Indicatiestelling bij BMI > 35 kg/m2 en co-morbiditeiten bij chirurgische behandeling van obesitas

Laatst beoordeeld: 28-10-2020

Uitgangsvraag

Wat is de indicatiestelling voor metabole chirurgie bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2 en een co-morbiditeit?

Aanbeveling

Overweeg metabole chirurgie bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2 en één of meer co-morbiditeiten, bijvoorbeeld:

  • hypertensie;
  • metabool syndroom;
  • diabetes mellitus type 2
  • cardiorespiratoire aandoeningen;
  • obstructief slaapapnoe syndroom;
  • een aangetoonde GERD;
  • leververvetting graad 2/ NASH of hoger (fibrose/ cirrose);
  • aangetoonde cox- of gonartrose (door middel van een radiologisch onderzoek en/of orthopedisch consult);
  • met obesitas-gerelateerde co-morbiditeiten waarbij het positieve effect van fors gewichtsverlies aangetoond dan wel aannemelijk is.

 

Dit is niet een uitputtende lijst, er zijn meer aandoeningen waarbij mogelijk geprofiteerd kan worden van metabole chirurgie.

 

Maak samen met de patiënt een goede en gedocumenteerde afweging van voor- en nadelen van metabole chirurgie en in overleg met de behandelend specialist van de co-morbiditeit(en).

 

Overweeg onderliggende oorzaken van en bijdragende factoren aan de obesitas.

 

Zorg dat de leefstijl geoptimaliseerd is en overweeg farmacotherapie.

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs

(Chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies resulteert waarschijnlijk in verbetering in gezondheidswinst en verbetering van verschillende co-morbiditeiten, zoals hypertensie, cardiorespiratoire aandoeningen en slaapapnoe syndroom. Er zijn echter nog tal van andere co-morbiditeiten die eveneens forse verbetering kunnen laten zien bij (chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies, zoals bij artrose, gastro esophageal reflux disease (GERD), non-alcoholic steatohepatitis (NASH), chronic obstructive pulmonary disease (COPD), Obesitas hypoventilatie syndroom, polycysteus ovarium syndroom (PCO) en atriumfibrilleren AF. Patiënten met een ernstige beperking van hun mobiliteit door amputatie of spierzwakte hebben ook veel baat bij fors gewichtsverlies. Patiënten die wachten op een transplantatie of een grote littekenbreuk correctie komen zelfs vaak pas in aanmerking voor die operaties nadat ze eerst aanzienlijk en blijvend zijn afgevallen, hetgeen helaas met conservatieve therapie meestal niet lukt. De werkgroep is daarom van mening dat metabole chirurgie bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2 en verschillende co-morbiditeiten overwogen kan worden. Voorwaarde is hierbij wel dat de patiënt voldoet aan alle overige gestelde criteria voor metabole chirurgie (leefstijl aanpassing, psychologische screening, et cetera) en dat de verwachting reëel is dat hun gedefinieerde co-morbiditeit zal verbeteren/ genezen bij chirurgisch geïnduceerd gewichtsverlies.

 

Het is belangrijk hier op te merken dat BMI alleen een slechte indicator is voor ernst van obesitas, metabole ziekte en cardiovasculair risico. Individuele patiënten met gelijke BMI kunnen zeer verschillende gezondheidscondities hebben vanwege het verschillen in de verhouding tussen visceraal vet en spiermassa (Deurenberg, 2003; Kragelund, 2005; Müller, 2013; Thomas, 2012). Bijvoorbeeld, het gezondheidsrisico van een patiënt met een BMI 33 kg/m2 met veel visceraal en ectopisch vet en dientengevolge metabole ziekte zal significant hoger zijn dan dat van een gezond persoon met BMI 37 kg/m2. Het is daarom belangrijk rekening te houden met de algehele gezondheidsconditie van de patiënt bij de indicatiestelling. De indicatiestelling op basis van BMI is meer dan 25 jaar oud en stamt uit de tijd van open metabole chirurgie. Gezondheidsschade treedt aantoonbaar op bij alle obesitas klassen (dus al vanaf BMI > 30 kg/m2). De vraag werpt zich op of chirurgische behandeling als meest effectieve behandeling van ernstig overgewicht niet ook in lagere BMI klassen (1 en 2) overwogen moet worden. In dit verband wordt gewezen op de ‘position statements’ van zowel de internationale federatie (IFSO) als van de Amerikaanse bariatrische chirurgen (ASMBS) die op individuele basis metabole chirurgie toestaan vanaf een BMI van 30 kg/m2, als daarmee gezondheidswinst sterk te verwachten is (Busetto, 2014). Voor de Nederlandse situatie richten we ons vooralsnog op een BMI van 35 kg/m2 met co-morbiditeit.

 

Onderstaand een aantal voorbeelden van co-morbiditeiten welke verbetering kunnen laten zien bij (chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies.

 

Gastro Esophageal Reflux Disease (GERD)

De relatie tussen obesitas en GERD is evident en blijkt uit diverse meta-analyses (Corley, 2006; De Groot, 2009; Hampel, 2005). De kans om GERD te ontwikkelen is in de populatie met obesitas ruim twee keer zo hoog als in de populatie met een normaal gewicht. De behandeling van GERD in de populatie met obesitas is initieel niet anders dan in de populatie met een normaal gewicht, namelijk met medicatie en gewichtsverlies. Mocht dit onvoldoende effectief zijn dan kan een operatie te overwegen zijn. De gebruikelijke operatie (Fundoplicatie volgens Nissen of Toupet) is echter minder geschikt en minder succesvol bij patiënten met ernstig overgewicht (Abdelrahman, 2016; Bashir, 2019; Tekin, 2012). Een metabole operatie in de vorm van een laparoscopische Roux-en-Y gastric bypass (LRYGB) heeft de potentie om zowel het overgewicht als de GERD te behandelen en geniet dan ook de voorkeur boven een fundoplicatie. Uit diverse studies blijkt dat de LRYGB meer geschikt is voor behandeling van GERD bij obesitas in vergelijking met de maagband en de sleeve operaties, omdat deze operaties refluxklachten juist kunnen verergeren. Ook kan Barrett oesophagus deels worden genezen door een LRYGB (Li, 2016; Pallati, 2014).

