Comprehensive geriatric assessment (CGA)

Initiatief: NVKG Aantal modules: 33

ADL- en IADL-functie bij CGA

Uitgangsvraag

Behoort een instrument voor het vaststellen van de ADL- en IADL-functie tot de standaard meetinstrumenten bij het CGA?

Aanbeveling

Voor het kwantificeren van de ADL-functie adviseert de werkgroep de instrumenten van Barthel en Katz. Voor de IADL-functie adviseert de werkgroep het instrument van Lawton & Brody.

Overwegingen

 

Binnen de klinische geriatrie worden de ADL-instrumenten van Katz en van Barthel en de IADL-schaal van Lawton & Brody internationaal gebruikt. Kenmerkend voor deze schalen is de kwantificering van de functionaliteit. Er zijn verschillende versies ontwikkeld, die lokaal en in de literatuur worden gebruikt. De instrumenten worden enerzijds ingezet om een beeld te krijgen van het functioneren van patiënten bij een scala aan aandoeningen, anderzijds voor zowel het evalueren van interventies op individueel als op groepsniveau. Dit laatste vindt plaats als maat voor de kwaliteit van de gezondheidszorg en als effect van een therapeutische interventie in wetenschappelijk onderzoek.

 

 

 

Hoewel de literatuur geen eenduidig beeld geeft van de validiteit van de instrumenten (mogelijk omdat het relatief oude schalen zijn) hebben de schalen in de praktijk hun waarde wel bewezen.

 

 

 

Het kwantificeren van het functioneren kan een aantal voordelen hebben. In de eerste plaats wordt op een gestructureerde wijze de ADL- en IADL-functie in kaart gebracht, wat naast een gewoon interview nauwelijks meer tijd kost. Daarnaast geeft een meetinstrument een maat voor het functioneren, wat kan worden ingezet om interventies te evalueren. Daarbij moet wel aandacht zijn voor de hoge interrater variatie.

 

 

 

Er is te weinig evidence om één meetinstrument voor de ADL- en IADL-functie aan te bevelen binnen het standaard CGA

 

Onderbouwing

Naast de anamnese, de heteroanamnese en het lichamelijk onderzoek, kan ook gebruik gemaakt worden van meetinstrumenten. Voordelen hiervan zijn de gestructureerde afname en de kwantificering van de beperkingen. De werkgroep heeft een aantal veelgebruikte, internationale en algemene instrumenten beoordeeld.

De Barthel index en de Katz ADL index zijn meetinstrumenten voor de Activiteiten van het Dagelijks Leven (ADL)-functie. Een schaal voor Instrumentele Activiteiten van het Dagelijks Leven (IADL) is die van Lawton et al. (Lawton et al., 1969). Omdat deze schalen het meest gebruikt worden in de geriatrische praktijk en internationaal breed gebruikt en gewaardeerd worden, is ervoor gekozen alleen deze te beoordelen.

De Barthel index werd ontwikkeld door Barthel en anderen. (Mahoney et al., 1965), vertaald in het Nederlands en gevalideerd door de Haan (de Haan et al., 1993). De lijst bestaat uit tien items: darm, blaas, uiterlijke verzorging, toiletgebruik, eten, transfers (bed-stoel en omgekeerd), mobiliteit, aan- en uitkleden, traplopen en baden/douchen. De validiteit van de Barthel index is goed gedocumenteerd bij patiënten die een beroerte hebben ondergaan, maar over de validiteit van de Barthel index bij de geriatrische patiënt is minder bekend (Murdock et al., 1992; Granger et al., 1979).

 

De Katz ADL- index is eveneens in de jaren zestig ontwikkeld om de functionele status van chronisch zieke mensen en ouderen te meten (Siu et al., 1990; Katz et al., 1963). De lijst bestaat uit 6 activiteiten:, wassen, kleden, toiletgebruik, eten, transfers en continentie.

 

Beide schalen gebruiken vrijwel alle door de WHO beschreven functies, behorend tot de ADL-functie, zoals beschreven in hoofdstuk 5.5 functionele anamnese. In de schaal van Katz is alleen niet de mobiliteit expliciet opgenomen, maar deze wordt ook uitgebreid beoordeeld bij de mobiliteit (Garcia et al., 1995).

 

Een veelgebruikte IADL-schaal is die van Lawton en Brody (Lawton et al., 1969). Deze schaal is eind jaren 1960 ontwikkeld en bestaat uit de volgende instrumentele items: telefoneren, inkopen doen, maaltijdbereiding, huishouding, kleding wassen, vervoer buitenshuis, verzorgen eigen medicatie en beheer financiën (Lawton et al., 1969).

 

De door de WHO beschreven IADL-functies, zoals beschreven in hoofdstuk 5.5 functionele anamnese, zijn alle onderdeel van de schaal van Lawton (Garcia et al., 1995).

 

Bij deze uitgangsvraag wordt de validiteit van deze meetinstrumenten bij de geriatrische patiënt geobjectiveerd.

 

Niveau 2

De Barthel index is geschikt voor het objectiveren van de functionele status. De interrater variatie is echter aanzienlijk.

 

Bronnen:

Sainsbury, 2005

 

Niveau 3

Ondanks algemene acceptatie van de Katz ADL-schaal is de validiteit in slechts weinig studies onderzocht en matig in vergelijking met andere vragenlijsten.

 

Bronnen:

Reuben, 1995

Siu, 1990

 

Niveau 3

De validiteit van de IADL-schaal van Lawton & Brody is slechts beperkt beschreven.

