Contacteczeem arbeid

Laatst beoordeeld: 30-11-2013

Uitgangsvraag

Verhoogd risico op contacteczeem in branches en beroepen.

Aanbeveling

Beroepen en bijbehorende allergenen en irritantia

Voorafgaand aan ‘vuil’ werk kan het nuttig zijn om de handen in te vetten, bijvoorbeeld met vaseline. Dat voorkomt vaak de noodzaak om achteraf de handen intensief te wassen.

Overwegingen

Beroepen en bijbehorende allergenen en irritantia

‘Vuil’ werk hoeft geen irritatieve werking te hebben, maar het frequente handen wassen wel.

Inleiding

Deze module behandeld het volgende punt:

  • Beroepen en bijbehorende allergenen en irritantia

Conclusies

Beroepen en bijbehorende allergenen en irritantia

Niveau 3

Er zijn verschillende beroepen met verhoogd risico op beroepsgebonden allergisch of irritatief contacteczeem.

De belangrijkste zijn; kappers, schoonmakers, zorgprofessionals, metaalbewerkers en werknemers in de voedingsmiddelenindustrie.

 

C Uter, 2009

C Geier, 2009

 

Niveau 1

Nat werk is de belangrijkste exogene oorzaak van beroepsgerelateerd irritatief contacteczeem.

Constitutioneel eczeem is een risicofactor voor het ontwikkelen van irritatief contacteczeem

 

A1 Chew, 2003

A2 Dulon, 2009

A2 Kütting, 2009

C Löffler, 2002

  

Niveau 4

Beroepen waarin expositie plaatsvindt met een sterk allergeen, vormen een risico op het ontwikkelen van allergisch contacteczeem.

Ook het uitoefenen van een risicoberoep in combinatie met een verstoorde huidbarrière en verhoogde aanleg voor contacteczeem vormen een risico.

Samenvatting literatuur

Beroepen en bijbehorende allergenen en irritantia

Er is een aantal branches en beroepen waarbij het risico op contacteczeem verhoogd is. Binnen deze branches en beroepen is specifiek of verhoogd contact met allergenen en irritantia mogelijk. Hierdoor is de kans op het ontwikkelen van allergisch contacteczeem en/of irritatief contacteczeem verhoogd. In Noord-Beieren werd een prospectieve populatiestudie uitgevoerd onder 5285 patiënten die met ernstig of recidiverend beroepsgebonden eczeem aangemeld waren bij de bedrijfsvereniging tussen 1990 en 1999 (Dickel et al, 2001; Diepgen 2003: Diepgen TL en Coenraads PJ, 2012). De geschatte overall incidence was 0.67 cases per 1000 werkenden per jaar. De hoogste incidenties werden gevonden bij kappers (4.69 voor irritant contacteczeem en 6.72 voor allergisch contacteczeem), gevolgd door bakkers met incidenties van 2.35 resp. 1.09 en bloemisten met 0.78 en 1.55. Tachtig procent van alle beroepsgebonden huidaandoeningen kwamen voor in de volgende zeven beroepen: kappers, metaalarbeiders, gezondheidszorg, voedselindustrie, schoonmakers, bouwvakkers en schilders.

Uit een systematic review (Chew AL 2003) over tien verschillende studies van irritant contacteczeem is een lijst gekomen van de meest voorkomende irritantia in beroepen en branches waarbij er een verhoogd risico is op het ontwikkelen van irritant contacteczeem. Voor allergisch contacteczeem is uit een data-analyse (Geier 2009) van de Deutsche Kontaktallergie Gruppe (DKG) naar voren gekomen welke allergenen het meest voorkomen in Duitsland. Dit is per branche en beroep beschreven.

In een data-analyse (Uter 2009) onder 19.793 patiënten, die in 2005/2006 epicutaan allergologisch onderzoek met plakproeven ondergingen met de Europese standaardreeks, zijn de meest voorkomende allergenen vastgesteld. De patchtesten werden uitgevoerd in 31 deelnemende departementen uit tien verschillende Europese landen.

 

In figuur 1 zijn de gegevens uit de drie bovengenoemde onderzoeken samengevoegd in combinatie met gegevens uit het tekstboek Contact Dermatitis (Johansen 2010), tekstboek Kanerva’s Occupational Dermatology (Rustemeyer 2012) en het Arbo-Informatieblad “werken met allergenen” (Pal TM, Bakker JG, 2010).

 

Beroep en branche

Beroepen

Allergenen

Irritantia


Agrarische branche

Bloemist

Boer

Tuinder

 

Bestrijdingsmiddelen

Conserveermiddelen

Geurstoffen

Haren

Latex

Plantallergenen

  • Sesquiterpene lactone (bijv. chrysanten, moederkruid)
  • Tulipaline A (bijv. tulpen en Alstroemeria)
  • Primine
  • Ui, bieslook, knoflook

Rubber Hulpstoffen

Excrementen

Dierepitheel, speeksel

Schoonmaakmiddelen

Detergentia

Meststoffen

Nat werk

Occlusieve handschoenen

Oplosmiddelen

Bestrijdingsmiddelen

Planten

Mechanische factoren

Klimaat

Auto-industrie

Automonteur

Fabrieksmedewerker

Spuiter

Autoschadehersteller

Acrylaten

Conserveermiddelen

Detergenten

epoxyharsen

Formaldehyde resin

Garagezeep

Geurstoffen

Remvloeistoffen

Rubberadditieven

  • Thiuram
  • Carbamaten
  • Mercaptoverbindingen
  • N-isopropyl-N-phenyl-4-phenylenediamine (zwart rubber)

4-tert-butylphenol

Cleaners

Detergentia

Oliën (snijoliën)

Oplosmiddelen

Brandstoffen Hydraulische vloeistoffen

Oplosmiddelen

Mechanische belasting

 

Gezondheidszorg

Arts

Tandarts

Tandtechnicus

Verpleegkundige

 

Acrylaten

antibiotica

Benzoylperoxide

Conserveermiddelen

Desinfectantia

  • Formaldehyde
  • Chloorhexidine
  • Jodium
  • glutaalaldehyde

Geurstoffen

Harsen, zoals melamine formaldehydehars

Latex

Medicamenten

Methacrylaatmonomeren

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Alcohol

Cleaners

Detergentia

Desinfectantia

Medicamenten

Nat werk

 

Voedingsbranche

Fabriekswerker

Kok

 

Composieten mix

Conserveermiddelen

Dierlijke eiwitten

Formaldehyde

Groenten, fruit, kruiden

Hout van handgrepen

Kleurstoffen

Latex

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Smaakstoffen

Stabilisatoren

Bloem

Cleaners

Detergentia

Fruit

Groente

Kruiden

Nat werk

Dierlijke eiwitten

 

Metaalbranche

Lasser

Bankwerker

Biociden,

Conserveermiddelen in metaalbewerkingsvloeistoffen

Emulgatoren

Harsen

Kobalt

Nikkel

Propyleenglycol

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Cleaners

Detergentia

Klei

Lijm

Oplosmiddelen

Verf

 

Bouw

Metselaar

Schilder

Timmerman

 

 

Chromaat (cement)

Epoxy harsen

Isocyanaten (MCI/MI)

Kobalt

Latex

Lijmen

Polyurethaan

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Terpentine

 

Basen

Cement

Cleaners

Detergentia

Gips

Glasvezel

Hout

Conserveermiddelen

Kunststoffen

Oliën

Oplosmiddelen

Snijvloeistoffen

Zaagsel

Zuren

Rubberbranche

Fabriekswerker

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Cleaners

Detergentia

Oplosmiddelen

 

Beautybranche

Kapper

Schoonheidsspecialist

 

Conserveermiddelen

Geurstoffen

Haarkleurstoffen

  • paraphenylene diamine
  • diaminotoluene sulfate
  • aminophenol

Latex

Oliën

Permanentvloeistof: glyceryl monothioglycolate

Persulfaten

Rubberaddditieven: zie auto-industrie

Bleekmiddelen

Nat werk

Oxiderende middelen

Permanent vloeistof

Shampoo’s

 


Elektronicabranche

Elektricien

ICT

Installateur

Colofonium

Epoxy hars

Kunststoffen

Lijmen

Metalen

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Basen

Cleaners

Detergentia

Oplosmiddelen

Soldeervloeistof

Zuren

 

Schoonmaak-branche

Schoonmakers

 

Formaldehyde

Geurstoffen

Latex

Rubberadditieven: zie auto-industrie

Cleaners

Detergentia

Nat werk

Schuurmiddelen

Kunststofbranche

Bankwerker

Fabriekswerker

(meth)Acrylaat

Epoxy harsen

Isocyanaten

Additieven, bijv. harders

 

Figuur 1. Risicoberoepen met bijbehorende allergenen en irritantia.

