Chronische urticaria

Initiatief: NVDV Aantal modules: 11

Classificatie - Chronische urticaria

Publicatiedatum: 28-01-2026
Beoordeeld op geldigheid: 28-01-2026

Uitgangsvraag

Wanneer is er sprake van chronische urticaria?

Aanbeveling

  • Gebruik de recente internationale classificatie van subtypen van chronische urticaria (Zuberbier, 2022). In deze classificatie wordt chronische urticaria onderverdeeld in chronische spontane urticaria (CSU) en chronische induceerbare urticaria (CIndU). Volgens deze classificatie wordt gesproken van chronische urticaria bij continue of recidiverende klachten van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes weken.
  • Wees bewust van de verschillende subtypes van CIndU:
    • Symptomatische dermografisme
    • Koude-urticaria
    • Vertraagde drukurticaria
    • Urticaria solaris
    • Warmte contact-urticaria
    • Vibratoire urticaria
    • Cholinerge urticaria
    • Contacturticaria
    • Aquagene urticaria

Overwegingen

Kwaliteit van het bewijs

Er is geen aanvullende literatuuranalyse verricht. De werkgroep heeft op basis van de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022) de aanbevelingen geformuleerd die deze uitgangsvraag hebben beantwoord op basis van expert consensus.

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

Niet van toepassing.

 

Professioneel perspectief

De werkgroep beveelt de classificatie van Zuberbier et al. (2022) aan, waarin het onderscheid tussen acuut en chronisch onveranderd blijft van de oude classificatie. Volgens deze classificatie wordt gesproken van chronische urticaria bij continue of recidiverende klachten van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes weken.

 

De werkgroep beveelt aan om urticariële vasculitis, maculopapulaire cutane mastocytose (voorheen urticaria pigmentosa genoemd), indolente systemische mastocytose met huidbetrokkenheid, mestcelactivatiesyndroom (MCAS), auto-inflammatoire syndromen (zoals cryopyrine-geassocieerde periodieke syndromen of het syndroom van Schnitzler), en niet-mestcel-gemedieerd angio-oedeem (zoals bradykinine-gemedieerd angio-oedeem) niet te beschouwen als subtypen van urticaria. Dit geldt ook voor andere aandoeningen en syndromen die zich uiten in urticaria en/of angio-oedeem, omdat ze verschillende pathofysiologische mechanismen hebben (zie tabel 2). Echter, kunnen ze wel relevant zijn voor de differentiaaldiagnose.

 

Tabel 2. Differentiële diagnose van urticaria en syndromen die zich manifesteren met urticaria en/of angio-oedeem

Differentiële diagnose van urticaria en/of angio-oedeem

  • Urticariële vasculitis
  • Bulleuze pemphigoid (pre-bulleuze stadium)
  • Syndroom van Wells (granulomateuze dermatitis met eosinofilie/eosinofiele cellulitis)
  • Syndroom van Schnitzler (terugkerende urticariële uitslag en monoklonale gammopathie, terugkerende koortsaanvallen, bot- en spierpijn, artralgie of artritis en lymfadenopathie)
  • Maculopapulaire cutane mastocytose (urticaria pigmentosa)
  • Inspannings-geïnduceerde anafylaxie
  • Cryopyrine-geassocieerde periodieke syndromen (CAPS; urticariële uitslag, terugkerende koortsaanvallen, artralgie of artritis, oogontsteking, vermoeidheid en hoofdpijnen), d.w.z. Familial Cold Autoinflammatory Syndrome (FCAS), Muckle-Wells Syndrome (MWS) of Neonatal Onset Multisystem Inflammatory Disease (NOMID)
  • Bradykinen-gemedieerd angio-oedeem (bijv. hereditair angio-oedeem (HAE)) (in geval van geisoleerd angio-oedeem)
  • Syndroom van Gleich (episodisch angio-oedeem met eosinofilie)

Bron: Met aanpassingen o.b.v. expert opinie overgenomen van Zuberbier et al. The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria. Allergy. 2022