Er werd een systematische review gevonden die de betrouwbaarheid van de Barthel index beschreef (Sainsbury et al., 2005). Daarnaast werden nog drie studies gevonden die de Barthel index vergeleken met een referentietest en twee studies die dat deden voor de Katz index .

 

De systematische review over de betrouwbaarheid van de Barthel index includeerde 12 studies bij 923 65-plussers in een klinische setting (Sainsbury et al., 2005). Studies die zich specifiek richten op patiënten met een beroerte werden uitgesloten. Geen van deze studies onderzocht de test-retest betrouwbaarheid. De interpersoonsvariatie was redelijk voor individuele scores en had een hoge mate van overeenkomst met de totale score. De intrapersoonsvariatie was redelijk groot en kon maar liefst vier punten bedragen. Verder laat deze studie zien dat de Barthel index minder betrouwbaar kan zijn bij patiënten met cognitieve belemmeringen. Dit werd onderzocht in vier afzonderlijke studies. Volgens drie daarvan (Artaso Irigoyen et al., 2002; Ranhoff et al., 1993; de Morton et al., 2008) was er een slechte overeenkomst tussen de afzonderlijke items op de Barthel index en de totale score. De laatstgenoemde studie was niet opgenomen in de meta-analyse. Volgens een vierde studie (Richards et al., 2000) was er geen effect. Maar deze studies zijn nog te klein en weinig consistent om verstrekkende conclusies te trekken.

 

Twee studies vergeleken de Katz index met een referentietest. De eerste studie vergeleek de index met drie andere meetinstrumenten bij 83 kwetsbare zelfstandig wonende ouderen >65 jaar (Reuben et al., 1995). De correlatie van de Katz met de OARS IADL (Older Americans Resources and Services Instrumental Activities Of Daily Living ) vragenlijst was 0,33, met de FSQ BADL 0,47, met de Functional Status Questionnaire IADL 0,31, met de Medical Outcomes SF-36 PF-10 0,30 en met de PPT 0,30 (Reuben et. al., 1995). In de andere studie werd de Katz ADL vergeleken met de Spector Katz en de OARS IADL bij 125 ouderen >65 jaar in ziekenhuizen, seniorenwoningen en bij een geriatrische praktijk (Siu et al., 1990). De correlatiecoëfficiënt voor reproduceerbaarheid was 0,97 en de coëfficiënt voor scalability (die aangeeft of het concept functionele status goed gemeten wordt) was 0,45. Dat geeft aan dat functionele status niet heel goed gemeten werd met de Katz vragenlijsten. Deze coëfficiënt was lager dan voor andere vragenlijsten die functionele status meten.

 

De Lawton vragenlijst werd gevalideerd in 1969 (Lawton et al., 1969). Voor de ontwikkeling van deze lijst namen 265 mensen deel aan deze studie (97 mannen en 168 vrouwen). Hierbij werd niet gestratificeerd naar ras of economische status. De items huishouden, koken en de was doen waren niet geschikt om de IADL-functies bij mannen te meten, terwijl de mogelijkheid om met financiën om te gaan niet geschikt was om de IADL-functies bij vrouwen te meten.

De vragenlijst werd gevalideerd door de correlatiecoëfficiënt te bepalen tussen de Lawton en:

1) de fysieke classificatie (een 6-punts schaal voor functionele gezondheid)

2) de mentale status vragenlijst (10 item test naar oriëntatie en geheugen)

3) gedrag- en aanpassingsschaal (een set van vier 6-punts schalen voor intellectuele-, persoonlijke-, gedrags- en sociale aanpassing).

Aan de validatiestudie namen 180 andere mensen deel. De onderzoeker die de testen afnam was niet geblindeerd voor de uitkomsten uit de andere testen. Niet alle deelnemers ondergingen alle testen. De Pearson correlatiecoëfficiënt tussen Lawton en fysieke classificatie was 0,40 (gebaseerd op 50 deelnemers); Lawton en MSQ 0,48 (gebaseerd op 74 mensen); en Lawton en gedrag en aanpassing 0,36 (gebaseerd op 44 mensen). Na 1969 werd deze vragenlijst niet meer gevalideerd.

 