 

Deze opsomming is verre van volledig en geeft slechts een indicatie van mogelijke allergenen en irritantia. Bovendien kan de opsomming veranderen door de introductie van nieuwe producten met nieuwe allergenen of door verandering van werkwijze.

 

Uit een review van Löffler & Effendy, 2002 blijkt dat voor het ontwikkelen van irritatief contacteczeem verschillende exogene factoren relevant kunnen zijn. Zo werd aangetoond dat de frequentie en duur van contact met irritantia invloed heeft op het ontwikkelen van irritatief contacteczeem. De voornaamste reden hiervoor is dat de beschadigde huidbarrière onvoldoende tijd heeft om te herstellen (Malten 1981). Hierdoor dringen de irritantia dieper de huid in. Belangrijk is ook de observatie dat bij hogere omgevingstemperaturen sommige irritantia een hoger penetratievermogen verwerven en de huidbarriereschade na contact toeneemt. De (bijna) gelijktijdige blootstelling aan verschillende huidirritantia kan een synergistische werking op de huidbarrièrebeschadiging veroorzaken.

De RCT’s, uitgevoerd bij 388 verpleegkundigen (Dulon 2009) en 800 metaalwerkers (Kütting 2009), onderstrepen de belangrijke rol van nat werk als belangrijke factor voor het verhogen van de kans op het ontwikkelen van irritatief contacteczeem.

Referenties

  1. Adisesh A, Robinson E, Nicholson PJ, Sen D, Wilkinson M. UK Standards of Care for Occupational vontact dermatitis and Occupational Contact Urticaria. Br J Dermatol. 2013 Feb 3.
  2. Chew AL, Maibach HI. Occupational issues of irritant contact dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 2003; 76: 339–346.
  3. Dickel H et al. Occupational skin diseases in Northen Bavaria between 1990: a population based study. Br. J. Dermatol 2001; 145: 453-462.
  4. Diepgen TL. Occupational skin disease data in Europe. Int Arch Occup Environ Health 2003; 76: 331-338.
  5. Diepgen TL, Coenraads PJ. Occupational Contact Dermatitis.In : Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 51-58.
  6. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009;161: 337-344.
  7. Geier J, Krautheim A, Lessmann H. Allergologische Diagnostik und aktuelle Allergene in der Berufsdermatologie. Hautarzt 2009. 60: 708–717.
  8. Kütting B, Baumeister T, Weistenhöfer W, Pfahlberg A, Uter W, Drexler H. Effectiveness of skin protection measures in prevention of occupational hand eczema: results of a prospective randomized controlled trial over a follow-up period of 1 year. British Journal of Dermatology 2010, 162: 362–370.
  9. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of dermatology 2002; 12: 4-9.
  10. Pal T.M., Bakker J.G. Werken met allergenen. Arbo-Informatieblad 2010, 55. Sdu uitgevers, Den Haag.
  11. Smedley J Concise guidance: diagnosis, management and prevention of occupational contact dermatitis.; OHCEU Dermatitis Group;BOHRF Dermatitis Group. Clin Med. 2010 Oct;10(5):487-90.
  12. Uter W, Rämsch C, Aberer W, Ayala F, Balato A, Beliauskiene A, et al. The European baseline series in 10 European Countries, 2005/2006--results of the European Surveillance System on Contact Allergies (ESSCA). Contact Dermatitis 2009, 61(1): 31-8.
  13. Johansen JD, Frosch PJ, Lepoittevin J-P. Contact Dermatitis 5th ed, 2011.
  14. Bauer A, Schmitt J, Bennett C, Coenraads PJ, Elsner P, English J, Williams HC. Interventions for preventing occupational irritant hand dermatitis. Cochrane Database of Systematic Reviews 2010, Issue 6.
  15. Basketter DA. Skin sensitization: strategies for the assessment and management of risk. British Journal of ermatology 2008;159: 267-273.
  16. Boyce JM, Kelliher S, Vallande N. Skin irritation and dryness associated with two hand-hygiene regimens: soap-and-water hand washing versus hand antisepsis with an alcoholic hand gel. Infect Control Hosp Epidemiol 2000; 21 (7): 442-448.
  17. Jungbauer FH, van der Harst JJ, Groothoff JW, Coenraads PJ. Skin protection in nursing work: promoting the use of gloves and hand alcohol. Contact Dermatitis 2004; 51 (3): 135-140.
  18. Held E, Wolff C, Gyntelberg F, Agner T. Prevention of work-related skin problems in student auxiliary nurses: an intervention study. Contact Dermatitis 2001; 44 (5) :297-303.
  19. Kampf van G, Ennen J, Regular use of a hand cream can attenuate skin dryness and roughness caused by frequent hand washing 2006; 6:1.
  20. B. Kütting, T. Baumeister, W. Weistenhöfer, A. Pfahlberg, W. Uter, H. Drexler. Effectiveness of skin protection measures in prevention of occupational hand eczema: results of a prospective randomized controlled trial over a follow-up period of 1 year. British Journal of Dermatology 2010, 162: 362–370.
  21. NVAB Richtlijn Contacteczeem 2006. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde.
  22. Williams C, Wilkinson SM, McShane P, Lewis J, Pennington D, Pierce S, et al. A double-blind, randomized study to asses the effectiveness of different moisturizers in preventing dermatitis induce by hand washing to stimulate healthcare use.British Journal of Dermatology 2009; 162: 1088-1092.
  23. Aalto-Korte K, Ackermann L, Henriks-Eckerman ML et al. 1,2-benzisothiazolin-3-one in disposable polyvinyl chloride gloves for medical use. Contact Dermatitis 2007: 57 (6): 365-370.
  24. Allmers H, Schmengler J, Skudlik C, John SM. Current concept of preventing occupational allergies to natural rubber latex in Germany. Business Briefing: hospital engineering&facilities management 2005.
  25. Bakker JG, Lenderink AF. Beroepsziektemelding staat en valt met de diagnose. Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde 2007; 15 (10): 475-476.
  26. Bergendorff O, Hansson C. Spontaneous formation of thiuram disulfides in solutions of iron(III) dithiocarbamates. J Agric Food Chem 2002; 50 (5): 1092-1096.
  27. Boman A. Protective Gloves. In: Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 1225-1234.
  28. Saary J, Qureshi R, Palda V, DeKoven J, Pratt M, Skotnicki-Grant S, Holness L. A systematic review of contact dermatitis treatment and prevention. J Am Acad Dermatol 2005; 53: 845-55.
  29. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009; 161: 337-344.
  30. Chummun NH. Latex glove disorders: a management strategy for reducing skin sensitivity. Journal of Nursing Management 2002; 10: 161–166.
  31. Ito A, Imura T, Sasaki K et al. Allergic contact dermatitis due to mono(2-ethylhexyl) maleate in di-(n-octyl)tin-bis(2-ethylhexyl maleate) in polyvinyl chloride gloves. Contact Dermatitis 2009: 60 (1): 59-61.
  32. Matthieu L, Godoi AF, Lambert J, Grieken R van. Occupational allergic contact dermatitis from bisphenol A in vinyl gloves. Contact Dermatitis 2003: 49 (6): 281-283.
  33. Merget R et al. The German experience 10 years after the latex allergy epidemic: need for further preventive measures in healthcare employees with latex allergy. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83 (8): 895-903.
  34. Pontén A. Formaldehyde in reusable protective gloves. Contact Dermatitis. 2006 May; 54 (5): 268-71.
  35. Sowa J, Kobayashi H, Tsuruta D, Sugawara K, Ishii M. Allergic contact dermatitis due to adipic polyester in vinyl chloride gloves. Contact Dermatitis 2005: 53 (4): 243-244.
  36. Wilke A, John SM. Online databases and Sources of Information. In: Rustemeyer T, Elsner P, John SM, Maibach HI (ed): Kanerva’s Occupational Dermatology, second edition 2012, Springer Verlag, 1235-1239.
  37. Dulon M, Pohrt U, Skudlik C, Nienhaus A. Prevention of occupational skin disease: a workplace intervention study in geriatric nurses. British Journal of Dermatology 2009;161: 337-344.
  38. Krecisz B, Kiec-Swierczynska M, Chomiczewska D. Dermatological screening and results of patch testing among Polish apprentice hairdressers. Contact Dermatitis 2010; 64: 90–95.
  39. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of Dermatology 2002; 12: 4-9.
  40. Nicholson PJ. Evidence-based guidelines: occupational contact dermatitis and urticaria. Occupational Medicine 2010; 60: 502–506.
  41. Nicholson, 2011 Occupational contact dermatitis: Known knowns and known unknowns. Clinics in Dermatology; 2011; 29: 325–330.
  42. Löffler H, Effendy I. Prevention of irritant contact dermatitis. European Journal of Dermatology 2002; 12:4-9.
  43. Adams RM. Reflecting on developments in occupational dermatitis. Clin Dermatol 1997; 15 (4): 473-477.
  44. Adisesh A, Meyer JD, Cherry NM. Prognosis and work absence due to occupational contact dermatitis. Contact Dermatitis 2002; 46: 273-279.
  45. Apfelbacher CJ, Soder S, Diepgen TL, Weisshaar E. The impact of measures for secondary individual prevention of work-related skin diseases in health care workers: 1-year follow-up study. Contact Dermatitis 2009; 60: 144–149.
  46. Coenraads PJ, Diepgen TL. Risk for hand eczema in employees with past or present atopic dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 1998; 71 (1): 7-13.
  47. Dickel H, Bruckner TM, Schmidt A, Diepgen TL. Impact of atopic skin diathesis on occupational skin disease incidence in a working population. J Invest Dermatol 2003; 121 (1): 37-40.
  48. Leikin JB, Davis A, Klodd DA, Thunder T, Kelafant GA, Paquette DL et al. Selected topics related to occupational exposures. Dis Mon 2000; 46 (4): 240-322.
  49. Rystedt I. Atopic background in patients with occupational hand eczema. Contact Dermatitis 1985; 12 (5): 247-254.
  50. Smith A. Contact dermatitis: diagnosis and management. Br J Community Nurse 2004; 9 (9): 365-371.
  51. Warshaw E, Lee G, Storrs FJ. Hand dermatitis: a review of clinical features, therapeutic options, and long-term outcomes. Am J Contact Dermat 2003; 14 (3): 119-137.
  52. Wulfhorst B, Bock M, Gediga G, Skudlik C, Allmers H, John SM. Sustainability of an interdisciplinary secondary prevention program for hairdressers. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83: 165–171.
  53. Matterne U, Diepgen TL, Weisshaar E. Effects of a health-educational and psychological intervention on socio-cognitive determinants of skin protection behavior in individuals with occupational dermatoses. Int Arch Occup Environ Health 2010; 83: 183–189.
  54. Skudlik C, Wulfhorst B, Gediga G, Bock M, Allmers H, John SM. Tertiary individual prevention of occupational skin diseases: a decade’s experience with recalcitrant occupational dermatitis. Int Arch Occup Environ Health 2008; 81: 105.

