Moleculaire en immunohistochemische diagnostiek
Uitgangsvraag
Welk moleculair/immunohistochemisch onderzoek wordt aanbevolen om te differentiëren tussen een proliferatieve nodus en melanoom bij patiënten met CMN?
Vraag 1: Wat is de diagnostische accuratesse van immunohistochemische kleuringen (P16, ki67, HMB45, PRAME, H3K27me3) / moleculaire diagnostiek (TERT-promotor mutatie, verlies van partiële chromosomen vs. gehele chromosomen) om onderscheid te maken tussen een proliferatieve nodus of melanoom bij patiënten met CMN?
Vraag 2: In welke gevallen dient moleculaire analyse naar de driver mutatie te worden overwogen?
Aanbeveling
- Overweeg bij excisie/biopt immunohistochemische kleuringen (P16, ki67, HMB45, PRAME, H3K27me3) op het geëxcideerde weefsel ter ondersteuning van de CMN diagnostiek. Dit geldt ook voor cosmetische verwijdering. Dit moet wel met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd en vooral bij afwijkend patroon een reden zijn voor interne en/of externe consultatie (patholoog).
- Moleculaire diagnostiek kan een belangrijke aanvulling zijn bij onderscheid tussen proliferatienodus versus melanoom, indien op basis van de morfologie en het immunohistochemisch profiel onzekerheid blijft bestaan.
- Bespreek met de patiënt en/of ouders van patiënt dat zelfs met aanvullend moleculair onderzoek bij een deel van de patiënten geen harde uitspraak kan worden gedaan over de het onderscheid tussen proliferatienodus versus melanoom en dat deze test relatief veel tijd kost (ca. 2 tot 4 weken).
- Overweeg bij patiënten met risicogroep 4 of 5 CMN om op het reeds verkregen pathologiemateriaal mutatieanalyse te verrichten naar de driver mutatie. Zie figuur 1. Indeling fenoypen CMN in risicoklassen ten behoeve van voorlichting en standaard zorg.
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
Vraag 1
De geselecteerde studies richten zich op verschillende diagnostische benaderingen, waaronder histopathologische en immunohistochemische kenmerken, evenals markers zoals immunohistochemische markers Ki-67, PRAME, P16, HMB45, H3K27me3-expressie en moleculaire markers zoals TERT-promoter mutaties en chromosomale veranderingen. De diagnostische accuratesse van deze technieken varieert, en er bestaat aanzienlijke heterogeniteit in de gerapporteerde sensitiviteit en specificiteit. Het risico op bias in de geïncludeerde studies wordt als hoog beoordeeld op basis van de GRADE-systematiek, hetgeen misschien niet meest geschikt is voor de analyse van zeldzame aandoeningen.
Alhoewel het bewijs op basis van literatuuronderzoek voor moleculaire analyse naar verschil tussen partieel en geheel verlies van chromosomen niet als heel sterk wordt gezien, is er ook al enige tijd ervaring met deze diagnostische test in de praktijk. Een serie met alleen melanomen ontstaan in congenitale naevi, concluderen ook dat deze moleculaire analyse het meeste meerwaarde heeft bij het tot stand komen van de juiste diagnose. (Lacoste, 2015) Ook is deze marker waarschijnlijk een reflectie van het biologische onderliggende mechanisme van proliferatieve nodi en daarmee een meer robuuste marker. De mening van de werkgroep is dat moleculaire analyse om het verschil te bepalen tussen partieel verlies of geheel verlies van chromosomen het sterkste argument is, tesamen met de morfologie, om een onderscheid te kunnen maken tussen proliferatieve nodi en melanoom. Immunohistochemisch onderzoek kan eventueel een tussenstap zijn om te beoordelen welke casus aanvullend moleculair onderzoek nodig hebben.
Vraag 2
In de literatuur wordt beschreven dat congenitale naevi met BRAF fusie een ander klinisch beloop hebben en dat hier een behandeloptie voor bestaat. (Martin, 2023) Tevens is bekend dat congenitale naevi in de blue pathway echt een ander type melanocytaire proliferatie betreffen, qua distributie en ook qua morfologie. Uiteraard zijn deze drivers zeldzaam en zeker in de grotere CMN is de NRAS mutatie meest frequent. Er is geen onderzoek gedaan of het invoeren van routinematig onderzoek naar de driver zinvol is.
Balans van gewenste en ongewenste effecten
Het moleculaire onderzoek brengt zowel kosten met zich mee als dat dit langer duurt. Echter in een deel van de gevallen is het nodig om hier een zekere diagnose te kunnen stellen en daarmee is het de mening van de werkgroep dat dit noodzakelijk is indien op basis van de morfologie geen zeker onderscheid kan worden gemaakt. Het onderzoek naar de driver is met name om de meer zeldzame drivers met ander beloop op te sporen en zo betere inschatting te kunnen maken van het beloop. Er is een kans op nevenbevinding in de vorm van een onderliggend tumorsyndroom. De kans hierop is heel klein en het is vaak zo dat dit niet met zekerheid kan worden bepaald op basis van het pathologiemateriaal en zal verwijzing naar de klinisch genetica nodig zijn.
Professioneel perspectief
Vraag 1
De eerste stap in de diagnostiek blijft de beoordeling van de HE-kleuring. Daarbij kan vaak al een groot deel van de klinisch verdachte kenmerken worden opgehelderd, zoals variaties in pigmentatie of reactieve veranderingen.
Indien op basis van de HE-kleuring een verdenking bestaat op een melanoom of een proliferatienodus, kan aanvullend immunohistochemisch onderzoek worden overwogen. Relevante markers zijn onder andere Ki-67 (eventueel gecombineerd met Melan-A), PRAME, HMB45, P16, en H3K27me3. Deze markers worden ook bij conventionele melanocytaire laesies gebruikt om meer inzicht te krijgen in de aard van de proliferatie. (Lacoste, 2015)
De WHO-classificatie van huidtumoren adviseert dat afwijkende expressiepatronen van deze markers reden kunnen zijn om maligniteit te overwegen. In de ervaring van de werkgroep moeten deze markers met enige terughoudendheid worden geïnterpreteerd en zijn met name een tussenstap om te kijken of aanvullend moleculair onderzoek nodig is. Zie hieronder de beschrijving per marker.
Ki-67 is een proliferatiemarker die zowel bij melanomen als bij proliferatienodi verhoogd kan zijn. De marker is met name behulpzaam bij het onderscheiden van morfologische variaties binnen congenitale naevi versus melanoom of proliferatienodus, maar mist onderscheidend vermogen tussen deze twee laatste entiteiten.
Voor PRAME, HMB45 en P16 geldt dat deze op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd als bij andere melanocytaire proliferaties. Echter, congenitale naevi kunnen van nature afwijkende expressiepatronen vertonen, wat de interpretatie bemoeilijkt. Hierdoor is een zorgvuldige, contextuele beoordeling noodzakelijk. Een afwijkende marker is niet voldoende voor een melanoom.
H3K27me3 werd in eerste studies aangeduid als veelbelovende marker, maar op basis van de ervaring binnen de werkgroep blijkt de toegevoegde diagnostische waarde beperkter dan aanvankelijk gedacht. Ook deze marker dient tezamen met de andere bevindingen te worden geduid en is opzichzelfstaand niet bewijzend.
Wanneer zich daadwerkelijk een melanoom ontwikkelt binnen een congenitale naevus, is het klinisch beloop helaas vaak agressief: de afwijking ontwikkelt zich snel en bij presentatie is soms al sprake van metastasen. In die gevallen is consultatie van collega-pathologen doorgaans niet meer van toegevoegde waarde.
