Cervixcarcinoom

Initiatief: NVOG Aantal modules: 81

Chirurgische behandeling laag-risico cervixcarcinoom

Publicatiedatum: 13-04-2026
Beoordeeld op geldigheid: 13-04-2026

Uitgangsvraag

Is het veilig om een minder uitgebreide operatie (‘simpele hysterectomie’) te verrichten in plaats van een radicale hysterectomie, beiden in combinatie met een pelviene lymfklierdissectie, bij vrouwen met een laag-risico* cervixcarcinoom?

 

*definitie van laag-risico cervixcarcinoom:

FIGO 2009: stadium IA2 met LVSI of IB1 met tumorgrootte maximaal 20 mm én invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en  minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI),onafhankelijk van de aanwezigheid van LVSI. Met de histologische subtypes: plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom.

FIGO 2018: stadium IA2 met LVSI, stadium IA2 >7 mm (onafhankelijk van LVSI) en stadium IB1, met invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI)), én de histologische subtypes plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom. 

 

De uitgangsvraag omvat de volgende deelvragen:

  1. Is er verschil in oncologische uitkomsten na een ‘simpele hysterectomie’ met pelviene klierdissectie  in vergelijking met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie bij vrouwen met een laag-risico*  cervixcarcinoom?
  2. Is er verschil in complicaties na een ‘simpele hysterectomie’ met pelviene klierdissectie in vergelijking met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie bij vrouwen met een laag-risico* cervixcarcinoom?
  3. Is er verschil in zelf-gerapporteerde kwaliteit van leven na een ‘simpele hysterectomie’ met pelviene klierdissectie in vergelijking met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie bij vrouwen met een laag-risico* cervixcarcinoom?

Aanbeveling

Bespreek als standaard behandeling een simpele (extra fasciale) hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet in combinatie met schildwachtklierprocedure) bij vrouwen met een laagrisico* cervixcarcinoom, omdat de ziektevrije en algehele overleving niet significant verschillen  en deze behandeling leidt tot minder urologische functiestoornissen, een betere kwaliteit van leven en beter seksueel functioneren in vergelijking met een radicale hysterectomie met pelviene lymfklierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure). 

 

Zorg voor adequate en nauwkeurige selectie van patiënten met laag-risico*  cervixcarcinoom om te voorkomen dat na de chirurgische behandeling de patiënt niet blijkt te voldoen aan de criteria voor een simpele hysterectomie en aanvullende behandeling geïndiceerd is die niet geïndiceerd zou zijn indien er een radicale hysterectomie zou zijn verricht. 

 

* definitie van laag-risico cervixcarcinoom:

FIGO 2009 stadium IA2 met LVSI of IB1 met tumorgrootte maximaal 20 mm én invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en  minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI),onafhankelijk van de aanwezigheid van LVSI. Met de histologische subtypes: plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom.

FIGO 2018: stadium IA2 met LVSI, stadium IA2 >7 mm (onafhankelijk van LVSI) en stadium IB1, met invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI)), én de histologische subtypes plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom. 

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs

Alhoewel er wat betreft (ziektevrije) overleving geen nadelen lijken te bestaan van een minder radicale operatie, is het belangrijk te bedenken dat de grootste studie (Plante, 2024) een non-inferiority design heeft. Bij non-inferiority RCT’s is er discussie over het maximaal acceptabele verschil om non-inferieur te zijn: de grens van non-inferiority. In deze studie was de grens gesteld op 4% (punt) verschil in pelvien recidief: de studie is gepowerd om aan te tonen dat het verschil in pelvien recidief met 90% zekerheid niet meer dan 4% zou zijn. Op basis van die grens werd non-inferiority bewezen het 90% betrouwbaarheids interval van het verschil in pelvien recidief is -1,62 – 2,32%. Maar de vraag is natuurlijk of maximaal 2,3% verschil in pelvien recidief te verantwoorden is. Het is goed te bedenken dat het risico op een recidief en het risico op recidief en overlijden lager is gebleken dan tevoren ingeschat; dit maakt de kans op grote absolute verschillen zeer klein, maar de onzekerheid (CI)  groter. Desondanks is de aanbeveling vooral op deze studie gebaseerd; de studie van Carneiro heeft dezelfde limitatie en bovendien een veel kleinere sample size en dus nog  grotere betrouwbaarheidsintervallen.