Evidence tabellen

Evidencetabel Arbeid

Auteur/ jaar

Type studie

Populatie

Doel

Resultaten

Conclusie

Chummun 2002

Review

Verpleegkundige Managers, inkoopafdeling
personeel, infectiecontrole voor verpleegkundigen, beroepsziekte
gezondheid verpleegkundigen, handschoenfabrikanten en gezondheidszorg-
werknemers

Gezondheidszorg medewerkers informeren over het gevaar van langdurige blootstelling van latex handschoenen waardoor overgevoeligheid kan ontstaan

Handschoenen met een eiwit level van 100 µg/gram zal
meer ernstige huidreacties veroorzaken in vergelijking met handschoenen met een eiwit hoeveelheid van 50 µg/gram

Fabrikanten van handschoenen moeten het niveau van allergenen in handschoenen identificeren, zodat kopers beter geïnformeerd kunnen worden

Matterne 2010

Case serie

 

Onderzoek naar de houding van patiënten met OSD over TIP en de maatregelen die daarbij genomen moeten worden

Voor de toepassing van TIP hadden de patiënten positieve gedachten over het toepassen van TIP en dit werd steeds beter gedurende de toepassing ervan. Ook was er een significante toename in gedrag om huidbescherming te gebruiken.

De resultaten laten het belang van voorlichting en gedragsverandering in de gezondheidszorg zien bij patiënten met OSD.

Bevordering van persoonlijke controle en de houding ten opzichte van huid beschermingsmaatregelen kunnen de gezondheid van patiënten met OSD verminderen

Loffler 2002

Review

 

De aanbevolen methode voor het vermijden van ICD is met primaire preventie.

-De frequentie van contact met irriterende stoffen is belangrijk. De huid vergt tijd om te herstellen na elk contact met een irriterend wat?. Wanneer de frequentie hoog is kan de barrière van de huid niet herstellen
-De duur van het contact evenals de concentratie van de irriterende? zijn rechtstreeks verbonden met de irritatie
-Het soort contact is belangrijk. Occlusief contact kan het effect van irritatie op de huid verergeren. Handschoenen moeten dan ook zorgvuldig gebruikt worden
-De temperatuur van irriterende stoffen is relevant. Sommige chemische stoffen produceren een sterkere irritatie wanneer ze warm worden
-Mechanische irritatie ondersteunt chemische irritatie.
-Gelijktijdige actie van verschillende irriterende stoffen kan de irritatie op een onvoorspelbare manier versterken.
-Wanneer men een irritantia in de handschoen krijgt, leidt de occlusief milieu tot een toename van irritatie
-Mogelijkheid om onmiddellijke of vertraagd-type allergie voor latex en rubber te ontwikkelen

Periodieke opleiding en motivatie van personen met risico op ICD is belangrijk. Preventieve maatregelen hebben geen effect als ze niet regelmatig worden gebruikt.

Yip 2003

Review

 

De keuze van geschikte handschoenen om CD (Latex allergie) te voorkomen

NIOSH beveelt het gebruik van ongepoederde latex handschoenen met laag eiwitgehalte aan. Voor een droge huid door frequent handen wassen, moet olie of lotion worden gebruikt om huid vochtig en intact te houden. Latexcontact moet worden vermeden wanneer latexallergie wordt vermoed.

De nieuwste handschoenen op de markt zullen geen allergische reactie veroorzaken door het lage poeder en proteïne gehalte, of afwezigheid van poeder, mits er geen latexovergevoeligheid is.

Kampf 2007

Review

 

de mogelijkheden van handhygiëne voor werknemers in de gezondheidszorg met betrekking tot OHD

 

Men moet geïnformeerd zijn over het juiste gebruik van hand ontsmetting (Kies een niet alkalische gewone zeep), en vervanging voor een minder irriterend stof zoals ontsmetting op basis van alcohol. De CDC richtlijnen adviseren hand lotions en crèmes om ICD te minimaliseren. Handen moet droog zijn voordat handschoenen aan worden getrokken

Skudlik 2007

Case serie

1164 TIP patiënten met risicovol beroep voor het ontwikkelen van CD, 1 jaar gevolgd in de periode van 1994-2003

Deze studie toont het effect van de toepassing van de TIP bij patiënten met OCD.