Indien er nog géén metastasen zijn vastgesteld, is het van groot belang om niet uitsluitend af te gaan op afwijkende immunohistochemische bevindingen. In plaats daarvan wordt geadviseerd de casus voor te leggen aan een intern melanoompaneel en/of externe consultatie te overwegen, waarbij tevens moleculair onderzoek kan worden ingezet.
Van de moleculaire technieken blijkt in de praktijk chromosomale analyse het meest waardevol. Deze techniek ondersteunt de differentiatie tussen benigne en maligne proliferaties binnen congenitale naevi op een objectieve wijze.
Daarnaast is het klinicopathologisch correlaat van groot belang. Factoren zoals het aantal nodulaire afwijkingen (solitair versus multipel), de klinische persistentie en groeisnelheid dragen wezenlijk bij aan de interpretatie van de bevindingen. Een solitaire, nieuw ontstane nodus die persisteert is verdachter dan multipele nodi, wat vaker past bij een proliferatienodus.
Ook kan aanvullend onderzoek naar de driver mutatie (zie vraag 2) en naar de TERT-promotorstatus worden verricht. Van TERT-promotormutaties is nog weinig bekend in de context van congenitale naevi. Hoewel zo’n mutatie in conventionele melanocytaire laesies doorgaans wordt gezien als een ongunstig teken, geldt ook hier dat de aanwezigheid van een TERT-promotormutatie in een congenitale naevus geen geruststellende bevinding is, maar de exacte betekenis moet in het licht van de andere bevindingen worden geïnterpreteerd.
Vraag 2
Het wordt niet geadviseerd om uitsluitend pathologisch materiaal af te nemen met als doel het bepalen van de onderliggende driver mutatie. Wel kan het overwegen van moleculaire analyse zinvol zijn op reeds verkregen weefselmateriaal, bijvoorbeeld wanneer dit is verwijderd om cosmetische of esthetische redenen, of bij verdenking op maligniteit.
Het bepalen van de driver mutatie kan eventueel ook in een later stadium of retrospectief plaatsvinden.
Een belangrijk voordeel van het vroegtijdig kennen van de driver mutatie is dat het inzicht geeft in de mogelijke geschiktheid voor toekomstige klinische trials. In dergelijke studies is vaak snelle inclusie noodzakelijk en vormt kennis van de mutatiestatus een voorwaarde voor deelname.
Bovendien kunnen minder frequent voorkomende drivers, zoals een BRAF-fusie, gepaard gaan met een ander klinisch beloop of afwijkend groeipatroon. Dit kan relevant zijn bij het inschatten van het risico op progressie of bij het overwegen van gerichte behandeling, bijvoorbeeld in het geval van groei bij een locatie in de buurt van het oog.
Gezien de mogelijke klinische impact, is het bepalen van de driver mutatie met name relevant bij congenitale naevi van klasse 4 en 5. In die gevallen kan het overwegen van moleculaire analyse van bestaand materiaal gerechtvaardigd zijn.
Implementatie
Bij de diagnostiek van melanocytaire laesies, met name in het kader van congenitale naevi en de differentiaaldiagnose met melanoom, wordt moleculaire analyse naar chromosomale afwijkingen momenteel als de meest robuuste aanvullende techniek beschouwd. Ondanks de beperkte beschikbaarheid van grootschalig bewijs, blijkt uit de tot nu toe gepubliceerde literatuur en ervaring in expertcentra dat deze benadering het meest consistente en reproduceerbare aanvullende diagnostische houvast biedt.
Technieken zoals array-CGH en SNP-array kunnen bijdragen aan het onderscheid tussen benigne en maligne laesies, met name in morfologisch of immunohistochemisch moeilijk te interpreteren gevallen. De implementatie van deze technieken vereist wel specialistische expertise, zorgvuldige interpretatie in de context van kliniek en histologie, en bij voorkeur bespreking in een multidisciplinair overleg met ervaring op dit terrein.
Hoewel de evidence nog beperkt is, vormt deze vorm van moleculaire diagnostiek vooralsnog de meest veelbelovende aanvulling op de bestaande morfologische en immunohistochemische beoordeling. Verdere standaardisatie en evaluatie binnen grotere cohorten zijn nodig om de plaats van deze technologie definitief te verankeren in de diagnostische praktijk.
Waarden en voorkeuren van patiënten
Bij de diagnostiek van congenitale melanocytaire naevi (CMN) is het belangrijk om de waarden en voorkeuren van de patiënt te respecteren. Patiënten kunnen verschillende verwachtingen hebben over de snelheid en aard van de diagnostiek, vooral gezien de tijdsintensieve aard van moleculaire tests. Dit proces kan soms lange wachttijden met zich meebrengen en er blijft altijd enige onzekerheid bestaan, aangezien het om een zeldzame aandoening gaat waarbij de wetenschappelijke kennis nog niet voldoende is om altijd een eenduidige inschatting te maken. Het is daarom cruciaal dat artsen patiënten goed informeren over deze onzekerheden, zodat zij samen een weloverwogen beslissing kunnen nemen over de vervolgdiagnostiek en -behandeling. Het bepalen van de driver in een vroeg stadium is ook fijn voor patiënten om te weten in wat voor risicoklasse deze congenitale naevi vallen en wat voor trials eventueel van toepassing zijn.
Aanvaardbaarheid en haalbaarheid
Moleculaire diagnostiek biedt een belangrijke meerwaarde in het onderscheiden van benigne proliferatieve noduli en melanomen ontstaan in congenitale melanocytaire naevi (CMN). Hoewel het uitvoeren van moleculaire analyses zowel tijd als geld kost, is het op dit moment de enige techniek die daadwerkelijk betrouwbare differentiatie mogelijk maakt. De moleculaire benadering, met name het onderzoeken van chromosomale afwijkingen zoals het verlies van chromosomen, biedt cruciale informatie die de diagnostische nauwkeurigheid vergroot.
Gezien de complexiteit van de diagnostiek bij lastige gevallen van congenitale naevi, vindt de werkgroep dat moleculaire diagnostiek bij dergelijke gevallen moet worden overwogen. Hoewel de kosten en de tijdsinvestering een factor vormen, wordt het als noodzakelijk gezien om deze methode in te zetten wanneer de histopathologie en andere diagnostische technieken onvoldoende zekerheid bieden. Op deze manier kan de diagnostiek optimaler bijdragen aan het juiste patiëntmanagement en de prognose. Ook moet worden gerealiseerd dat er in sommige gevallen nog steeds enige onzekerheid over de digniteit blijft bestaan, ook middels aanvullende technieken.
Er is geen harde indicatie om onderzoek naar de driver te doen, maar als patiënten vaak toch in een expertisecentrum vervolgd worden (dus klasse 3, 4 en 5), is dit een relatief haalbare mogelijkheid, die voor patiënten belangrijk wordt gevonden.
Voorlichting aan patiënten (zie ook module ‘Voorlichting en zelfmanagement’)
Bij sommige mensen ontstaat er op jonge leeftijd een verdacht plekje in of rondom een bestaande, vanaf de geboorte aanwezige moedervlek. Dit kan wijzen op drie verschillende diagnoses: ontsteking/reactieve verandering (dus toename van ontstekingscellen of toegenomen melanine pigment), een proliferatienodus (een goedaardige celgroei) of een melanoom (een kwaadaardige vorm van huidkanker).