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Voor mensen met (mogelijke) urticaria-klachten is een onderkenning van de juiste diagnose en een daarop gerichte behandeling van belang. Evenzo is een onderscheid naar subvarianten en verschillende categorieën van ernst, aanhoudend en frequentie van klachten (ook in de loop van tijd/jaren) relevant voor de nadere diagnostiek, doorverwijzing en (opeenvolgende stappen in de) behandeling. Het is voor patiënten van belang dat verwijzers en behandelaars in alle zorglijnen de verschillende varianten van urticaria (onder)kennen en goed inschatten welk deel daarvan zo spoedig mogelijk een (intensieve) behandeling moet krijgen.

 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

Niet van toepassing.

Onderbouwing

In deze module wordt de classificatie/nomenclatuur van chronische urticaria (CU) besproken.

 

Het spectrum van klinische manifestaties van verschillende urticariasubtypen is breed. Bovendien kunnen twee of meer verschillende subtypen urticaria naast elkaar bestaan in dezelfde patiënt. CU wordt gedefinieerd als de aanwezigheid van urticaria en/of angio-oedeem gedurende meer dan zes aaneensluitende weken (dagelijks of meerdere dagen per week). Tabel 1 presenteert de classificatie/differentiaal diagnose van CU volgens de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022). CU wordt onderverdeeld in chronische spontane urticaria (CSU) en chronische induceerbare urticaria (CIndU).

 

Tabel 1. classificatie van subtypes van chronische urticaria (aangepast naar Zuberbier et al. (2014)

CSU

CINDU

Spontaan optreden van urticae en/of angio-oedeem, langer dan zes weken, van onbekende oorzaak.

Symptomatisch dermografisme1

Koude-urticaria2

(vertraagde) drukurticaria3

Urticaria solaris

Warmte-urticaria4

Vibratoire urticaria

Cholinerge urticaria 

Contacturticaria 

Aquagene urticaria

 

CSU: chronische spontane urticaria, CINDU: chronische induceerbare urticaria
1ook urticaria factitia of dermografische urticaria genoemd;  2ook koude contact-urticaria genoemd;  3ook druk-urticaria genoemd; 4ook warmte contact-urticaria genoemd

 

De oorzaak van CSU is niet altijd bekend. Onderzoek wijst op auto-immuunmechanismen die leiden tot mestcelactivatie in de huid als een van de belangrijkste onderliggende oorzaken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee mogelijke auto-immuun endotypes van CSU, waarbij verschillende soorten auto-antistoffen geassocieerd zijn met de activatie van mestcellen in de huid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het auto-allergische type I en het auto-immuun type IIb. Het auto-allergische type I wordt gekenmerkt door een verhoogd totaal IgE (>40) en een lage anti-TPO. Het auto-immuun type IIb wordt daarentegen gekenmerkt door comorbiditeit met andere auto-immuunziekten, een laag totaal IgE (<40) en een verhoogde anti-TPO.

Bij een type I hypersensitiviteitsreactie binden autoantigenen aan IgE op mestcellen en basofielen, wat resulteert in de vrijlating van vasoactieve mediatoren. Dit mechanisme van autoallergie werd bevestigd door de detectie van IgE-autoantilichamen tegen microsomale schildklierantigenen, met name thyroperoxidase (TPO), in het serum van CSU-patiënten. Een type II hypersensitiviteitsreactie treedt op wanneer antilichamen, vaak IgG of IgM, binden aan antigenen op doelcellen. Deze theorie werd voorgesteld na de ontdekking van IgG-autoantilichamen tegen IgE in het serum van patiënten met CSU (Mostmans, 2022).

 

Omdat de exacte pathofysiologie van CSU nog niet volledig begrepen is, richten de behandelingsaanbevelingen zich op het beheersen en voorkomen van symptomen, evenals op het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten.

 

CIndU kan onderverdeeld worden in fysische urticaria (symptomatische dermografisme, koude-urticaria, vertraagde drukurticaria, urticaria solaris, warmte contact-urticaria, cholinerge urticaria en vibratoire urticaria) en niet fysische urticaria (contacturticaria en aquagene urticaria).