Bij TIP vind overleg met een groep seminars en individuele plaats, betrekking tot de patiënt, over de bescherming van de specifieke huid voor elk individu Bescherming van de huid toegepast door de werkgever was significante succesvol met betrekking tot de baan voortzetting. De huid vergt 6 weken zonder irritantia, voor volledig barrière herstel

De verkregen gegevens uit TIP onthullen opmerkelijke relevante mogelijkheden voor interdisciplinaire samenwerking bij patiënten met groot risico op OSD

 

Williams 2009

RCT

132 vrijwillige patiënten, 16-65 jr, mannen en vrouwen, normale huid die geen huidverzorgings- producten gebruiken. Excl. huidtype 4 en 5

Het effect van applicatie van hydraterende crèmes na herhaald hand wassen (15 keer per dag) tegenover zeep, om zo ICD te voorkomen/verminderen

Crème A + B presenteren meer hydratatie van 0-7 en 0-14 dagen. Crème D alleen van 0-14 dagen. C + D toonde geen verschil in hydratatie.

Regelmatige toepassing van hydraterende crèmes op een normale huid hebben een beschermende werking op de barrière van de huid tegen blootstelling aan irritantia. Regelmatig gebruik van emmolients beschermen tegen het ontwikkelen van CD.

Skudlik 2008

Review

 

Effectiviteit van samenwerking van specialisten bij patiënten met OCD

 

Met optimale samenwerking van verscheidene specialisten en verzekering, kunnen de kosten van beroeps gerelateerd dermatitis worden verminderd

Kampf 2006

Cohort

25

Vaststellen van het effect op de huid bij HD bij gebruik van een handcrème en
na het wassen van de handen (gelet op huid hydratatie en huidruwheid)

Het wassen van de handen leid tot een geleidelijke verhoging van de ruwheid van de huid (van 100 (basislijn) tot een
maximum van 108.5 na 9 dagen). Gebruik van een handcrème na leid tot een daling van ruwheid van de huid. Hydratatie van de huid daalde geleidelijk na het wassen van de handen van 79 (basislijn) aan 65,5 na 14 dagen.

Herhaaldelijk en frequent handen wassen verhoogt droge huid en ruwheid. Gebruik van een handcrème onmiddellijk na elke wasbeurt verminderd een droge en ruwe huid.

Mälkönen 2010

Case serie

605 (330/275) patiënten Patiënten gediagnosticeerd met OHD in de periode van 1994-2001 door FIOH. Follow up van 7-14 jaar

Prognose, risicofactoren en consequenties van OHD

Hand eczeem was genezen (geen eczeem in het laatste jaar) in 40% van de patiënten met OHD. De tijd waarmee de patiënt al OHD had voor behandeling was sterk geassocieerd met het voortduren van OHD. Leeftijd en geslacht waren geen risicofactor, atopie wel.34% van de patiënten is van baan veranderd als gevolg van OHD. De prognose van deze groep was beter dan degene die in hetzelfde door bleven werken.

Risicofactoren voor het voortduren van OHD zijn langdurige aanwezigheid van OHD voordat de diagnose gesteld was, atopie en het doorgaan met dezelfde baan waardoor de OHD is ontstaan. Degene die van baan veranderde hadden een betere medische en economische prognose.

Agner 2009

Case serie

416 (164/252) Patiënten van 10 klinieken. Leeftijd van 18-87 jaar van september 2005 tot augustus 2006

Studie over OHD met betrekking tot de ernst, Qol en diagnose

63% van de testgroep had overgevoeligheidreactie voor een of meer allergenen (66% vrouwen en 51% mannen). Hoge leeftijd en verleden met constitutioneel eczeem zijn onafhankelijke risicofactoren voor een laag Qol. Constitutioneel eczeem en ACD worden geassocieerd met verhoogde ziekmelding op het werk

Diagnostische subgroepen werden niet gerelateerd aan specifieke allergenen. Overgevoeligheid bleek een risicofactor voor de ernst van hand eczeem, evenals hoge leeftijd, mannelijk geslacht en constitutioneel eczeem.

Cheng-Che 2010

Case serie

1132 verpleegkundige van Kaohsiung Medical University Hospital

Effect van constitutioneel eczeem op het voorkomen van OHD en het identificeren van risicofactoren bij verpleegkundige zonder atopie, maar met HD

Patiënten met constitutioneel eczeem hadden 3.76 keer meer kans op het ontwikkelen van HD dan degene zonder constitutioneel eczeem

Ondanks dat constitutioneel eczeem de grootste risicofactor is voor het ontwikkelen van HD, had maar 17% van de verpleegkundige met HD constitutioneel eczeem. Minder vaak handen wassen is de meest effectieve manier om HD te voorkomen.

Thyssen 2010

Systematic review

32 studies tussen 1964 en 2007

Het herzien van de epidemiologie van HD onder de algemene bevolking

Leeftijd: de prevalentie van HD is anders over leeftijdsgroepen
Atopie: de meeste belangrijke risicofactor voor HD
Genetische: geen vereniging
Levensstijl: HD onder rokers aanzienlijk hoger
Sociaal-economische: laaggeschoolden bleken meer HD dan hoogste onderwijs
QoL:80% negatieve psychosociale gedachten door HD ( hoogste in medische of dienst werk). Reinigingsmiddelen had de hoogste prevalentie van één jaar (dagelijkse blootstelling aan water, detergentia, vuil)

Handeczeem resulteerde in 20% ziekteverzuim (> 7 dagen), 10% veranderd baan.

Handeczeem kwam bij gemiddeld 4% van de bevolking voor. Bij 10% was HD een jaar aanwezig. HD kwam bij 15% voor, over het hele leven gemeten .

De etiologie van handeczeem omvat verschillende factoren, zoals milieu en genetische factoren (moet nader onderzocht worden)

Slodownik 2008

Review

 

Evaluatie, beoordeling, behandeling en preventie van ICD

Exogene factoren: Water, detergents, oplosmiddelen, oliën, warmte/zweten, stof/vezels, zuren en basen. Ook concentratie, volume, en toepassingstijd.

Endogene factoren:leeftijd(<20jr), geslacht (vrouw) en een verleden met eczeem.

 

Vermijden van blootstelling aan irriterende stoffen, afhankelijk van het gebruik van persoonlijke beschermende uitrusting en het gebruik van hydraterende crèmes, zijn de basis van de behandeling van ICD. Vroege diagnose is belangrijk.

Ze zijn van mening dat het toegenomen bewustzijn van de patiënt vaak een cruciale rol speelt bij ICD, dit zal leiden tot huidverbetering voor patiënten.

Meding 2000

Review

 

Het verschil in prevalentie van CD per geslacht, gerelateerd aan het beroep

Handeczeem komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Voornamelijke jonge vrouwen. Dit is gerelateerd aan nat beroep zoals kappers, catering, gezondheidszorg en schoonmaak. Nikkelallergie is de meest voorkomende allergie, 30–40% bij jonge vrouwen die na verloop van tijd overgaan in HD. HD heeft invloed op de kwaliteit van het leven

Experimentele studies van irritatie van de huid hebben geen verschillen bevestigd tussen het geslacht; Dus, de hogere prevalentie van ICD onder vrouwen is het meest
waarschijnlijk te wijten aan de blootstelling aan beroepsgerelateerde risicofactoren

Chew 2003

Review

 

Nat werk en irritantia.

Omschrijving van verschillende soorten ICD, epidemiologie, risicofactoren, patho-
fysiologie, diagnose en beheer van ICD,
gerelateerd een het beroep

Frequente en herhaaldelijke blootstelling aan water – een mild irritantia- verwijderd de vetten in het stratum corneum, wat leidt tot uitdroging en fissuring. Beroepen die betrekking hebben op gecombineerde blootstelling aan verschillende chemische stoffen kunnen leiden tot verstoring van de barrière van de huid door meerdere mechanismen. Bijvoorbeeld, reinigingsmiddelen, detergenten en oplosmiddelen. Oplossen van vet en schade van het stratum corneum door zwakke zuren en basen, kan droogheid en fissuring veroorzaken.

Metaalbewerkers kunnen worden blootgesteld aan alle van de links genoemde irriterende stoffen en hebben daardoor een hoog risico op het ontwikkelen van OCD.