Met name de proliferatienodus en het melanoom kunnen onder de microscoop erg op elkaar lijken. Zeker omdat het hier om een zeldzame situatie gaat, is het soms moeilijk om met zekerheid een definitieve diagnose te stellen, zelfs voor ervaren artsen die naar dit materiaal onder de microscoop kijken (pathologen).
Gelukkig zijn er tegenwoordig moleculaire testen beschikbaar die kunnen helpen om de juiste diagnose te stellen. Deze testen onderzoeken het DNA van de cellen en kunnen aanwijzingen geven of het om een goedaardige of kwaadaardige afwijking gaat. Het uitvoeren van deze testen duurt meestal tussen de 2 en 4 weken.
In sommige gevallen blijft er ook na deze aanvullende testen enige onzekerheid bestaan. Toch kan er dan vaak wel een voorkeursdiagnose worden uitgesproken, waarop verdere behandeling en controles gebaseerd worden.
Heel soms komt er uit het aanvullend onderzoek een zeldzame nevenbevinding naar voren, bijvoorbeeld een aanwijzing voor een mogelijk onderliggend erfelijk tumorsyndroom. Dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld via het weefselonderzoek alleen. In zo’n geval zullen wij u altijd doorverwijzen naar een klinisch geneticus (erfelijkheidsarts) voor verder onderzoek en advies.
Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen, stel ze gerust aan uw arts of behandelaar. Wij begrijpen dat dit een spannende tijd kan zijn en willen u zo goed mogelijk ondersteunen.
Onderbouwing
Congenitale melanocytaire naevi (CMN) zijn aangeboren melanocytaire proliferaties die variëren in grootte, kleur en morfologie. Hoewel de meeste CMN een goedaardig beloop kennen, kunnen sommige naevi proliferatieve noduli (PN) ontwikkelen of in zeldzame gevallen maligne ontaarden in een melanoom. Het klinisch en histopathologisch onderscheid tussen een benigne proliferatieve nodus en een zich ontwikkelend melanoom binnen een CMN vormt een diagnostische uitdaging, met belangrijke implicaties voor patiëntmanagement en prognose. De congenitale melanocytaire naevus berust meestal op een mutatie in NRAS of BRAF (meestal V600E). Bij grote congenitale naevi is dit vaker NRAS. In meer zeldzame gevallen zijn er ook andere drivers beschreven, waaronder drivers die bekend zijn uit de Spitz pathway zoals een BRAF fusie en ook kan het een blauwe congenitale naevus zijn met driver in deze pathway (meestal GNAQ, GNA11).
Stellen van de diagnose CMN
De diagnose wordt primair klinisch gesteld op basis van:
- Anamnese: aanwezig bij of binnen 3 maanden na geboorte.
- Lichamelijk onderzoek: grootte, typische klinische kenmerken.
Dermatoscopie en histologie dragen in de meeste gevallen niet bij aan de initiële diagnose. Een naevus >1,5 cm bij een kind of >3 cm bij een volwassene mag als congenitaal worden beschouwd.
Benodigde klinische informatie voor pathologen
Voeg bij het pathologieverzoek altijd toe:
- Vermelding dat het een CMN betreft.
- Locatie van de biopsie.
- Klinische aanleiding (bijv. verandering in kleur/structuur/groei).
- Beschrijving van dermatoscopisch beeld.
- Indien mogelijk: klinische foto en dermatoscopische foto van het verdachte deel, met markering van geëxcideerd gebied.
Routing en expertise
- Eerste beoordeling kan door een reguliere patholoog.
- Bij twijfel: medebeoordeling door patholoog met specifieke expertise in melanocytaire laesies, bij voorkeur in een (regionaal) melanocytaire laesies panel.
- Er is een voorkeur voor een diagnostische excisie boven een biopt.
Voor uitgebreide informatie voor pathologen zie bijlage Informatie voor pathologen van deze module.
Procedurele aandachtspunten
Bij kinderen is het belangrijk goede pijnstilling en leeftijdsadequate voorbereiding volgens de richtlijn ‘Procedurele sedatie en/of analgesie (PSA)’ (Sedatie, Analgesie en niet-farmacologische interventies voor begeleiding van kinderen bij medische procedures - Richtlijn - Richtlijnendatabase). In laatstgenoemde richtlijn worden voor diverse interventies zowel farmacologische als non-farmacologische adviezen beschreven. Zie voor Algemene adviezen m.b.t. kindzorg in de bijlage van deze module.
Kwaliteit van bewijs
De bewijskracht voor de diagnostische accuratesse van immunohistochemische kleuringen en moleculaire diagnostiek om onderscheid te maken tussen een proliferatieve nodus of een melanoom bij patiënten met CMN is zeer laag. De bewijskracht werd verlaagd vanwege een hoog risico op bias in de geïncludeerde studies en grote heterogeniteit in de gevonden sensitiviteit en specificiteit (Tabel 1, samenvatting van sensitiviteit en specificiteit). Ook waren de patiëntaantallen, zeker het aantal cases in de studies, zeer laag. Dit heeft geleid tot onnauwkeurigheid waarvoor de bewijskracht met twee niveaus is verlaagd.
GRADE tabellen
Er wordt een GRADE tabel gepresenteerd voor de immunohistochemische kleuring met PRAME. Niet van alle losse kleuringen is een GRADE tabel gepresenteerd aangezien de bewijskracht van allen laag is. Alle GRADE tabellen zijn vergelijkbaar aan onderstaande. De sensitiviteit en specificiteit van verschillende diagnostische testen worden in een losse tabel gepresenteerd, echter de studiepopulaties waren klein (n=23, n=18, n=25).
Tabel 2. GRADE tabel voor de immunohistochemische kleuring met PRAME
Vraagstelling: Moet immunohistochemische kleuring met PRAME gebruikt worden voor de diagnose van melanomen of proliferatieve noduli bij patiënten met congenitale melanocytaire naevi?
|
Sensitiviteit |
1.00 (95% CI: 0.34 tot 1.00) |
|
Specificiteit |
0.91 (95% CI: 0.71 tot 0.97) |
|
Prevalenties |
1% |
2% |
5% |
|
Uitkomst |
Aantal studies (Aantal patiënten) |
Studieopzet |
Factors that may decrease certainty of evidence |
Effect per 1.000 patients tested |
Test accuracy CoE |
||||||
|
Risk of bias |
Indirect bewijs |
Inconsistentie |
Onnauwkeurigheid |
Publicatie bias |
Voorafkans 1% |
Voorafkans 2% |
Voorafkans 5% |
||||
|
Terecht positieven |
1 studies |
outcome.cohort_and_case_control_type |
ernstiga |
niet ernstig |
ernstiga |
ernstiga |
niet gevonden |
10 (3 tot 10) |
20 (7 tot 20) |
50 (17 tot 50) |
⨁◯◯◯ |
|
Fout negatieven |
0 (0 tot 7) |
0 (0 tot 13) |
0 (0 tot 33) |
||||||||
|
Terecht negatieven |
0 studies |
901 (703 tot 960) |
892 (696 tot 951) |
864 (675 tot 922) |
- |
||||||
|
Fout positieven |
89 (30 tot 287) |
88 (29 tot 284) |
86 (28 tot 275) |
||||||||
Explanations
a. Retrospectief studiedesign, kleine studiepopulatie
In de databases Embase.com en Ovid/Medline is tot 31-07-2024 met relevante zoektermen systematisch gezocht naar systematische reviews, clinical trials, observationele studies en richtlijnen. De literatuurzoekactie leverde 599 unieke treffers op. Er werden in totaal 45 studies geïncludeerd op basis van beoordeling van titel en abstract. Uiteindelijk zijn er na screening van de volledige artikelen 41 studies geëxcludeerd. Vier studies zijn definitief geïncludeerd voor de literatuuranalyse. In de exclusietabel in bijlage ‘Overzicht geëxcludeerde studies’ is de reden voor exclusie van de overige referenties toegelicht.
