermatitis 5th ed, 2011.
  14. Bauer A, Schmitt J, Bennett C, Coenraads PJ, Elsner P, English J, Williams HC. Interventions for preventing occupational irritant hand dermatitis. Cochrane Database of Systematic Reviews 2010, Issue 6.
  15. Basketter DA. Skin sensitization: strategies for the assessment and management of risk. British Journal of ermatology 2008;159: 267-273.
  16. Boyce JM, Kelliher S, Vallande N. Skin irritation and dryness associated with two hand-hygiene regimens: soap-and-water hand washing versus hand antisepsis with an alcoholic hand gel. Infect Control Hosp Epidemiol 2000; 21 (7): 442-448.
  17. Jungbauer FH, van der Harst JJ, Groothoff JW, Coenraads PJ. Skin protection in nursing work: promoting the use of gloves and hand alcohol. Contact Dermatitis 2004; 51 (3): 135-140.
  18. Held E, Wolff C, Gyntelberg F, Agner T. Prevention of work-related skin problems in student auxiliary nurses: an intervention study. Contact Dermatitis 2001; 44 (5) :297-303.
  19. Kampf van G, Ennen J, Regular use of a hand cream can attenuate skin dryness and roughness caused by frequent hand washing 2006; 6:1.
  20. B. Kütting, T. Baumeister, W. Weistenhöfer, A. Pfahlberg, W. Uter, H. Drexler. Effectiveness of skin protection measures in prevention of occupational hand eczema: results of a prospective randomized controlled trial over a follow-up period of 1 year. British Journal of Dermatology 2010, 162: 362–370.
  21. NVAB Richtlijn Contacteczeem 2006. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde.
  22. Williams C, Wilkinson SM, McShane P, Lewis J, Pennington D, Pierce S, et al. A double-blind, randomized study to asses the effectiveness of different moisturizers in preventing dermatitis induce by hand washing to stimulate healthcare use.British Journal of Dermatology 2009; 162: 1088-1092.
  23. Aalto-Korte K, Ackermann L, Henriks-Eckerman ML et al. 1,2-benzisothiazolin-3-one in disposable polyvinyl chloride gloves for medical use. Contact Dermatitis 2007: 57 (6): 365-370.
  24. Allmers H, Schmengler J, Skudlik C, John SM. Current concept of preventing occupational allergies to natural rubber latex in Germany. Business Briefing: hospital engineering&facilities management 2005.
  25. Bakker JG, Lenderink AF. Beroepsziektemelding staat en valt met de diagnose. Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde 2007; 15 (10): 475-476.
  26. Bergendorff O, Hansson C. Spontaneous formation of thiuram disulfides in solutions of iron(III) dithiocarbamates. J Agric Food Chem 2002; 50 (5): 1092-1096.
  27. Boman A. Protective Gloves. In: Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 1225-1234.
  28. Saary J, Qureshi R, Palda V, DeKoven J, Pratt M, Skotnicki-Grant S, Holness L. A systematic review of contact dermatitis treatment and prevention. J Am Acad Dermatol 2005; 53: 845-55.
  29. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009; 161: 337-344.
  30. Chummun NH. Latex glove disorders: a management strategy for reducing skin sensitivity. Journal of Nursing Management 2002; 10: 161–166.
  31. Ito A, Imura T, Sasaki K et al. Allergic contact dermatitis due to mono(2-ethylhexyl) maleate in di-(n-octyl)tin-bis(2-ethylhexyl maleate) in polyvinyl chloride gloves. Contact Dermatitis 2009: 60 (1): 59-61.
  32. Matthieu L, Godoi AF, Lambert J, Grieken R van. Occupational allergic contact dermatitis from bisphenol A in vinyl gloves. Contact Dermatitis 2003: 49 (6): 281-283.
  33. Merget R et al. The German experience 10 years after the latex allergy epidemic: need for further preventive measures in healthcare employees with latex allergy. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83 (8): 895-903.
  34. Pontén A. Formaldehyde in reusable protective gloves. Contact Dermatitis. 2006 May; 54 (5): 268-71.
  35. Sowa J, Kobayashi H, Tsuruta D, Sugawara K, Ishii M. Allergic contact dermatitis due to adipic polyester in vinyl chloride gloves. Contact Dermatitis 2005: 53 (4): 243-244.
  36. Wilke A, John SM. Online databases and Sources of Information. In: Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 1235-1239.
  37. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009;161: 337-344.
  38. Krecisz B, Kiec-Swierczynska M, Chomiczewska D. Dermatological screening and results of patch testing among Polish apprentice hairdressers. Contact Dermatitis 2010; 64: 90–95.
  39. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of Dermatology 2002; 12: 4-9.
  40. Nicholson PJ. Evidence-based guidelines: occupational contact dermatitis and urticaria. Occupational Medicine 2010; 60: 502–506.
  41. Nicholson, 2011 Occupational contact dermatitis: Known knowns and known unknowns. Clinics in Dermatology; 2011; 29: 325–330.
  42. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of Dermatology 2002; 12:4-9.
  43. Adams RM. Reflecting on developments in occupational dermatitis. Clin Dermatol 1997; 15 (4): 473-477.
  44. Adisesh A, Meyer JD, Cherry NM. Prognosis and work absence due to occupational contact dermatitis. Contact Dermatitis 2002; 46: 273-279.
  45. Apfelbacher CJ, Soder S, Diepgen TL, Weisshaar E. The impact of measures for secondary individual prevention of work-related skin diseases in health care workers: 1-year follow-up study. Contact Dermatitis 2009; 60: 144–149.
  46. Coenraads PJ, Diepgen TL. Risk for hand eczema in employees with past or present atopic dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 1998; 71 (1): 7-13.
  47. Dickel H, Bruckner TM, Schmidt A, Diepgen TL. Impact of atopic skin diathesis on occupational skin disease incidence in a working population. J Invest Dermatol 2003; 121 (1): 37-40.
  48. Leikin JB, Davis A, Klodd DA, Thunder T, Kelafant GA, Paquette DL et al. Selected topics related to occupational exposures. Dis Mon 2000; 46 (4): 240-322.
  49. Rystedt I. Atopic background in patients with occupational hand eczema. Contact Dermatitis 1985; 12 (5): 247-254.
  50. Smith A. Contact dermatitis: diagnosis and management. Br J Community Nurse 2004; 9 (9): 365-371.
  51. Warshaw E, Lee G, Storrs FJ. Hand dermatitis: a review of clinical features, therapeutic options, and long-term outcomes. Am J Contact Dermat 2003; 14 (3): 119-137.
  52. Wulfhorst B, Bock M, Gediga G, Skudlik C, Allmers H, John SM. Sustainability of an interdisciplinary secondary prevention program for hairdressers. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83: 165–171.
  53. Matterne U, Diepgen TL, Weisshaar E. Effects of a health-educational and psychological intervention on socio-cognitive determinants of skin protection behavior in individuals with occupational dermatoses. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83: 183–189.
  54. Skudlik C, Wulfhorst B, Gediga G, Bock M, Allmers H, John SM. Tertiary individual prevention of occupational skin diseases: a decade’s experience with recalcitrant occupational dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 2008; 81: 105.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 30-11-2013