  1. 1 - Artaso Irigoyen, B., Goni Sarries, A., Gomez Martinez, A. R., Garcia Nicholas, M. A. Direct and indirect assessment of the patient with dementia (in Spanish). Geriatrika 2002;18:45-49.
  2. 2 - Bachner, Y. G., O'Rourke, N. Reliability generalization of responses by care providers to the Zarit Burden Interview. Aging Ment.Health. 2007;11:678-685.
  3. 3 - Baldwin, C., Parsons, T. J. Dietary advice and nutritional supplements in the management of illness-related malnutrition: systematic review. Clin Nutr. 2004;23:1267-1279.
  4. 4 - Bauer, J. M., Kaiser, M. J., Anthony, P., Guigoz, Y., Sieber, C. C. The Mini Nutritional Assessment--its history, today's practice, and future perspectives. Nutr.Clin.Pract. 2008;23:388-396.
  5. 5 - Borrie, M.J., Campbell, K., Arcese, Z.A., Bray, J., Hart, P., Labate, T., Hesch, P. Urinary retention in patients in a geriatric rehabilitation unit: preval. Ass Rehab Nurs. 2001;26:187-191.
  6. 6 - Boyd, C. M., Landefeld, C. S., Counsell, S. R., Palmer, R. M., Fortinsky, R. H., Kresevic, D. Recovery of activities of daily living in older adults after hospitalization for acute medical illness. Journal of the American Geriatrics Society. 2008;56:2171-2179.
  7. 7 - de Morton, N. A., Keating, J. L., Davidson, M. Rasch analysis of the barthel index in the assessment of hospitalized older patients after admission for an acute medical condition. Arch Phys Med Rehabil. 2008;89:641-647.
  8. 8 - de Rooij, S. E., Buurman, B. M., korevaar, J. C., Van Munster, B. C., Schuurmans, M. J., Laqaaij, A. M. Co-morbidity in acutely hospitalised older patients as a risk factor for death in hospital or within 3 months after discharge. Ned.Tijdschr.Geneeskd. 2007;151:1987-1993.
  9. 9 - de, Haan. R., Limburg, M., Schuling, J., Broeshart, J., Jonkers, L., van, Z. P. Clinimetric evaluation of the Barthel Index, a measure of limitations in dailly activities. Ned.Tijdschr.Geneeskd. 1993;137:917-921.
  10. 10 - Elia, M., Zellipour, L., Stratton, R. J. To screen or not to screen for adult malnutrition?. Clin.Nutr. 2005;24:867-884.
  11. 11 - Folstein, M.F., Folstein, S.E., McHugh, P.R. "Mini Mental State" A practical method for grading the cognitive state of patients for the clinician. J. Psychiatr. Res. 1975;12:189-198.
  12. 12 - Gallagher-Allred, C. R., Voss, A. C., Finn, S. C., McCamish, M. A. Malnutrition and clinical outcomes: the case for medical nutrition therapy. J.Am.Diet.Assoc. 1996;96:361-369.
  13. 13 - Garcia, P., McCarthy, M. Measuring Health, a step in the development of city health profiles. WHO online publication. 1995;x:x-.
  14. 14 - Gort, A. M., Mingot, M., Gomez, X., Soler, T., Torres, G., Sacristan, O. Use of the Zarit scale for assessing caregiver burden and collapse in caregiving at home in dementias. Int.J.Geriatr.Psychiatry 2007;22:957-962.
  15. 15 - Granger, C. V., Albrecht, G. L., Hamilton, B. B. Outcome of comprehensive medical rehabilitation: measurement by PULSES profile and Barthel index. Arch Phys Med Rehabil. 1979;60:145-154.
  16. 16 - Guigoz, Y. The Mini Nutritional Assessment (MNA) review of the literature: What does it tell us?. J.Nutr.Health Aging. 2006;10:466-485.
  17. 17 - Guigoz, Y., Vellas, B., Garry, P. J. Mini Nutritional Assessment: a practical assessment tool for grading the nutritional state of elderly patients for the clinician. Fact Res Gerontol 1994;4:15-59.
  18. 18 - Holsinger, T., Deveau, J., Boustani, M., Williams, J. W. Does this patient have dementia?. JAMA 2007;297:2391-2404.
  19. 19 - Isabel, M., Correia, T. D., Waitzberg, D. L. The impact of malnutrition on morbidity, mortality, length of hospital stay and cost evaluated through a multivariate model analysis. Clin Nutr. 2003;22:235-239.
  20. 20 - Juby, A., Tench, S., Baker, V. The value of clock drawing in identifying executive cognitive dysfunction in people with a normal Mini-Mental State Examination score. Can Med Assoc J. 2002;167:859-864.
  21. 21 - Katz, S., Ford, A. B., Moskovitz, R. W., Jackson, B. A., Jaffe, M. W. Studies of illness in the aged, The index of ADL: a standardized measure of biological and psychosocial function. JAMA. 1963;185:914-919.
  22. 22 - Koch, H.J., Gurtler, K., Szecsey, A. Correlation of Mini-Mental-State-Examination (MMSE), Syndrom-Kurztest (SKT) and Clock test (CT) scores in patients with cognitive impairment assessed by means of multiple regression and response surface analysis. Arch Gerontol Geriatric 2005;40:7-14.
  23. 23 - Kondrup, J., Allison, S. P., Elia, M., Vellas, B., Plauth, M. ESPEN guidelines for nutrition screening 2002. Clin.Nutr. 2003;22:415-421.
  24. 24 - Kruizenga, H. M., Seidell, J. C., de Vet, H. C., Wierdsma, N. J., Van Bokhorst-de Van der Schueren, M.A. Development and validation of a hospital screening tool for malnutrition: the short nutritional assessment questionnaire (SNAQ). Clin.Nutr. 2005;24:75-82.
  25. 25 - Kruizenga, H. M., Van Tulder, M. W., Seidell, J. C., Thijs, A., Ader, H. J., Van Bokhorst-de Van der Schueren MA Effectiveness and cost-effectiveness of early screening and treatment of malnourished patients. Am.J.Clin.Nutr. 2005;82:1082-1089.
  26. 26 - Kuzuya, M., Masuda, Y., Hirakawa, Y., Iwata, M., Enoki, H., Hasegawa, J. Falls of the elderly are associated with burden of caregivers in the community. Int.J.Geriatr.Psychiatry 2006;21:740-745.