Beschrijving van de studies
De zoekactie identificeerde vier observationele studies: twee retrospectieve case-controle studies (Bastian, 2002; Boutko, 2023) en twee retrospectieve cohortstudies (Busam, 2016; Vergier, 2016) die van toepassing zijn op de onderzoeksvraag.
Bastian et al. (2002) voerden een case-controle studie uit met als doel om chromosomale afwijkingen in verschillende proliferaties die ontstaan in congenitale melanocytaire naevi te onderzoeken.
Deze studie werd uitgevoerd op laesie niveau. Er werden zes groepen gemaakt op basis van histologische patronen:
- Groep I: Typische congenitale naevi (n = 6)
- Groep II: CMN met focale toename in cellulaire dichtheid (n = 4)
- Groep III: CMN met proliferaties die lijken op oppervlakkig spreidend melanoom in situ (n = 3)
- Groep IV: CMN met proliferaties die lijken op nodulair melanoom (n = 9)
- Groep V: Prolifererende neurocristische hamartomen (n = 1)
- Groep VI: Melanomen ontstaan in CMN (n = 6)
Niet in alle groepen werd de Ki-67 analyse verricht. De laesies werden vergeleken met 122 primaire cutane melanomen.
De patiënten die deze laesies hadden waren 1 dag tot 20 jaar oud. Alle proliferatieve noduli (PN) waren van kinderen van 2 dagen tot 4 maanden oud.
De onderzoekers gebruikten comparatieve genomische hybridisatie om de afwijkingen te analyseren en vergeleken de bevindingen met typische congenitale naevi, melanomen die ontstaan in CMN, en primaire cutane melanomen die niet geassocieerd zijn met CMN.
Monsters werden retrospectief verzameld en onderzocht met de indextest (CGH en immunohistochemische kleuring). De immunohistochemische kleuring werd uitgevoerd om de proliferatie-index van de cellen te bepalen met behulp van een Ki-67-antilichaam. Dit werd uitgevoerd nadat de referentietest werd toegepast (histopathologische classificatie). De tijd tussen afname van weefsel en analyse was niet gespecificeerd in het artikel.
De CGH array is in de hedendaagse praktijk grotendeels vervangen door de SNP array (single nucleotide polymorphism). Dit artikel werd gebruikt om de immunohistochemische kleuring van Ki-67 te onderzoeken. Dit werd gebruikt om onderscheid te maken tussen goedaardige en meer agressieve laesies op basis van proliferatieactiviteit.
Boutko et al. (2023) voerden een case-controle studie uit om het gebruik te onderzoeken van PRAME-immunohistochemie en TERT-promotermutatieanalyse als aanvullende diagnostische hulpmiddelen om proliferatieve noduli (PN) te onderscheiden van melanomen die ontstaan in congenitale naevi.
PRAME-immunohistochemische kleuring werd toegepast bij 21 PN-gevallen en 2 melanomen die ontstonden in congenitale naevi. TERT-promotermutatieanalyse werd uitgevoerd indien voldoende weefselmateriaal beschikbaar was. De resultaten van de PRAME-kleuring en TERT-mutatiestatus werden vervolgens vergeleken tussen de PN- en melanoomgroepen om hun potentiële rol als aanvullende diagnostische hulpmiddelen te beoordelen.
Busam et al. (2016) voerden een retrospectieve cohortstudie uit om het verschil te onderzoeken in expressie van het H3K27me3-eiwit tussen nodulaire melanomen en proliferatieve noduli (PN) die ontstaan binnen middelgrote congenitale melanocytaire naevi (CMN) bij kinderen. De patiëntpopulatie is onderverdeeld in 5 casussen van nodulair melanoom en 20 casussen met proliferatieve noduli. Histopathologische en immunohistochemische analyses werden uitgevoerd op reeds opgeslagen biopten van nodulaire melanomen en PN. H3K27me3-expressie werd beoordeeld met behulp van kleuringstechnieken. De onderzoekers hebben ook 10 primaire melanomen van volwassenen geëvalueerd. Een geautomatiseerd systeem voor immunohistochemische kleuring (IHC) (Leica Bond, polymer) is gebruikt, met een commercieel beschikbaar antilichaam voor H3K27me3 (clone C36B11; Cell Signalling).
De indextest is de IHC analyse van H3K27me3-expressie. De referentietest is de histopathologische beoordeling van de weefselmonsters door ervaren dermatopathologen. Pathologen baseren zich hierbij op morfologische kenmerken zoals cellulaire atypie, mitotische activiteit en infiltratief gedrag. De gouden standaard is de definitieve histopathologische diagnose op basis van klinische, histologische en eventueel genetische correlatie. De exacte tijdslijn voor het afnemen van de indextest (H3K27me3-immunohistochemie) en de referentietest (histopathologische diagnose) bij de patiënten wordt niet expliciet vermeld in het artikel.
Vergier et al. (2016) voerden een retrospectieve cohortstudie uit om te onderzoeken of IHC en traditionele fluorescence in situ hybridization (FISH) bruikbaar kan zijn bij het onderscheiden van PN en melanomen ontstaan in CMN op kinderleeftijd. Casussen zijn verzameld tussen 1989 en 2009 met follow-up van 3 tot 21 jaar. De patiëntpopulatie met PN’s en melanomen bestond uit 18 kinderen; 13 kinderen met PN’s in CMN en 5 kinderen met melanomen ontstaan uit CMN. De controlegroepen waren 5 kinderen met grote CMN zonder nodules (negatieve controle) en 6 volwassenen met melanomen ontstaan in CMN (positieve controle). Er werd gebruikt gemaakt van histopathologie, immunohistochemie (IHC) en fluorescence in situ hybridization (FISH) om onderscheid te maken tussen PN’s en melanomen.
Het doel van de studie was om de immunohistochemische kleuring van markers (Ki67, HMB45 en p16) te onderzoeken. Voor de richtlijn was met name interesse in next-generation sequencing (NGS) en SNP array, deze technieken werden echter niet toegepast in deze studie.
De indextest is de IHC kleuring voor verschillende markers (Ki67, HMB45en p16) en de referentietest is een histopathologische evaluatie. De exacte tijdslijn voor het afnemen van de indextest (IHC) en de referentietest (histopathologische diagnose) bij de patiënten wordt niet expliciet vermeld in het artikel.
Risk of bias
Alle studies zijn onderzocht op het risico op bias. De resultaten worden hier bondig beschreven. De volledige risk of bias analyse is te vinden onder het kopje Evidence tabellen.
De case-controle studie van Bastian et al. (2002) heeft een hoog risico op bias. Dit is met name het resultaat van het studiedesign. Het case-controle design heeft als groot nadeel dat de onderzoekers bekend zijn met de diagnose ten tijde van het onderzoeken van de testen. Wat betreft toepasbaarheid is er geen reden tot bezorgdheid dat de geïncludeerde patiënten niet voldoen aan de onderzoeksvraag en de indextest wordt in de dagelijkse praktijk uitgevoerd.