Laatst geautoriseerd : 30-11-2013

Een richtlijn heeft alleen zeggingskracht als op continue basis onderhoud plaatsvindt, op grond van systematische monitoring van zowel de medisch wetenschappelijke literatuur als praktijkgegevens en door gebruikers van de richtlijn aangeleverde commentaren. Voor deze richtlijn is afgesproken één keer per jaar de literatuur te bekijken om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Bij essentiële ontwikkelingen kan besloten worden om een gehele richtlijnwerkgroep bij elkaar te roepen en tussentijdse elektronische amendementen te maken en deze onder de verschillende beroepsgroepen te verspreiden. In de huidige richtlijn zijn er geen multidisciplinaire indicatoren ontwikkeld. De ontwikkeling van indicatoren is een aandachtspunt bij een toekomstige herziening van de richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door de Orde van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn over contacteczeem is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming, gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met contacteczeem en schenkt aandacht aan de psychosociale zorg en patiëntenvoorlichting.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroepen, waartoe behoren: dermatologen, arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen, huisartsen, maatschappelijk werkers, psychologen en verpleegkundigen.Voor patiënten is een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordiging van dermatologen, arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen en huisartsen. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische werkgroepleden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel werkgroeplid ontving gunsten met het doel de richtlijn te beïnvloeden.

 

WERKGROEP 

Dr. T. Rustemeyer

voorzitter namens Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Mw. Dr. F. B. de Waard–van der Spek

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Prof. dr. P.J. Coenraads

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. P.G.M. van der Valk

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Drs. F. Blok

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Prof. dr. D.P. Bruynzeel

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. J.G. Bakker

Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)

Mw. Drs. C. J.H. de Vries

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

 

dr. J. J. E. van Everdingen

directeur Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Mw. Drs. C.M.J.M. Bik

ondersteuner/secretaris namens Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

 

De werkgroep is mede ondersteund door Betty Hagendoorn (studente geneeskunde), Floortje Joosten (studente huidtherapie) en Audrey Meulendijks (studente huidtherapie).

Inbreng patiëntenperspectief

De NVDV heeft een patiëntenversie van de richtlijn Contacteczeem ontwikkeld. Zie bij aanverwante producten.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen.De richtlijn wordt verspreid onder alle bij contacteczeem betrokken beroepsgroepen. Ook wordt een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht aan worden besteed.Daarnaast wordt de richtlijn onder de aandacht gebracht via de betrokken patiëntenverenigingen.

