Classificatie - Chronische urticaria
Uitgangsvraag
Wanneer is er sprake van chronische urticaria?
Aanbeveling
- Gebruik de recente internationale classificatie van subtypen van chronische urticaria (Zuberbier, 2022). In deze classificatie wordt chronische urticaria onderverdeeld in chronische spontane urticaria (CSU) en chronische induceerbare urticaria (CIndU). Volgens deze classificatie wordt gesproken van chronische urticaria bij continue of recidiverende klachten van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes weken.
- Wees bewust van de verschillende subtypes van CIndU:
- Symptomatische dermografisme
- Koude-urticaria
- Vertraagde drukurticaria
- Urticaria solaris
- Warmte contact-urticaria
- Vibratoire urticaria
- Cholinerge urticaria
- Contacturticaria
- Aquagene urticaria
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
Er is geen aanvullende literatuuranalyse verricht. De werkgroep heeft op basis van de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022) de aanbevelingen geformuleerd die deze uitgangsvraag hebben beantwoord op basis van expert consensus.
Balans van gewenste en ongewenste effecten
Niet van toepassing.
Professioneel perspectief
De werkgroep beveelt de classificatie van Zuberbier et al. (2022) aan, waarin het onderscheid tussen acuut en chronisch onveranderd blijft van de oude classificatie. Volgens deze classificatie wordt gesproken van chronische urticaria bij continue of recidiverende klachten van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes weken.
De werkgroep beveelt aan om urticariële vasculitis, maculopapulaire cutane mastocytose (voorheen urticaria pigmentosa genoemd), indolente systemische mastocytose met huidbetrokkenheid, mestcelactivatiesyndroom (MCAS), auto-inflammatoire syndromen (zoals cryopyrine-geassocieerde periodieke syndromen of het syndroom van Schnitzler), en niet-mestcel-gemedieerd angio-oedeem (zoals bradykinine-gemedieerd angio-oedeem) niet te beschouwen als subtypen van urticaria. Dit geldt ook voor andere aandoeningen en syndromen die zich uiten in urticaria en/of angio-oedeem, omdat ze verschillende pathofysiologische mechanismen hebben (zie tabel 2). Echter, kunnen ze wel relevant zijn voor de differentiaaldiagnose.
Tabel 2. Differentiële diagnose van urticaria en syndromen die zich manifesteren met urticaria en/of angio-oedeem
|
Differentiële diagnose van urticaria en/of angio-oedeem |
|
Bron: Met aanpassingen o.b.v. expert opinie overgenomen van Zuberbier et al. The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria. Allergy. 2022
Waarden en voorkeuren van patiënten
Voor mensen met (mogelijke) urticaria-klachten is een onderkenning van de juiste diagnose en een daarop gerichte behandeling van belang. Evenzo is een onderscheid naar subvarianten en verschillende categorieën van ernst, aanhoudend en frequentie van klachten (ook in de loop van tijd/jaren) relevant voor de nadere diagnostiek, doorverwijzing en (opeenvolgende stappen in de) behandeling. Het is voor patiënten van belang dat verwijzers en behandelaars in alle zorglijnen de verschillende varianten van urticaria (onder)kennen en goed inschatten welk deel daarvan zo spoedig mogelijk een (intensieve) behandeling moet krijgen.
Aanvaardbaarheid en haalbaarheid
Niet van toepassing.
Onderbouwing
Achtergrond
In deze module wordt de classificatie/nomenclatuur van chronische urticaria (CU) besproken.
Het spectrum van klinische manifestaties van verschillende urticariasubtypen is breed. Bovendien kunnen twee of meer verschillende subtypen urticaria naast elkaar bestaan in dezelfde patiënt. CU wordt gedefinieerd als de aanwezigheid van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes aaneensluitende weken (dagelijks of meerdere dagen per week). Tabel 1 presenteert de classificatie/differentiaal diagnose van CU volgens de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022). CU wordt onderverdeeld in chronische spontane urticaria (CSU) en chronische induceerbare urticaria (CIndU).
Tabel 1. classificatie van subtypes van chronische urticaria (aangepast naar Zuberbier et al. (2014)
|
CSU |
CINDU |
|
Spontaan optreden van urticae en/of angio-oedeem, langer dan zes weken, van onbekende oorzaak. |
Symptomatisch dermografisme1 Koude-urticaria2 (vertraagde) drukurticaria3 Urticaria solaris Warmte-urticaria4 Vibratoire urticaria Cholinerge urticaria Contacturticaria Aquagene urticaria |
|
|
CSU: chronische spontane urticaria, CINDU: chronische induceerbare urticaria
1ook urticaria factitia of dermografische urticaria genoemd; 2ook koude contact-urticaria genoemd; 3ook druk-urticaria genoemd; 4ook warmte contact-urticaria genoemd
De oorzaak van CSU is niet altijd bekend. Onderzoek wijst op auto-immuunmechanismen die leiden tot mestcelactivatie in de huid als een van de belangrijkste onderliggende oorzaken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee mogelijke auto-immuun endotypes van CSU, waarbij verschillende soorten auto-antistoffen geassocieerd zijn met de activatie van mestcellen in de huid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het auto-allergische type I en het auto-immuun type IIb. Het auto-allergische type I wordt gekenmerkt door een verhoogd totaal IgE (>40) en een lage anti-TPO. Het auto-immuun type IIb wordt daarentegen gekenmerkt door comorbiditeit met andere auto-immuunziekten, een laag totaal IgE (<40) en een verhoogde anti-TPO.