Wintzen 2003

Review

 

Een aantal casussen over ICD door een computermuis

Allergische reacties op de plastic van de computermuis kan worden veroorzaakt door ftalaten (weekmakers) of andere kunststofonderdelen

Dermatologen
moeten alert zijn op computergerelateerde beroepsdermatosen

Bryld 2003

Case serie

1076 (379/697) Tweelingen 20-44jr, uit the Danish Twin register

Genetische risicofactoren met betrekking tot HD

Van de 1076 tweelingen, had 449 zelf HD waargenomen. 618 voldeden aan de criteria voor constitutioneel eczeem, waarvan 106 HD had. In 343 gevallen van eczeem (76%) van de hand worden aangemerkt. De prevalentie van HD, zoals verwacht, bleek af te hangen van het geslacht.

Ze stellen dat tot nu toe niet-herkende genetische risicofactoren voor handeczema onafhankelijke
constitutioneel eczeem en contactallergie zijn, waardoor ICD op de handen kan ontstaan

Cvetkovski 2004

Case serie

758 (268/490) Alle nieuwe patiënten met OHD, geïdentificeerd tussen oktober 2001 en November 2002. Denemarken

Evalueren en vergelijken van de ernst en de gevolgen van erkend OHD in verschillend gediagnosticeerde groepen

Van de patiënten met OHD, 61,9% had ICD, 21,2% had ACD, 4,8% had CU, 9,4% had ICD + ACD and2,8% had ICD + CU. 57% hadden zich in het afgelopen jaar ziek gemeld door OCD. 22,9% had in het afgelopen jaar de baan verloren

Beroepsmatige ICD en ACD lijken sterk te worden geassocieerd met de ernst van OHD. ACD en OHD werden onafhankelijk geassocieerd met langdurige
ziekteverlof. Voedselgerelateerde beroepen worden geassocieerd met
verhoogd risico van verlies van baan

 Loffler 2006

RCT

521 verpleegkundige in opleiding uit Duitsland (1999-2002)

Het effect van een trainingsprogramma bij verpleegkundigen die kans hebben op het ontwikkelen van CD

In de interventiegroep werd aan het einde van de 3-jarige opleiding een aanzienlijk verbetering van huidaandoening van de handen waargenomen dan in de controlegroep (66,7% tegenover 89,3%). Primaire preventie van huidziekte door regelmatig onderwijs tijdens de opleidingsperiode van medische werknemers, kan effectief verminderen het risico van ontwikkeling van IHD.

Onderwijs en motivatie met betrekking tot preventieve maatregelen tijdens de opleiding van medisch personeel moet een verplicht onderdeel van het curriculum worden

 Smith 2006

Cohort

860 (17/843) Japanse verpleegkundigen met een gemiddelde leeftijd van 33 jaar en carrière van 10 jaar

Demografische, persoonlijke en beroepsmatige risicofactoren voor HD onder een cohort van klinische verpleegkundigen
in het zuiden van Japan

Het gebruik van crème was geassocieerd met 50% vermindering in HD. De Japanse verpleegsters lijden aanzienlijke aan beroepsmatige HD (53%).

Het is van essentieel belang dat ziekenhuis managers
interventies toepassen voor de terugdringing van OHD onder klinische Japanse verpleegsters

Dotterud 2007

Case serie

1236 (546/690)

De prevalentie van allergieën in het een algemeen over de volwassen bevolking in Noord-Noorwegen en de relatie met potentiële risicofactoren

De meest voorkomende allergenen waren nikkel (17,6%), kobalt (2,8%), thiomersal (1,9%), geur mix (1,8%) en colophony (1.2%) contactgevoeligheid werd geassocieerd met constitutioneel eczeem. Alleen vrouw hebben vereniging met roken.

Uit deze studie van de algemene bevolking blijkt dat bij ten minste 1 op de 3 vrouwen en 1 op 7 mannen contactovergevoeligheid
gediagnosticeerd was bij de patch-test

Löffler 2006

Cohort

105 (56/49)

Deze studie evalueert de irriterende werking van de relevante soorten alcoholen, met gebruik van een detergens in een gestandaardiseerde testopzet (patch test) bij patiënten met ICD

geen significante verandering in de huidbarrière of erytheem geïnduceerd door de alcoholen in de patch-tests. De hydratatie van de huid was wel aanzienlijk afgenomen. Toepassing van alcohol op eerder geïrriteerde huid bleek een sterkere verstoring van de barrière van de huid dan toepassing van SLS alleen. Testen met handen wassen hebben aangetoond dat alcoholtoepassing aanzienlijk minder irritatie van de huid veroorzaakt dan wassen met een afwasmiddel. Zelfs op eerder geïrriteerde huid. Ethanol gaf geen verlichting van irritatie. Een beschermend effect van ethanol gebruikt na het wassen van de huid werd waargenomen

Wassen met alcohol veroorzaakt minder irritatie van de huid dan hand wassen alleen,
Reinigen met alcohol kan zelfs irritatie van de huid doen afnemen in plaats van toenemen

 Slodownik 2008

Review

 

Het effect van beschermingsmiddelen bij patiënten met ICD

Herhaalde blootstelling aan irritantia induceert een daling van de TEWL. Een verhoogde TEWL toont de functie van de verslechtering van de huid

Vermijden van blootstelling aan irriterende stoffen, afhankelijk van het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en het gebruik van hydraterende crèmes, zijn de basis van de behandeling van ICD.

Nicholson 2010

Systemaetic Review

 

Evidence based richtlijnen opstellen voor beroepsmatige contact dermatitis en urticaria

Atopy in het verleden, voornamelijk op volwassen leeftijd, lijdt tot een hoger risico voor het ontwikkelen van CD.

 

Er is bewijs dat educatie op de werkplek en trainingen helpen bij het verminderen van het voorkomen van CD.

Atopy is als enige een bewezen risico factor voor het ontwikkelen van contact dermatitis.

 

educatief programma op de werkplek belangrijk is om CD op de werkplek te voorkomen/ verminderen.

Pal 2009

 

Data analyse

Werknemers die op consult bij de dermatoloog zijn geweest in Nederland in de periode 2001-2005

Identificatie van risicofactoren voor het ontwikkelen van CD en de prevalentie van beroepsmatige huidaandoeningen in Nederland

De leeftijd tussen de 15-24 tonen de vrouwen piek van 35% met CD (mannen 17%). Van 45-54 neemt de prevalentie juist af (20-24%). Vanaf 55-64 is dit 5-8%.

Nat werk blijkt de grootst beroepsmatige risico factor te zijn en er is geen significant verschil tussen mannen en vrouwen (M17%-F35%) behalve in de leeftijdscategorie 15-24

Nat werk, leeftijd en sekse zijn risico factoren voor het ontwikkelen van een CD.

Agner 2009

Data analyse

Patiënten van tien verschillende klinieken in Europa met hand eczeem, mediaan leeftijd is 39 jaar

Identificeren van risicofactoren voor het behouden of verergeren van hand eczeem

Alle onderzochte factoren maken allergische contact dermatitis op de handen erger

Aanwezigheid van contactovergevoeligheid, hoge leeftijd, constitutioneel eczeem en mannelijke geslacht zijn risicofactoren voor het ontiwkkelen van een hand eczeem

Prakash 2010

Systemaetic Review

5 studies over irrtant contact dermatitis en 14 studies over allergische contact dermatitis zijn geincludeerd

onderzoeken of leeftijd een risicofactor is voor het ontwikkelen van CD

Bij allergische contact dermatitis zeggen sommige onderzoeken dat lage leeftijd een risicofactor is terwijl andere zeggen dat hoge leeftijd een risicofactor is. Bij irritant contactdermatitis is hoge leeftijd juist geen risicofactor voor het ontwikkelen van een ICD maar vermindert het juist de kans.

Er is geen bewijs dat leeftijd een risicofactor is voor het ontwikkelen van CD. Wel is er bewijs dat hoge leeftijd een positieve invloed heeft op de kans op het ontwikkelen van CD.