 

Gezien deze en bovengenoemde punten alsmede de in het algemeen bekende goede effecten van metabole chirurgie op GERD is het dan ook de aanbeveling van de werkgroep om een LRYGB te prefereren boven een fundoplicatie bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2.

 

Non-alcoholic steatohepatitis (NASH)

De relatie tussen NASH (of non alcoholic fatty liver disease (NAFLD)) en obesitas is aangetoond in diverse reviews en meta-analyses (Anderson, 2015; Younossi, 2019). NAFLD kan zonder behandeling verdere progressie vertonen naar NASH, fibrose en levercirrose. Het laatste stadium is een ernstige levensbedreigende aandoening waarvoor soms een levertransplantatie noodzakelijk is. Verder leidt NASH tot een verhoogde kans op hart- en vaatziekten en op een hepatocellulair carcinoom. De behandeling is in principe conservatief en gericht op leefstijl veranderingen (i.e. afvallen) en medicatie, hoewel beide maar matig effectief zijn gebleken (Rinella, 2015). Bariatrische procedures, met in het bijzonder de LRYGB, blijken wel effectief in het verbeteren dan wel genezen van de diverse stadia van NASH, met zelfs nog resolutie dan wel verbetering in 30% tot 40% van de patiënten bij het stadium van fibrose, hoewel de procedure, in het geval van de LRYGB, ook kan leiden tot het verslechteren van NAFLD in 8% van de (Lee, 2018; Fakhry, 2019). De beschikbare literatuur vindt echter wel overall een positief effect van de operatie (Lee, 2018).

 

Gezien de ernst van het ziektebeeld NASH, de natuurlijk progressie en de verstrekkende gevolgen indien geen gewichtsafname wordt bereikt, adviseert de werkgroep een metabole operatie te overwegen bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2 en NASH .

De voorkeur gaat daarbij uit naar een LRYGB indien het NASH zonder cirrose betreft. Echter voor sommige patiëntengroepen, zoals toekomstige levertransplantatie-kandidaten, heeft een sleeve gastrectomy de voorkeur om zo toegang tot de galwegen te houden voor eventuele ERCPs. Hier is een geïndividualiseerde aanpak en multidisciplinair overleg gewenst.

 

De indicatiestelling dient altijd plaats te vinden in overleg met de behandelend MDL-arts.

 

Cox- en gonartrose (heup- en kniegewrichtsslijtage)

De relatie tussen cox- en gonartrose en obesitas is aangetoond in diverse reviews en meta-analyses (Kulkarni, 2016). Artrose komt significant vaker voor bij patiënten met obesitas (BMI > 30 kg/m2). Gewichtsverlies kan resulteren in een afname van de klachten. Als dit met conservatieve therapie niet lukt, dan kan metabole chirurgie de klachten van cox- en gonartrose verminderen en de functionaliteit verbeteren (Groen, 2015; Samson, 2010; Springer, 2016). Daarnaast zijn de resultaten van gewricht vervangende operaties (prothesiologie) bij patiënten met obesitas slechter zijn dan bij patiënten met een normaal gewicht voor wat betreft postoperatieve infecties en functionaliteit (Sun, 2017). Een overweging is om bij cox- en gonartrose in combinatie met (forse) obesitas primair te kiezen voor een bariatrische procedure, omdat door gewichtsverlies de klachten dikwijls verbeteren en de noodzaak voor een prothese mogelijk verdwijnt. Indien later toch invaliderende klachten blijven bestaan en een gewricht vervangende operatie geïndiceerd is zijn de resultaten na fors gewichtsverlies beter.

 

In de Europese richtlijn van de IFSO uit 2014 zijn ernstige gewrichtsklachten waaronder ook chronische rugpijn in combinatie met een BMI > 35 kg/m2 reeds als indicatie geaccepteerd (Fried, 2014). In de dagelijkse praktijk wordt deze indicatie reeds als juist gezien.

 

Daarom doet de werkgroep de aanbeveling om bij patiënten met BMI > 35 kg/m2 en bewezen (door middel van een radiologisch onderzoek en/of orthopedisch consult) invaliderende/ ernstige cox- of gonartrose een bariatrische procedure te overwegen.

 

Overige aan obesitas-gerelateerde co-morbiditeiten

Vrijwel ieder orgaansysteem profiteert van fors en blijvend gewichtsverlies. Tevens levert significant gewichtsverlies over het algemeen een verbetering op van de mobiliteit, levensverwachting, arbeidsgeschiktheid en de kwaliteit van leven. De reeds geaccepteerde en in deze nieuwe richtlijn uitgewerkte co-morbiditeiten bij een BMI > 35 kg/m2 zijn incompleet. Wetenschappelijk bewijs met een hoge bewijskracht is nog niet voorhanden. Bij afwezigheid van minder vaak genoemde co-morbiditeiten in de bestaande richtlijnen is het ook niet te verwachten dat er op korte termijn bewijs met een hoge bewijskracht uit RCT’s en meta-analyses voorhanden komt. Niettemin is in de literatuur wel vergelijkend en beschrijvend onderzoek voorhanden dat de zin van een bredere indicatiestelling onderschrijft. De werkgroep is dan ook van mening dat er wel een uitspraak mogelijk is over het overwegen van metabole chirurgie bij een BMI > 35 kg/m2 en één of meerdere aan obesitas-gerelateerde co-morbiditeiten, dan wel ziekten of aandoeningen waar de verwachting is dat deze sterk zullen verbeteren bij fors en blijvend gewichtsverlies.

 

Bij andere aan obesitas-gerelateerde co-morbiditeiten en een BMI > 35 kg/m2, waar het positieve effect van fors gewichtsverlies aannemelijk is, kan de behandelend arts een metabole operatieve ingreep overwegen, mits een goede en gedocumenteerde afweging van voor- en nadelen en de risico’s zijn vastgelegd en op navraag goed verdedigbaar zijn. Voorwaarde is hierbij wel dat de patiënt voldoet aan alle overige gestelde criteria voor metabole chirurgie (leefstijl aanpassing, psychologische screening, et cetera) en dat de verwachting reëel is dat hun gedefinieerde co-morbiditeit zal verbeteren/ genezen bij chirurgisch geïnduceerd gewichtsverlies.