Bij een type I hypersensitiviteitsreactie binden autoantigenen aan IgE op mestcellen en basofielen, wat resulteert in de vrijlating van vasoactieve mediatoren. Dit mechanisme van autoallergie werd bevestigd door de detectie van IgE-autoantilichamen tegen microsomale schildklierantigenen, met name thyroperoxidase (TPO), in het serum van CSU-patiënten. Een type II hypersensitiviteitsreactie treedt op wanneer antilichamen, vaak IgG of IgM, binden aan antigenen op doelcellen. Deze theorie werd voorgesteld na de ontdekking van IgG-autoantilichamen tegen IgE in het serum van patiënten met CSU (Mostmans, 2022).
Omdat de exacte pathofysiologie van CSU nog niet volledig begrepen is, richten de behandelingsaanbevelingen zich op het beheersen en voorkomen van symptomen, evenals op het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten.
CIndU kan onderverdeeld worden in fysische urticaria (symptomatische dermografisme, koude-urticaria, vertraagde drukurticaria, urticaria solaris, warmte contact-urticaria, cholinerge urticaria en vibratoire urticaria) en niet fysische urticaria (contacturticaria en aquagene urticaria).
CU kan gepaard gaan met (bijna) dagelijkse symptomen van urticaria of een intermitterend/recidiverend verloop hebben. CSU kan na maanden of zelfs na jaren terugkeren na een volledige remmissie. Bij sommige patiënten komt een combinatie voor van spontane urticaria en urticaria die door één of meerdere fysische triggers wordt geïnduceerd. CIndU wordt gekenmerkt door duidelijke en subtype-specifieke triggers voor het ontwikkelen van urticaria en/of angio-oedeem. Er bestaan zeldzame subtypes van induceerbare urticaria waarbij er een combinatie van twee of meer specifieke triggers urticaria en/of angio-oedeem induceren, bijvoorbeeld koude-geïnduceerde cholinerge urticaria.
Sommige patiënten met spontane urticaria kunnen trigger-geïnduceerde urticaria, angio-oedeem of beide ervaren. Deze triggers zijn niet altijd duidelijk, aangezien hun aanwezigheid niet altijd leidt tot symptomen of klachten van urticaria. Sommige patiënten kunnen zich met meer dan één subtype van urticaria presenteren, die dus ook onafhankelijk kunnen reageren op de behandeling.
Voor een overzicht van (beperkte) diagnostiek die kan worden ingezet bij chronische urticaria bij volwassenen wordt verwezen naar de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022).
Conclusies / Summary of Findings
Niet van toepassing.
Zoeken en selecteren
Voor het beantwoorden van deze uitgangsvraag wordt gebruik gemaakt van de Internationale richtlijn ‘The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria’. Voor het systematisch literatuuronderzoek wordt verwezen naar de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022).
Resultaten
Niet van toepassing.
Referenties
- Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie. (2021). Chronisch spontane urticaria en de auto-immune hypothese. Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie, 31(9), Supplement oktober 2021.
- Zuberbier T, Abdul Latiff AH, Abuzakouk M, et al. The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria. Allergy. 2022;77(3):734-766. doi:10.1111/all.15090.
Evidence tabellen
Niet van toepassing.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 28-01-2026
Beoordeeld op geldigheid : 28-01-2026
Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep grotendeels in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).
De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn Chronische Urticaria (CU) en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.
Algemene gegevens
Aanleiding en afbakening onderwerp
Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie is de richtlijn chronische urticaria in 2023-2024 modulair herzien. De herziening betreft overwegend de toevoeging van nieuwe modules met klinische relevante onderwerpen welke ontbraken of toe waren aan herziening: classificatie, monitoring van ziekteactiviteit, ziektecontrole en ziektelast, behandeling van CSU en CIndU bij volwassenen, behandeling bij kinderen, behandeling tijdens zwangerschap, borstvoeding en kinderwens, organisatie van zorg en gepersonaliseerd behandelplan.
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.
Doel en doelgroep
Doel
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met chronische urticaria.