Kezic 2009

Review over recente cohort studies

Patiënten met beroepsmatige contact dermatitis

Identificeren of bepaalde genen risicofactoren zijn voor het ontwikkelen van CD

Er blijkt dat het gen filaggrin is geassocieerd met een verhoogd risico op het ontwikkelen van ICD en metabolische enzymen met polymorfe genen met ACD

genetische risicofactoren voor het ontwikkelen van CD zijn alleen aanwezig bij Filaggrin en metabolische enzymen met polymorfe genen

Schnuch 2011

Meta analyse

Niet bekend

Identificeren van genetische risicofactoren voor het ontwikkelen van ACD

De genen: filaggrin; N-acetyltransferase (NAT) 1 and 2; glutathione-S-transferase (GST) M and T; manganese superoxide dismutase; angiotensin-converting enzyme (ACE); tumour necrosis factor (TNF); and interleukin-16 (IL-16) zijn vaker gevonden bij patienten met ACD

De genen zijn geassocieerd met het verhogen van het risico op het ontwikkelen van ACD

Uter 2009

Data analyse

Patiënten die gepatchtest zijn in 2005/2006 in 31 deelnemende departementen van 10 Europese landen

Identificatie van de meest voorkomende allergenen in europa

Formaldehyde 1.0%

4-tert-butylphenol

formaldehyde resin 1.0%

Quaternium-15 1.0%

Sesquiterpene lactone mix 0.1%

Paraben mix 16%

Primin 0.01%

Thiuram mix 1.0%

Neomycin sulfate 20%

2-Mercaptoben-zothiazole 2.0%

Benzocaine 5.0 %

Mercapto mix 2.0%

Clioquinol 5.0%

Mercapto mix (only CBS,

MBTS, MOR) 1.0%

Budesonide 0.01%

N-isopropyl-N′-phenyl-p-

phenylene diamine (IPPD) 0.1%

Tixocortol-21-pivalate 0.1%

Epoxy resin 1.0 %

Parabenen mix en Neomycin sulfaat zijn de meest voorkomende allergenen in Europa.

Geier 2009

Systemaetic Review

Patiënten in Duitsland die gediagnosticeerd zijn aan de hand van een patch-test waaruit blijkt dat de ACD beroepsgerelateerd is.

Identificatie van de meest voorkomende allergenen in Duitsland per sector

Ouderen zorg: parfum mix, de mix van thiuram, conserveermiddelen, formaldehyde of Glutardialdehyde

Automechanica: oplosmiddelen, detergenten, remvloeistoffen, hydraulische vloeistoffen en brandstof. Rubber, harsen, IPPD.

Kappers: Persulfaten, PPD, haarverf

Verpleegkundigen: Latex, rubber, Thiurame, formaldehyde, Glutardialdehyd of Glyoxal, conserveringsmiddelen.

Plastic industrie: acrylaat of methacrylaat polymeren, epoxy harsen, polyurethaan harsen.

Schilders, decoreerders: epoxy systemen, MCI/MI, thiuramen, terpentine, harsen en lijmen.

Masseurmedische verzorgers: Oliën, geurstoffen, conserveringmiddelen.

Bouw: Kobalt, polyurethaan, rubber, kaliumdichromaat, chomaatallergie kan nog voorkomen maar is nu verboden.,

Metaal industie: Harsen, emulgatoren, biociden, kobalt, KSS allergenen.

Voedselindustrie: voedsel, conserveringsmiddelen, kleur en smaakstoffen, stabilisatoren, rubber van handschoenen, hout van handgrepen, composieten mix, formaldehyde.

Schoonmakers: rubber handschoenen, detergantia, geurstoffen, ontsmettingsmiddel: formaldehyde, Glyoxal of Glutardialdehyd.

Installateurs, monteurs, bankwerkers: metalen, kunststoffen, rubber, harsen.

Tandtechnicus: methacrylaatmonomeren, acrylaten en sommige harsen, zoals zoals melamine-formaldehydehars. Benzoylperoxide.

Er zijn per sector verschillende allergenen die ACD kunnen veroorzaken

Dulon 2009

RCT

Werknemers van verpleeghuizen in vier regio’s in Noord-Duitsland

Effectiviteit van primaire preventie meten

De frequentie van het voorkomen van huidveranderingen is verminderd in de IG van 26% bij aanvang tot 17% na de follow-up na 1 jaar. De relatieve reductie in de IG was 35% in vergelijking met 11% in de CG. Risico gedrag verandere op belangrijke gebieden zoals het gebruik van deinfectants in plaats van handen wassen en het hydraterende cremes werden vaker gebruikt in de IG dan in de CG. Katoenen handschoene werden aangeboden als PBM en huidbeschermings richtlijnen werden beschikbaar gesteld op passende plaatsen. De dubbele strategie van training en beroepsmatig advies werd als nuttig beoordeeld door de verpleegkundigen. De training sessie was gegeven in kleine groepen en er was genoeg tijd voor het oefenen met de PBM dit werd als prettig ervaren. Onder andere is het gebruik van katoenen handschoenen met 162% toegenomen. Daarnaast is de toepassing van lange handschoenen is toegenomen van 0% naar 13%. Ook hydraterende crèmes werden na de voorlichting door de hele interventiegroep gebruikt. Bij de nulmeting werden hydraterende crèmes door 90% van de interventiegroep gebruikt.

Nat werk is een risicofactor voor het ontwikkelen van ICD

 

Het gebruik van handschoenen kan de huid beschermen tegen blootstelling aan irritantia, mits ze op de juiste manier gebruikt worden

 

Primaire preventie op de werkplek helpt bij het voorkomen van het ontwikkelen van beroepsmatige CD.

 

door voorlichting op de werkplek wordt meer gebruik gemaakt van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Kütting 2009

RCT

Metalworkers, male sex, age > 18 years, regular exposure to cutting fluids as surrogate for wet work, a working contract for one further year at minimum, fitness for work at randomization and willingness to comply with the randomized measure for a 12-month period.

Effectiviteit van het gebruik van beschermende en verzorgende crèmes meten

De drie interventie groepen (1: beschermende crème, 2: verzorgende crème, 3: beschermende en verzorgende crème) hebben in vergelijking met de controle groep significant minder zichtbare veranderingen van de huid. Wanneer de drie interventie groepen met elkaar vergeleken worden is er niet veel verschil waarneembaar in de veranderingen van de huid. Meer dan 20% verergering bij IG: 27%, 39% en 30% terwijl dit bij de CG 44% is.

Nat werk is een risicofactor voor het ontwikkelen van ICD

 

Verzorgende en beschermende crèmes helpen om de huidveranderingen die horen bij CD te verminderen.

Bauer 2010

Systemaetic Review

894 patienten zonder contact dermatitis uit 4 RCT’s die met nat werk in aanraking komen op het werk

Effectiviteit van barriere cremes en hydraterende cremes

In de interventie groep die barriere cremes gebruikte was een prevalentie van contact dermatitis te zien van 39,9% na 12 maanden, in de controle groep was dit 45% na 12 maanden.

 

Barriere cremes helpen niet om beroepsmatige hand dermatitis door irritantie te voorkomen. Hydraterende cremes daar in tegen helpen hier wel bij.

Saary 2005

Systematic Review

 Er zijn 12 studies van geode kwaliteit gebruikt en 16 studies van redelijke kwalitiet.

Inclusie criteria: mensen, volwassenen, geen type 1 overgevoeligheid, geen atopy, geen specifiek allergen met specifieke behandeling , meer dan 10 deelnemers, RCT en cohort.

Effectiviteit van preventie en de behandeling van ICD en ACD

-

Handschoenen alleen kunnen occlusief werken en ICD veroorzaken of verergeren. Handschoenen met katoenen voering leiden tot beter resultaat dan handschoenen alleen.

Krecizs 2010

RCT

139 kappers in opleiding

Onderzoeken hoeveel kennis er is over CD bij kappers in opleiding

Slechts 2% is zich bewust van het effect van het gebruik van handschoenen. Slechts 1% gebruikt handschoenen voor alle werkzaamheden met irritantia. 94% gebruikt handschoenen handschoenen, meestal voor haar verven (86%) en permanten (23%). Voor bleken, schoonmaken, desinfecteren en wassen gebruikt slechts een klein deel van de deelnemers handschoenen.

Een educatief programma is nodig om de kennis over irritantia, allergenen en het gebruik van handschoenen te bevorderen.