  27. 27 - Lawton, M. P., Brody, E. M. Assessment of older people: self-maintaining and instrumental activities of daily living. Gerontologist 1969;9:179-186.
  28. 28 - Mahoney F.I., Barthel D.W. Functional evaluation: the Barthel Index. Maryland State Med J 1965;14:61-65.
  29. 29 - Murdock, C. A critical evaluation of the Barthel index, Part 2. Br J Occup 1992;4:153-156.
  30. 30 - O'Rourke, N., Tuokko, H. A. Psychometric properties of an abridged version of The Zarit Burden Interview within a representative Canadian caregiver sample. Gerontologist 2003;43:121-127.
  31. 31 - Peters, R., Pinto, E. M. Predictive value of the Clock Drawing Test: A review of the literature. Dement.Geriatr.Cogn Disord. 2008;26:351-355.
  32. 32 - Pinto, E., Peters, R. Literature review of the Clock Drawing Test as a tool for cognitive screening. Dement.Geriatr.Cogn Disord. 2009;27:201-213.
  33. 33 - Pot, a. m., Van Dyck, R., Deeg, D. J. H. Ervaren druk door informele zorg; constructie van een schaal. Tijdschr.Gerontol.Geriatr. 1995;26:214-219.
  34. 34 - Ranhoff, A. H., Laake, K. The Barthel ADL index: scoring by the physician from patient interview is not reliable. Age and Ageing 1993;22:171-174.
  35. 35 - Reuben, D. B., Valle, L. A., Hays, R. D., Siu, A. L. Measuring physical function in community-dwelling older persons: a comparison of self-administered, interviewer-administered, and performance-based measures. J Am.Geriatr.Soc. 1995;43:17-23.
  36. 36 - Richards, S. H., Peters, T. J., Coast, J., Gunnell, D. J., Darlow, M. A., Pounsford, J. Inter-rater reliability of the Barthel ADL index: how does a researcher compare to a nurse?. Clin.Rehabil. 2000;14:72-78.
  37. 37 - Richardson, H. E., Glass, J. N. A comparison of scoring protocols on the Clock Drawing Test in relation to ease of use, diagnostic group, and correlations with Mini-Mental State Examination. J.Am.Geriatr.Soc. 2002;50:169-173.
  38. 38 - Richardson, H. E., Glass, J. N. A comparison of scoring protocols on the Clock Drawing Test in relation to ease of use, diagnostic group, and correlations with Mini-Mental State Examination. Journal of the American Geriatrics Society. 2002;50:169-173.
  39. 39 - Robinson, B.C. Validation of a caregiver strain index. J Gerontol 1983;38:344-348.
  40. 40 - Sainsbury, A., Seebass, G., Bansal, A., Young, J. B. Reliability of the Barthel Index when used with older people. Age and Ageing 2005;34:228-232.
  41. 41 - Samton, J. B., Ferrando, S. J., Sanelli, P., Karimi, S., Raiteri, V., Barnhill, J. W. The clock drawing test: diagnostic, functional, and neuroimaging correlates in older medically ill adults. J.Neuropsychiatry Clin.Neurosci. 2005;17:533-540.
  42. 42 - Scholzel-Dorenbos, C.J.M., Draskovic, I., Vernooij-Dassen, M.J., Olde-Rikkert, M.G.M. Quality of life and burden of spouses of alzheimer disease patients. Alzheimer Dis Assoc Disord 2009;23:171-177.
  43. 43 - Shulman, K. I. Clock-drawing: is it the ideal cognitive screening test?. Int.J.Geriatr.Psychiatry 2000;15:548-561.
  44. 44 - Siu, A. L., Reuben, D. B., Hays, R. D. Hierarchical measures of physical function in ambulatory geriatrics. J Am.Geriatr.Soc. 1990;38:1113-1119.
  45. 45 - Sparks, A., Boyer, D., Gambrel, A., Lovett, M., Johnson, J., Richards, T., Johnson, J., Grimm, E. Daniels, C., Tylka, S.; Mattingly, H., Harper, M., Palermo, D. The Clinical Benefits of the Bladder Scanner A Research Synthesis. J Nurs Care Qual. 2004;19(3):188-192.
  46. 46 - Spreen, O., Strauss, E. Compendium of Neuropsychological Tests. Administration Norms and Commentary 1998;2:1-.
  47. 47 - Stratton, R. J., Hackston, A., Longmore, D., Dixon, R., Price, S., Stroud, M. Malnutrition in hospital outpatients and inpatients: prevalence, concurrent validity and ease of use of the 'malnutrition universal screening tool' ('MUST') for adults. Br.J.Nutr. 2004;92:799-808.
  48. 48 - Sullivan, D. H., Johnson, L. E., Bopp, M. M., Roberson, P. K. Prognostic significance of monthly weight fluctuations among older nursing home residents. J.Gerontol.A Biol.Sci.Med.Sci. 2004;59:633-639.
  49. 49 - Thornton, M., Travis, S.S. Analysis of the reliability of the caregiver strain index. J Gerontol. 2003;58:127-132.
  50. 50 - Tombaugh, T. N., McIntyre, N. J. The mini-mental state examination: a comprehensive review. J.Am.Geriatr.Soc. 1992;40:922-935.
  51. 51 - Universiteit Maastricht, s. v. Rapportage resultaten landelijke prevalentiemeting zorgproblemen. rapport. 2008;x:x-.
  52. 52 - van Exel, N. J., Scholte op Reimer, W. J., Brouwer, W. B., van den Berg, B., Koopmanschap, M. A., van den Bos, G. A. Instruments for assessing the burden of informal caregiving for stroke patients in clinical practice: a comparison of CSI, CRA, SCQ and self-rated burden. Clin.Rehabil. 2004;18:203-214.
  53. 53 - Wu, J., Baguley, I.J. Urinary retention in patients in a geriatric rehabilitation unit. Arch Phys Med Rehab. 2005;86:1772-7.
  54. 54 - Zarit, S. H., Reever, K. E., Bach-Peterson, J. Relatives of the impaired elderly: correlates of feelings of burden. Gerontologist 1980;20:649-655.
  55. 55 - Trimbos, CBO. Richtlijn Depressie bij ouderen. richtlijn 2005;x:x-.