 

Wat betreft complicaties, functieverlies en kwaliteit van leven is er geen verschil tussen de beide behandelingen óf is er voordeel (minder complicaties, minder functieverlies en betere kwaliteit van leven) voor de simpele hysterectomie. Vanwege het internationale en multi-center karakter van de studie van Plante et al. in combinatie met de uitvoerig beschreven minimale resectie voor de radicale hysterectomie binnen de studie, is het waarschijnlijk dat de geobserveerde bijwerkingen een goede reflectie zijn van het gemiddelde aantal bijwerkingen van een radicale hysterectomie. Het is echter mogelijk dat specifieke chirurgische varianten van de radicale hysterectomie (met name meer of minder zenuwsparend) andere aantallen van bijwerkingen geven.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun verzorgers)

Voor het merendeel van de patiënten is de kans op een recidief de belangrijkste factor in de besluitvorming. Daarmee is de mate van zekerheid dat er geen verschil is tussen beide behandelingen cruciaal. Op basis van de studie van Plante kan met 90% zekerheid worden gezegd dat het verschil in pelvien recidief tussen de simpele hysterectomie en de radicale hysterectomie tussen de -1,62% (dat is 1,62% lager na simpele hysterectomie) en 2,32% (dat is 2,23 % hoger na een simpele hysterectomie) ligt.

 

Noodzaak tot zelfkatheterisatie is een bekende en veel voorkomende bijwerking met significante impact op de kwaliteit van leven na behandeling met een radicale hysterectomie. In beide RCT’s komt deze bijwerking vaker voor na een radicale hysterectomie ten opzichte van een simpele hysterectomie. In de studie van Plante is dit meer dan 15x vaker na een radicale hysterectomie in vergelijking met een simpele hysterectomie (n = 34 (9,9%) vs n = 2 (0,6%)).

 

Cervixcarcinoom komt veel voor bij vrouwen onder de 40. Bijna 40% van de vrouwen waarbij in 2023 cervixcarcinoom werd vastgesteld was jonger dan 40 jaar (https://www.vzinfo.nl/baarmoederhalskanker/leeftijd). De impact van de behandeling op de kwaliteit van leven en het seksueel functioneren is met name bij deze vrouwen belangrijk, omdat ze gezien de goede overleving nog een hoge (lange) levensverwachting hebben. Dus een behandeling met minder invloed op de kwaliteit van leven en seksuele functie is van groot belang.

 

Kosten (middelenbeslag)

Geen van de RCT’s heeft tot nu toe een kosteneffectiviteitsstudie gepubliceerd (van de SHAPE studie is bekend dat die nog wel gepubliceerd zal worden, Plante 2024). Maar er lijkt vanuit gegaan te kunnen worden dat een minder uitgebreide ingreep, met minder complicaties en minder morbiditeit, goedkoper is dan een uitgebreidere ingreep met meer complicaties en meer morbiditeit.

 

In de studie van Carneiro worden operatieduur (150 min vs 199,5 min, p < 0,01) en ligduur (2 dagen versus 2 dagen, p = 0,51) beschreven. Dit is in het voordeel van een simpele hysterectomie.

 

Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie

De aanvaardbaarheid zal met name bepaald worden door de interpretatie van het risico op een verschil in (ziektevrije) overleving. De expertgroep is van mening dat op basis van de studie van Plante kan worden geconcludeerd dat het risico op een relevant verschil in (pelviene ziektevrije) overleving aanvaardbaar klein is. Voor vrouwen met een laag-risico cervixcarcinoom weegt de zeer beperkte onzekerheid over de afwezigheid van verschil in (ziektevrije) overleving na een simpele hysterectomie met pelviene lymfklierdissectie in vergelijking met een radicale hysterectomie met pelviene lymfklierdissectie niet op tegen de voordelen.

De definitie van laag-risico zoals die wordt gebruikt in het advies deel van deze module is niet geheel conform de inclusiecriteria van de SHAPE studie: patiënten met een FIGO IA2 (FIGO 2009) cervixcarcinoom zonder LVSI konden geïncludeerd worden in de SHAPE studie maar worden niet meegenomen in de definitie zoals van toepassing is in deze module. Daar is bewust voor gekozen omdat deze vrouwen volgens de Nederlandse richtlijn behandeld kunnen worden met een conisatie of gewone hysterectomie en een parametrectomie en klierdissectie voor deze vrouwen niet is aangewezen.  Voor de patiënten met een 1A2 (2009)  tumor met LVSI wordt wel een klierdissectie geadviseerd. De patiënten die stadium IB1 ziekte hadden volgens de FIGO 2009 met de FIGO 2018 een stadium IA hebben, die vallen wel in de definitie zoals gebruikt: stadium IA met tumorgrootte >7 mm.