 

Voorbeelden van dergelijke aandoeningen zijn:

  • Pulmonale aandoeningen naast OSAS; ernstig astma, obesitas hypoventilatiesyndroom.
  • Cardiale aandoeningen: Coronary Heart Disease, Atriumfibrilleren.
  • Gynaecologische aandoeningen: Polycysteus Ovarium Syndroom, onregelmatige mensis, infertiliteit.
  • Neurologische aandoeningen: CVA, idiopathische intracraniële hypertensie, pseudotumor cerebri.
  • Nefrologische aandoeningen: Nefrotisch syndroom, (pre-)terminale nierinsufficiëntie met transplantatieverwachting.
  • Urologische aandoeningen: Urine incontinentie, bekkenbodeminsufficiëntie, seksuele disfunctie, erectiestoornissen.

 

Dit is niet een uitputtende lijst, er zijn meer aandoeningen waarbij mogelijk geprofiteerd kan worden van een metabole operatieve ingreep. Een belangrijke overweging hierbij is dat een bepaalde mate van gewichtsverlies moet worden gehaald om impact te hebben op het klinisch beeld. Zo kan bij diabetes al verbetering worden gezien bij een gewichtsafname van 2,5%, maar is voor NASH of ernstige gewrichtsklachten 5 tot 10% blijvend gewichtsverlies nodig om een verschil te maken.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun verzorgers)

Voor patiënten met een BMI van > 35 kg/m2 en een aan obesitas-gerelateerde co-morbiditeit kan een metabole operatie zinvol zijn. Patiënten hebben veelal een geschiedenis met diverse pogingen om tot een fors gewichtsverlies te komen maar zonder blijvend resultaat. Voor een aantal co-morbiditeiten is blijvende gewichtsreductie de meest zinvolle behandeling. Toch kennen operatieve interventies ook nadelen: er is een risico op complicaties en vitamine deficiënties. Een nadrukkelijke afweging van voordelen en gezondheidswinst tegen de nadelen is dan ook nodig. Het wordt dringend aanbevolen om bij de beslissing naast de patiënt ook de verwijzend specialist te betrekken, die verantwoordelijk is voor de behandeling van de co-morbiditeit.

 

Kosten (middelenbeslag)

Een verruiming van de indicatie voor metabole chirurgie heeft potentieel een toename van operaties tot gevolg. Hoeveel dat er kunnen zijn is moeilijk in te schatten. Op basis van de getallen van DATO wordt geschat dat met de huidige indicatiestelling van het aantal potentiële kandidaten voor metabole chirurgie slechts 4,5% daadwerkelijk geopereerd wordt (DICA, 2017). Dit gaat uit van een prevalentie van ernstige obesitas van 1,5 % en een totaal aantal ingrepen van 12.000. Het is moeilijk in te schatten of de wens voor een chirurgische behandeling van het overgewicht bij een BMI 35 tot 40 kg/m2 vergelijkbaar zal zijn.

 

Er zijn veel kosteneffectiviteitsstudies waarin metabole chirurgie wordt vergeleken met conservatieve behandeling, welke onveranderd laten zien dat er winst is in levensverwachting en kwaliteit van leven tegen aanvaardbare kosten (Anselmino, 2009; Ademi, 2018; Borisenko, 2017; Faria, 2013; Klebanoff, 2019; Lucchese, 2017; Panca, 2018; Rome, 2015; Terranova, 2012). Operatie is op termijn goedkoper en effectiever dan conservatieve behandeling. Hoe hoger de zorgkosten zijn ten gevolge van bijkomende ziekten (bijvoorbeeld diabetes) hoe sneller ook een operatie zich terugbetaalt. In die zin vergt een verlaging van de BMI grens naar 35 kg/m2 voor patiënten met een bijkomende co-morbiditeit wellicht een investering op de korte termijn, maar vermoedelijk een besparing op de lange termijn. Hoeveel een interventie mag kosten om kosteneffectief te zijn is niet geheel bekend. Meestal wordt daarvoor het begrip QALY gebruikt (Quality Adjusted Life Year). Voor preventieve maatregelen, bijvoorbeeld een vaccinatie wordt door het RIVM een limiet van €20.000 per QALY gebruikt. In een rapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) uit 2006 wordt een variabele grenswaarde genoemd, die oploopt tot €80.000, – per QALY voor aandoeningen met de hoogst mogelijke individuele ziektelast (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 2006). Ter vergelijking: Een gastric bypass operatie inclusief begeleidend lifestyle traject kostte in NL in 2018 circa €10.000.

 

Meestal wordt in deze vergelijkingen vooral gekeken naar directe zorgkosten (Finkelstein, 2009; Tremmel, 2017; Wolfenstetter, 2011). Indirecte kosten, zoals productiviteit, arbeidsverzuim, werkeloosheid en arbeidsongeschiktheid worden meestal niet meegenomen in kosteneffectiviteitsstudies. Toch worden de economische en sociale kosten wel uitgebreid beschreven in tal van analyses. Onveranderd wordt een toename van economische (indirecte) kosten gezien bij overgewicht en obesitas. Er zijn geen economische analyses die uitkomsten voor- en na metabole chirurgie beschrijven.

 

Aanvaardbaarheid voor de overige relevante stakeholders

Voor verwijzende zorgverleners die nu worstelen met een adequate behandeling van verschillende co-morbiditeiten bij patiënten met ernstig overgewicht is een verruiming van de BMI grens een welkome uitbreiding. De effectiviteit en impact van een groot aantal behandelingen neemt toe bij significant gewichtsverlies door een operatie, die met conservatieve behandeling meestal niet kan worden bereikt.

 

Verruimen van de indicatie voor metabole chirurgie zou op korte termijn tot verhoging van de zorgkosten kunnen leiden. Dat is een probleem in een zorglandschap, waarbij het macrobudget voor de zorg niet geacht wordt te mogen stijgen. Zorgverzekeraars en NZA zouden dan ook bezwaar kunnen maken. Toch moet benadrukt worden dat het hier meest waarschijnlijk gaat om een stijging op korte termijn. Over een langere periode is vermoedelijk sprake zijn van een besparing.

 

Haalbaarheid en implementatie

Er is geen kwalitatief of kwantitatief onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid en de haalbaarheid. Wel is er een BIA naar de impact van het verlagen van de BMI grens bij obesitas en diabetes, die als illustratie kan dienen. De BIA is als aanverwant product opgenomen bij de richtlijn.