 

CU kan gepaard gaan met (bijna) dagelijkse symptomen van urticaria of een intermitterend/recidiverend verloop hebben. CSU kan na maanden of zelfs na jaren terugkeren na een volledige remmissie. Bij sommige patiënten komt een combinatie voor van spontane urticaria en urticaria die door één of meerdere fysische triggers wordt geïnduceerd. CIndU wordt gekenmerkt door duidelijke en subtype-specifieke triggers voor het ontwikkelen van urticaria en/of angio-oedeem. Er bestaan zeldzame subtypes van induceerbare urticaria waarbij er een combinatie van twee of meer specifieke triggers urticaria en/of angio-oedeem induceren, bijvoorbeeld koude-geïnduceerde cholinerge urticaria.

 

Sommige patiënten met spontane urticaria kunnen trigger-geïnduceerde urticaria, angio-oedeem of beide ervaren. Deze triggers zijn niet altijd duidelijk, aangezien hun aanwezigheid niet altijd leidt tot symptomen of klachten van urticaria. Sommige patiënten kunnen zich met meer dan één subtype van urticaria presenteren, die dus ook onafhankelijk kunnen reageren op de behandeling.

Voor een overzicht van (beperkte) diagnostiek die kan worden ingezet bij chronische urticaria bij volwassenen wordt verwezen naar de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022).

Niet van toepassing.

Voor het beantwoorden van deze uitgangsvraag wordt gebruik gemaakt van de Internationale richtlijn ‘The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria’. Voor het systematisch literatuuronderzoek wordt verwezen naar de internationale richtlijn (Zuberbier, 2022).

 

Resultaten

Niet van toepassing.

  1. Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie. (2021). Chronisch spontane urticaria en de auto-immune hypothese. Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie, 31(9), Supplement oktober 2021.
  2. Zuberbier T, Abdul Latiff AH, Abuzakouk M, et al. The international EAACI/GA²LEN/EuroGuiDerm/APAAACI guideline for the definition, classification, diagnosis, and management of urticaria. Allergy. 2022;77(3):734-766. doi:10.1111/all.15090.

Niet van toepassing.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 28-01-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 28-01-2026

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep grotendeels in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).

 

De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn Chronische Urticaria (CU) en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Allergologie en Klinische Immunologie

Algemene gegevens

Aanleiding en afbakening onderwerp

Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie is de richtlijn chronische urticaria in 2023-2024 modulair herzien. De herziening betreft overwegend de toevoeging van nieuwe modules met klinische relevante onderwerpen welke ontbraken of toe waren aan herziening: classificatie, monitoring van ziekteactiviteit, ziektecontrole en ziektelast, behandeling van CSU en CIndU bij volwassenen, behandeling bij kinderen, behandeling tijdens zwangerschap, borstvoeding en kinderwens, organisatie van zorg en gepersonaliseerd behandelplan.

 

Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met chronische urticaria.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroep. Daartoe behoren onder andere: Dermatologen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, Secundair kan de richtlijn nuttig zijn voor internisten, allergologen, kinderartsen, huisartsen en apothekers. Voor patiënten werd informatie op thuisarts.nl en een patiënten folder ontwikkeld.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.

Werkgroepleden

Vereniging

Dr. H. Röckman, dermatoloog (voorzitter)

NVDV

Dr. M.B.A. van Doorn, dermatoloog

NVDV

Drs. B. Peters, dermatoloog

NVDV

Drs. M. Stadermann, kinderarts-allergoloog

NVK

Dr. J.N.G. Oude Elberink, internist-allergoloog

­­­NVvAKI

P.A. Kentie, verpleegkundig specialist

V&VN

Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek, arts, klinisch farmacoloog

Lareb

P. van den Broek, patiëntvertegenwoordiger

HN

C. Berkhof, patiëntvertegenwoordiger

PU

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

Drs. T. M. Nlgisang, arts-onderzoeker (vanaf juni 2023)

NVDV

Drs. L.J. van den Oord, arts-onderzoeker (vanaf april 2024)