Deze module heeft betrekking op de radicaliteit van de hysterectomie. Elke patiënt in de SHAPE trial onderging een pelviene klierdissectie al dan niet gecombineerd met een schildwachtklierprocedure. Inmiddels zijn er aanwijzingen dat het achterwege laten van een pelviene klierdissectie na een adequate schildwachtklierprocedure met een tumornegatieve schildwachtklier na ultrastaging veilig is (Senticol I en Senicol II, Balaya, 2022).  De Senticol I is een observationele studie en de Senticol II is een RCT maar met kwaliteit van leven als uitkomstmaat. In de post-hoc analyse waarin 87 patiënten na het achterwege laten van de SN werden vergeleken met 172 patiënten na volledige klierdissectie was er geen verschil in ziektevrije overleving en ziektespecifieke overleving tussen de 2 groepen: HR 1.72 (95% BI 0.71-4.66) en HR 3.02 (95% BI: 0.69-13.18). Momenteel wordt in de Senticol III (gerandomiseerde non-inferiority studie) de oncologische veiligheid uitgezocht van het achterwege laten van de pelviene lymfklierdissectie na adequate schidwachtklierprocedure (Lecuru et al, 2019). Afhankelijk van de uitkomsten zullen aanbevelingen met betrekking tot de chirurgische stadiering van vrouwen met FIGO IA2 met LVSI en/of >7mm – IIA worden aangepast.

 

Wat betreft implementatie is een zorgvuldige stadiering cruciaal en een MRI noodzakelijk. Aangezien de MRI in de huidige richtlijn al wordt beschouwd als een ‘essentieel onderdeel bij de stadiering, voor de evaluatie van parametrium betrokkenheid’, lijkt de noodzaak van het verrichten van een MRI voor deze patiënten geen belemmerend issue (zie module Parametrium invasie bij cervixcarcinoom). Wel belangrijk is dat evaluatie van de precieze tumorgrootte (maximaal 20 mm) en de mate van stroma invasie (minder dan 50%) voor sommige centra een aanvulling zal zijn en in elk geval een nieuw aspect in de besluitvorming: tot nu toe waren uitbreiding buiten de cervix en tumorgrootte >40 mm van belang voor besluitvorming. Radiologen dienen derhalve te worden betrokken bij de implementatie van de simpele hysterectomie voor deze categorie patiënten. Indien de tumor postoperatief groter blijkt en/of met een grote invasiediepte, dan is mogelijk een adjuvante behandeling noodzakelijk, die wellicht niet nodig zou zijn geweest indien een radicale hysterectomie zou zijn verricht. Met name na een lisexcisie met niet-vrije snijranden kan adequate stadiering een uitdaging zijn. Een (voldoende groot) cervixbiopt met aanvullende MRI is het meest betrouwbaar voor de selectie van patiënten met een laag- risico cervixcarcinoom. Bij onzekerheid op basis van de combinatie van biopt en MRI kan in 2e instantie een lisexcisie of conisatie worden verricht, waarbij dan vrije snijranden moeten worden nagestreefd om adequaat te kunnen beoordelen of er inderdaad sprake is van een laag-risico cervixcarcinoom.

 

Er zijn SONCOS normen opgesteld voor de operatieve behandeling van cervixcarcinoom (tenminste 20 (radicale) chirurgische behandelingen per jaar, per instelling gemiddeld over 3 jaar) (SONCOS 2023). De werkgroep is van mening dat een simpele hysterectomie met klierdissectie óók een radicale behandeling betreft. De werkgroep vraagt zich wel af wat de consequenties zijn met betrekking tot exposure, expertise en ervaring met de parametrectomie, als bij ongeveer de helft van de patiënten de parametrectomie achterwege kan worden gelaten. We roepen de centra op deze effecten nauwkeurig te monitoren, en te onderzoeken of verrichten van de radicale hysterectomie door een beperkt aantal gynaecoloog-oncologen gedaan zou moeten worden. Temeer omdat het de verwachting is dat het aantal patiënten met cervixcarcinoom zal dalen als gevolg van de vaccinatie tegen HPV.

Onderbouwing

De standaard behandeling van een laag stadium cervixcarcinoom is een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie. Bij kliermetastasen en/of ongunstige tumorfactoren volgt er aanvullende radiotherapie, eventueel in combinatie met chemotherapie. Een radicale hysterectomie onderscheidt zich van een gewone of ‘simpele’ hysterectomie, doordat er bij de radicale hysterectomie omliggend steunweefsel (parametrium, sacro-uteriene ligamenten, vesico-uterine ligamenten) wordt verwijderd. De gedachte achter het verwijderen van dit steunweefsel is het realiseren van vrije snijranden en de detectie van (lymfogene) uitbreiding in het steunweefsel (‘parametriuminvasie’). Het verwijderen van dit steunweefsel leidt tot significant meer complicaties en (lange termijn) morbiditeit in vergelijking met een hysterectomie waarbij dit steunweefsel niet wordt verwijderd (Pieterse, 2013).  

