Uitgangsvraag

Op welke manier wordt een primair colorectaal carcinoom gediagnosticeerd?

Aanbeveling

Voor het aantonen dan wel uitsluiten van colorectaal carcinomen is colonoscopie (met bij voorkeur ook histologische bevestiging) de techniek van voorkeur.

 

De werkgroep is van mening dat de tumor tijdens colonoscopie met behulp van tatoeage routinematig gemarkeerd dient te worden; tatoeage is essentieel bij een geplande laparoscopische resectie en bij endoscopische verwijdering van een klinisch maligne ogende poliep.

 

Als (aanvullende) diagnostiek wordt een CT-colografie (virtuele colonoscopie) geadviseerd indien:

  • geen colonoscopie mogelijk is
  • incomplete colonoscopie niet tot diagnose leidt
  • colonoscopie niet tot exacte tumor lokalisatie geleid heeft

 

De werkgroep is van mening dat wanneer preoperatief vanwege stenoserende tumor of om andere redenen geen complete visualisatie van het colon is uitgevoerd, binnen 3 maanden postoperatief een totale colonoscopie dient te worden verricht.

Inleiding

Colonoscopie is de referentiestandaard voor de detectie van colorectaal carcinoom door de combinatie van hoge sensitiviteit met hoge specificiteit (histopathologie). CT-colografie, MR-colografie of X-colon kunnen overwogen worden als alternatief voor een volledig darmonderzoek.

Conclusies

Diagnostiek van de primaire tumor

Er zijn aanwijzingen dat voor het identificeren van colorectaal carcinoom colonoscopie een sensitiviteit heeft van 79-100%. 

Niveau 3: B De Zwart 2001 (8)

Er zijn aanwijzingen dat voor het identificeren van colorectaal carcinoom CT-colografie (virtuele colonoscopie) een sensitiviteit heeft van 96% (95%BI: 94-98) en is daarmee vergelijkbaar met colonoscopie (95%; 95%BI: 90-97).

Niveau 3: B Pickhardt 2011 (23)

Er zijn aanwijzingen dat voor CT-colografie de proportie gedetecteerde colorectaal carcinoom vergelijkbaar is met colonoscopie (10,7% versus 11,4%).

Niveau 3: A2 Atkin 2013 (4)

 

Er zijn aanwijzingen dat voor CT-colografie de proportie gedetecteerde colorectaal carcinoom en grote poliepen hoger is dan voor dubbel contrast barium onderzoek (7,3% versus 5,6%).

Niveau 3: A2 Halligan 2013 (13)

 

Er zijn aanwijzingen dat het markeren van de tumor met behulp van submucosale tatoeage tijdens colonoscopie voorafgaande aan laparoscopische chirurgie leidt tot een adequate visualisatie en lokalisatie van de tumor bij 86-98% van de patiënten.
Niveau 2: B Fu 2001 (10); C Park 2008 (20); Cho 2007 (6); Arteaga-Conzalez 2006 (2); Feingold 2004 (9)

 

Diagnostiek indien geen volledige colonoscopie

Er zijn aanwijzingen dat voor het identificeren van het colorectaal carcinoom bij patiënten met incomplete colonoscopie CT-colografie een sensitiviteit heeft van 95-100% en een specificiteit van bijna 100%.

Niveau 2: B Gallo 2003 (11); Park 2012 (21)

Samenvatting literatuur

Diagnostiek primaire tumor

Colonoscopie versus X-colon

In een meta-analyse varieerde de sensitiviteit van colonoscopie voor het aantonen van colon- of rectumcarcinoom tussen de 79% en 100% (8). De sensitiviteit van X-colon voor het aantonen van colon- of rectumcarcinoom varieerde tussen de 62% en 100%. De specificiteit is niet weergegeven (mogelijk sprake van verification bias). Volgens de auteurs heeft colonoscopie de voorkeur in verband met de hogere sensitiviteit, de mogelijkheid tot het nemen van een biopt en therapeutische mogelijkheden. Het is echter onduidelijk welke referentietesten zijn gebruikt in de afzonderlijke studies. Daarnaast hebben de geïncludeerde studies betrekking op zowel symptomatische patiënten als patiënten die diagnostiek ondergaan in verband met screening. Door NICE is de studie als matig beoordeeld.

De specificiteit van de combinatie colonoscopie met histopathologie van de biopten is zeer hoog.

 

CT-colografie

In 2011 is een nieuwe NICE richtlijn verschenen over de diagnostiek en behandeling van colorectaal carcinoom. Hierin wordt opgemerkt dat er alleen voor CT-colografie veel en goede kwaliteit literatuur beschikbaar is, maar weinig of geen voor de andere modaliteiten (bijvoorbeeld colonoscopie). Uit twee reviews blijkt de per poliep sensitiviteit van CT-colografie vergelijkbaar en beide rapporteren een hogere sensitiviteit voor grotere poliepen (5; 12). In vergelijking met colonoscopie wordt voor CT-colografie voor poliepen >6 mm een gepoolde sensitiviteit gerapporteerd van 66% (95%BI: 64-68) en op per patiënt basis 69%-70% (5; 19). De overall specificiteit was 83% (95%BI: 81-84) (5). Voor poliepen van 10 mm en groter is in een meta-analyse de per patiënt sensitiviteit 85%-93%.