De case-controle studie van Boutko et al. (2023) heeft een hoog risico op bias. Dit is met name het resultaat van het studiedesign en het ontbreken van blindering van onderzoekers. Daarnaast kan het uitsluiten van patiënten met onvoldoende weefsel leiden tot bias. Van de referentiestandaard mag verwacht worden dat het de diagnose kan bevestigen. Het was echter onduidelijk of de pathologen geblindeerd waren voor de resultaten van de indextest. Wat betreft toepasbaarheid is er geen reden tot bezorgdheid dat de geïncludeerde patiënten niet voldoen aan de onderzoeksvraag en de indextest wordt in de dagelijkse praktijk uitgevoerd.
De retrospectieve cohortstudie van Busam et al. (2016) heeft een hoog risico op bias. Dit is met name het resultaat van het studiedesign (patiëntselectie) en het ontbreken van blindering van onderzoekers voor de uitslag van de indextest. Van de referentiestandaard mag verwacht worden dat het de diagnose kan bevestigen. Het was echter onduidelijk of de pathologen geblindeerd waren voor de resultaten van de indextest. Wat betreft toepasbaarheid is er geen reden tot bezorgdheid dat de geïncludeerde patiënten niet voldoen aan de onderzoeksvraag en de indextest wordt in de dagelijkse praktijk uitgevoerd.
De retrospectieve cohortstudie studie van Vergier et al. (2016) heeft een hoog risico op bias. Er ligt een mogelijk risico in de patiëntenselectie en interpretatie van de index test, hoewel de studie een robuuste referentiestandaard en adequate follow-up gebruikte. Alle patiënten ondergingen dezelfde referentie standaard. Wat betreft toepasbaarheid is er geen reden tot bezorgdheid dat de geïncludeerde patiënten niet voldoen aan de onderzoeksvraag en de indextest wordt in de dagelijkse praktijk uitgevoerd.
Beschrijving van de resultaten
Met de case-controle studie van Bastian et al. (2002) kon van de melanomen ontstaan uit CMN (n=6) geen Ki-67 proliferatie ratio bepaald waardoor sensitiviteit en specificiteit niet berekend kunnen worden. Een hoge Ki-67-proliferatie-index (≥5%) wordt geassocieerd met atypische nodulaire proliferaties en mogelijk maligniteit. Een lage index (≤1%) suggereert een benigne karakter. Hoewel Ki-67 nuttig lijkt voor het differentiëren tussen benigne en atypische proliferaties, wordt in het artikel niet vermeld hoe goed de test onderscheid maakt tussen atypische proliferaties en melanomen.
De case-controle studie van Boutko et al. (2023) toonde dat van de 21 PN-gevallen er 2 een diffuse PRAME-positiviteit (≥75% van de cellen) vertoonden.
De 2 melanomen die ontstonden in congenitale naevi waren ook PRAME-positief. TERT-promotermutaties werden niet gedetecteerd in de PN-gevallen.
PRAME-immunohistochemie kan nuttig zijn bij het onderscheiden van PN van melanomen in congenitale naevi, waarbij een diffuse PRAME-positiviteit meer consistent is met melanoom. Het ontbreken van TERT-promotermutaties in PN suggereert dat deze mutaties mogelijk geen rol spelen in de pathogenese van PN.
De retrospectieve cohortstudie van Busam et al. (2016) toonde dat 4 van de 5 melanomen significant verlies van H3K27me3-expressie vertoonden, terwijl alle PN’s (20) H3K27me3-expressie behielden. De sensitiviteit 80% (95%BI: 38 tot 96). De specificiteit is 100% (95%BI: 84 tot 100). Het lage aantal gevallen van melanomen (n = 5) draagt bij aan de brede betrouwbaarheidsintervallen voor de sensitiviteit en zorgen voor imprecisie.
H3K27me3 lijkt een waardevolle diagnostische marker te zijn met een hoge specificiteit, maar vervolgonderzoek met een grotere steekproef en een prospectieve opzet is nodig om de sensitiviteit beter te definiëren en bias te minimaliseren.
De retrospectieve cohortstudie van Vergier et al. (2016) toonde dat van 13 patiënten met PN’s die bij de geboorte aanwezig waren, deze alle 13 stabiel bleven. HMB45 en p16 hadden een sterke expressie in PN’s en melanomen bij kinderen, maar konden geen consistent onderscheid maken. Volwassenen met melanomen waren vaker p16-negatief. De expressie van p16 was sterk positief bij de meeste patiënten met kindertijd-PN’s (10 van de 11 patiënten) en bij alle patiënten met melanoom, maar negatief bij 4 patiënten met melanoom dat op volwassen leeftijd begon.
IHC was beperkt in het onderscheiden van PN’s van kindermelanomen. In totaal 8 patiënten met PN’s en 4 van de 5 patiënten met melanoom op kinderleeftijd toonden homogene kleuring voor HMB45, terwijl heterogene kleuring voor HMB45 gezien werd in 3 van 6 patiënten met melanoom ontstaan op volwassen leeftijd. De studie beschrijft dat Ki67 niet gebruikt kan worden om te differentiëren tussen atypische PN’s en melanomen.
Tabel 1. Samenvatting van sensitiviteit en specificiteit
|
Index test (aantal studies) |
Sensitiviteit (%) |
Specificiteit (%) |
|
PRAME-immuunhistochemie (1)2 |
100 (95% BI: 34-100) |
91 (95% BI: 71-97) |
|
TERT-promotermutatieanalyse (1)2 |
0 (95% BI: 0-66) |
100 (95% BI: 85-100) |
|
H3K27me3-expressie verlies (1)3 |
80 (95% BI: 38-96) |
100 (95% BI: 84-100) |
|
Immunohistochemische kleuring van P16 (1)4 |
100 (95% BI: 56-100) |
9 (95% BI: 2-38) |
|
Immunohistochemische kleuring van HMB45 (1)4 |
80 (95% BI: 38-96) |
39 (95% BI: 18-65) |
BI; betrouwbaarheidsinterval.
2. Boutko, A., Hagstrom, M., Lampley, N., Roth, A., Olivares, S., Dhillon, S., Fumero-Velázquez, M., Benton, S., Zhao, J., Zhang, B., Dittmann, D., Asadbeigi, S., Busam, K. J., & Gerami, P. (2023). PRAME Immunohistochemical Expression and TERT Promoter Mutational Analysis as Ancillary Diagnostic Tools for Differentiating Proliferative Nodules From Melanoma Arising in Congenital Nevi. American Journal Of Dermatopathology, 45(7), 437–447.
3. Busam, K. J., Shah, K. N., Gerami, P., Sitzman, T., Jungbluth, A. A., & Kinsler, V. (2016). Reduced H3K27me3 Expression Is Common in Nodular Melanomas of Childhood Associated With Congenital Melanocytic Nevi But Not in Proliferative Nodules. The American Journal Of Surgical Pathology, 41(3), 396–404.
4. Vergier, B., Laharanne, E., Prochazkova-Carlotti, M., De La Fouchardière, A., Merlio, J., Kadlub, N., Avril, M., Bodemer, C., Lacoste, C., Boralevi, F., Taieb, A., Ezzedine, K., & Fraitag, S. (2016). Proliferative Nodules vs Melanoma Arising in Giant Congenital Melanocytic Nevi During Childhood. JAMA Dermatology, 152(10), 1147.
Om de uitgangsvraag te beantwoorden is een systematische literatuuranalyse uitgevoerd. Voor dit onderzoek is de volgende PICO opgesteld:
| P: | Patiënten met Congenitale Melanocytaire Naevi |
| I: |
Immunohistochemische kleuringen (P16, ki67, HMB45, PRAME, H3K27me3) Moleculaire diagnostiek: TERT promotor mutatie, verlies van partiele chromosomen versus gehele chromosomen (NGS en SNP array) |
| C: | - |
| O: | Diagnostische accuratesse (sensitiviteit/specificiteit), belasting voor de patiënt, kosten |
Uitkomstmaten
De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt en hanteerde de in de studies gebruikte definities.