Uitgangsvraag: Behoort een heteroanamnese standaard onderdeel te zijn van een CGA?

 

Refe-rentie

 

 

Mate van bewijs

 

Studie type

 

 

Aantal patiënten

 

 

Patiënten

kenmerken

 

 

Inclusie criteria

 

 

Indextest

 

Referentietest

 

Uitkomstmaten

 

 

 

Resultaten

 

 

 

Overige

opmerkingen

 

 

 

De Jonghe 1997

B

(DSM alleen bij inpatients gedaan)

Diagnostisch accuratesse onderzoek

 

299 opeenvolgende informanten in Psychiatrisch geriatrisch ziekenhuis in NL

 

124 inpatients en 156 outpatients

Gem. Leeftijd: 77,7 jr (SD 8,9).

M/F: 40%/ 60%

Van inpatients

49 dementie en 33 pschych stoornis

Niet beschreven

IQCODE (Nederlandse versie)

Dementia Screening

Test (ADS)

Nurses' Behavioural Rating Scale

for Geriatric Inpatients (GIP)

DSM-III-R classificatie

Amsterdam Dementia Screening

Test (ADS)

Nurses' Behavioural Rating Scale

for Geriatric Inpatients (GIP)

Correcte classificatie van dementie of psych stoornis

Spearman correlatie

Screenen op cognitieve achteruitgang

Correcte classificatie volgens DSM-III-R:

87,8% dementie (n=49)

78,8% psychiatrische stoornis (n=33)

(bij cut-off van 3,9 punten)

Correlatie IQCODE en ADS (n=177): -0,62

Correlatie IQCODE en GIP (n=102): 0,71 voor geheugenstoornis

Correlatie IQCODE en global assessment of severity of dementia (n=102): 0,72

Opeenvolgende patiënten:

Opeenvolgende informanten, maar 19 informanten konden IQCODE niet volledig invullen

Alle patiënten index en referentietest:

Nee, alleen inpatients DSM-III

Blindering van beoordelaar:

Ja, voor IQCODE

 

MacKinnon 1998

A2/B

(onduide

lijk of het ging om opeenvolgende patiënten)

Diagnostisch accuratesse onderzoek

 

106

Gem. Leeftijd: 80,3 jr (SD 8,1).

M/F: 30/76

58/106 patiënten dementie (55%)

Franssprekend

IQCODE

MMSE

DSM-IV

 

Voorspelling van dementie met ‘area under receiver operating characteristic curve‘ (AUC)

AUC MMSE+ IQCODE vs IQCODE: 0,96 vs 0,89 (p<0,01)

AUC MMSE+ IQCODE vs MMSE:

0,96 vs 0,92 (p<0,05)

Sensitiviteit (Se), specificiteit (Sp) en positief voorspellende waarde (PPV):

Weighted sum (Pr(case)≥0,5): 0,93 Se, 0,85 Sp en 0,89 PPV

MMSE (23|24) or IQCODE >4: 0,93 Se, 0,81 Sp en 0,86 PPV

Opeenvolgende patiënten:

onduidelijk

Alle patiënten index en referentietest:

Ja, MMSE, IQCODE en DSM

Blindering van beoordelaar:

Ja, voor IQCODE en MMSE

55% dementie (clinical sample)

Screenen op dementie

In geriatrisch ziekenhuis en geheugenkliniek academisch zhs Zwitserland

Knafelc 2003

A2/B

(onduide

lijk of het ging om opeenvolgende patiënten)

Diagnostisch accuratesse onderzoek

 

519 waarvan 323 beide MMSE en IQCODE en Engelssprekend

Gem. Leeftijd: 74,4 jr (SD 8,8).

M/F: 120/203

229 /323 patiënten dementie (71%)

 

Engelssprekend

IQCODE

MMSE

DSM-III-R

 

Voorspelling van dementie met area under ROC

AUC MMSE+ IQCODE vs IQCODE: 0,89 vs 0,82 (p<0,01)

AUC MMSE+ IQCODE vs MMSE: 0,89 vs 0,86 (p=0,06)

Sensitiviteit (Se), specificiteit (Sp) en positief voorspellende waarde (PPV):

Weighted sum (Pr(case)≥0,5): 0,91 Se, 0,63 Sp en 0,86 PPV

 

Opeenvolgende patiënten:

onduidelijk

Alle patiënten index en referentietest:

Nee, 323/519 MMSE en IQCODE

Blindering van beoordelaar:

Ja, voor IQCODE en MMSE

71% dementie (clinical sample)

Zelfde methode als MacKinnon 1998.

Screenen op dementie.

Geheugen kliniek geriatrisch ziekenhuis Australië

MacKinnon 2003

A2/B

(onduide

lijk of het ging om opeenvolgende patiënten)

- Diagnostisch accuratesse onderzoek

- community sample Canada

- Screenen op dementie

945 waarvan 646 beide MMSE en IQCODE

Gem. Leeftijd: 76,5 jr (70-97).