 

Basketter 2008

Review

-

Preventieve maatregelen voor ICD publiceren

-

Wanneer bekend is welke irritantia overgevoeligheid van de huid veroorzaakt en hoe het vermeden kan worden, kan ICD voorkomen worden.

 

Risico identificatie, communicatie, informatie verstrekking, management plan van de risico’s en het controleren van bloodstelling van de huid zijn belangrijke interventies voor het herkennnen en vermijden van irritantia.

Apfelbacher 2009

Case series

Beroepsgerelateerde huidaandoeningen bij 206 gezondheidszorg medewerkers met een gemiddelde leerftijd van 37,7 jaar. 23 mannen, 183 vrouwen

Het meten van het effect van Secundaire individuele preventie

Genezing trad op bij 23,9% van de deelnemers. 9 andere studies laten genezing zien tussen 18% en 40% van de deelnemers.

 

72% van de deelnemers gaf aan verbetering van de huid te zien. 20% gaf aan een stabielisering van de CD te hebben ondervonden.

SIP helpt bij het verbeteren van beroepsmatige huidaandoeningen.

Clark 2009

Review

Beroepsmatige dermatitis

Onderzoekt welke preventieve maatregelen genomen kunnen worden om CD te voorkomen

meerdere studies tonen aan dat voorlichting effectief is. De studies bevatte nat werk, bakkers, kappers, verpleegkundigen, fabriekmedewerkers van fijne chemicaliën en metaalwerkers.

Voorlichting zou gegeven moeten worden voordat een werknemer begint met het beroep en er zou periodieke training moeten zijn. voorlichting tijdens stages zijn belangrijk. Preventie is kosten besparend in zowel primair, secundair als tertiair stadium.

Matterne 2010

Case series

102 deelnemers

Onderzoek of een Tertiair individueel preventie programma helpt om CD te verminderen

 

De studie leverd bewijs dat TIP met een 3 weken durende inpatient periode helpt om de gezondheidsgerelateerde cognitie te verbeteren.

Baumeister 2009

Case control studie

100 mannen, metaalwerkers die dagelijks in contact komen met snijvloeistoffen. 22-57 jaar, gemiddelde leeftijd 42,6

Onderzoeken of teledermatologisch onderzoek betrouwbaar is om beroepsmatige huidaandoeningen preventief te screenen.

Beginnende, gevorderde en erge symptomen worden herkent. De beginnende symptomen worden zelfs vaker herkent dan bij face-to-face dermatologisch onderzoek (71 bij live onderzoek, 95 bij tele onderzoek). Dit komt waarschijnlijk door de zoom functie en het feit dat er meer tijd is.

Teledermatologie is voldoende betrouwbaar om vroege symptomen van hand eczeem te herkennen.

Wulfhorst 2010

Case control studie

300 kappers, 11 man, 204 vrouw. Follow-up na 9 maanden, 5 jaar en een subgroep na 10 jaar. 215 kregen interdisciplinaire secundaire preventie, 85 alleen dermatologische behandeling.

Onderzoekt het effect van ISP.

Na 9 maanden behoud 71,8% van de IG haar werk tegenover 60% van de CG. 14,7% van de IG gaf de baan op door OSD en 22,5% van de CG deed dit.

Na 5 jaar behoud 58,7% van de IG haar werk tegenover 29,1% van de CG. 12,8% van de IG gaf de baan op door OSD en 27,3% van de CG deed dit.

Na 10 jaar werkt nog steeds 53,2% van de IG in het zelfde beroep.

ISP is significant beter dan dermatologische behandeling alleen.

 

Schwantes 2010

Review

Beroepsdermatosen bij onder andere levenmiddelen industrie follow-up 2 jaar

Kostenbesparing in kaart brengen van primaire, secundaire en tertiaire preventie

De arbeidsongeschiktheidsuitkering voor mensen met arbeidsgebonden huidziekten kosten in 1995 105,1 miljoen. Tot en met 2004 zijn de kosten gedaald tot 62,5 miljoen.

Dit wordt toegeschreven aan de uitbreiding van diagnostische mogelijkheden en methoden, verbeterde identificatie van allergenen en irritantia en de geintensiviseerde maatregelen.

Van Gils 2011

Systemaetic review

Patienten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van hand dermatitis. 4 artikelen waren van hoge kwaliteit en 3 artikelen waren van lage kwaliteit. Door de bias van de studies werden de 7 studies matig en lag van kwaliteit na het analyseren met de bias.

Primaire en secundaire preventie vergelijken met dermatologische behandeling of geen interventie

Significante positieve effecten waren gevonden in de TWEL- scores, klinische en biomedische onderzoeken, zelf gerapporteerde resultaten en bij het voorkomen en naleven van preventieve maatregelen in de interventiegroepen met primaire en secundaire preventie.

Er is matig bewijs dat preventie van handdermatitis leidt tot vermindering en het voorkomen van HD en het verbeteren van de naleving van preventieve maatregelen in vergelijking met dermatologische behandeling alleen of geen interventie. Er is bewijs van lage kwaliteit over de klinische resultaten en zelf gerapporteerde resultaten.

Mahler 2009

Case control studie

3 weken behandeling bij 30 vrijwilligers waarvan 15 met constitutioneel eczeem in het verleden en 15 zonder. Na 7, 14 en 21 dagen gecontroleerd op TEWL, erytheem en oppervlakte topografie ( pigmentatie, PH, vochtigheid enz.)

Het effect onderzoeken van het vervangen van een irriterende stof door een minder irriterende stof in detergentia om vuil van de handen te wassen.

Water met detergent, water met detergent met castor wax beads en geen interventie toonden significant minder TEWL in vergelijking met water en detergent met walnootschil in de groep met constitutioneel eczeem. Bij groep twee waren er geen significante verschillen in de TWEL-scores. Beide groepen toonden minder roodheid bij de eerste drie interventies dan bij de walnootschillen. Het detergent met castor wax beads had als enige het zelfde reinigingseffect als het detergent met walnootschillen.

Detergentia met walnootschillen zijn irriterend en kunnen vervangen worden door detergentia met castor wax beads. Deze zijn minder irritentend en hebben het zelfde reinigingseffect.

Nicholson 2011

Meta analyse

3 systemaetic reviews overbehandeling, preventive, risicofactoren, management en identificatie van OCD

Het op een rijtje zetten van alle dingen die bekend zijn over OCD en de dingen die nog onbekend zijn.

De meest frequent gemelde irriterende stoffen: alcoholen, snij-oliën en koelvloeistoffen, ontvetters, ontsmettingsmiddelen, aardolieproducten, zeep en schoonmaakmiddelen, oplosmiddelen en nat werk.
De meest frequent gemelde allergenen: kobalt, chromaten, cosmetica en parfums, epoxy, nikkel, planten, conserveermiddelen, harsen, en acryl.

Beroepen met het grootste risico: landbouwarbeiders, schoonheidsspecialisten, chemische werknemers, schoonmakers, bouwvakkers, koks en cateraars, elektronica werknemers, kappers, gezondheidswerkers, machine-operators, monteurs, metaalbewerkers, monteurs en voertuig.

beroepsmatige contactdermatitis kan zich ontwikkelen in elk stadium van de loopbaan van een persoon, ook tijdens de stage periode. Een geschiedenis van constitutioneel eczeem, met name op volwassen leeftijd, lijkt een onafhankelijke risicofactor voor het ontwikkelen van OCD.

Vervangen van irriterende stiffen kan OCD voorkomen.

Beperkt dragen van handschoenen voorkomt ICD in combinatie met andere preventieve maatregelen. Katoenen voering kan voorkomen dat huidbarrière-functie wordt aangetast door langdurige dragen van occlusieve handschoenen. Sommige hydraterende crèmes kunnen ICD helpen voorkomen maar ze zijn over het algemeen niet zo effectief als een beschermingsmaatregel. Detergentia op basis van alcohol zijn minder schadelijk voor de huid dan traditionele handwasmiddelen of zeep. Regelmatige toepassing van verzachtende crèmes voorkomt icd. Doelgericht en aanhoudende educatieve interventies leiden tot belangrijke gedragsveranderingen.