 

CT-colografie versus X-colon

In een Britse gerandomiseerde studie in 21 ziekenhuizen was de detectie van colorectaal carcinoom en grote poliepen ≥10 mm bij symptomatische patiënten met CT-colografie (CTC) significant hoger dan met dubbel contrast barium onderzoek (7,3% vs. 5,6%; p=0,039) (13). Dit verschil was ook significant voor alleen poliepen ≥10 mm maar niet voor alleen colorectaal carcinoom (de studie was gepowered op colorectaal carcinoom en poliepen ≥10 mm). Na drie jaar follow-up had CTC een lagere miss rate voor colorectaal carcinoom, maar dit was niet significant verschillend (7% vs. 10%). Met CT-colografie waren er minder inadequate onderzoeken en was er meer klinische zekerheid op basis van de uitslag. Een ander verschil was de evaluatie van extracolonische afwijkingen bij CT-colografie. Een groot deel van de symptomatische patiënten hadden geen colonafwijkingen die hun klachten verklaarden en CT-colografie kon mogelijk een extracolonische oorzaak aantonen. In deze RCT hadden 36% van de patiënten een extracolonische afwijking waarvoor een nader onderzoek nodig was, waarbij de extracolonische afwijking een verklaring was voor een of meer van de symptomen.

In een meta-analyse bleek de sensitiviteit en specificiteit van CT-colografie groter dan voor X-colon voor zowel poliepen ≥10 mm als poliepen van 6-9 mm (27).

 

CT-colografie versus colonoscopie

De sensitiviteit van CT- colografie voor colorectaal carcinoom was in een meta-analyse 96% (95%BI: 94-98) en daarmee vergelijkbaar met colonoscopie (95%; 95%BI: 90-97). Ook in een Britse gerandomiseerde multicenter studie was de detectie voor colorectaal carcinoom bij symptomatische patiënten vergelijkbaar (10,7% vs. 11,4%) (4). Er werden meer patiënten bij CT-colografie voor een vervolgonderzoek doorgestuurd dan bij colonoscopie (30% versus 13%). Ongeveer de helft van de verwijzing bij CT-colografie was voor de verdenking op colorectaal carcinoom of poliepen ≥10 mm (16%), de overigen voor kleine poliepen (9%) of inadequaat onderzoek/klinische onzekerheid (5%). Bij colonoscopie was de belangrijkste reden een incompleet onderzoek (11%). Na minimaal 3 jaar follow-up had CT-colografie één van 29 colorectaal carcinomen gemist (3%) en colonoscopie geen van de 55 tumoren. Dit is vergelijkbaar (4%) met een Nederlandse studie waarbij de CT-colografie resultaten uit de dagelijkse praktijk met de kankerregistratie werden vergeleken (25).

Bij CT-colografie werd bij 10% van de patiënten een vervolgonderzoek uitgevoerd voor een extracolonische afwijking, waarbij bij 9 van deze 48 patiënten een niet bekende extracolonische maligniteit werd vastgesteld. Andere extracolonische afwijkingen waren onder meer abdominaal aneurysma. 35% van de patiënten waarbij voor een extracolonische afwijking een vervolgonderzoek werd uitgevoerd, had een extracolonische bevinding die tenminste een van de presenterende symptomen kon verklaren.

 

MR colografie

In een meta-analyse over de periode 1997-2009 bleken de data vooral adenomen te betreffen. Maar in vijf studies waren in totaal 32 colorectaal carcinomen die allen met MR-colografie werden gedetecteerd (sensitiviteit 100%) [Zijta 2010].

De systematische reviews over CT-colografie en MR-colografie bevatten ook studies bij screening en surveillance populaties (34). Het ziektespectrum in de reviews was daarom maar deels overeenkomstig met het spectrum van de populatie van deze richtlijn. Daarnaast zijn er nogal wat artikelen waarbij de initiële ervaring werd gerapporteerd met dientengevolge nogal wat leercurve effecten.

 

Tumor lokalisatie

Voor de chirurgische behandeling van een colorectaal carcinoom is de lokalisatie van de tumor van groot belang, met name bij laparoscopische chirurgie. Bij open chirurgie is lokalisatie belangrijk bij villeuze adenomen die niet bij palpatie vastgesteld kunnen worden, bij kleine retroperitoneale tumoren of indien reeds endoscopische resectie is verricht van een maligne poliep. Niet correcte lokalisatie bij colonoscopie wordt in de literatuur gerapporteerd tussen de 11% en 21% (62430).

 

Er zijn verschillende lokalisatietechnieken (32). De tumor kan tijdens de colonoscopie worden gemarkeerd met clips of tatoeage of een colonoscopie tijdens de operatie met markering op de serosa door middel van een hechting of clip. Nadelen van coloscopische clips zijn kans op dislocatie, moeilijke visualisatie en noodzaak voor doorlichting. Peroperatieve colonoscopie vereist een MDL arts of endoscopische expertise van de chirurg, en kan door luchtinsufflatie de resectie hinderen (7).

 

De techniek van voorkeur is daarom coloscopische tatoeage. Routinematige tatoeage lijkt geïndiceerd, maar zou eventueel achterwege gelaten kunnen worden bij rechtzijdige lokalisatie bevestigd bij CT of een grote T3-4 tumor. Oost-Indische inkt is eerste keus, aangezien methyleen blauw, indigokarmijn en indocyanine groen binnen enkele dagen verdwijnen. De inkt wordt bij voorkeur op 3 tot 4 plaatsen distaal (anale zijde) van de tumor aangebracht in een submucosale kwaddel van 1 ml fysiologisch zout rondom in de darmwand (7; 32).

 

In zeven geïdentificeerde studies waren in totaal 321 patiënten geïncludeerd, variërend tussen 10 en 96 per studie (2369101620). De visualisatie varieerde in deze studies tussen de 86% en 100%, gezamenlijk 306/321 patiënten (95%). Intra-abdominale lekkage werd gerapporteerd tussen de 0% en 14%, meestal zonder nadelige gevolgen. Complicaties traden zelden op en betroffen onder andere peritonitis, abcesvorming en pseudotumor.