M/F: 52%/48%

36/646 patiënten dementie (6%) uit community sample Canada

Niet beschreven

IQCODE

MMSE

 

DSM-III-R

 

Voorspelling van dementie met area under ROC

AUC MMSE+ IQCODE vs IQCODE: 0,92 vs 0,86 (p=0,02)

AUC MMSE+ IQCODE vs MMSE: 0,92 vs 0,87 (p=0,09)

Sensitiviteit (Se), specificiteit (Sp) en positief voorspellende waarde (PPV):

Weighted sum (Pr(case)≥0,5): 0,50 Se, 0,97 Sp en 0,53 PPV

MMSE (23|24) or IQCODE >4: 0,58 Se, 0,94 Sp en 0,38 PPV

MMSE (26|27) or IQCODE >3,6: 0,92 Se, 0,78 Sp en 0,20 PPV

Opeenvolgende patiënten:

onduidelijk

Alle patiënten index en referentietest:

Nee, 646/945 MMSE en IQCODE

Blindering van beoordelaar:

Ja, voor IQCODE en MMSE

6% dementie (community sample)

Zelfde methode als MacKinnon 1998

Screenen op dementie.

 

Flicker 1997

A2/B

(geen opeenvolgende patiënten bij ACAT sample)

Diagnostisch accuratesse onderzoek

 

 

 

MC:

437 opeenvolgende patiënten waarvan 299 beide MMSE en IQCODE en Engelssprekend

ACAT:

At random 100 patiënten geselecteerd die bij ACAT kwamen waarvan 87 consent gaven

MC:

Gem. Leeftijd: 73,4 jr (SD 9,3).

M/F: 113/186

216/299 patiënten dementie (72%)

ACAT:

Gem. Leeftijd: 79,7 jr (SD 8,9).

M/F: 30/48

32/78 patiënten dementie (41%)

Niet beschreven

IQCODE

MMSE

 

DSM-III-R

 

Voorspelling van dementie met area under ROC

Sensitiviteit (Se) en specificiteit (Sp):

MMSE (23|24) or IQCODE (3,79|3,80): ACAT: 0,83 Se en 0,83 Sp

MC: 0,71 Se en 0,83 Sp

MMSE (23|24) or IQCODE (3,89|3,90): ACAT: 0,79 Se en 0,94 Sp

MC: 0,68 Se en 0,85 Sp

MMSE (23|24) or IQCODE (3,99|4,00): ACAT: 0,75 Se en 0,94 Sp

MC: 0,65 Se en 0,85 Sp

Opeenvolgende patiënten:

Ja, bij outpatients

Alle patiënten index en referentietest:

Nee, 299/437 MMSE en IQCODE

Blindering van beoordelaar:

Niet beschreven

72% dementie (MC) en 41% dementia (ACAT)

Screenen op dementie

outpatients geheugenkliniek (MC) en random selectie patiënten verwezen naar

aged care assessment team (ACAT)

Autralie

Diesfeldt 2007

C

(retrospectief dossieronderzoek)

- Diagnostisch accuratesse onderzoek

- bezoekers van patiënten op psychogeriatrische dagbehandeling die IQCODE hadden ingevuld en die terug te vinden was in dossier van de patiënt Nederland

- Screenen op dementie

238 patiënten waarvan 169 een IQCODE

Gem. Leeftijd: 78,6 jr (SD 5,8).

M/F: 34%/66%

89% van de patiënten dementie

Patiënten die van januari 2000 - juli 2006 met dagbehandeling zijn begonnen en waarvan IQCODE was ingevuld

IQCODE

 

DSM-IV

CST12 (Cognitieve Screening Test)

5AT (5 Afbeeldingen Test) CWp (Categoriegebonden Woordproductie) EMCT (Expanded Mental Control Test)

BDS (Behavioral Dyscontrol Scale) ADS5 (Amsterdamse DementieScreeningstest)

Correlaties

Zie onder tabel 1

Opeenvolgende patiënten:

onduidelijk

Alle patiënten index en referentietest:

Nee, 169/238  IQCODE

Blindering van beoordelaar:

Niet beschreven

89% dementie

Hannum, 2007

C

Diagnostisch accuratesse onderzoek

438 frail elderly

Frail elderly veterans, 55 jaar en ouder

Veteranen van 55 jaar of ouder, die zorg ontvingen van een geïdentificeerde primary care arts in een VA

ambulatory primary care clinic, en

die twee of meer beperkingen hebben in ADL activiteiten of die hulp nodig hebben bij medicijnen innemen.

Patient centered family focused care (PCFFC) vragenlijst

objective burden

ADL beperkingen, kwaliteit van zorg volgens de patiënt

 

Metingen van PCFFC waren positief geassocieerd met ADL beperkingen van de patiënt (p=0.04) en de kwaliteit van zorg volgens de patient (P<0.001).

Om caregiver assessment te vertalen in de klinische praktijk is training nodig

Long, 1998

C

Diagnostisch accuratesse onderzoek

340 paren van frail elderly en verzorger

>65 jaar

 

Elder-proxy response

Self-reports bij older person en medical history

ADL

IADL

Medische geschiedenis

ADL items overeenkomst van 97%-100%, IADL overeenkomst 72-94%

Medische geschiedenis overeenkomst 76-98%

Respons bias marginaal beïnvloedt door caregiver burden F=1.75, de response bias nam toe bij een grotere zorglast OR=1.10 [1.00; 1.19], bias groter bij kinderen. Depressiviteit van de verzorger had geen invloed op de mate van overeenkomst.

Maar bij een hoge caregiver burden kan de functionele status en IADL veel slechter lijken.

Het is me niet geheel duidelijk of de gegevens van de verzorger vergeleken werden met rapportage door de patiënt of met hun medische dossier

 

Interessant artikel, aanvragen!