Vermijden van allergenen en irritantie kan OCD voorkomen of verminderen. Goede voorlichting kan ervoor zorgen dat de werknemer veilig met de allergenen en irritantia kan werken zonder arbeidsongeschikt te worden. lokale steroïden verbeteren de klinische symptomen. Hydraterende crèmes helpen om te huidbarrière goed te houden en dus om OCd te voorkomen.

 

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 30-11-2013

Laatst geautoriseerd : 30-11-2013

Een richtlijn heeft alleen zeggingskracht als op continue basis onderhoud plaatsvindt, op grond van systematische monitoring van zowel de medisch wetenschappelijke literatuur als praktijkgegevens en door gebruikers van de richtlijn aangeleverde commentaren. Voor deze richtlijn is afgesproken één keer per jaar de literatuur te bekijken om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Bij essentiële ontwikkelingen kan besloten worden om een gehele richtlijnwerkgroep bij elkaar te roepen en tussentijdse elektronische amendementen te maken en deze onder de verschillende beroepsgroepen te verspreiden. In de huidige richtlijn zijn er geen multidisciplinaire indicatoren ontwikkeld. De ontwikkeling van indicatoren is een aandachtspunt bij een toekomstige herziening van de richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door de Orde van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn over contacteczeem is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming, gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met contacteczeem en schenkt aandacht aan de psychosociale zorg en patiëntenvoorlichting.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroepen, waartoe behoren: dermatologen, arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen, huisartsen, maatschappelijk werkers, psychologen en verpleegkundigen.Voor patiënten is een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordiging van dermatologen, arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen en huisartsen. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische werkgroepleden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel werkgroeplid ontving gunsten met het doel de richtlijn te beïnvloeden.

 

WERKGROEP 

Dr. T. Rustemeyer

voorzitter namens Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Mw. Dr. F. B. de Waard–van der Spek

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Prof. dr. P.J. Coenraads

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. P.G.M. van der Valk

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Drs. F. Blok

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Prof. dr. D.P. Bruynzeel

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. J.G. Bakker

Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)

Mw. Drs. C. J.H. de Vries

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

 

dr. J. J. E. van Everdingen

directeur Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Mw. Drs. C.M.J.M. Bik

ondersteuner/secretaris namens Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

 

De werkgroep is mede ondersteund door Betty Hagendoorn (studente geneeskunde), Floortje Joosten (studente huidtherapie) en Audrey Meulendijks (studente huidtherapie).

Inbreng patiëntenperspectief

De NVDV heeft een patiëntenversie van de richtlijn Contacteczeem ontwikkeld. Zie bij aanverwante producten.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen.De richtlijn wordt verspreid onder alle bij contacteczeem betrokken beroepsgroepen. Ook wordt een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht aan worden besteed.Daarnaast wordt de richtlijn onder de aandacht gebracht via de betrokken patiëntenverenigingen.

Werkwijze

De werkgroep heeft gedurende twee jaar (zes vergaderingen) aan een concept-richtlijntekst gewerkt. In de eerste vergadering werden knelpunten en wensen ten aanzien van de richtlijn geïnventariseerd. De werkgroep formuleerde aan de hand hiervan de in de richtlijn vermelde uitgangsvragen. Deze werden op het bureau van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie (NVDV) uitgewerkt tot een PICO-zoekvraag. Via systematische zoekopdrachten en reference checking is bruikbare literatuur verzameld, met hulp van een informatiespecialist werkzaam bij de Orde van Medisch Specialisten.Deze literatuur is ingeladen in Reference Manager of op PubMed gezet en ontdubbeld. De ondersteuners op het bureau van de NVDV en een medewerker van het NHG hebben de literatuur beoordeeld op inhoud en kwaliteit. Vervolgens zijn er teksten geschreven, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Deze teksten, op basis van de evidencetabellen uit de literatuur, zijn tijdens een tweedaagse vergadering besproken en van nuances en aanbevelingen voorzien. Na verdere discussie binnen de gehele richtlijnwerkgroep is de tekst verder afgestemd. Deze richtlijntekst is voor een aantal richtlijngedeeltes de basistekst geweest. Daarnaast is het boek Contact Dermatitis en Kanerva’s Occupational Dermatology (Johansen 2010, Rustemeyer 2012)1,2 gebruikt als achtergrondinformatie.

 

De uiteindelijke teksten vormden samen de concept-richtlijn, die in oktober 2012 aan alle betrokken wetenschappelijke verenigingen werd aangeboden. Men is in staat gesteld om via websites van de betrokken verenigingen commentaar op de richtlijn te geven. De commentaren zijn in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

Wetenschappelijke bewijsvoering

De aanbevelingen uit deze richtlijn zijn, voor zover mogelijk, gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek.

 

Relevante artikelen zijn gezocht door het verrichten van systematische zoekacties in de Cochrane Library, Pubmed, EMBASE. Er is niet beperkt op publicatiedatum, tijdschrift, leeftijd of geslacht. De artikelen zijn geselecteerd op grond van de volgende criteria: (a) Engelstalige, Duitstalige, Franstalige of Nederlandstalige publicaties en (b) gepubliceerd als ‘full paper’. Vanwege het veelal ontbreken van randomized clinical trials is er voor de meeste zoekacties niet beperkt op de fundamentele opzet van de studie.

Algemene exclusiecriteria waren:

  • Dubbele publicaties
  • Taal anders dan Nederlands, Engels, Duits en Frans

 

De zoekacties zijn met behulp van de PICO-systematiek opgebouwd. Dit houdt in dat voor elke uitgangsvraag een zoekvraag is geformuleerd waarbij zoveel mogelijk deze structuur is gehanteerd: Patiënt – Interventie – Controle – Outcome. De zoekvragen hebben de P als gemeenschappelijk onderdeel, de overige onderdelen van de PICO zijn geformuleerd op basis van de uitgangsvraag.

 

Van de geselecteerde referenties op basis van titel en/of abstract werd de full-tekst aangevraagd. Op basis van full-tekst artikelen is vervolgens verder geselecteerd en zijn artikelen zonder informatie over de betreffende uitgangsvraag geëxcludeerd. De overgebleven artikelen zijn full-tekst beoordeeld op kwaliteit en inhoud.

 

Methode van literatuurbeoordeling

De kwaliteit van de artikelen is hierbij gegradeerd waarbij de indeling in tabel 1 is gebruikt. Per deelonderwerp is vervolgens een evidence tabel opgesteld, volgens van tevoren opgesteld format (zie evidence tabellen). De literatuur is samengevat in een conclusie, waarbij het niveau van het relevante bewijs is weergegeven.

 

Tabel 1: Indeling van de literatuur naar de mate van bewijskracht

 

Voor artikelen betreffende: interventie (preventie of therapie)

A1 systematische reviews die tenminste enkele onderzoeken van A2-niveau bevatten, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn;

A2 gerandomiseerd, vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie;

B gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiënt-controle-onderzoek);

C niet-vergelijkend onderzoek;

D mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

Voor artikelen betreffende: diagnostiek

A1 onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde, goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests;

A2 onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruikgemaakt zijn van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de 'gouden standaard' moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. Bij situaties waarbij multipele, diagnostische tests een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie;

B vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd;

C niet-vergelijkend onderzoek;

D mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

Niveau van bewijs van de conclusies

1 een systematische review (A1) of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A1 of A2

2 tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3 een onderzoek van niveau A2 of B of onderzoek van niveau C

4 mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Hierin wordt de conclusie op basis van de literatuur geplaatst in de context van de dagelijkse praktijk en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen. Het volgen van deze procedure en het opstellen van de richtlijn in dit ‘format’ heeft als doel de transparantie van de richtlijn te verhogen. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroepvergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

 

Johansen JD, Frosch PJ, Lepoittevin JP. Contact Dermatitis. Springer-Verlag Berlin Heidelberg; 2011, 5th ed.

2 Rustemeyer Th, Elsner P, John SM, Maibach HI (Eds.) Kanerva’s occupational dermatology. 2nd ed. 2012, 2020 p. 780 illus., 288 in color.