 

Op basis van observationele studies kan er in een deel van de groep vrouwen die nu in aanmerking komt voor een radicale hysterectomie een laag-risico groep (tumorgrootte maximaal 20 mm, infiltratiediepte minder dan 10 mm) worden geïdentificeerd die een laag-risico hebben op (1) niet vrije snijranden en (2) (lymfogene) uitbreiding in het steunweefsel.

Het is de vraag of het voor deze vrouwen met een laag-risico cervixcarcinoom mogelijk is om de behandeling aan te passen en in plaats van een radicale, een simpele hysterectomie met pelviene klierdissectie te verrichten (Wu, 2022).

Hoog

GRADE

Voor patiënten met een laag-risico* cervixcarcinoom is er geen significant verschil in ziektevrije overleving en geen verschil in algehele overleving tussen behandeling met een simpele hysterectomie met pelviene lymfeklierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwacht-klierprocedure) in vergelijking met een behandeling met een radicale hysterectomie met pelviene lymfeklierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) (OR 1,09 (95% BI: 0,38 – 3,14)).

 

Bronnen: (Carneiro, 2023; Plante, 2024)

Redelijk

GRADE

Voor patiënten met een laag-risico* cervixcarcinoom  is er geen verschil in pelviene ziektevrije overleving tussen behandeling met een simpele hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure)  versus behandeling met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) (HR: 1,12 (95% BI: 0,47–2,67)).

 

Bron: (Plante, 2024)

Hoog

GRADE

Voor patiënten met een laag-risico* cervixcarcinoom is er geen verschil in perioperatieve complicaties tussen behandeling met een simpele hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) versus behandeling met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) .

 

Bronnen: (Carneiro, 2023; Plante, 2024)

Hoog

GRADE

Voor patiënten met een laag-risico* cervixcarcinoom  ontstaan er significant minder functionele urologische bijwerkingen (aantal dagen dat er postoperatief katheterisatie noodzakelijk is en aantal patiënten met urineretentie en/of urine-incontinentie) na behandeling met een simpele hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) in vergelijking met behandeling met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure).

 

Bronnen: (Carneiro, 2023; Plante, 2024)

Hoog

GRADE

Voor patiënten met een laag-risico* cervixcarcinoom is de zelf gerapporteerde kwaliteit van leven en het zelf-gerapporteerd seksueel functioneren  beter na behandeling met een simpele hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure) in vergelijking met behandeling met een radicale hysterectomie met pelviene klierdissectie (al dan niet gecombineerd met schildwachtklierprocedure).

 

Bronnen: (Carneiro, 2023; Plante, 2024)

*definitie van laag-risico cervixcarcinoom:

FIGO 2009 stadium IA2 met LVSI of IB1 met tumorgrootte maximaal 20 mm én invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en  minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI),onafhankelijk van de aanwezigheid van LVSI. Met de histologische subtypes: plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom.

FIGO 2018: stadium IA2 met LVSI, stadium IA2 >7 mm (onafhankelijk van LVSI) en stadium IB1, met invasie minder dan 10 mm (op basis van histologisch onderzoek van de lisexcisie of conisatie) en minder dan 50% van de cervicale stroma (MRI)), én de histologische subtypes plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom of adenosquameus carcinoom. 

Beschrijving studies

In de studie van Carniero zijn 60 patiënten met FIGO 2009 stadium IA2- IB1 cervixcarcinoom met maximale tumorgrootte ≤2 cm (mocht zowel klinisch als met MRI en/of pathologie bepaald worden) (plaveiselcelcarcinoom of adenocarcinoom) gerandomiseerd tussen een simpele (Querleu-Morrow type A, n = 20) of een radicale (Querleu-Morrow type B2, n = 20) hysterectomie (Carniero 2023). De ingreep werd in beide groepen gecombineerd met een pelviene lymfklierdissectie.

 

In de studie van Plante zijn 700 patiënten met een laag-risico cervixcarcinoom (FIGO 2009 stadium 1A2 of IB1, maximaal ≤20 mm in diameter en beperkte stromale invasie (<10 mm in lisexcisie- of conisatiepreparaat of op MRI na biopt <50% invasie van cervicale stroma)) gerandomiseerd tussen een simpele hysterectomie (extrafasciale hysterectomie, transsectie a. uterina mediaal van de ureter, maximaal 5 mm vaginamanchet, n = 350) en een radicale hysterectomie (Rutledge type 2, n = 350) (Plante 2024). Bij beide groepen werd de ingreep gecombineerd met een pelviene lymfklierdissectie al dan niet gecombineerd met een schildwachtklierprocedure. De ingreep kon open, laparoscopisch en robot-geassisteerd worden verricht.