 

Diagnostiek indien geen volledige colonoscopie

Indien een volledige colonoscopie niet mogelijk is (5-20% van de gevallen) dient aanvullend onderzoek te worden verricht indien de oorzaak van de symptomen niet is vastgesteld of om bij een vastgesteld colorectaal carcinoom een proximale synchrone tumor uit te sluiten. Bij incomplete colonoscopie waarbij al de diagnose CRC is gesteld, kan men kiezen voor een colonoscopie postoperatief, dan wel voor preoperatief CT-colografie. Bepaling van de exacte tumorlokalisatie kan een reden zijn voor preoperatief aanvullend diagnostiek, met name bij villeuze tumoren en bij laparoscopische chirurgie.

 

CT-colografie (virtuele colonoscopie)

In meerdere studies zijn de diagnostische kenmerken van CT-colografie bij patiënten met een incomplete colonoscopie gerapporteerd (11182133). Er waren nogal wat beperkingen zoals veelal kleine aantallen patiënten en in sommige studies methodologische beperkingen (X-colon in referentiestandaard, onduidelijkheid over blinderingen van onderzoeksgegevens), maar alle studies lieten goede sensitiviteit en specificiteit zien van CT-colografie voor colorectaal carcinoom. Sensitiviteit van CT-colografie voor colorectaal carcinoom was in deze studies tussen 95% en 100% en de specificiteit tussen 96% en 100% (23).

 

MR colografie

In de studie van Ajaj zijn de uitkomsten van MR colografie vergeleken met de voorafgaande incomplete colonoscopie (1). De MR leidde tot het identificeren van twee extra laesies verdacht voor carcinoom en vijf extra poliepen. Het is echter twijfelachtig of de bevindingen van toepassing zijn op de populatie in de klinische praktijk: patiënten met verdenking op colorectaal carcinoom.

