Cervixcytologie

Initiatief: NVVPa Aantal modules: 40

Cervixcytologie - Geldigheidsduur van het BVO advies

Uitgangsvraag

Hoe lang blijft het gegeven advies, naar aanleiding van cervixcytologisch onderzoek of de negatieve human papillomavirus (hrHPV)-test in het kader van het bevolkingsonderzoek gelden, bij het opnieuw consulteren van huisarts of gynaecoloog?

Aanbeveling

De werkgroep is van mening dat de screeningsinterval (5 of 10 jaar) zoals gegeven door het bevolkingsonderzoek gehandhaafd kan worden als ‘houdbaarheid' van het advies, indien aan alle criteria voor deelname zijn voldaan.

De werkgroep is van mening dat indien een vrouw zich presenteert met indicaties (klachten), een cervixcytologisch onderzoek dient te worden verricht. Een (recente) deelname aan het bevolkingsonderzoek is geen reden om hiervan af te zien.

Overwegingen

Professioneel perspectief: uit de literatuur blijkt dat het ontwikkelen van cervix carcinoom meer dan 10 jaar in beslag neemt [Bosch 2002 (1)]. Daarom is de screeningstermijn van 5 jaar, indien aan alle voorwaarden van het bevolkingsonderzoek (BVO) wordt voldaan, veilig. Bij vrouwen ouder dan 40 jaar is na een negatieve hrHPV-test 10 jaar zelfs een veilige screeninginterval. Echter bij klachten ontstaat een andere situatie met andere vooraf-kans op afwijkingen en kan men niet terugvallen op het feit dat er eerder in het BVO een negatieve uitslag is geweest. Daarom is het van belang om, zoals ook in andere modules is aangegeven, bij klachten altijd een cytologisch onderzoek eventueel (aangevuld met een hrHPV bepaling) te verrichten.
Anders gezegd; een negatieve uitslag (dus hrHPV-negatief) van het BVO baarmoederhalskanker nieuwe stijl rechtvaardigt voor de algemene populatie een screenings interval van 5 tot 10 jaar. Voor de individuele vrouw met klachten, moet een volledig gynaecologisch onderzoek met cytologisch onderzoek verricht worden. Een (recente) deelname aan het BVO is geen reden om hiervan af te zien.

Onderbouwing

Inleiding
In het bevolkingsonderzoek (BVO) naar baarmoederhalskanker oude stijl werden vrouwen in de leeftijd van 30 tot 60 jaar elke 5 jaar uitgenodigd voor screening. In het nieuwe BVO is de cyclus eveneens 5 jaar met als uitzondering dat bij vrouwen tussen de 40 en 50 jaar de cyclus, bij een negatieve human papillomavirus (HPV)-uitslag 10 jaar kan bedragen. Vrouwen tussen de 30 en 60 jaar oud worden uitgenodigd voor screening. Bij een positieve hrHPV uitslag op 60-jarige leeftijd, volgt nog een uitnodiging op 65e jarige leeftijd.
Uit analyse van data uit het ‘oude' BVO (de zogenaamde carcinoom audit) blijkt dat ongeveer 50% van de carcinoomgevallen ontdekt worden door het BVO. De overige gevallen, bijna 50%, worden buiten het BVO ontdekt voornamelijk bij vrouwen die niet eerder hebben deelgenomen aan het BVO. Ook toont analyse van de data aan, dat cytologische afwijkingen incidenteel niet voldoende werden onderkend; bij revisie van eerder als negatief afgegeven cytologisch onderzoek bleken er dan toch afwijkingen aanwezig. Daarnaast kunnen in het geval van onderzoek bij klachten ook andere afwijkingen worden gevonden, zoals endometriumcarcinoom bij post menopauzaal bloedverlies.

Samenvatting literatuur
Voor deze uitgangsvraag is geen systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd door de methodologen. Het literatuuronderzoek is uitgevoerd door de werkgroep zelf.

  1. 1 - Bosch FX, Lorincz A, Muñoz N, et al. The causal relation between human papillomavirus and cervical cancer. J Clin Pathol. 2002 Apr;55(4):244-65.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 01-11-2016

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie

Algemene gegevens

Aanleiding
In 1996 werd de eerste ‘consensus based' praktijkrichtlijn gepubliceerd voor de uitvoering van cervixcytologie in Nederland. Sinds die tijd is de richtlijn diverse malen geüpdatet om te blijven voldoen aan de actuele stand van zaken. De commissie cytologie van de Nederlandse Vereniging Voor Pathologie (NVVP) heeft het initiatief genomen voor het ontwikkelen en onderhouden van deze richtlijn. Bij deze revisie, die geschreven is met het oog op het nieuwe bevolkingsonderzoek dat eind 2016 / begin 2017 van start zal gaan, is zoveel mogelijk gebruikt gemaakt van de methodiek van ‘evidence based' richtlijnontwikkeling. Door middel van een enquête onder betrokken medisch specialisten en zorgverleners betrokken bij dit onderwerp, is een inventarisatie gemaakt van de belangrijkste knelpunten in de dagelijkse praktijk.