 

Resultaten

Overleving

In de twee studies is er geen significant verschil in de totale overleving tussen een simpele hysterectomie en een radicale hysterectomie. In de studie van Carneiro was de 5 jaars overleving 90% versus 91% (p = 0,45, mediane follow-up 52 maanden) (Carneiro, 2023). In de studie van Plante was de overleving 98% versus 98% (minimale follow-up 3 jaar, mediane follow-up 4,5 en 4,6 jaar) (Plante, 2024).

 

Ziektevrije overleving

Carneiro et al toonden een 3 jaars ziektevrije overleving van 95% (SH) versus 100% (RH) (p = 0,30) (Carneiro, 2023).  In de studie van Plante was het aantal recidieven 4,3% (SH) vs 2,9%, (RH)HR: 1,54 (0,69–3,45) (Plante, 2024).

 

Pelviene ziektevrije overleving

In de studie van Plante was de pelviene ziektevrije overleving na 3 jaar respectievelijk 97,48% en 97,83% (HR: 1,12 (95% BI: 0,47–2,67)) en het percentage pelviene recidieven na 3 jaar respectievelijk 2,52%  en 2,17%, (Plante, 2024).

 

Complicaties

In de studie van Carneiro was er geen significant verschil in postoperatieve complicaties tussen de beide armen: 15% versus 25% (Carneiro, 2023). In de studie van Plante was er geen verschil in peri-operatief letsel (7,1% versus 6,4%, p = 0,77) (Plante, 2024).

 

In de studie van Plante werd minder urineretentie <4 week na de operatie gezien in de simpele hysterectomiegroep: 0,6% versus 11% (p < 0,001). Er werd ook minder urineretentie >4 weken na de operatie gezien, namelijk 0,6% versus 9,9% (p < 0,001). Er werd ook minder urine-incontinentie gerapporteerd na de simpele hysterectomie in de studie van Plante: 2,4% vs 5,5% <4 weken na de operatie (p = 0,05) en 4,7% vs 11% >4 weken na de operatie (p < 0,05). Er was geen verschil in de andere (functionele) afwijkingen (i.c. buikpijn, obstipatie, vermoeidheid,  bekkenpijn en paresthesie) <4 noch >4 week na de ingreep (Plante, 2024).

 

Zelf gerapporteerde kwaliteit van leven

Patiënten in de studie van Carneiro rapporteerden geen verschil in kwaliteit van leven tussen een simpele en een radicale hysterectomie, maar slechts minder dan de helft van de patiënten had de vragenlijsten ingevuld (Carneiro, 2023). In de studie van Plante was de zelf gerapporteerde kwaliteit van leven (vragenlijsten ingevuld door 73% van de patiënten bij inclusie en 56% tot 68% tijdens follow-up) en seksuologische functie (vragenlijsten ingevuld door 86% van de patiënten bij inclusie en 62% tot 79% tijdens follow-up) beter na de simpele hysterectomie (Plante, 2024).

 

Bewijskracht van de literatuur

De bewijskracht voor de uitkomstmaten overleving, ziektevrije overleving, complicaties en zelf-gerapporteerde kwaliteit van leven zijn niet verlaagd (Carneiro, 2023 en Plante, 2024).

 

De bewijskracht voor de uitkomstmaat pelviene ziektevrije overleving  is met 1 niveau verlaagd vanwege het geringe aantal patiënten (imprecisie, alleen gerapporteerd in de studie van Plante (2024).

Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden, is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende zoekvraag:

P: Patiënten met laag-risico* cervixcarcinoom
I: Simpele hysterectomie (dat wil zeggen geen verwijdering van steunweefsel) met pelviene klierdissectie
C: Radicale hysterectomie (dat wil zeggen verwijdering van de uterus, inclusief steunweefsel cf Rudledge II) met pelviene klierdissectie
O: Overleving, ziektevrije overleving, pelviene ziektevrije overleving, complicaties, kwaliteit van leven

Relevante uitkomstmaten

De werkgroep achtte overleving, ziektevrije overleving en pelviene ziektevrije overleving voor de besluitvorming cruciale uitkomstmaten.  Complicaties en (zelf gerapporteerde) kwaliteit van leven zijn belangrijke uitkomsten voor de besluitvorming.

 

Ziektevrije overleving is gedefinieerd als overleving zonder enig recidief,  pelviene ziektevrije overleving is gedefinieerd als overleving zonder recidief in het kleine bekken (dat is vaginatop, parametria en bekkenwand en inferior van L4-L5).

 

De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt: overleving, ziektevrije overleving, pelviene ziektevrije overleving en complicaties: percentages.  Uitkomstmaat voor (zelf gerapporteerde) kwaliteit van leven zijn kwaliteit van leven vragenlijsten. Significante verschillen werden beschouwd als klinisch relevante verschillen.