Referenties

  1. 1 - Ajaj W, Lauenstein TC, Pelster G, et al. MR colonography in patients with incomplete conventional colonoscopy. Radiology. 2005 Feb;234(2):452-9. Epub 2004 Dec 10.
  2. 2 - Arteaga-González I, Martín-Malagón A, Fernández EM, et al. The use of preoperative endoscopic tattooing in laparoscopic colorectal cancer surgery for endoscopically advanced tumors: a prospective comparative clinical study. World J Surg. 2006 Apr;30(4):605-11.
  3. 3 - Askin MP, Waye JD, Fiedler L, et al. Tattoo of colonic neoplasms in 113 patients with a new sterile carbon compound. Gastrointest Endosc. 2002 Sep;56(3):339-42.
  4. 4 - Atkin W, Dadswell E, Wooldrage K, et al. Computed tomographic colonography versus colonoscopy for investigation of patients with symptoms suggestive of colorectal cancer (SIGGAR): a multicentre randomised trial. Lancet. 2013 Apr 6;381(9873):1194-202. doi: 10.1016/S0140-6736(12)62186-2. Epub 2013 Feb 14
  5. 5 - Chaparro M, Gisbert JP, Del Campo L, et al. Accuracy of computed tomographic colonography for the detection of polyps and colorectal tumors: a systematic review and meta-analysis. Digestion. 2009;80(1):1-17. doi: 10.1159/000215387. Epub 2009 May 4. 3A1-17
  6. 6 - Cho YB, Lee WY, Yun HR, et al. Tumor localization for laparoscopic colorectal surgery. World J Surg. 2007 Jul;31(7):1491-5. Epub 2007 May 30.
  7. 7 - Conaghan PJ, Maxwell-Armstrong CA, Garrioch MV, et al. Leaving a mark: the frequency and accuracy of tattooing prior to laparoscopic colorectal surgery. Colorectal Dis 2011;13: 1184-7.
  8. 8 - De Zwart I, Griffioen G, Shaw MP, Lamers CB, de Roos A. Barium enema and endoscopy for the detection of colorectal neoplasia: sensitivity, specificity, complications and its determinants. Clin Radiol 2001;56:401-9
  9. 9 - Feingold DL, Addona T, Forde KA, et al. Safety and reliability of tattooing colorectal neoplasms prior to laparoscopic resection. J Gastrointest Surg. 2004;8(5):543-6.
  10. 10 - Fu KI, Fujii T, Kato S, Sano Y, Koba I, Mera K et al. A new endoscopic tattooing technique for identifying the location of colonic lesions during laparoscopic surgery: a comparison with the conventional technique. Endoscopy 2001;33(8):687-91.
  11. 11 - Gallo TM, Galatola G, Fracchia M, et al. Computed tomography colonography in routine clinical practice. Eur J Gastroenterol Hepatol. 2003 Dec;15(12):1323-31.
  12. 12 - Halligan S, Altman DG, Taylor SA, Mallett S, Deeks JJ, Bartram CI, et al. CT colonography in the detection of colorectal polyps and cancer: systematic review, meta-analysis, and proposed minimum data set for study level reporting. Radiology 2005;237(3):893-904.
  13. 13 - Halligan S, Wooldrage K, Dadswell E, et al. Computed tomographic colonography versus barium enema for diagnosis of colorectal cancer or large polyps in symptomatic patients (SIGGAR): a multicentre randomised trial. Lancet. 2013 Apr 6;381(9873):1185-93.
  14. 14 - Jensch S, Bipat S, Peringa J, et al. CT colonography with limited bowel preparation: prospective assessment of patient experience and preference in comparison to optical colonoscopy with cathartic bowel preparation. Eur Radiol. 2010 Jan;20(1):146-56. doi: 10.1007/s00330-009-1517-0. Epub 2009 Jul 23.#
  15. 15 - Keeling AN, Slattery MM, Leong S, et al. Limited-preparation CT colonography in frail elderly patients: a feasibility study. AJR Am J Roentgenol. 2010 May;194(5):1279-87. doi: 10.2214/AJR.09.2896.
  16. 16 - Kim SH, Milsom JW, Church JM, et al. Perioperative tumor localization for laparoscopic colorectal surgery. Surg Endosc. 1997 Oct;11(10):1013-6.
  17. 17 - Liedenbaum MH, de Vries AH, Gouw CI, et al. CT colonography with minimal bowel preparation: evaluation of tagging quality, patient acceptance and diagnostic accuracy in two iodine-based preparation schemes. Eur Radiol. 2010 Feb;20(2):367-76.
  18. 18 - Macari M, Berman P, Dicker M, et al. Usefulness of CT colonography in patients with incomplete colonoscopy. AJR Am.J Roentgenol. 1999;173(3), 561-4.
  19. 19 - Mulhall BP, Veerappan GR, Jackson JL. Meta-analysis: computed tomographic colonography. Ann Intern Med. 2005 Apr 19;142(8):635-50.
  20. 20 - Park JW, Sohn DK, Hong CW, et al. The usefulness of preoperative colonoscopic tattooing using a saline test injection method with prepackaged sterile India ink for localization in laparoscopic colorectal surgery. Surg Endosc. 2008 Feb;22(2):501-5. Epub 2007 Aug 17.
  21. 21 - Park SH, Lee JH,Lee SS, Kim JC, Yu CS, Kim HC, et al. CT colonography for detection and characterisation of synchronous proximal colonic lesions in patients with stenosing colorectal cancer. Gut 2012;61(12):1716-22.
  22. 22 - Peulen JJ, de Witte MT, Friederich P, et al. CT-colografie als eerstelijnsdiagnosticum bij patiënten met darmklachten. Ned Tijdschr Geneeskd 2010;154:A1681
  23. 23 - Pickhardt PJ, Hassan C, Halligan S, Marmo R. Colorectal cancer: CT colonography and colonoscopy for detection--systematic review and meta-analysis. Radiology. 2011 May;259(2):393-405.
  24. 24 - Piscatelli N, Hyman N, Osler T. Localizing colorectal cancer by colonoscopy. Arch Surg. 2005 Oct;140(10):932-5.
  25. 25 - Simons PC, Van Steenbergen LN, De Witte MT, Janssen-Heijnen ML. Miss rate of colorectal cancer at CT colonography in average-risk symptomatic patients. Eur Radiol. 2013 Apr;23(4):908-13. doi: 10.1007/s00330-012-2679-8. Epub 2012 Oct 20.
  26. 26 - Slater A, North M, Hart M, Ferrett C. Gas insufflation of minimal preparation CT of the colon reduces false-positives. Br J Radiol. 2012 Apr;85(1012):346-50. doi: 10.1259/bjr/20678489. Epub 2011 Jan 11.#
  27. 27 - Sosna J, Sella T, Sy O, Lavin PT, Eliahou R, Fraifeld S, Libson E. Critical analysis of the performance of double-contrast barium enema for detecting colorectal polyps > or = 6 mm in the era of CT colonography. AJR Am J Roentgenol. 2008 Feb;190(2):374-85. doi: 10.2214/AJR.07.2099.
  28. 28 - Stoker J, Dekker E. CT-colografie in de dagelijkse praktijk. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157(44):A6477.
  29. 29 - van Gelder RE, Birnie E, Florie J, et al. CT colonography and colonoscopy: assessment of patient preference in a 5-week follow-up study. Radiology. 2004 Nov;233(2):328-37. Epub 2004 Sep 9.
  30. 30 - Vignati P, Welch JP, Cohen JL. Endoscopic localization of colon cancers. Surg Endosc. 1994 Sep;8(9):1085-7.
  31. 31 - von Wagner C, Ghanouni A, Halligan S, et al. SIGGAR Investigators. Patient acceptability and psychologic consequences of CT colonography compared with those of colonoscopy: results from a multicenter randomized controlled trial of symptomatic patients. Radiology. 2012 Jun;263(3):723-31.
  32. 32 - Yeung JM, Maxwell-Armstrong C, Acheson AG. Colonic tattooing in laparoscopic surgery - making the mark? Colorectal Dis. 2009 Jun;11(5):527-30. doi: 10.1111/j.1463-1318.2008.01706.x. Epub 2008 Oct 10
  33. 33 - Yucel C, Lev-Toaff AS, Moussa N, Durrani H. CT colonography for incomplete or contraindicated optical colonoscopy in older patients. AJR Am J Roentgenol. 2008 Jan;190(1):145-50.
  34. 34 - Zijta FM, Bipat S, Stoker J. Magnetic resonance (MR) colonography in the detection of colorectal lesions: a systematic review of prospective studies. Eur Radiol. 2010 May;20(5):1031-46.

Overwegingen

Bij patiënten met substantiële comorbiditeit dient men de onderzoeksmethode te kiezen die het minst belastend is. De belasting van een CT-colografie onderzoek is in de klinische setting minder dan van colonoscopie (28; 14; 17; 31). Belangrijk is hierbij dat de darmvoorbereiding beperkt kan worden zonder nadelig effect op de accuratesse. Als de primaire vraag het uitsluiten van colorectaal carcinoom is en poliepdetectie is minder relevant, dan bestaat de mogelijkheid om de darmvoorbereiding nog verder te beperken met behoud van goede resultaten voor de detectie van colorectaal carcinoom (15; 26). De gegevens over colografie betreffen vrijwel alleen onderzoeken in de 2e of 3e lijn; de kennis over CT-colografie in de 1e lijn is beperkt (22; 28).