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-11-2010

Laatst geautoriseerd  : 01-11-2010

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2016

De NVKG is als houder van deze richtlijn de eerst verantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Uiterlijk in 2015 bepaalt de NVKG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen als nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. 

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Afbakening

De richtlijn volgt het zorgproces (diagnostiek en behandeling) voor de kwetsbare oudere. Het startpunt is de verwijzing door huisarts, specialist ouderengeneeskunde of medisch specialist in algemene ziekenhuizen en in GGZ-instellingen. De richtlijn eindigt bij de advisering van de klinisch geriater over het vervolgbeleid naar aanleiding van het CGA. De richtlijn doet uitspraken over de inhoud van het CGA bij patiënten op de klinische afdeling geriatrie of de polikliniek geriatrie, in algemene ziekenhuizen, universitaire centra en GGZ-instellingen, met als doelgroep kwetsbare ouderen met acute problematiek of ouderen met geriatrische syndromen. Voor sommige specifieke diagnostische aspecten is de aanbeveling om deze als standaard onderdeel in het CGA op te nemen; andere aanbevelingen kunnen op ruime indicatie toegepast worden. Een standaard onderdeel van het CGA hoeft echter niet bij alle patiënten daadwerkelijk te worden toegepast, aangezien bij sommige patiënten dit onderdeel niet zinvol wordt geacht of er gericht wordt gekozen voor andere/specifieke diagnostiek die dit onderdeel vervangt. Er is niet voor gekozen om aanpassingen binnen het CGA te beschrijven voor specifieke subgroepen van ouderen, zoals allochtonen of mensen met een specifieke aandoening zoals dementie of een verstandelijke handicap. 

 

Uitgangsvragen

Functionele verbetering of vertraging van functionele achteruitgang is een van de belangrijkste doelen van het CGA. Daarom is in eerste instantie gekeken naar de risicofactoren voor functionele achteruitgang. Daarna is het CGA als ’black box’ bekeken en vervolgens op onderdelen. De vanzelfsprekende onderdelen zijn niet verder uitgediept met een literatuuronderzoek, maar alleen onderbouwd met expert opinion met richtlijnen en literatuur. Een gericht literatuuronderzoek is met name gedaan voor de onderdelen van het CGA waarover de werkgroep verschillende meningen verwachtte, binnen en buiten de beroepsgroep. Voor de aanvullende diagnostiek is een eerste aanzet gedaan met het bekijken van evidence van de nu meest gebruikte meetinstrumenten. Voor het behandelplan en de indicatiestelling voor een CGA is geen gericht literatuuronderzoek verricht. De werkgroep doet geen uitspraken over wie van het multidisciplinaire team welke onderdelen van het CGA moet uitvoeren.

Doel en doelgroep

Doel

Doel van de richtlijn CGA is verantwoording en optimalisering/kwaliteitsverbetering van het specialistisch geriatrisch onderzoek. De richtlijn geeft aanbevelingen over de optimale diagnostiek van de geriatrische patiënt in de tweede lijn, met als doel te komen tot een behandelplan dat de zelfredzaamheid en kwaliteit van leven van de patiënt zo veel mogelijk behoudt of herwint. Het kan gaan over acute problematiek bij kwetsbare ouderen, die geriatrische analyse behoeven vanwege complexiteit of geriatrische syndromen. 

 

Doelgroep

De doelgroep van de richtlijn zijn primair de klinisch geriaters en secundair alle andere zorgverleners die met een kwetsbare oudere patiënt te maken krijgen.

Samenstelling werkgroep

Deze werkgroep bestaat uit uit klinisch geriaters met een vertegenwoordiging vanuit bestuur en commissie kwaliteitszaken van de NVKG. Bij het samenstellen van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden. Een van de werkgroepleden heeft een dubbelregistratie als klinisch geriater/internist. Waar nodig zijn andere geriaters/deskundigen voor deelonderwerpen ingeschakeld. Hierbij werd ook een geriater van een GGZ-instelling betrokken. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en waren vrij van financiële of zakelijke belangen betreffende het onderwerp van de richtlijn.

 

Drs. Gertie Golüke-Willemse, klinisch geriater (voorzitter)

Drs. Arend Arends, klinisch geriater

Drs. Elles Huinink, klinisch geriater

Drs. Willy van Maarschalkerweerd, klinisch geriater

Drs. Corrie Veen, internist/klinisch geriater

 

Ir. Teus van Barneveld, klinisch epidemioloog, Orde van Medisch specialisten (adviseur)

Dr. Marja Molag, Orde van Medisch specialisten (adviseur)

 

Met hartelijke dank voor de medewerking van:

Drs. Ans Aarts, klinisch geriater

Drs. Huub Maas, klinisch geriater

Dr. Sophia de Rooij, internist/klinisch geriater

Drs. Carien van Rijn, klinisch geriater

Drs. Sonja Stalpers-Konijnenburg, AIOS klinische geriatrie, momenteel klinisch geriater