Doelgroep
De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroep. Daartoe behoren onder andere: Dermatologen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, Secundair kan de richtlijn nuttig zijn voor internisten, allergologen, kinderartsen, huisartsen en apothekers. Voor patiënten werd informatie op thuisarts.nl en een patiënten folder ontwikkeld.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.
|
Werkgroepleden |
Vereniging |
|
Dr. H. Röckman, dermatoloog (voorzitter) |
NVDV |
|
Dr. M.B.A. van Doorn, dermatoloog |
NVDV |
|
Drs. B. Peters, dermatoloog |
NVDV |
|
Drs. M. Stadermann, kinderarts-allergoloog |
NVK |
|
Dr. J.N.G. Oude Elberink, internist-allergoloog |
NVvAKI |
|
P.A. Kentie, verpleegkundig specialist |
V&VN |
|
Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek, arts, klinisch farmacoloog |
Lareb |
|
P. van den Broek, patiëntvertegenwoordiger |
HN |
|
C. Berkhof, patiëntvertegenwoordiger |
PU |
|
Ondersteuning werkgroep |
Vereniging |
|
Drs. T. M. Nlgisang, arts-onderzoeker (vanaf juni 2023) |
NVDV |
|
Drs. L.J. van den Oord, arts-onderzoeker (vanaf april 2024) |
NVDV |
|
Dr. W.A. van Enst, klinisch epidemioloog & directeur NVDV |
NVDV |
|
Drs. M.R. Masselink, arts-onderzoeker (vanaf april 2025) |
NVDV |
|
Drs. T. A. Teunissen, arts-onderzoeker (vanaf april 2025) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciëring) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
Mw. Dr. H. Röckman, (voorzitter) |
Dermatoloog (UMC Utrecht) |
Geen |
(nationale) global adviesraad Novartis Sanofi
Research Roundup ThirdHarmonic
Spreker vergoeding Novartis |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-4-2023 |
Geen |
|
Dhr. Dr. M.B.A. van Doorn |
Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Erasmus MC) 0,8 fte
Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Centre for Human Drug Research) 0,2 fte |
Spreker, deelname aan adviesraden en organisatie van nascholingen i.s.m. de farmaceutische industrie waarvoor financiële vergoeding (Novartis, AbbVie, Pfizer, LEO pharma, Sanofi, Lilly, Janssen, UCB, BMS, Celgene, Third Harmonic) |
Adviseur voor Novartis (deelname adviesraden) |
Geen |
Uitvoering/deelname aan verschillende extern gefinancierde clinical trials op gebied van chronische urticaria (Novartis, Sanofi, ThirdHarmonic) |
Geen |
Geen |
25-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. Drs. B. Peters |
Dermatoloog (Rijnstate) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Mw. Drs. M. Stademann |
Kinderarts-allergoloog (UMC Utrecht en Diakonessenhuis Utrecht)
Adviseur Allergie team (Kinderkliniek Almere) |
Bestuursectie KinderAllergologie (NVK)
Organisator basiscurcus kinderallergologie |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-11-2023 |
Geen |
|
Mw. Dr. J.N.G. Oude Elberink |
Internist-allergoloog (UMCG) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Mw. P.A. Kentie |
Verpleegkundig specialist allergologie (UMC Utrecht) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
23-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek |
Senior adviseur Bijwerkingen centrum Lareb |
Verbonden aan Rijksuniversiteit Groningen waarvan tot 1 maart 2024 als bijzonder hoogleraar |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
29-72024 |
Geen |
|
Dhr. P. van den Broek |
Eigenaar Van den Broek Advies & Interim
Adviseur/projectleider voor Huid Nederland
Een deel van die activiteiten wordt mede mogelijk gemaakt door externe financiëring van Novartis (publicatie naar patiënten in kader van Wereldnetelroosdag, informatie over urticaria op de websittes Patiëntenplatform Urticaria en Huid Nederland). Die activiteiten staan los van de inzet in het kader van de richtlijnen
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
22-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. C. Berkhof |
Patiëntenvertegenwoordiger
Key Accountmanager Benelux Sunrise Medical BV |
Beheerder van de Facebook Pagina Urticaria NL/BE; met 800+ leden.
Eigenaar van de website www.urticaria.nl
Alle werkzaamheden zijn onbetaald vanuit een derde partij; dit wordt betaald uit eigen (privé) middelen.
EMA; soms meedenken of deelname over het uitvoeren van nieuwe studies |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
22-09-2023 |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiënten perspectief in alle modules van de herziende richtlijn Chronische Urticaria door de zitting neming van afgevaardigden van Huid Nederland (HN) en Patiëntenplatform Urticariapatiënt (PU) in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting. conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan HN en PU.
Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Classificatie |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerde van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders.
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden bij de Zoekverantwoording.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie bijlagen bij de modules).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt. Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.
Literatuur
Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.
Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.
Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst].
Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.
Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.