 

In Nederland zal eerder voor de CT-colografie dan de MR-colografie worden gekozen indien er om bepaalde redenen geen of geen volledige colonoscopie wordt uitgevoerd. De techniek is eenduidiger, er is veel evidence beschikbaar, de ervaring is groter en de kosten zijn lager. MR heeft het belangrijke voordeel dat er geen stralenbelasting plaatsvindt en zou dus bij jonge patiënten en met name ook bij zwangere vrouwen als alternatief overwogen kunnen worden. Probleem is dat de ervaring hiermee in Nederland zeer beperkt is.

 

CT-colografie is accurater dan dubbel contrast barium onderzoek voor detectie van colorectaal carcinoom en poliepen. CT-colografie is daarom de radiologische techniek van keuze.

 

Indien preoperatief vanwege stenoserende tumor of om andere redenen geen complete visualisatie van het colon is uitgevoerd dient binnen 3 maanden postoperatief een totale colonoscopie te worden verricht. Indien bij deze groep preoperatief (na de colonoscopie met stenoserende tumor) een CT-colografie is verricht, wordt geadviseerd postoperatief na 1 jaar een colonoscopie te verrichten.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 16-04-2014

Laatst geautoriseerd : 16-04-2014

De geldigheidsduur van deze module is vastgesteld op vijf jaar. De geldigheidstermijn voor de module wordt vanuit IKNL bewaakt. Om verscheidene redenen kan herziening eerder dan beoogd nodig zijn. De Landelijke Werkgroep Gastro-Intestinale Tumoren toetst daarom jaarlijks de actualiteit van de richtlijn en de daarin gekoppelde modules. Het bestuur van deze landelijke werkgroep draagt de verantwoordelijkheid om de behoefte voor herziening van de huidige richtlijn en de daarin gekoppelde modules bij de beroepsgroepen te peilen. Uiterlijk in 2016 wordt besloten of een nieuwe multidisciplinaire werkgroep moet worden geïnstalleerd om de complete richtlijn te reviseren.

 

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Initiatief, organisatie en financiering

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

 

Mandaterende verenigingen/instanties

Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK)

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVVH)

Nederlandse Vereniging van Klinische Chemie (NVKC)

Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)

Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen (NVMDL)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVVR)

Stichting Geriatrische Oncologische Oncologie Nederland (Gerionne)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland Oncologie (V&VN Oncologie)

 

 

Autoriserende verenigingen

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVVH)

Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)

Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen (NVMDL)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVVR)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland Oncologie (V&VN Oncologie)

Vereniging Klinische Genetica Nederland (VKGN)

 

Instemmende verenigingen

Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK)

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

 

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens een wetenschappelijke, beroeps- of patiëntenvereniging en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is getracht rekening te houden met landelijke spreiding, inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen en vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen/disciplines.

De patiënten zijn  eveneens vertegenwoordigd door middel van afvaardiging van de coördinator van de patiëntenvereniging, alsmede een ervaringsdeskundige, en een uitgevoerde focusgroepbijeenkomst.

 

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn en de daarin gekoppelde modules zijn zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en/of consensus. Het is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering van zorgverleners die betrokken zijn bij patiënten met (een mogelijk) coloncarcinoom, rectumcarcinoom of colorectale lever- of longmetastase(n). De richtlijn en de daarin gekoppelde modules geven aanbevelingen over de diagnostiek, behandeling, nacontrole en nazorg en organisatie van zorg. De richtlijn en de daarin gekoppelde modules beogen hiermee de kwaliteit van de zorgverlening te verbeteren, het klinisch handelen meer te baseren op bewijs dan op ervaringen en meningen, de transparantie van keuze voor behandelingen te vergroten en de diversiteit van handelen door professionals te verminderen.

 

Doelpopulatie

Per jaar wordt het colorectaal carcinoom bij circa 13.000 nieuwe patiënten vastgesteld. Bij ongeveer 1 op de 3 patiënten van deze groep gaat het om een rectumcarcinoom. In Nederland staat het colorectaal carcinoom zowel bij mannen als bij vrouwen op de derde plaats van de oncologische aandoeningen qua incidentie. Bij mannen volgt het colorectaal carcinoom met 14% van het totaal aantal tumoren, na prostaatcarcinoom (22%) en huidkanker (exclusief basaalcelcarcinoom) (14%). Bij vrouwen staat deze aandoening met 13%, na mammacarcinoom (29%) en huidkanker (exclusief basaalcelcarcinoom) (15%) op de incidentielijst. Naar verwachting zal het aantal patiënten bij wie de diagnose colorectaal carcinoom gesteld wordt in 2020 gestegen zijn tot ongeveer 17.000, als gevolg van een licht stijgende incidentie (met name bij mannen), de bevolkingsgroei en de vergrijzing.

Het colorectaal carcinoom komt iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en negentig procent van de patiënten is 55 jaar of ouder. Meer informatie is te vinden op www.cijfersoverkanker.nl

 

Deze richtlijn en de daarin gekoppelde modules zijn van toepassing op alle volwassen patiënten met een (verdenking op) een primair colorectaal carcinoom als voor patiënten met (uitgebreid) gemetastaseerde ziekte. Er wordt extra aandacht besteedt aan de oudere patiënt. Voor volwassen patiënten met een verhoogd risico op erfelijke darmkanker is een aparte richtlijn beschikbaar.

 

Doelgroep

Deze richtlijn en de daarin gekoppelde modules zijn bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met een (gemetastaseerd) colorectaal carcinoom, zoals chirurgen, huisartsen, IKNL-consulenten, internisten, MDL-artsen, MDL-verpleegkundigen, klinisch genetici, paramedici, pathologen, radiologen, radiotherapeuten en verpleegkundig (specialist)en.