Primair (cruciaal):
- Diagnostische accuratesse (sensitiviteit/specificiteit)
Belangrijk:
- Belasting voor de patiënt
- Kosten
Er werd een systematische zoekstrategie uitgevoerd in de elektronische databases Embase en Medline. De zoekstrategie is toegevoegd onder het kopje Zoekverantwoording. Studies werden geïncludeerd wanneer deze overeenkwamen met de elementen van de PICO en aan de volgende in- en exclusiecriteria voldeden:
Inclusie- en exclusiecriteria
|
Inclusiecriteria |
Exclusiecriteria |
|
Congenitale melanocytaire naevi (in alle synoniemen), alle groottes, alle leeftijden |
Verworven melanocytaire naevi, of als niet gespecificeerd was of de naevi congenitaal waren |
|
Nederlandstalige en Engelstalige publicaties |
Case reports, letters to the editor, conference abstracts, algemene reviews |
|
Toepassing van een referentiestandaard |
|
|
Systematische reviews, randomized controlled trials (RCT’s) of observationele studies; |
|
- Bastian, B. C., Xiong, J., Frieden, I. J., Williams, M. L., Chou, P., Busam, K., Pinkel, D., & LeBoit, P. E. (2002). Genetic changes in neoplasms arising in congenital melanocytic nevi. American Journal Of Pathology, 161(4), 1163–1169. https://doi.org/10.1016/s0002-9440(10)64393-3.
- Boutko, A., Hagstrom, M., Lampley, N., Roth, A., Olivares, S., Dhillon, S., Fumero-Velázquez, M., Benton, S., Zhao, J., Zhang, B., Dittmann, D., Asadbeigi, S., Busam, K. J., & Gerami, P. (2023). PRAME Immunohistochemical Expression and TERT Promoter Mutational Analysis as Ancillary Diagnostic Tools for Differentiating Proliferative Nodules From Melanoma Arising in Congenital Nevi. American Journal Of Dermatopathology, 45(7), 437–447. https://doi.org/10.1097/dad.0000000000002357.
- Busam, K. J., Shah, K. N., Gerami, P., Sitzman, T., Jungbluth, A. A., & Kinsler, V. (2016). Reduced H3K27me3 Expression Is Common in Nodular Melanomas of Childhood Associated With Congenital Melanocytic Nevi But Not in Proliferative Nodules. The American Journal Of Surgical Pathology, 41(3), 396–404. https://doi.org/10.1097/pas.0000000000000769.
- Vergier, B., Laharanne, E., Prochazkova-Carlotti, M., De La Fouchardière, A., Merlio, J., Kadlub, N., Avril, M., Bodemer, C., Lacoste, C., Boralevi, F., Taieb, A., Ezzedine, K., & Fraitag, S. (2016). Proliferative Nodules vs Melanoma Arising in Giant Congenital Melanocytic Nevi During Childhood. JAMA Dermatology, 152(10), 1147. https://doi.org/10.1001/jamadermatol.2016.2667.
- Lacoste, C., Avril, M., Frassati-Biaggi, A., Dupin, N., Chrétien-Marquet, B., Mahé, E., Bodemer, C., Vergier, B., Fouchardière, A., & Fraitag, S. (2015). Malignant Melanoma Arising in Patients with a Large Congenital Melanocytic Naevus: Retrospective Study of 10 Cases with Cytogenetic Analysis. Acta Dermato Venereologica, 95(6), 686–690. https://doi.org/10.2340/00015555-2049.
- Martin, S. B., Polubothu, S., Bruzos, A. L., Kelly, G., Horswell, S., Sauvadet, A., Bryant, D., Zecchin, D., Riachi, M., Michailidis, F., Sadri, A., Muwanga-Nanyonjo, N., Lopez-Balboa, P., Knöpfel, N., Bulstrode, N., Pittman, A., Yeh, I., & Kinsler, V. A. (2023). Mosaic BRAF Fusions Are a Recurrent Cause of Congenital Melanocytic Nevi Targetable by MAPK Pathway Inhibition. Journal Of Investigative Dermatology, 144(3), 593-600.e7. https://doi.org/10.1016/j.jid.2023.06.213.
Risk of bias tabellen
Tabel 2
|
Study: Bastian, 2002 |
A. Risk of Bias |
Yes/ no/ unclear |
Notes |
B. Concern of applicability |
Low/ high/ unclear |
Notes |
|
1. Patient selection |
Was a consecutive or random sample of patients enrolled? |
No |
Retrospective design |
Is there concern that the included patients do not match the review question? |
Low |
Population is representative for clinical setting |
|
|
Was a case-control design avoided? |
No |
Risk of selection bias |
|||
|
|
Did the study avoid inappropriate exclusions? |
Unclear |
Not reported |
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
|
2. Index test |
Were the index test results interpreted without knowledge of the results of the reference standard? |
Unclear |
Unclear if investigators were blinded for the results of reference standard. Index test objective |
Is there concern that the index test, its conduct, or interpretation differ from the review question? |
Low |
Index tests are generally used for diagnostics |
|
|
If a threshold was used, was it pre-specified? |
Yes |
Treshold for Ki-67 was specified |
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
|
3. Reference standard |
Is the reference standard likely to correctly classify the target condition? |
Yes |
Gold standard |
Is there concern that the target condition as defined by the reference standard does not match the review question? |
Low |
|
|
|
Were the reference standard results interpreted without knowledge of the results of the index test? |
Unclear |
Unclear if pathologists were blinded for results indextest |
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
|
4. Flow and timing |
Was there an appropriate interval between index test(s) and reference standard? |
Unclear |
Possible bias |
N.a. |
n.a. |
n.a. |
|
|
Did all patients receive a reference standard? |
No |
No Ki-67-proliferation- rate for group VI (melanoma in CMN) |
|||
|
|
Did patients receive the same reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Were all patients included in the analysis? |
Yes |
|
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
Tabel 3
|
Study: Boutko, 2023 |
A. Risk of Bias |
Yes/ no/ unclear |
Notes |
B. Concern of applicability |
Low/ high/ unclear |
Notes |
|
1. Patient selection |
Was a consecutive or random sample of patients enrolled? |
No |
Retrospective design |
Is there concern that the included patients do not match the review question? |
Low |
Population is representative for clinical setting |
|
|
Was a case-control design avoided? |
No |
Risk of selection bias |
|||
|
|
Did the study avoid inappropriate exclusions? |
Unclear |
Not reported |
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
|
2. Index test |
Were the index test results interpreted without knowledge of the results of the reference standard? |
No |
Investigators were not blinded for the results of reference standard |
Is there concern that the index test, its conduct, or interpretation differ from the review question? |
Low |
Index tests are generally used for diagnostics |
|
|
If a threshold was used, was it pre-specified? |
Yes |
Threshold for PRAME and TERT was specified |
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
|
3. Reference standard |
Is the reference standard likely to correctly classify the target condition? |
Yes |
|
Is there concern that the target condition as defined by the reference standard does not match the review question? |
Low |
|
|
|
Were the reference standard results interpreted without knowledge of the results of the index test? |
Unclear |
Unclear if pathologists were blinded for results indextest |
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
|
4. Flow and timing |
Was there an appropriate interval between index test(s) and reference standard? |
Unclear |
Possible bias |
N.a. |
n.a. |
n.a. |
|
|
Did all patients receive a reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Did patients receive the same reference standard? |
Yes |
Histopathology |
|||
|
|
Were all patients included in the analysis? |
No |
Cases with insufficient amount of tissue for TERT sequencing were excluded |
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
Tabel 4
|
Study: Busam, 2016 |
A. Risk of Bias |
Yes/ no/ unclear |
Notes |
B. Concern of applicability |