 

In de 18 centra die in Nederland metabole chirurgie verrichten zijn efficiënte behandeltrajecten aanwezig gericht op het behandelen van grote volumina patiënten. Er zijn momenteel geen wachtlijsten voor dit type zorg. Metabole chirurgie is verzekerd in het basispakket. Er lijkt voldoende capaciteit aanwezig om uitbreiding te realiseren.

 

Rationale/ balans tussen de argumenten voor en tegen de interventie

Bij patiënten met een BMI > 35 kg/m2 met één of meer van de in de eerste versie van de richtlijn vermelde co-morbiditeiten is er een indicatie voor metabole chirurgie. Echter, er zijn veel voorbeelden van aan obesitas-gerelateerde co-morbiditeiten dan wel ziekten of aandoeningen welke ook baat kunnen hebben bij fors (chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies. In de dagelijkse praktijk vragen behandelaars zich af welke patiënten zij wel of niet kunnen aanbieden voor een bariatrisch traject. Hoewel de literatuur niet in alle gevallen even eenduidig is, heeft de werkgroep wel gemeend hier een advies in te moeten geven aangezien dit vaak leidt tot onderlinge discussie tussen belanghebbenden. De onderstaande aanbeveling is hier het gevolg van.

Inleiding

(Chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies resulteert waarschijnlijk in gezondheidswinst en verbetering van verschillende co-morbiditeiten. In de vorige richtlijn werden deze co-morbiditeiten benoemd; diabetes mellitus type 2, hypertensie, cardiorespiratoire aandoeningen, en obstructief slaapapnoe syndroom (NVvH, 2011). Deze ziektebeelden gelden nog steeds als juiste indicatie om patiënten met een BMI > 35 kg/m2 metabole chirurgie aan te bieden, als zij voldoen aan de overige criteria. Er zijn echter nog andere co-morbiditeiten die eveneens verbetering kunnen laten zien bij (chirurgisch geïnduceerd) gewichtsverlies.

Zoeken en selecteren

Bij deze uitgangsvraag is geen systematisch literatuuronderzoek verricht. De werkgroep heeft zich gebaseerd op niet-systematisch gezochte wetenschappelijke literatuur, bestaande internationale richtlijnen en expert opinion.