 

Zoeken en selecteren (Methode)

In de databases Medline (via OVID), Embase (via Embase.com) en de Cochrane Library (via Wiley)] is op 20 maart 2024 met relevante zoektermen gezocht naar randomised controlled trials (RCT’s) die voldoen aan de PICO. De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad Verantwoording. De literatuurzoekactie leverde 110 treffers op. Studies werden geselecteerd op grond van de volgende selectiecriteria: patiëntpopulatie voldoet aan de PICO (laag stadium en laag-risico), de interventie (radicale chirurgie versus minder radicale chirurgie) en studie opzet (RCT en systematische review). Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie vier studies (RCT’s) voorgeselecteerd. Na raadpleging van de volledige tekst, werden vervolgens twee studies geëxcludeerd (zie exclusietabel onder het tabblad Verantwoording) en twee studies definitief geselecteerd.

 

Resultaten

Twee onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse (2 RCT’s). De belangrijkste studiekarakteristieken en resultaten zijn opgenomen in de evidencetabel. De beoordeling van de individuele studieopzet (risk of bias) is opgenomen in de risk-of-biastabel.

  1. 1 - Balaya V, Guani B, Morice P, Querleu D, Fourchotte V, Leblanc E, Daraï E, Baron M, Marret H, Levêque J, Magaud L, Mathevet P, Lécuru F; SENTICOL Group. Long-term oncological safety of sentinel lymph node biopsy in early-stage cervical cancer: A post-hoc analysis of SENTICOL I and SENTICOL II cohorts.Gynecol Oncol. 2022 Jan;164(1):53-61. doi: 10.1016/j.ygyno.2021.10.074.
  2. 2 - Carneiro VCG, Batista TP, Andrade MR, Barros AV, Câmara LHLD, Ramalho NM, Lucena MA, Fontão DFS, Tancredi R, Silva Júnior TC, Bezerra ALR, Baiocchi G. Proof-of-concept randomized phase II non-inferiority trial of simple versus type B2 hysterectomy in early-stage cervical cancer 2 cm (LESSER). Int J Gynecol Cancer. 2023 Apr 3;33(4):498-503.
  3. 3 - Lecuru FR, McCormack M, Hillemanns P, Anota A, Leitao M, Mathevet P, Zweemer R, Fujiwara K, Zanagnolo V, Zahl Eriksson AG, Hudson E, Ferron G, Plante M. SENTICOL III: an international validation study of sentinel node biopsy in early cervical cancer. A GINECO, ENGOT, GCIG and multicenter study. Int J Gynecol Cancer. 2019 May;29(4):829-834. doi: 10.1136/ijgc-2019-000332. Epub 2019 Mar 20. PMID: 30898938; PMCID: PMC7445752.
  4. 4 - Pieterse QD, Kenter GG, Maas CP, de Kroon CD, Creutzberg CL, Trimbos JB, Ter Kuile MM. Self-reported sexual, bowel and bladder function in cervical cancer patients following different treatment modalities: longitudinal prospective cohort study. Int J Gynecol Cancer. 2013 Nov;23(9):1717-25.
  5. 5 - Plante M, Kwon JS, Ferguson S, Samouëlian V, Ferron G, Maulard A, de Kroon C, Van Driel W, Tidy J, Williamson K, Mahner S, Kommoss S, Goffin F, Tamussino K, Eyjólfsdóttir B, Kim JW, Gleeson N, Brotto L, Tu D, Shepherd LE; CX.5 SHAPE investigators; CX.5 SHAPE Investigators. Simple versus Radical Hysterectomy in Women with Low-Risk Cervical Cancer. N Engl J Med. 2024 Feb 29;390(9):819-829.
  6. 7 - Wu J, Logue T, Kaplan SJ, et al. Less radical surgery for early-stage cervical cancer: a systematic review. Am J Obstet Gynecol 2021;224(4):348-358.e5.

Studie referentie

Methoden

Inclusiecriteria

N (evalueerbaar)

Standaard arm

Interventie arm

uitkomsten

Carneiro (2023)

RCT (1:1)

FIGO IA2-IB1 (FIGO 2009) ≤ 2 cm in grootte, histologisch bevestigd adeno-, plaveiselcel- of adenosquameus carcinoom van de cervix, 18-70 jaar, WHO 0-2, beperkende co-morbiditeit (neurologisch, infectieus, eerdere chirurgie of bestraling van het kleine bekken). Inclusie onafhankelijk LVSI, graad en invasiediepte. Het enige exclusie criterium was ‘advanced disease ten tijde van de operatie’.

40

Pelviene klierdissectie (geen sentinel node) met radicale hysterectomie conform Querleu-Morrow type B2.

Pelviene klierdissectie (geen sentinel node) met radicale hysterectomie conform Querleu-Morrow type A.