NVDV

Dr. W.A. van Enst, klinisch epidemioloog & directeur NVDV

NVDV

Drs. M.R. Masselink, arts-onderzoeker (vanaf april 2025)

NVDV

Drs. T. A. Teunissen, arts-onderzoeker (vanaf april 2025)

NVDV

Belangenverklaringen

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciëring) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

Werkgroeplid

Hoofdfunctie(s)

Nevenfunctie(s)

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Acties (voorstel)

Mw. Dr. H. Röckman, (voorzitter)

Dermatoloog (UMC Utrecht)

Geen

(nationale) global adviesraad Novartis Sanofi

 

Research Roundup ThirdHarmonic

 

Spreker vergoeding Novartis

Geen

Geen

Geen

Geen

16-4-2023

Geen

Dhr. Dr. M.B.A. van Doorn

Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Erasmus MC) 0,8 fte

 

Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Centre for Human Drug Research) 0,2 fte

Spreker, deelname aan adviesraden en organisatie van nascholingen i.s.m. de farmaceutische industrie waarvoor financiële vergoeding (Novartis, AbbVie, Pfizer, LEO pharma, Sanofi, Lilly, Janssen, UCB, BMS, Celgene, Third Harmonic)

Adviseur voor Novartis (deelname adviesraden)

Geen

Uitvoering/deelname aan verschillende extern gefinancierde clinical trials op gebied van chronische urticaria (Novartis, Sanofi, ThirdHarmonic)

Geen

Geen

25-09-2023

Geen

Dhr. Drs. B. Peters

Dermatoloog (Rijnstate)

 

 

 

 

 

 

 

 

Mw. Drs. M. Stademann

Kinderarts-allergoloog (UMC Utrecht en

Diakonessenhuis Utrecht)

 

Adviseur Allergie team (Kinderkliniek Almere)

Bestuursectie KinderAllergologie (NVK)

 

Organisator basiscurcus kinderallergologie

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-11-2023

Geen

Mw. Dr. J.N.G. Oude Elberink

Internist-allergoloog (UMCG)

 

 

 

 

 

 

 

 

Mw. P.A. Kentie

Verpleegkundig specialist allergologie (UMC Utrecht)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

23-09-2023

Geen

Dhr. Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek

Senior adviseur Bijwerkingen centrum Lareb

Verbonden aan Rijksuniversiteit Groningen waarvan tot 1 maart 2024 als bijzonder hoogleraar

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

29-72024

Geen

Dhr. P. van den Broek

Eigenaar Van den Broek Advies & Interim

 

Adviseur/projectleider voor Huid Nederland

 

Een deel van die activiteiten wordt mede mogelijk gemaakt door externe financiëring van Novartis (publicatie naar patiënten in kader van Wereldnetelroosdag, informatie over urticaria op de websittes Patiëntenplatform Urticaria en Huid Nederland). Die activiteiten staan los van de inzet in het kader van de richtlijnen

 

 

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

22-09-2023

Geen

Dhr. C. Berkhof

Patiëntenvertegenwoordiger

 

Key Accountmanager Benelux Sunrise Medical BV

Beheerder van de Facebook Pagina Urticaria NL/BE; met 800+ leden.

 

Eigenaar van de website www.urticaria.nl

 

Alle werkzaamheden zijn onbetaald vanuit een derde partij; dit wordt betaald uit eigen (privé) middelen.

 

EMA; soms meedenken of deelname over het uitvoeren van nieuwe studies

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

22-09-2023

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiënten perspectief in alle modules van de herziende richtlijn Chronische Urticaria door de zitting neming van afgevaardigden van Huid Nederland (HN) en Patiëntenplatform Urticariapatiënt (PU) in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting. conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan HN en PU.

 

Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

Classificatie

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerde van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden bij de Zoekverantwoording.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • Er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • De literatuurconclusie is zeer onzeker.

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie bijlagen bij de modules).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt. Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn  verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

 

Literatuur

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.

 

Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst].

 

Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE  Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Volgende:
Monitoring van ziekteactiviteit/ziektecontrole