Low/ high/ unclear |
Notes |
|
1. Patient selection |
Was a consecutive or random sample of patients enrolled? |
No |
Retrospective design |
Is there concern that the included patients do not match the review question? |
Low |
Population is representative for clinical setting |
|
|
Was a case-control design avoided? |
No |
Risk of selection bias |
|||
|
|
Did the study avoid inappropriate exclusions? |
Unclear |
Not reported |
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
|
2. Index test |
Were the index test results interpreted without knowledge of the results of the reference standard? |
No |
Possible observer bias because researchers were not blinded |
Is there concern that the index test, its conduct, or interpretation differ from the review question? |
Low |
Index tests are generally used for diagnostics |
|
|
If a threshold was used, was it pre-specified? |
Yes |
Treshold for H3K27me3 is specified |
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
|
3. Reference standard |
Is the reference standard likely to correctly classify the target condition? |
Yes |
|
Is there concern that the target condition as defined by the reference standard does not match the review question? |
Low |
|
|
|
Were the reference standard results interpreted without knowledge of the results of the index test? |
Unclear |
Unclear if pathologists were blinded for results indextest, possible bias |
|||
|
|
Risk of Bias: Unclear |
|||||
|
4. Flow and timing |
Was there an appropriate interval between index test(s) and reference standard? |
Unclear |
Possible bias |
N.a. |
n.a. |
n.a. |
|
|
Did all patients receive a reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Did patients receive the same reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Were all patients included in the analysis? |
Yes |
|
|||
|
|
Risk of Bias: Low |
|||||
Tabel 5
|
Study: Vergier, 2016 |
A. Risk of Bias |
Yes/ no/ unclear |
Notes |
B. Concern of applicability |
Low/ high/ unclear |
Notes |
|
1. Patient selection |
Was a consecutive or random sample of patients enrolled? |
No |
Retrospective design |
Is there concern that the included patients do not match the review question? |
Low |
Population is representative for clinical setting |
|
|
Was a case-control design avoided? |
No |
Risk of selection bias |
|||
|
|
Did the study avoid inappropriate exclusions? |
Unclear |
Not reported |
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
|
2. Index test |
Were the index test results interpreted without knowledge of the results of the reference standard? |
No |
Possible observer bias because researchers were not blinded |
Is there concern that the index test, its conduct, or interpretation differ from the review question? |
Low |
Index tests are generally used for diagnostics |
|
|
If a threshold was used, was it pre-specified? |
No |
|
|||
|
|
Risk of Bias: High |
|||||
|
3. Reference standard |
Is the reference standard likely to correctly classify the target condition? |
Yes |
|
Is there concern that the target condition as defined by the reference standard does not match the review question? |
Low |
|
|
|
Were the reference standard results interpreted without knowledge of the results of the index test? |
Unclear |
Unclear if pathologists were blinded for results indextest, possible bias |
|||
|
|
Risk of Bias: Unclear |
|||||
|
4. Flow and timing |
Was there an appropriate interval between index test(s) and reference standard? |
Unclear |
Not reported |
N.a. |
n.a. |
n.a. |
|
|
Did all patients receive a reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Did patients receive the same reference standard? |
Yes |
|
|||
|
|
Were all patients included in the analysis? |
Unclear |
Loss to follow-up not mentioned |
|||
|
|
Risk of Bias: Unclear |
|||||
Tabel 6. Samenvatting QUADAS-2 resultaten
|
Studie |
Risk of Bias |
Toepasbaarheid |
|||||
|
|
Patiënt selectie |
Index test |
Referentie standaard |
Flow & Timing |
Patiënt selectie |
Index test |
Referentie standaard |
|
Bastian, 2002 |
Hoog |
Laag |
Laag |
Hoog |
Laag |
Laag |
Laag |
|
Boutko, 2023 |
Hoog |
Laag |
Laag |
Hoog |
Laag |
Laag |
Laag |
|
Busam, 2016 |
Hoog |
Laag |
Onduidelijk |
Laag |
Laag |
Laag |
Laag |
|
Vergier, 2016 |
Hoog |
Hoog |
Onduidelijk |
Onduidelijk |
Laag |
Laag |
Laag |
Geëxcludeerde studies
|
Artikel |
Reden van exclusie |
|
Almodovar-Real (2017) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Bansal (2021) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Belysheva (2019) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) |
|
Braunberger (2020) |
Voldoet niet aan PICO / te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Cao (2020) |
Voldoet niet aan inclusiecriteria |
|
Chen (2021) |
Voldoet niet aan inclusiecriteria |
|
Chen (2022) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Christou (2014) |
Brief case report, andere outcome |
|
Fengming (2023) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) |
|
Flux (2012) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) / te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Gambichler (2009) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Gill (2021) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Herron (2004) |
Voldoet niet aan PICO (review question) |
|
Jung (2019) |
Te kleine studiepopulatie (case report) / Voldoet niet aan PICO (review question) |
|
Kong (2014) |
Geen volledige tekst beschikbaar / Voldoet niet aan inclusiecriteria |
|
Lacoste (2015) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) |
|
Lalor (2016) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Lazova (2017) |
Voldoet niet aan PICO (intervention) |
|
Lejeune (2009) |
Geen volledige tekst beschikbaar / Franstalig artikel |
|
Lim (2020) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) |
|
MacHan (2015) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Mallouhy (2022) |
Voldoet niet aan PICO (intervention/outcome) / te kleine studiepopulatie (case report) |
|
McNutt (1995) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Miura (1999) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Moon (2018) |
Brief case report |
|
Murphy (2008) |
Voldoet niet aan PICO (intervention), hier wordt comparative genomic hybridization gebruikt (CGH) / te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Nguyen (2013) |
Voldoet niet aan PICO (intervention), hier wordt comparative genomic hybridization gebruikt (CGH) en fluorescence in situ hybridization (FISH) / te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Phadke (2011) |
Voldoet niet aan PICO (benigne proliferatieve nodules worden vergeleken met atypische proliferatieve nodules) |
|
Rasic (2023) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Reed (2013) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN + andere outcome) |
|
Ricci (2020) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Sabater-Marco (2022) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Saeed (2023) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
|
Sampath (2024) |
Voldoet niet aan PICO (outcome) / te kleine studiepopulatie (case reports) |
|
Skelton (1991) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Turner (2024) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Uguen (2018) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Wakefield (2023) |
Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN) |
|
Zhang (2017) |
Te kleine studiepopulatie (case report) |
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid : 19-05-2026
Algemene gegevens
Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.