De complete richtlijn is gebruikt bij het ontwikkelen van een patiëntenvoorlichtingstekst vanuit de Nederlandse patiënten consumenten federatie (NPCF). Naast informatie over diagnostiek en behandeling geven we in deze richtlijn informatie over hoe de patiënt de verschillende ingrepen kan beleven.

 

Samenstelling werkgroep

Naam

Functie

Werkplek

Mandatering

Mw. prof. dr. C.A.M. Marijnen Voorzitter

Radiotherapeut-oncoloog

LUMC Leiden

NVRO

Mw. prof. dr. R.G.H. Beets-Tan

Radioloog

MUMC Maastricht

NVVR

Mw. S. de Bruijn

Verpleegkundig Specialist

Renier de Graaf Gasthuis Delft

V&VN

Mw. dr. A. Cats

MDL- arts

NKI/AvL Amsterdam

NVMDL

Prof. dr. E.F.I. Comans

Nucleair Geneeskundige

VUMC Amsterdam

NVNG

Dr. A.R. van Erkel

Interventie radioloog

LUMC Leiden

NVVR

Mw. dr. M.A.M. Frasa

Klinisch chemicus

Groene Hart

Ziekenhuis Gouda

 

NVKC

Mw. C. Gielen

Verpleegkundig Specialist

MUMC Maastricht

V&VN

Dr. E.J.R. de Graaf

Chirurg

IJsselland Ziekenhuis Capelle a/d IJssel

NVVH

Mw. dr. M. Hamaker

Geriater

Diakonessenhuis Utrecht

NVKG

Mw. dr. J.E. van Hooft

MDL-arts

AMC Amsterdam

NVMDL

Mw. H.J.A.M.. Kunneman

Onderzoeker/PhD-candidate

LUMC Leiden

n.v.t.

Mw. dr. M.E. van Leerdam

MDL-arts

NKI/AvL Amsterdam

NVMDL

Dr. H. Martijn

Radiotherapeut

Catharina-ziekenhuis Eindhoven

NVRO

Mw. dr. A.M. Mendez

Romero

Radiotherapeut

Erasmus MC Kanker Instituut

Rotterdam

NVRO

Mw. prof. dr. I.D. Nagtegaal

Patholoog

UMCN St Radboud

Nijmegen

NVVP

Dr. L.A. Noorduyn

Patholoog

Lab. Voor Pathologie Dordrecht e.o.

NVVP

Mw. A. Ormeling

Ervaringsdeskundige

Stomavereniging

NFK

Drs. T.A.M. van Os

Klinisch Geneticus

AMC Amsterdam

VKGN

Dr. F.T.M. Peters

MDL-arts

UMCG Groningen

NVMDL

Mw. J. Pon

Ervaringsdeskundige

NFK/SPKS

NFK

Mw. dr. J.E.A. Portielje

Internist-oncoloog

Haga Ziekenhuis

Den Haag

Gerionne

Prof. dr. C.J.A. Punt

Internist-oncoloog

AMC Amsterdam

NIV

Mw. dr. H. Rütten

Radiotherapeut

UMCN Radboud

Nijmegen

NVRO

Prof. dr. H.J.T. Rutten

Chirurg

Catharina-ziekenhuis

Eindhoven

NVVH

Prof. dr. J. Stoker

Radioloog

AMC Amsterdam

NVVR

Dr. P.J. Tanis

Chirurg

AMC Amsterdam

NVVH

Dr. J.H. von der Thüsen

Patholoog

MC Haaglanden

Den Haag

NVVP

Prof. dr. H.M.W. Verheul

Internist-oncoloog

VUMC Amsterdam

NIV

Prof. dr. C. Verhoef

Chirurg

Erasmus MC Kanker Instituut

Rotterdam

NVVH

Dr. Tj. Wiersma

huisarts

NHG

NHG

 

 

Naam

Functie

Werkplek

Mw. drs. A.Y. Steutel

procesbegeleider

Utrecht

Drs. T. van Vegchel

procesbegeleider

Amsterdam

Mw. S. Janssen-van Dijk

secretaresse

Rotterdam

M.P.  van den Berg

onderzoeker

Bilthoven

P.F. van Gils

Onderzoeker

Bilthoven

Mw. J. Robays

Literatuuronderzoeker

Brussel

Mw. drs. Y Smit

literatuuronderzoeker

Duitsland

Mw. A. Suijkerbuijk

Onderzoeker

Bilthoven

Mw. dr. L. Veerbeek

Literatuuronderzoeker

Groningen

Mw. dr. L. Verheye

Literatuuronderzoeker

Brussel

Mw. dr. G.A. de Wit

Onderzoeker

Bilthoven

 

 

Belangenverklaringen

Alle leden van de richtlijnwerkgroep hebben verklaard onafhankelijk gehandeld te hebben bij het opstellen van de richtlijn. Een onafhankelijkheidsverklaring ‘Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling’ zoals vastgesteld door onder meer de KNAW, KNMG, Gezondheidsraad, CBO, NHG en Orde van Medisch Specialisten is door de werkgroepleden bij aanvang en bij afronding van het traject ingevuld.

 

Inbreng patiƫntenperspectief

Twee ervaringsdeskundigen hebben deel uitgemaakt van de richtlijnwerkgroep. Een namens de Nederlandse Stomavereniging en een namens SPKS/NFK. Aan de hand van een focusgroep bijeenkomst zijn ervaringen van patiënten voor wat betreft zorgverlening geïnventariseerd om zodoende input te kunnen leveren aan de werkgroep. Tevens is de richtlijn gebruikt bij het ontwikkelen van een patiëntenvoorlichtingstekst vanuit de Nederlandse patiënten consumenten federatie (NPCF). Naast informatie over diagnostiek en behandeling geven we in deze richtlijn informatie over hoe de patiënt de verschillende ingrepen kan beleven.