3j DFS: 100% vs  95% (95% BI 68-99%)(p = 0.30), 5jOS 91% (95% BI 50-98%) vs 90% (95% BI 64-97%) (p = 0.46).

 

Geen verschil in EORTC-QLQ-C30.

 

Geen verschil in lengte van de ziekenhuis opname, geen verschil in % complicaties any grade (15% vs 25%, p = 0.69).

Plante (2024)

RCT (1:1)

FIGO 1A2-IB1 (FIGO 2009) ≤ 2 cm en beperkte invasiediepte (10 mm lis of conus met vrije randen OF MRI <50% stroma invasie in geval van biopt) adeno-, plaveiselcel- of adenosquameus carcinoom van de cervix. Andere histotypes, tumoren groter dan 20 mm en metastasen op pre-operatieve beeldvorming waren exclusie criteria.

700

Radicale hysterectomie (type II): 1/3e van het parametrium en  2 cm  van eht SU ligament en meest proximale 1-2 cm van de vagina in combinatie met pelviene klierdissectie (met of zonder SLNM).

Extra fasciale hysterectomie (uterus en cervix zonder parametrium) met ligeren van de a uterine medial van de ureter en maximal 0,5 cm van de proximale vagina in combinatie met pelviene klierdissectie (met of zonder SLNM).

3 jaars pelvien recidief risico: 2.17% vs 2.52% (verschil 0,35%, 95% BI; -1.62 – 2.32%).

 

OS HR 1.09 (95% BI: 0.38-3.14).

Per-operatieve complicaties: 22 (6.4%) vs 24 (7.1%), p 0.77.

 

Any adverse events < 4 week na de operatie: 174 (50.6%) vs 144 (42.6%), P 0.04.

 

Any adverse events > 4 week na de operatie: 208 (60.5%) vs 181 (53.6%), p 0.08.

 

Urine retentie < 4 week na operatie: 38 (1%) vs 2 (0.06%), p < 0.001. Urine retentie > 4 week na operatie: 34 (9.9%) vs 2 (0.06%), p < 0.001.

Risk of bias tabel

Study reference

 

(first author, publication year)

Describe method of randomisation1

Bias due to inadequate  concealment of allocation?2

 

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to inadequate blinding of participants to treatment allocation?3

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to inadequate blinding of care providers to treatment allocation?3

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to inadequate blinding of outcome assessors to treatment allocation?3

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to selective outcome reporting on basis of the results?4

 

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to loss to follow-up?5

 

 

 

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Bias due to violation of

intention to treat analysis?6

 

 

(unlikely/likely/unclear)

Carneiro (2023)

Permuted block randomization (4 patients per block) using a mobile app by the manager, outcome was transferred to surgeon by call

Unlikely

Unlikely

Unclear

Unclear

Unlikely

Unlikely

Unlikely

Plante (2024)

Webbased computerized radomisation, stratification by: group, intended use if SLNM, intended surgical approach, stage, histo type and grade)

Unlikely

Unlikely

Unclear

Unlikely

Unlikely

Unlikely

Unlikely

Exclusietabel

Referentie

Reden voor exclusie

Landoni (2011)

Onmogelijk laag-risico apart te beoordelen (ook inclusie van patiënten met tumoren groter dan 20 mm)

Chen (2018)

Onmogelijk laag-risico patiënten apart te beoordelen (ook inclusie van patiënten met tumoren groter dan 20 mm die na NACT kleiner waren dan 20 mm)

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 13-04-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 13-04-2026

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijnmodules is een gynaecologisch centrum verantwoordelijk. Voor de richtlijn cervixcarcinoom is Erasmus MC verantwoordelijk (rapport revisie gynaecologische oncologische richtlijnen april, 2018).

 

Erasmus MC zal minimaal tweejaarlijks de richtlijn toetsen aan de hand van nieuwe ontwikkelingen. Mochten er nieuwe ontwikkelingen zijn die vragen om revisie van de richtlijn zal dit eerst worden getoetst bij de CRGO (Commissie Richtlijnen Gynaecologische Oncologie), commissie kwaliteitsdocumenten en de pijler oncologie van de NVOG.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Stichting Olijf

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doelstelling
Een richtlijn is een aanbeveling ter ondersteuning van de belangrijkste knelpunten uit de dagelijkse praktijk.


Doelgroep
Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met een cervixcarcinoom.