Referenties

  1. Abdelrahman T, Latif A, Chan DS, Jones H, Farag M, Lewis WG, Havard T, Escofet X. Outcomes after laparoscopic anti-reflux surgery related to obesity: A systematic review and meta-analysis. Int J Surg. 2018 Mar;51:76-82. doi: 10.1016/j.ijsu.2018.01.013. Epub 2018 Jan 31. Review. PubMed PMID: 29367036.
  2. Ademi Z, Tomonaga Y, van Stiphout J, Glinz D, Gloy V, Raatz H, Bucher HC, Schwenkglenks M. Adaptation of cost-effectiveness analyses to a single country: the case of bariatric surgery for obesity and overweight. Swiss Med Wkly. 2018 Jun 12;148:w14626. doi: 10.4414/smw.2018.14626. eCollection 2018. Review. PubMed PMID: 29894556.
  3. Aminian A, Chang J, Brethauer SA, Kim JJ; American Society for Metabolic and Bariatric Surgery Clinical Issues Committee. ASMBS updated position statement on bariatric surgery in class I obesity (BMI 30-35 kg/m(2)). Surg Obes Relat Dis. 2018 Aug;14(8):1071-1087. doi: 10.1016/j.soard.2018.05.025. Epub 2018 Jun 9. Review. PubMed PMID: 30061070.
  4. Anderson EL, Howe LD, Jones HE, Higgins JP, Lawlor DA, Fraser A. The Prevalence of Non-Alcoholic Fatty Liver Disease in Children and Adolescents: A Systematic Review and Meta-Analysis. PLoS One. 2015 Oct 29;10(10):e0140908. doi: 10.1371/journal.pone.0140908. eCollection 2015. Review. PubMed PMID: 26512983; PubMed Central PMCID: PMC4626023.
  5. Anselmino M, Bammer T, Fernández Cebrián JM, Daoud F, Romagnoli G, Torres A. Cost-effectiveness and budget impact of obesity surgery in patients with type 2 diabetes in three European countries(II). Obes Surg. 2009 Nov;19(11):1542-9. doi: 10.1007/s11695-009-9946-z. Epub 2009 Sep 16. PubMed PMID: 19756896.
  6. Bashir Y, Chonchubhair HN, Duggan SN, Memba R, Ain QU, Murphy A, McMahon J, Ridgway PF, Conlon KC. Systematic review and meta-analysis on the effect of obesity on recurrence after laparoscopic anti-reflux surgery. Surgeon. 2019 Apr;17(2):107-118. doi: 10.1016/j.surge.2018.05.001. Epub 2018 Jun 7. PubMed PMID: 29887315.
  7. Borisenko O, Mann O, Duprée A. Cost-utility analysis of bariatric surgery compared with conventional medical management in Germany: a decision analytic modeling. BMC Surg. 2017 Aug 3;17(1):87. doi: 10.1186/s12893-017-0284-0. PubMed PMID: 28774333; PubMed Central PMCID: PMC5543597.
  8. Busetto L, Dixon J, De Luca M, Shikora S, Pories W, Angrisani L. Bariatric surgery in class I obesity : a Position Statement from the International Federation for the Surgery of Obesity and Metabolic Disorders (IFSO). Obes Surg. 2014 Apr;24(4):487-519. doi: 10.1007/s11695-014-1214-1.
  9. Corley DA, Kubo A. Body mass index and gastroesophageal reflux disease: a systematic review and meta-analysis. Am J Gastroenterol. 2006 Nov;101(11):2619-28. Epub 2006 Sep 4. Review. PubMed PMID: 16952280.
  10. De Groot NL, Burgerhart JS, Van De Meeberg PC, de Vries DR, Smout AJ, Siersema PD. Systematic review: the effects of conservative and surgical treatment for obesity on gastro-oesophageal reflux disease. Aliment Pharmacol Ther. 2009 Dec 1;30(11-12):1091-102. doi: 10.1111/j.1365-2036.2009.04146.x. Epub 2009 Sep 16. Review. PubMed PMID: 19758397.
  11. Deurenberg P, Deurenberg-Yap M. Validity of body composition methods across ethnic population groups. Forum Nutr. 2003;56:299-301. Review. PubMed PMID: 15806909.
  12. DICA, Jaarrapportage Registraties 2017. URL: https://dica.nl/media/1583/DICA_Jaarrapportage_2017_-_Registraties.pdf
  13. Fakhry TK, Mhaskar R, Schwitalla T, Muradova E, Gonzalvo JP, Murr MM. Bariatric surgery improves nonalcoholic fatty liver disease: a contemporary systematic review and meta-analysis. Surg Obes Relat Dis. 2019 Mar;15(3):502-511. doi: 10.1016/j.soard.2018.12.002. Epub 2018 Dec 6. Review. PubMed PMID: 30683512.
  14. Faria GR, Preto JR, Costa-Maia J. Gastric bypass is a cost-saving procedure: results from a comprehensive Markov model. Obes Surg. 2013 Apr;23(4):460-6. doi: 10.1007/s11695-012-0816-8. PubMed PMID: 23341033.
  15. Finkelstein EA, Trogdon JG, Cohen JW, Dietz W. Annual medical spending attributable to obesity: payer-and service-specific estimates. Health Aff (Millwood). 2009 Sep-Oct;28(5):w822-31. doi: 10.1377/hlthaff.28.5.w822. Epub 2009 Jul 27. PubMed PMID: 19635784.
  16. Fried M, Yumuk V, Oppert JM, Scopinaro N, Torres A, Weiner R, Yashkov Y, Frühbeck G; International Federation for Surgery of Obesity and Metabolic Disorders-European Chapter (IFSO-EC); European Association for the Study of Obesity (EASO); European Association for the Study of Obesity Obesity Management Task Force (EASO OMTF). Interdisciplinary European guidelines on metabolic and bariatric surgery. Obes Surg. 2014 Jan;24(1):42-55. doi: 10.1007/s11695-013-1079-8. PubMed PMID: 24081459.
  17. Groen VA, van de Graaf VA, Scholtes VA, Sprague S, van Wagensveld BA, Poolman RW. Effects of bariatric surgery for knee complaints in (morbidly) obese adult patients: a systematic review. Obes Rev. 2015 Feb;16(2):161-70. doi: 10.1111/obr.12236. Epub 2014 Dec 8. Review. PubMed PMID: 25487972.
  18. Hampel H, Abraham NS, El-Serag HB. Meta-analysis: obesity and the risk for gastroesophageal reflux disease and its complications. Ann Intern Med. 2005 Aug 2;143(3):199-211. PubMed PMID: 16061918.
  19. Klebanoff MJ, Corey KE, Samur S, Choi JG, Kaplan LM, Chhatwal J, Hur C. Cost-effectiveness Analysis of Bariatric Surgery for Patients With Nonalcoholic Steatohepatitis Cirrhosis. JAMA Netw Open. 2019 Feb 1;2(2):e190047. doi: 10.1001/jamanetworkopen.2019.0047. PubMed PMID: 30794300; PubMed Central PMCID: PMC6484583.
  20. Kleiner DE, Brunt EM, Van Natta M, Behling C, Contos MJ, Cummings OW, Ferrell LD, Liu YC, Torbenson MS, Unalp-Arida A, Yeh M, McCullough AJ, Sanyal AJ; Nonalcoholic Steatohepatitis Clinical Research Network. Design and validation of a histological scoring system for nonalcoholic fatty liver disease. Hepatology. 2005 Jun;41(6):1313-21. PubMed PMID: 15915461.
  21. Kragelund C, Omland T. A farewell to body-mass index? Lancet. 2005 Nov 5;366(9497):1589-91. PubMed PMID: 16271629.
  22. Kulkarni K, Karssiens T, Kumar V, Pandit H. Obesity and osteoarthritis. Maturitas. 2016 Jul;89:22-8. doi: 10.1016/j.maturitas.2016.04.006. Epub 2016 Apr 11. Review. PubMed PMID: 27180156.
  23. Lee Y, Doumouras AG, Yu J, Brar K, Banfield L, Gmora S, Anvari M, Hong D. Complete Resolution of Nonalcoholic Fatty Liver Disease After Bariatric Surgery: A Systematic Review and Meta-analysis. Clin Gastroenterol Hepatol. 2019 May;17(6):1040-1060.e11. doi: 10.1016/j.cgh.2018.10.017. Epub 2018 Oct 13. PubMed PMID: 30326299.
  24. Li J, Lai D, Wu D. Laparoscopic Roux-en-Y Gastric Bypass Versus Laparoscopic Sleeve Gastrectomy to Treat Morbid Obesity-Related Comorbidities: a Systematic Review and Meta-analysis. Obes Surg. 2016 Feb;26(2):429-42. doi: 10.1007/s11695-015-1996-9. Review. PubMed PMID: 26661105.
  25. Lucchese M, Borisenko O, Mantovani LG, Cortesi PA, Cesana G, Adam D, Burdukova E, Lukyanov V, Di Lorenzo N. Cost-Utility Analysis of Bariatric Surgery in Italy: Results of Decision-Analytic Modelling. Obes Facts. 2017;10(3):261-272. doi: 10.1159/000475842. Epub 2017 Jun 10. PubMed PMID: 28601866; PubMed Central PMCID: PMC5644931.
  26. Müller MJ, Lagerpusch M, Enderle J, Schautz B, Heller M, Bosy-Westphal A. Beyond the body mass index: tracking body composition in the pathogenesis of obesity and the metabolic syndrome. Obes Rev. 2012 Dec;13 Suppl 2:6-13. doi: 10.1111/j.1467-789X.2012.01033.x. Review. PubMed PMID: 23107255.
  27. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. Richtlijn Morbide Obesitas. 2011.
  28. Pallati PK, Shaligram A, Shostrom VK, Oleynikov D, McBride CL, Goede MR. Improvement in gastroesophageal reflux disease symptoms after various bariatric procedures: review of the Bariatric Outcomes Longitudinal Database. Surg Obes Relat Dis. 2014 May-Jun;10(3):502-7. doi: 10.1016/j.soard.2013.07.018. Epub 2013 Aug 29. PubMed PMID: 24238733.
  29. Panca M, Viner RM, White B, Pandya T, Melo H, Adamo M, Batterham R, Christie D, Kinra S, Morris S. Cost-effectiveness of bariatric surgery in adolescents with severe obesity in the UK. Clin Obes. 2018 Apr;8(2):105-113. doi: 10.1111/cob.12232. Epub 2017 Dec 10. PubMed PMID: 29224241.
  30. Prospective Studies Collaboration, Whitlock G, Lewington S, Sherliker P, Clarke R, Emberson J, Halsey J, Qizilbash N, Collins R, Peto R. Body-mass index and cause-specific mortality in 900 000 adults: collaborative analyses of 57 prospective studies. Lancet. 2009 Mar 28;373(9669):1083-96. doi: 10.1016/S0140-6736(09)60318-4. Epub 2009 Mar 18. PubMed PMID: 19299006; PubMed Central PMCID: PMC2662372.
  31. Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; Zinnige en duurzame zorg. Zoetermeer: 2006.
  32. Rinella ME. Nonalcoholic fatty liver disease: a systematic review. JAMA. 2015 Jun 9;313(22):2263-73. doi: 10.1001/jama.2015.5370. Review. Erratum in: JAMA. 2015 Oct 13;314(14):1521. PubMed PMID: 26057287.
  33. Rome, BN. Is bariatric surgery cost effective. Bariatric Times, 2015, 12.3: 8-10.
  34. Samson AJ, Mercer GE, Campbell DG. Total knee replacement in the morbidly obese: a literature review. ANZ J Surg. 2010 Sep;80(9):595-9. doi: 10.1111/j.1445-2197.2010.05396.x. Epub 2010 Aug 19. Review. PubMed PMID:20840400.
  35. Springer BD, Carter JT, McLawhorn AS, Scharf K, Roslin M, Kallies KJ, Morton JM, Kothari SN. Obesity and the role of bariatric surgery in the surgical management of osteoarthritis of the hip and knee: a review of the literature. Surg Obes Relat Dis. 2017 Jan;13(1):111-118. doi: 10.1016/j.soard.2016.09.011. Epub 2016 Sep 14. Review. PubMed PMID: 27865814.
  36. Sun K, Li H. Body mass index as a predictor of outcome in total knee replace: A systemic review and meta-analysis. Knee. 2017 Oct;24(5):917-924. doi: 10.1016/j.knee.2017.05.022. Epub 2017 Jun 27. Review. PubMed PMID: 28666646.
  37. Tekin K, Toydemir T, Yerdel MA. Is laparoscopic antireflux surgery safe and effective in obese patients? Surg Endosc. 2012 Jan;26(1):86-95. doi: 10.1007/s00464-011-1832-9. Epub 2011 Aug 24. PubMed PMID: 21863377.
  38. Terranova L, Busetto L, Vestri A, Zappa MA. Bariatric surgery: cost-effectiveness and budget impact. Obes Surg. 2012 Apr;22(4):646-53. doi: 10.1007/s11695-012-0608-1. Review. PubMed PMID: 22290621.
  39. Thomas EL, Frost G, Taylor-Robinson SD, Bell JD. Excess body fat in obese and normal-weight subjects. Nutr Res Rev. 2012 Jun;25(1):150-61. doi: 10.1017/S0954422412000054. Epub 2012 May 25. Review. PubMed PMID: 22625426.
  40. Tremmel M, Gerdtham UG, Nilsson PM, Saha S. Economic Burden of Obesity: A Systematic Literature Review. Int J Environ Res Public Health. 2017 Apr 19;14(4):435. doi: 10.3390/ijerph14040435. PubMed PMID: 28422077; PubMed Central PMCID: PMC5409636.
  41. Wolfenstetter SB. Future direct and indirect costs of obesity and the influence of gaining weight: results from the MONICA/KORA cohort studies, 1995-2005. Econ Hum Biol. 2012 Mar;10(2):127-38. doi: 10.1016/j.ehb.2011.08.008. Epub 2011 Sep 3. PubMed PMID: 21983232.
  42. Younossi ZM, Koenig AB, Abdelatif D, Fazel Y, Henry L, Wymer M. Globalepidemiology of nonalcoholic fatty liver disease-Meta-analytic assessment ofprevalence, incidence, and outcomes. Hepatology. 2016 Jul;64(1):73-84. doi:10.1002/hep.28431. Epub 2016 Feb 22. Review. PubMed PMID: 26707365.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 28-10-2020