Prof. dr. ir. Lisette de Groot, hoogleraar voeding van de oudere mens

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en waren vrij van financiële of zakelijke belangen betreffende het onderwerp van de richtlijn.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De implementatie van de richtlijn zal in samenhang met de implementatie van de Indicatorenset NVKG plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van de werkgroep richtlijnen en indicatoren, een werkgroep van de Commissie Kwaliteitszaken (CKZ) van de NVKG. Een substantieel deel van de indicatoren is gebaseerd op de richtlijn. Deze indicatoren moeten jaarlijks door alle vakgroepen via een web-based spreadsheet worden ingevuld. De werkgroep CKZ zal de discussie over een verbetertraject in de vakgroepen steeds voeren. De ingevulde indicatoren worden geanonimiseerd gebruikt als benchmark. Daarnaast worden de indicatoren getoetst in de kwaliteitsvisitaties, die voor alle klinisch geriaters verplicht is voor herregistratie. De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en instellingen. De richtlijn is te downloaden vanaf de website van de NVKG. De NVKG zal werkgroepen formuleren om de diverse onderdelen van het CGA verder te bestuderen en uit te werken.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 2 jaar (14 vergaderingen) aan de totstandkoming van de richtlijn CGA. Hoewel de afzonderlijke tekstgedeelten door individuele werkgroepleden of subwerk-groepleden zijn voorbereid, is dit document nadrukkelijk geschreven uit naam van de gehele werkgroep. De werkgroepleden zochten systematisch literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de richtlijn waarin deze literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De uiteindelijke teksten vormen samen de richtlijn.

Deze ()richtlijn is opgesteld aan de hand van het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument. Dit instrument is in een Europees verband opgesteld om de procedurele kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Door de aspecten van AGREE te verwerken in de inleiding van de richtlijn, wordt duidelijk aan welke kwaliteitseisen is voldaan. 

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Deze richtlijn richt zich op door de werkgroep ervaren discussiepunten in de huidige geriatrische zorg. Daarvoor werden systematische literatuuronderzoeken verricht. De overige aspecten worden beschreven op basis van expertise.

De (methodologische) kwaliteit van de studies werd beoordeeld en relevante studies van goede kwaliteit werden geselecteerd. Bij elke zoekvraag is gewerkt volgens de PICO (Patiënt-Intervention-Comparison-Outcome) methode. Een uitwerking van de formulering van de P is te vinden in Bijlage 1: Zoekstrategie. De termen voor de andere PICO-onderdelen zijn steeds toegevoegd. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Ook werden andere richtlijnen over onderdelen van het CGA geraadpleegd. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is voor de onderzoeken naar interventie en diagnostiek de indeling gebruikt zoals weergegeven in tabel 1.

 

Een pragmatische overweging was ook het relatief beperkte budget: een systematisch literatuuronderzoek voor dit deel van de richtlijn paste niet binnen het beschikbare budget en zou naar verwachting (mening van de werkgroep) weinig opleveren. De uitgangspunten voor de aanbevelingen voor ’goed (medisch) handelen’ zijn daarom gebaseerd op expert opinie van de werkgroep. Er werd gebruik gemaakt van een gestructureerde consensusmethode. In enkele gevallen wordt deze consensus ondersteund door literatuur die door de experts is aangedragen.

 

Voor onderzoeken naar risicofactoren heeft de werkgroep een andere werkwijze gehanteerd. Deze onderzoeken werden beoordeeld aan de hand van negen methodologische criteria (zie bijlage 1 ). Vervolgens is per risicofactor een conclusie met niveau van bewijs geformuleerd. Hierbij werd de indeling gebruikt zoals weergegeven in tabel 2.

 

Tabel 1 Indeling van de literatuur naar de mate van bewijskracht 

Voor artikelen over interventies:

A1

Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn.

A2

Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde onderzoeken) van voldoende omvang en consistentie.

B

Gerandomiseerde klinische onderzoeken van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiëntcontroleonderzoek).

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

Voor artikelen over diagnostiek:

A1

Onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde goed gedefinieerde patiëntengroep met een vooraf gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A-2niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests.

A2

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij vooraf criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruik gemaakt zijn van vooraf gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de ’gouden standaard’ moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. In situaties waarbij multipele, diagnostische tests een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie.

B

Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd.

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld werkgroepleden.

Niveau van bewijs van de conclusies:

1

Één systematische review (A1) of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A1 of A2.

2

Ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Één onderzoek van niveau A2 of B of onderzoek van niveau C.

4

Mening van deskundigen bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

 

 

Tabel 2 Indeling van de literatuur naar risicofactoren

Niveau van bewijs van de conclusies

1

75-100% van de artikelen vindt dat de risicofactor onafhankelijk is én dit is aangetoond in minimaal drie onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken.

2

50-75% van de artikelen vindt dat de risicofactor onafhankelijk én dit is aangetoond in minimaal drie onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken.

3

25-50% van de artikelen vindt dat de risicofactor onafhankelijk is en/of de risicofactor is twee keer onderzocht (in onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken).

4

0-25% van de artikelen vindt dat de risicofactor onafhankelijk is en/of de risicofactor is slechts een keer onderzocht.

Opmerking: wanneer een risicofactor twee keer is onderzocht, maar in dezelfde dataset, wordt dit aangemerkt als niveau 4. Er is dan geen onafhankelijk bewijs voor deze riscofactor geleverd.

 

De beoordeling van de verschillende artikelen vindt u in de verschillende teksten terug onder het kopje ’Wetenschappelijke onderbouwing’. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een conclusie. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd, staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs. Uitzonderingen hierop vormen de conclusies over de risicofactoren. Hier worden de mate van bewijs en het niveau van de conclusie weergegeven op de hierboven beschreven manier.

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijk bewijs vaak nog andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden vermeld onder het kopje ’Overige overwegingen’. De aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Het volgen van deze procedure verhoogt de transparantie van de richtlijn. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroepvergaderingen en vergroot bovendien de duidelijkheid voor de gebruiker van de richtlijn.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Behandelplan