 

Implementatie

Het bevorderen van het gebruik van aanbevelingen uit de richtlijn begint met een brede verspreiding van de richtlijn. Er wordt een mailing verstuurd onder de professionals via de (wetenschappelijke) verenigingen en de werkgroepen van IKNL. Er is een artikel of manuscript ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en Nederlands Tijdschrift voor Oncologie. Ook in andere tijdschriften of bij bijvoorbeeld nascholingsbijeenkomsten wordt de richtlijn onder de aandacht gebracht. Daarnaast beschikt IKNL over een toolbox ter ondersteuning van de IKNL adviseurs netwerken c.q. professionals in het veld voor de implementatie van de richtlijn. De toolbox bevat:

·         Een overzicht van de aanbevelingen.

·         De kernboodschappen (belangrijkste inhoudelijke boodschappen).

·         Een basis PowerPointpresentatie voor IKNL adviseurs netwerken en werkgroepleden van deze richtlijn.

·         Een implementatieplan voor deze richtlijn (incl. indicatoren voor evaluatie van de richtlijn). Dit plan bevat voor de belangrijkste aanbevelingen uit de richtlijn een overzicht van belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie. Op basis hiervan beschrijft het plan de belangrijkste doelgroepen en (adviezen voor) concrete acties om implementatie te bevorderen.

·         Een training aan de IKNL adviseurs netwerken.

Werkwijze

De werkgroep is in juli 2012 voor de eerste maal bijeengekomen. Op basis van een eerste inventarisatie van knelpunten door werkgroepleden is een knelpunteninventarisatie gehouden door middel van een enquête onder professionals die betrokken zijn bij patiënten met een colorectaal carcinoom. Middels deze enquête hebben zestig professionals knelpunten geprioriteerd en/of ingebracht. Daarnaast zijn aan de hand van een focusgroep bijeenkomst ervaringen van patiënten voor wat betreft zorgverlening geïnventariseerd. De meest relevante knelpunten zijn uitgewerkt tot elf uitgangsvragen.

Omdat in België ook een revisie van de richtlijn coloncarcinoom werd opgestart is samenwerking gezocht en gevonden waardoor de beantwoording van de uitgangsvragen op het gebied van het coloncarcinoom kon worden verdeeld.

Op het moment dat duidelijk werd dat de richtlijn colorectale levermetastasen in deze revisie meegenomen werd is op dit gebied extra expertise aan de werkgroep toegevoegd. Ook is specifieke kennis over de oudere patiënt aan de werkgroep toegevoegd door middel van een aparte uitgangsvraag op dit gebied.

 

Voor iedere uitgangsvraag werd binnen de richtlijnwerkgroep een subgroep geformeerd. Voor de evidence based uitgangsvragen werd het literatuuronderzoek, de (kritische beoordeling), de evidence tabellen en het opstellen van een concept literatuurbespreking verzorgd door externe methodologen. Werkgroepleden pasten afzonderlijk of in subgroepen de concept literatuurbespreking en conclusies aan en stelden overige overwegingen en aanbevelingen op volgens de internationaal gebruikte CoCanCPG formats ‘PICO’, ‘overige overwegingen’ en ‘formuleren van aanbevelingen’.

Er is voor de consensus based revisie geen systematisch literatuuronderzoek verricht door een methodologisch expert; de werkgroepleden beoordeelden zelf de bij hen bekende literatuur. Op basis hiervan hebben de werkgroepleden de wetenschappelijke onderbouwing en conclusies, overige overwegingen en aanbevelingen geformuleerd.

De werkgroep heeft gedurende een periode van ongeveer zeven maanden gewerkt aan de tekst voor de conceptrichtlijn. De teksten zijn tijdens plenaire, veelal telefonische, vergaderingen besproken en na verwerking van de commentaren geaccordeerd.

 

De conceptrichtlijn is begin juni 2013 naar alle betrokken wetenschappelijke-, beroeps- en patiëntenverenigingen en landelijke en regionale tumorwerkgroepen gestuurd voor commentaar d.m.v. een enquête. Het commentaar werd verwerkt door de richtlijnwerkgroep en begin december 2013 is de richtlijn ter autorisatie aan verschillende wetenschappelijke- en beroepsverenigingen voorgelegd.

Uitgangsvragen

Nr

EB1

Uitgangsvraag

Auteurs

Paragraaf

1a

 

 

 

 

 

 

EB

 

 

 

 

 

Wat is de meerwaarde van lokale behandeling al dan niet gecombineerd met neoadjuvante (chemo)radiotherapie ten opzichte van conventionele chirurgie bij patiënten met een stadium 0 of 1 rectumcarcinoom op het gebied van lokale controle, Qol en OS?

E.J.R. de Graaf

(chirurg),

H. Martijn

(radiotherapeut), F.T.M. Peters (MDL arts)

7.3

2a

 

 

 

 

EB

 

 

Wat is het effect van neoadjuvante radiotherapie of neoadjuvante chemoradiotherapie ten opzichte van TME chirurgie zonder neoadjuvante therapie bij patiënten met een resectabel cT1-3N0-1 rectumcarcinoom op het gebied van lokale controle, OS en QoL?

 H. Rutten

(radiotherapeut),

P.J. Tanis (chirurg)

7.3

3

 

 

EB

 

 

 

Is PET-CT sensitiever en/of specifieker dan CT voor de detectie van overige metastasen welke tot mogelijke wijziging in beleid leiden bij patiënten met potentieel lokaal te behandelen metastasen?