Doel en doelgroep
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.
|
Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025 |
Vereniging |
|
S. G. M. A. Pasmans |
NVDV |
|
M.P. Dierselhuis |
NVK |
|
K. Boshuisen |
NVKN |
|
O. Lapid |
NVPC |
|
A. L. Mooyaart |
NVVP |
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
LVMP |
|
C. J. A. van Eijsden |
NVDV |
|
A. C. Fledderus |
NVDV |
|
M. H. G. Dremmen |
NVvR |
|
A. J. M. J. Ebus |
V&VN VS |
|
E. C. Doganer |
Kind & Ziekenhuis |
|
M. van Kessel / E. Petiet |
NNN |
|
Ondersteuning werkgroep |
Vereniging |
|
W. A. M. Blokx (patholoog) |
NVVP |
|
H. B. Thio (dermatoloog) |
NVDV |
|
A. Wolkerstorfer (dermatoloog) |
NVDV |
|
M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg) |
NVPC |
|
N. M. van der Lugt (Kinderarts) |
NVK |
|
S. M. Koudijs (kinderneuroloog) |
NVKN |
|
T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV) |
NVDV |
|
M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
S. G. M. A. Pasmans (voorzitter) |
Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl |
dermatoloog |
Geen |
Geen |
Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn |
Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten |
Geen |
09-10-2023 |
|
|
M.P. Dierselhuis |
Kinderoncoloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
K. Boshuisen |
Kinderneuroloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
14-05-2024 |
|
|
O. Lapid |
Plastisch chirurg |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
A. L. Mooyaart |
Patholoog |
N.v.t. op deze richtlijn |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-05-2024 |
|
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
GZ psycholoog
|
Docent bij PROSA kenniscentrum |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
C. J. A. van Eijsden |
Dermatoloog |
Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren |
Geen |
28-03-2024 |
Geen actie nodig |
|
A. C. Fledderus |
Schrijven aan richtlijn |
AIOS dermatologie MUMC Maastricht |
Geen |
Geen |
Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia. |
Geen |
Geen |
05-02-2025 |
Geen |
|
M. H.G. Dremmen |
Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog) |
Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling) Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling) |
Geen |
Geen |
Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie |
Geen |
Geen |
13-01-2026 |
Geen |
|
A. J. M. J. Ebus |
Verpleegkundig specialist VieCuri |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-01-25 |
|
|
E. C. Doganer |
Projectmanager/beleidsmedewerker |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-05-2024 |
|
|
M. van Kessel |
Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN |
Inval leerkracht basisonderwijs |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
E. Petiet |
Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time |
Bestuurslid bij NNN |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
10-04-2024 |
|
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.
Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.
Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Moleculaire en immunohistochemische diagnostiek |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven. |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.
Werkwijze
Agree
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1.
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)
Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.
|
Kwaliteit |
Interventie |
Diagnostisch accuratesse-onderzoek |
Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose |
|
A1 |
Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau |
||
|
A2 |
Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang |
Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad |
Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten. |
|
B |
Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek) |
|
|
|
C |
Niet-vergelijkend onderzoek |
||
|
D |
Mening van deskundigen |
||
* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.
Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).
|
Niveau |
Conclusie gebaseerd op |
|
1 |
Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 |
|
2 |
1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B |
|
3 |
1 onderzoek van niveau B of C |
|
4 |
Mening van deskundigen |
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.
Zoekverantwoording
Zoekopbrengst
|
Database |
EMBASE |
OVID/Medline |
Ontdubbeld |
|
Systematic Reviews |
4 |
6 |
8 |
|
RCT |
8 |
14 |
18 |
|
Observationele studies |
100 |
129 |
189 |
|
Overig |
200 |
301 |
384 |
|
Netto aantal |
|
|
599 |
Zoekstrategie - 31 juli 2024
Embase.com
Resultaten = 312
Zoektermen
- ('congenital disorders of the skin, skin appendages and subcutaneous tissue'/de OR 'congenital disorder'/de) AND 'nevus'/exp OR 'giant congenital melanocytic nevus'/exp OR (((tierfell OR garment) NEAR/3 (nevi OR nevus OR naevi OR naevus)):ti,ab,kw) OR ((congenital NEAR/4 (naevi OR nevus OR naevus OR nevi)):ti,ab,kw)
- 'immunohistochemistry'/exp OR 'protein p16'/exp OR 'single nucleotide polymorphism array'/exp OR 'high throughput sequencing'/exp OR ((('high throughput' OR 'next gen*') NEAR/3 sequenc*):ti,ab,kw) OR 'snp array':ti,ab,kw OR 'snp microarray':ti,ab,kw OR 'single nucleotide polymorphism array':ti,ab,kw OR 'single nucleotide polymorphism microarray':ti,ab,kw OR 'ki 67 antigen'/exp OR 'ki 67 antigen':ti,ab,kw OR 'mib 1 antigen':ti,ab,kw OR 'mib 1 protein':ti,ab,kw OR 'antigen mib 1':ti,ab,kw OR 'protein mib 1':ti,ab,kw OR 'protein mib1':ti,ab,kw OR 'antigen staining':ti,ab,kw OR 'immunohistochemistry':ti,ab,kw OR 'immunostaining':ti,ab,kw OR 'molecular diagnostics'/exp OR 'gene expression assay kit':ti,ab,kw OR 'gene expression test kit':ti,ab,kw OR 'genetic assay kit':ti,ab,kw OR 'genetic test kit':ti,ab,kw OR 'molecular diagnostic test kit':ti,ab,kw OR 'molecular diagnostics':ti,ab,kw OR 'molecular diagnosis'/exp OR 'molecular diagnosis':ti,ab,kw OR 'molecular diagnostic':ti,ab,kw OR tert:ti,ab,kw OR p16:ti,ab,kw OR hmb45:ti,ab,kw OR prame:ti,ab,kw OR h3k27me3:ti,ab,kw OR 'hmb45 protein'/exp OR 'h3k27me3'/exp OR 'h3k27me3 gene'/exp OR 'tert gene'/exp
- #1 AND #2
- #3 NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) NOT (('animal'/exp OR 'animal experiment'/exp OR 'animal model'/exp OR 'nonhuman'/exp) NOT 'human'/exp)
Ovid/Medline
Resultaten = 450
Zoektermen
- (exp Nevus/ and exp "Congenital, Hereditary, and Neonatal Diseases and Abnormalities"/) or ((tierfell or garment) adj3 (nevi or nevus or naevi or naevus)).ti,ab,kf. or (congenital adj4 (naevi or nevus or naevus or nevi)).ti,ab,kf.
- exp Immunohistochemistry/ or Cyclin-Dependent Kinase Inhibitor p16/ or exp Polymorphism, Single Nucleotide/ or exp High-Throughput Nucleotide Sequencing/ or Pathology, Molecular/ or Molecular Diagnostic Techniques/ or ((high throughput or next gen*) adj3 sequenc*).ti,ab,kf. or snp array.ti,ab,kf. or snp microarray.ti,ab,kf. or single nucleotide polymorphism array.ti,ab,kf. or single nucleotide polymorphism microarray.ti,ab,kf. or ki 67 antigen.ti,ab,kf. or mib 1 antigen.ti,ab,kf. or mib 1 protein.ti,ab,kf. or antigen mib 1.ti,ab,kf. or protein mib 1.ti,ab,kf. or protein mib1.ti,ab,kf. or antigen staining.ti,ab,kf. or immunohistochemistry.ti,ab,kf. or immunostaining.ti,ab,kf. or gene expression assay kit.ti,ab,kf. or gene expression test kit.ti,ab,kf. or genetic assay kit.ti,ab,kf. or genetic test kit.ti,ab,kf. or molecular diagnostic test kit.ti,ab,kf. or molecular diagnostics.ti,ab,kf. or molecular diagnosis.ti,ab,kf. or molecular diagnostic.ti,ab,kf. or tert.ti,ab,kf. or p16.ti,ab,kf. or hmb45.ti,ab,kf. or prame.ti,ab,kf. or h3k27me3.ti,ab,kf.
- 1 and 2
- 3 not ((exp animals/ or exp models, animal/) not humans/) not (letter/ or comment/ or editorial/)