Laatst geautoriseerd : 28-10-2020

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2025 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde of de modules van deze richtlijn nog actueel zijn. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update). De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is regiehouder van deze richtlijn en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

Module1

Regiehouder(s)2

Jaar van autorisatie

Eerstvolgende beoordeling actualiteit richtlijn3

Frequentie van beoordeling op actualiteit4

Wie houdt er toezicht op actualiteit5

Relevante factoren voor wijzigingen in aanbeveling6

Indicatiestelling overige co-morbiditeiten

NVvH

2020

2025

1x per 5 jaar

NVvH

 

[1] Naam van de module

2 Regiehouder van de module (deze kan verschillen per module en kan ook verdeeld zijn over meerdere regiehouders)

3 Maximaal na vijf jaar

4 (half)Jaarlijks, eens in twee jaar, eens in vijf jaar

5 regievoerende vereniging, gedeelde regievoerende verenigingen, of (multidisciplinaire) werkgroep die in stand blijft

6 Lopend onderzoek, wijzigingen in vergoeding/organisatie, beschikbaarheid nieuwe middelen

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging van Diëtisten
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Nederlandse Stichting Over Gewicht

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en/of andere bron. De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Doel van deze herziening is om tot een richtlijn te komen waarin de meest recente kennis omtrent de chirurgische zorg voor patiënten met obesitas is vastgelegd.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met obesitas.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2017 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met ernstige obesitas (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Werkgroep