Doel en doelgroep

Doelstelling
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Er wordt aangegeven wat in het algemeen de beste zorg is voor het uitvoeren van cervixcytologisch onderzoek buiten het bevolkingsonderzoek en besteed aandacht aan de beoordeling en kwaliteitscriteria voor de uitvoering van het cervixcytologisch- en moleculair biologisch onderzoek (HPV-test). De richtlijn geeft aanbevelingen over de diagnostiek, de behandeling en de follow-up van patiënten met voorstadia van cervixcarcinoom. De richtlijn kan worden gebruikt bij het geven van voorlichting aan patiënten. Ook biedt de richtlijn aanknopingspunten voor bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen ter bevordering van de implementatie van deze richtlijn.
 

Specifieke doelen van deze richtlijn voor cervixcytologie zijn:

  • Streven naar uniformiteit in uitvoering, beoordeling en verslaglegging
  • Randvoorwaarden voor laboratoria en testen benoemen
  • Multidisciplinariteit
  • Relatie met andere richtlijnen; sporen met andere richtlijnen
  • Relatie met bevolkingsonderzoek.

Doelpopulatie
De doelpopulatie van deze richtlijn zijn vrouwen waarbij een uitstrijkje wordt gemaakt, zijnde indicatief afgenomen bij klachten, of in het kader van het bevolkingsonderzoek (BVO) afgenomen.

Doelgroep
Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten waarbij cervixcytologie wordt uitgevoerd, zoals pathologen, moleculair biologen in de pathologie, moleculair medisch microbiologen, arts-microbiologen, gynaecologen, huisartsen, cytologisch en moleculaire analisten, doktersassistenten en patiëntenorganisaties.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden, met een evenredige vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties, alsmede met een spreiding al dan niet in academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en zijn gemandateerd door hun vereniging voor hun inbreng.

Inbreng patiƫntenperspectief

Bij de start van de ontwikkeling van deze richtlijn is overleg geweest met de Leven met Kanker Beweging (Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties) en Stichting Olijf ten aanzien van de inbreng patiëntenperspectief. Stichting Olijf heeft beargumenteerd besloten niet deel te nemen in de werkgroep, maar konden wel benaderd worden om input te leveren tijdens het traject. De Leven met Kanker Beweging (Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties)(en Stichting Olijf) en Patiëntenfederatie NPCF zijn geconsulteerd in de externe commentaarronde. De Patiëntenfederatie NPCF heeft de richtlijn uitgezet bij de Patiëntenorganisatie Gynaecologie Nederland (PGN). Het commentaar van de Leven met Kanker Beweging en PGN (via NPCF) en de wijze waarop hiermee is omgegaan is opgenomen in de bijlage (zie bijlage 9 en zie bijlage 16).

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Werkend vanuit de eerder opgestelde basis en met het oog op het vernieuwde bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker, is door de NVVP het initiatief genomen deze richtlijn te actualiseren. Gezien de omvang van het werk en het gemeenschappelijk belang van meerdere disciplines is in samenspraak met Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) een werkgroep samengesteld (zie bijlage 7) uit verschillende disciplines die betrokken zijn bij de uitvoering van cervixcytologie. De gemandateerde werkgroepleden werden verdeeld in subgroepen voor het beantwoorden van de uitgangsvragen, waarbij gezorgd is dat de relevante disciplines vertegenwoordigd waren. Daarnaast zorgde een redactieteam, bestaande uit de voorzitter, de procesbegeleider, de betrokken AIOS en de secretaresse van IKNL voor de coördinatie en onderlinge afstemming van de subgroepen. De subgroepen hebben gedurende een periode van ruim een jaar gewerkt aan een concept richtlijntekst die betrekking heeft op dit traject. De werkwijze van de werkgroep bestond uit een knelpuntenanalyse (zie bijlage 12), waarvoor een enquête werd gehouden. De resultaten zijn besproken en de hoogst geprioriteerde uitkomsten zijn omgezet in uitgangsvragen (zie bijlage 2). Met behulp van de zogenaamde Patiënt Intervention Comparison Outcome (PICO)-methode zijn er door de werkgroep en een methodoloog van IKNL onafhankelijke literatuursearches (zie bijlage 3) gedaan. De gevonden literatuur werd inhoudelijk, methodologisch en statistisch beoordeeld om tot een zo goed mogelijke afweging te komen voor de beantwoording van de uitgangsvragen. De werkgroepleden schreven afzonderlijk, of in de subgroepen, teksten die tijdens vergaderingen besproken en na verwerking van de commentaren werden geaccordeerd. De voltallige werkgroep is acht keer bijeen geweest om de resultaten van de subgroepen in onderling verband te bespreken. De teksten van de subgroepen zijn door het redactieteam samengevoegd en op elkaar afgestemd tot één document. Begin 2016 heeft een landelijke commentaarronde plaatsgevonden waarbij alle leden van alle relevante wetenschappelijke verenigingen en patiëntenvereniging werden uitgenodigd, persoonlijk, of via een aankondiging in een vaktijdschrift. De commentaren van deze enquête zijn verwerkt in de definitieve richtlijn.

Volgende:
Diagnostiek