Werkwijze

De werkgroep heeft gedurende twee jaar (zes vergaderingen) aan een concept-richtlijntekst gewerkt. In de eerste vergadering werden knelpunten en wensen ten aanzien van de richtlijn geïnventariseerd. De werkgroep formuleerde aan de hand hiervan de in de richtlijn vermelde uitgangsvragen. Deze werden op het bureau van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie (NVDV) uitgewerkt tot een PICO-zoekvraag. Via systematische zoekopdrachten en reference checking is bruikbare literatuur verzameld, met hulp van een informatiespecialist werkzaam bij de Orde van Medisch Specialisten.Deze literatuur is ingeladen in Reference Manager of op PubMed gezet en ontdubbeld. De ondersteuners op het bureau van de NVDV en een medewerker van het NHG hebben de literatuur beoordeeld op inhoud en kwaliteit. Vervolgens zijn er teksten geschreven, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Deze teksten, op basis van de evidencetabellen uit de literatuur, zijn tijdens een tweedaagse vergadering besproken en van nuances en aanbevelingen voorzien. Na verdere discussie binnen de gehele richtlijnwerkgroep is de tekst verder afgestemd. Deze richtlijntekst is voor een aantal richtlijngedeeltes de basistekst geweest. Daarnaast is het boek Contact Dermatitis en Kanerva’s Occupational Dermatology (Johansen 2010, Rustemeyer 2012)1,2 gebruikt als achtergrondinformatie.

 

De uiteindelijke teksten vormden samen de concept-richtlijn, die in oktober 2012 aan alle betrokken wetenschappelijke verenigingen werd aangeboden. Men is in staat gesteld om via websites van de betrokken verenigingen commentaar op de richtlijn te geven. De commentaren zijn in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

Wetenschappelijke bewijsvoering

De aanbevelingen uit deze richtlijn zijn, voor zover mogelijk, gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek.

 

Relevante artikelen zijn gezocht door het verrichten van systematische zoekacties in de Cochrane Library, Pubmed, EMBASE. Er is niet beperkt op publicatiedatum, tijdschrift, leeftijd of geslacht. De artikelen zijn geselecteerd op grond van de volgende criteria: (a) Engelstalige, Duitstalige, Franstalige of Nederlandstalige publicaties en (b) gepubliceerd als ‘full paper’. Vanwege het veelal ontbreken van randomized clinical trials is er voor de meeste zoekacties niet beperkt op de fundamentele opzet van de studie.

Algemene exclusiecriteria waren:

  • Dubbele publicaties
  • Taal anders dan Nederlands, Engels, Duits en Frans

 

De zoekacties zijn met behulp van de PICO-systematiek opgebouwd. Dit houdt in dat voor elke uitgangsvraag een zoekvraag is geformuleerd waarbij zoveel mogelijk deze structuur is gehanteerd: Patiënt – Interventie – Controle – Outcome. De zoekvragen hebben de P als gemeenschappelijk onderdeel, de overige onderdelen van de PICO zijn geformuleerd op basis van de uitgangsvraag.

 

Van de geselecteerde referenties op basis van titel en/of abstract werd de full-tekst aangevraagd. Op basis van full-tekst artikelen is vervolgens verder geselecteerd en zijn artikelen zonder informatie over de betreffende uitgangsvraag geëxcludeerd. De overgebleven artikelen zijn full-tekst beoordeeld op kwaliteit en inhoud.

 

Methode van literatuurbeoordeling

De kwaliteit van de artikelen is hierbij gegradeerd waarbij de indeling in tabel 1 is gebruikt. Per deelonderwerp is vervolgens een evidence tabel opgesteld, volgens van tevoren opgesteld format (zie evidence tabellen). De literatuur is samengevat in een conclusie, waarbij het niveau van het relevante bewijs is weergegeven.

 

Tabel 1: Indeling van de literatuur naar de mate van bewijskracht

 

Voor artikelen betreffende: interventie (preventie of therapie)

A1 systematische reviews die tenminste enkele onderzoeken van A2-niveau bevatten, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn;

A2 gerandomiseerd, vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie;

B gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiënt-controle-onderzoek);

C niet-vergelijkend onderzoek;

D mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

Voor artikelen betreffende: diagnostiek

A1 onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde, goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests;

A2 onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruikgemaakt zijn van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de 'gouden standaard' moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. Bij situaties waarbij multipele, diagnostische tests een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie;

B vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd;

C niet-vergelijkend onderzoek;

D mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

Niveau van bewijs van de conclusies

1 een systematische review (A1) of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A1 of A2

2 tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3 een onderzoek van niveau A2 of B of onderzoek van niveau C

4 mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Hierin wordt de conclusie op basis van de literatuur geplaatst in de context van de dagelijkse praktijk en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen. Het volgen van deze procedure en het opstellen van de richtlijn in dit ‘format’ heeft als doel de transparantie van de richtlijn te verhogen. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroepvergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

 

Johansen JD, Frosch PJ, Lepoittevin JP. Contact Dermatitis. Springer-Verlag Berlin Heidelberg; 2011, 5th ed.

2 Rustemeyer Th, Elsner P, John SM, Maibach HI (Eds.) Kanerva’s occupational dermatology. 2nd ed. 2012, 2020 p. 780 illus., 288 in color.