  • Dr. F.J. Berends, chirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (voorzitter)
  • Dr. I.F. Faneyte, chirurg, ZiekenhuisGroep Twente, Almelo/Hengelo, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. R. Schouten, chirurg, Flevoziekenhuis, Almere, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. F.M.H. van Dielen, chirurg, Máxima Medisch Centrum, Veldhoven/Eindhoven, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Prof. dr. L.W.E. van Heurn, hoogleraar kinderchirurgie, chirurg, Amsterdam UMC locatie AMC, Amsterdam, plaats, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. S. Bouma- de Jongh, kinderarts, De Kinderartsenpraktijk, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Dr. A.C.E. Vreugdenhil, kinderarts, MUMC+, Maastricht, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Dr. A.P. van Beek, internist, UMCG, Groningen, Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. J.S. Burgerhart, internist i.o., Erasmus MC, Rotterdam tot 31 december 2019, vanaf 1 januari 2020 internist-vasculair geneeskundige, Ziekenhuis St Jansdal, Harderwijk, Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. M.J.M. Groenen, MDL-arts, Rijnstate, Arnhem, Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Dr. S.V. Koenen, gynaecoloog, Elisabeth-TweeSteden-Ziekenhuis, Tilburg, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Drs. M.S.Q. Kortenhorst, gynaecoloog i.o. UMC Utrecht, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Dr. R.C. Painter, gynaecoloog, Amsterdam UMC, locatie AMC, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Dr. J.O.E.H. van Laar, gynaecoloog, Máxima Medisch Centrum, Veldhoven/Eindhoven, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • N.G. Cnossen, patiëntvertegenwoordiger, Nederlandse Stichting Over Gewicht
  • Dr. C. Hinnen, klinisch psycholoog, LUMC, Leiden, Nederlands Instituut van Psychologen
  • E. Govers BSc., diëtist, Amstelring, Amsterdam, Nederlandse Vereniging van Diëtisten

 

Klankbordgroep

  • Prof. dr. E.F.C. van Rossum, internist, Erasmus MC, Rotterdam, Nederlandse Internisten Vereniging

 

Met ondersteuning van

  • Dr. A. Bijlsma, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf oktober 2018)

  • Dr. J. Buddeke, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf oktober 2018)
  • Dr. W.A. van Enst, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot oktober 2018)
  • Dr. S.N. Hofstede, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf oktober 2018)
  • Drs. A.A. Lamberts, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf oktober 2018)
  • Drs. J.C.F. Ket, medisch informatiespecialist, Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
  • Drs. I. van Dusseldorp, medisch informatiespecialist, Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
  • Drs. E. Delvaux, medisch informatiespecialist, Van Dusseldorp, Delvaux & Ket

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in de onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

 

Achternaam WG-lid

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Actie (voorstel)

Berends (voorzitter)

Freelance chirurg

Consultant Johnson & Johnson tot september 2018 (betaald)
-Lid van het bestuur van de Dutch Society of Metabolic and Bariatric Surgeons (DSMBS) tot eerste helft 2019. Een wetenschappelijke subvereniging van de NVvH. (onbetaald)

De firma Johnson & Johnson heeft een "baratric and metabolic board" waarvan ik lid ben. (Betaald)
- onderwijsfunctie geef onderwijs over algemene bariatrische chirurgie in binnen- en buitenland. Hierbij worden geen producten van Johnson&Johnson aangeprezen.

Deze commissie heeft het volgende doel:
"We are committed to taking action on obesity and T2D by optimizing access to effective treatment options for patients suffering from these debilitating diseases."

geen

geen

 

geen

24-11-2017

Geen. Er staan geen producten van Johnson in deze richtlijn.

Hinnen

Oncologisch centrum, LUMC, afdeling medische psychologie en ziekenhuis-psychiatrie, MC Slotervaart

Bestuur Nederlandse Behavioral Medicine Federatie (onbetaald)
-Bestuur afdeling specialisten van de Nederlandse Vereniging voor Gezondheidszorgpsychologen en haar specialismen (onbetaald)

geen

geen

geen

geen

geen

31-10-2017

Geen

Schouten

Chirurg, Flevoziekenhuis te Almere

geen

geen

geen

geen

geen

geen

8-11-2017

Geen

Groenen

Maag Darm Leverarts, werkzaam in Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem

Concilium Gastroenterolgicum, onbetaald
Sectie Endoscopie van de Nederlandse Vereniging van GastroEnterologie, onbetaald
Commissie Endoscopie van de Nederlandse Vereniging van MaagDarmLerverartsen, onbetaald
Trainer NBI, Endoscopische techniek voor beoordelen adenomen in het colon, betaald

geen

geen

Betrokken bij onderzoek betreffende Chronische darmontsteking (Crohn en Colitis Ulcerosa) waarbij ondersteuning door industrie.
Betrokken bij wetenschappelijk fase 2 onderzoek met nieuwe medicatie voor Crohn en Colitis Ulcerosa

geen

geen

9-11-2017

Geen, gefinancierde onderzoeken/ training gaan niet over obesitas

Faneyte

Chirurg 75% ZiekenhuisgroepTwente
-Manager Leerhuis 25%

geen

geen persoonlijke financiële belangen behoudens eigen werk als vrijgevestigd bariatrisch chirurg

geen

geen

geen

geen

9-11-2017

Geen

Govers

Diëtist, Stichting Amstelring (inmiddels niet meer werkzaam)

Voorzitter Kenniscentrum Diëtisten Overgewicht en Obesitas, Amsterdam,
(onbetaald)
Lid van het PON (onbetaald).
Voorzitter van de ESDN Obesity van de Europese Federatie van Diëtisten (EFAD) (onbetaald).
Lid van de Nutrition Working Group van EASO (de Europese Associatie voor de Studie van Obesitas) (onbetaald).

geen

geen

geen

geen

-

26-11-2017

Geen

Van Laar

gynaecoloog
Maxima medisch centrum Veldhoven

Assistant professor TU/e
onbetaald

geen

geen

geen

geen

geen

1-12-2017

Geen

Koenen

Gynaecoloog, UMC Utrecht (vanaf 1 januari 2018 ETZ, Tilburg) 1,0 FTE werkzaam

Voorzitter Werkgroep Otterlo NVOG (werkgroep die verantwoordelijk is voor richtlijnen over de Verloskunde). Onbetaald
Lid Commissie Kwaliteitsdocumenten NVOG, Onbetaald

geen

geen

geen

geen

nee

12-12-2017

Geen

Painter

Gynaecoloog, Afdeling Verloskunde, AMC, Amsterdam 0,9 FTE

• Affiliatie: Gynaecoloog Amsterdam UMC

• lid van de werkgroep modulaire richtlijn Zwangerschap en Obesitas (NVOG).