 

E.F.I. Comans

(nucleair geneeskundige),

J. Stoker

(radioloog)

3.3

4a

 

 

 

4b

 

 

4c

EB

 

 

 

EB

 

 

EB

Welke interventies hebben een positief effect op de QOL bij patiënten die na low-anterior rectumresectie klachten van fecale incontinentie hebben?

 

Welke interventies hebben een positief effect op de QOL bij patiënten die na rectumresectie klachten van urine-incontinentie hebben?

 

Welke interventies verbeteren de QoL bij patiënten met seksueel disfunctioneren na rectumchirurgie?

H.J.T. Rutten

(chirurg),

S. de Bruijn

(verpleegkundig specialist)

 

 

10.2

5

EB

Wat is de meerwaarde van een stent of deviërend colostoma ten opzichte van acute resectie met of zonder primaire anastomose bij acute obstructie door een linkszijdig coloncarcinoom?

P.J. Tanis (chirurg),

J.E. van Hooft,

(MDL arts)

5.4

6

EB

Is toepassing van een enhanced recovery after surgery (ERAS) programma doelmatig bij laparoscopische resectie of open resectie van een colorectaal carcinoom?

P.J. Tanis (chirurg), S. de Bruijn

(verpleegkundig specialist)

5.3

Uitgangsvragen in samenwerking met KCE België

7

EB

Geeft aanvullende segmentele colonresectie een betere uitkomst in termen van recidief vrije en totale overleving bij patiënten die een endoscopische poliepectomie hebben ondergaan waarbij sprake bleek van een Tis/T1 coloncarcinoom?

P.J. Tanis (chirurg),

M.E. van Leerdam (MDL arts)

5.1.1

8

EB

Wat is de beste behandelingsvolgorde (systemische therapie, lokale behandeling) bij patiënten met resectabele metachrone metastasen in de lever?

C. Verhoef

(chirurg),

H.W. Verheul

(internist-oncoloog)

8.2

9

EB

Wat is de beste behandelingsvolgorde (systemische therapie, primaire tumorresectie, lokale metastase behandeling, en eventuele radiotherapie) bij patiënten met resectabele synchrone colorectale metastasen in de lever?

C. Verhoef

(chirurg),

H.W. Verheul

(internist-oncoloog)

8.2

10

EB

Wanneer kan welke lokale therapie het beste ingezet worden bij patiënten met colorectale long of levermetastasen en speelt de locatie, aantal en grootte van de metastasen een rol in de keuze voor behandeling?

A.R. van Erkel (interventie radioloog )

A. Mendez-Romero (radiotherapeut),

C. Verhoef (chirurg)

8.3

11

EB

Welke wijzigingen zijn er op het gebied van palliatieve systemische therapie voor patiënten met een stadium IV colorectaal carcinoom?

 

CJ.A. Punt

(internist-oncoloog)

en H.W. Verheul (internist-oncoloog)

8.5

12

 

EB

De oudere patiënt met kanker

M. Hamaker

(geriater)

J.E.A. Portielje

(internist-oncoloog)

C.A.M. Marijnen

(radiotherapeut-oncoloog)

H.J.T. Rutten

(chirurg)

 

1 Evidence Based methodiek

 

Verantwoording

IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland) bevordert dat mensen met kanker en hun naasten zo dicht mogelijk bij huis toegang hebben tot een samenhangend en kwalitatief verantwoord zorgaanbod.

IKNL is opgericht om behandeling, zorg en klinisch onderzoek binnen de oncologie te verbeteren. Daarnaast heeft het een taak in het opzetten en ondersteunen van netwerken voor palliatieve zorg.

IKNL werkt aan multidisciplinaire richtlijnontwikkeling voor de oncologische en palliatieve zorg. Naast deze ontwikkeling van richtlijnen faciliteert IKNL ook het onderhoud, het beheer, de implementatie en de evaluatie van deze richtlijnen.

De leidraad voor de ontwikkeling van (modules van) richtlijnen voor oncologische en palliatieve zorg is het AGREE instrument. Dit instrument is gemaakt voor de beoordeling van bestaande, nieuwe en herziene richtlijnen.

Het AGREE Instrument beoordeelt zowel de kwaliteit van de verslaglegging als de kwaliteit van bepaalde aspecten van de aanbevelingen. Het beoordeelt de kans dat een richtlijn zijn gewenste doel zal behalen, maar niet de daadwerkelijke impact op patiëntuitkomsten.

Het AGREE Instrument is opgebouwd uit 23 items verdeeld over zes domeinen. Elk domein beslaat een aparte dimensie van kwaliteit van richtlijnen, namelijk:

-       Onderwerp en doel betreft het doel van de richtlijn de specifieke klinische vragen waarop de richtlijn een antwoord geeft en de patiëntenpopulatie waarop de richtlijn van toepassing is.

-       Betrokkenheid van belanghebbenden richt zich op de mate waarin de richtlijn de opvattingen van de beoogde gebruikers weerspiegelt.

-       Methodologiehangt samen met het proces waarin bewijsmateriaal is verzameld en samengesteld en met de gebruikte methoden om aanbevelingen op te stellen en te herzien.

-       Helderheid en presentatie gaat over het taalgebruik en de vorm van de richtlijn.

-       Toepassinghoudt verband met de mogelijke organisatorische, gedragsmatige en financiële consequenties van het toepassen van de richtlijn.

-       Onafhankelijkheid van de opstellers betreft de onafhankelijkheid van de aanbevelingen en erkenning van mogelijke conflicterende belangen van leden van de werkgroep.

 

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.