• vice voorzitter van de NVOG Pijler FMG Wetenschapscommissie

• voorzitter SIG NVOG Diabetes, Obesitas en Zwangerschap

• lid van de Koepel Wetenschap NVOG

• lid van de RIVM Commissie Programma Nationale Hielprik Screening (namens de NVOG)

• lid stuurgroep James Lind Alliance PSP 'Hyperemesis Gravidarum'

geen

geen

CVON/ Nederlandse Hartstichting, WOMB project (hoofdaanvrager prof Roseboom) AMC-VuMc Alliantie OiO (mede aanvrager dr AE Budding)
ZonMW- Leading the Change 'TANGO DM' (mede projectleider dr v Rijn, WKZ)
Geen van de bovenstaande stellen in mijn optiek een belangenverstrengeling voor.

Lid Wetenschappelijke Advies Raad Stichting ZEHG (Hyperemesis Gravidarum patiënten vereniging)

geen

29-11-2017

Geen, de onderzoeken betreffen onderwerpen die buiten de afbakening van de richtlijn vallen.

Kortenhorst

Gynaecoloog-in-opleiding Wilhelmina Kinderziekenhuis

geen

geen

geen

geen

geen

geen

1-12-2017

Geen

Cnossen

Ervaringsdeskundige werkgroep bariatrie van de Nederlandse stichting Over Gewicht -(Onbetaald)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

19-1-2018

Geen

Burgerhart

internist- vasculair geneeskundig i.o. in opleiding Erasmus MC Rotterdam t/m 31-12-2019. Vanaf 1-1-2020 internist-vasculair geneeskundige, Ziekenhuis St Jansdal, Harderwijk

geen

geen

geen

geen

geen

geen

18-5-2018

Geen

Heurn

Kinderchirurg, hoogleraar kinderchirurgie AMC en VUMC

geen

geen

geen

geen

Hoofdonderzoeker BASIC trial: onderzoek naar bariatrische
chirurgie/leefstijlinterventies bij adolescenten. Wetenschappelijk, ethisch en
maatschappelijk belang dit onderzoek af te maken alvorens nieuw onderzoek te
starten. Geen belang bij de uitkomst van het onderzoek.

geen

28-2-2018

Geen, onderzoek wordt op dit moment gefinancierd door het ziekenhuis zelf. Funding wordt nog wel gezocht. Resultaten nog niet bekend

Beek

internist-endocrinoloog (100%) in het UMC Groningen.

geen

geen

geen

Select studie. Effecten op cardiovasculaire uitkomsten bij patiënten met overgewicht of obesitas (Novo Nordisk). Het betreft een multicenter trial waarbij in totaal 17500 patiënten worden geïncludeerd. Mijn centrum zal 25 patiënten includeren en NL in totaal 250. Ik ben National Leader in deze studie die is gestart 24-10-2018. Uitkomsten worden verwacht in 2023. Geen belangen verstrengeling zowel inhoudelijk (resultaten nog niet bekend) als financieel.

geen

geen

13-7-2018

Geen

 

Uitkomsten van de studie worden verwacht in 2023. Redelijkerwijs zal deze studie dus geen belangenverstrengeling opleveren omdat er geen uitkomsten nog van de studie zijn.

Dielen

Bariatrisch chirurg

0.0 fte aanstelling in het Mumc+ als gastoperateur voor de BASIC trial. Betaald

geen

geen

geen

Gastroperateur van de BASIC trial en derhalve hierbij actief betrokken. - Principal investigator van een internationale multicenter prospectief gerandomiseerde studie gastric sleeve versus. gastric bypass in adolescenten. (TEEN-Best). Voorlopige startdatum 1 september 2018

geen

6-3-2018

Geen, onderzoek wordt op dit moment gefinancierd door het ziekenhuis zelf. Funding wordt nog wel gezocht. Resultaten nog niet bekend

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door een afgevaardigde van de Stichting Over Gewicht (voorheen Nederlandse Obesitas Vereniging) plaats te laten nemen in de werkgroep. De volgende patiëntenorganisaties zijn uitgenodigd voor de Invitational conference: Patiëntenfederatie Nederland, Hart en Vaatgroep, Diabetesvereniging en Stichting Over Gewicht. Een verslag van deze bijeenkomst is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Tijdens de oriënterende zoekactie (uitgevoerd op 18 december 2017) werd gezocht op literatuur naar patiëntenperspectief (zie Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur). De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de Patiëntenfederatie Nederland, Hart en Vaatgroep, Diabetesvereniging en Stichting Over Gewicht.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn (module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is te vinden bij de aanverwante producten.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door verschillende stakeholders tijdens een Invitational conference. Een verslag hiervan is opgenomen onder aanverwante producten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen (GIN-database), systematische reviews, literatuur over patiëntvoorkeuren en patiëntrelevante uitkomstmaten (Medline, Comet-initiative en COSMIN database). Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens is aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module met desbetreffende uitgangsvraag. De zoekstrategie voor de oriënterende zoekactie en patiëntenperspectief zijn opgenomen onder aanverwante producten.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II - voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk*

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

*in 2017 heeft het Dutch GRADE Network bepaalt dat de voorkeursformulering voor de op een na hoogste gradering ‘redelijk’ is in plaats van ‘matig’

 

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008), en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE-methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van Zorg.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling in het aanverwante product Kennislacunes beschreven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Brouwers, M. C., Kho, M. E., Browman, G. P., Burgers, J. S., Cluzeau, F., Feder, G., ... & Littlejohns, P. (2010). AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. Canadian Medical Association Journal, 182(18), E839-E842.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html

Kennisinstituut. Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Medisch Specialisten. 2015

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Schünemann, H. J., Oxman, A. D., Brozek, J., Glasziou, P., Jaeschke, R., Vist, G. E., ... & Bossuyt, P. (2008). Rating Quality of Evidence and Strength of Recommendations: GRADE: Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ: British Medical Journal, 336(7653), 1106.

Wessels, M., Hielkema, L., & van der Weijden, T. (2016). How to identify existing literature on patients' knowledge, views, and values: the development of a validated search filter. Journal of the Medical Library Association: JMLA, 104(4), 320.