Samenstelling werkgroep

R.G.V. Smolders (voorzitter)

Gynaecoloog-oncoloog

Erasmus MC, Rotterdam

J.A. Adam

Nucleair geneeskundige

Amsterdam UMC

J.J. Beltman

Gynaecoloog-oncoloog

LUMC, Leiden

M. Bleeker

Klinisch patholoog

Amsterdam UMC

J. Diepstraten

Contactpersoon stichting Olijf

 

P.C. Ewing

Patholoog

Erasmus MC, Rotterdam

J. Krol-Veraar

Verpleegkundig specialist

UMCU, Utrecht

C.D. de Kroon

Gynaecoloog-oncoloog

LUMC, Leiden

J.W.M. Mens

Radiotherapeut-oncoloog

Erasmus MC, Rotterdam

C.H. Mom

Gynaecoloog-oncoloog

Amsterdam UMC

A.G.T.M. Oele-Egelmeer

Radiotherapeut-oncoloog

Amsterdam UMC

P.B. Ottevanger

Internist-oncoloog

Radboud MC, Nijmegen

J.M.J. Piek

Gynaecoloog-oncoloog

Catharina Ziekenhuis, Eindhoven

M. Thomeer

Radioloog

Erasmus MC, Rotterdam

N.E. van Trommel

Gynaecoloog

Avl/NKI, Amsterdam

J.M. Tromp

Internist-oncoloog

Amsterdam UMC

G.C. Verhoef

Radiotherapeut-oncoloog

Radboud MC, Nijmegen

P.J. de Vos van Steenwijk

Gynaecoloog

MUMC, Maastricht

G.H. Westerveld

Radiotherapeut

ErasmusMC, Rotterdam

P.O. Witteveen

Internist-oncoloog

UMCU, Utrecht

R. Yigit

Gynaecoloog-oncoloog

UMCG, Groningen

P.L.M. Zusterzeel

Gynaecoloog-oncoloog

Radboud MC, Nijmegen

R.P. Zweemer

Gynaecoloog-oncoloog

UMCU, Utrecht

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door Olga van der Hel (adviseur methodologie) en Hella Hamelers (secretaresse), namens IKNL.

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van IKNL. De belangenformulieren zijn besproken binnen de betreffende werkgroep en de NVOG cie Kwaliteitsdocumenten, indien van toepassing. Geen van de belangen heeft tot een eventuele actie geleid.

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen acties

J.A. Adam

nucleair geneeskundige

J.J. Beltman

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

M.C.G. Bleeker

klinisch patholoog

• Gezondheidsraad HPV vaccinatie (onbetaald)

 

X

X

J. Diepstraten

contactpersoon stichting Olijf

-

-

-

P.C. Ewing

patholoog

X

X

X

H. W. G Hamelers-Paulus

secretaresse

X

X

x

O.L. van der Hel

Adviseur

X

X

X

J. Krol-Veraar

verpleegkundig specialist

• Visitatie lid RVS (betaald)

• Lid tumorwerkgroep gynaecologische 

   oncologie regionaal (onbetaald)

• Voorzitter tumorwerkgroep 

   gynaecologische oncologie V&VN

   (onbetaald)

X

X

J.W.M. Mens

radiotherapeut-oncoloog

X

X

X

C.H. Mom

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

A.G.T.M Oele-Egelmeer

Radiotherapeut

X

X

X

P.B. Ottevanger

internist-oncoloog

X

X

X

J.M.J. Piek

gynaecoloog-oncoloog

• Onderzoeker Radboud UMC 

   (onbezoldigd)

• J&J trainer gyn onc technieken

  • KWF onderzoeksbeurs

• Ruby en Rose onderzoeksbeurs

 

X

 

R.G.V. Smolders (voorzitter)

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

M. Thomeer

radioloog

X

X

X

N.E. van Trommel

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

J.M. Tromp

internist-oncoloog

X

X

X

C.G. Verhoef

Radiotherapeut

X

X

X

P.J. de Vos van Steenwijk

gynaecoloog

  • Lid richtlijn cervixcarcinoom
  • Lid werkgroep trofoblast tumoren
  • Lid werkgroep cervix uteri
  • Voorzitter Oncozon (Oncologisch network Zuidoost Nederland)

X

X

G.H. Westerveld

radiotherapeut

X

X

X

P.O. Witteveen

internist-oncoloog

X

X

X

R. Yigit

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

P.L.M. Zusterzeel

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

R.P. Zweemer

gynaecoloog-oncoloog

X

X

X

Inbreng patiëntenperspectief

Met Stichting Olijf heeft gedurende het ontwikkelproces contact plaatsgevonden over het patiëntperspectief. De conceptrichtlijn is voor commentaar voorgelegd aan Stichting Olijf en Patiëntenfederatie Nederland.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de modules en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

Werkwijze

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit.

 

Knelpuntenanalyse

Het gynaecologisch centrum (Erasmus MC) inventariseerde de knelpunten bij de leden van de expertgroep. Deze knelpunten zijn allemaal uitgezocht door de leden van de expertgroep.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpunten zijn door de expertgroep de definitieve uitgangsvragen vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de expertgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De leden van de expertgroep selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn opvraagbaar.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) -tabellen. De Cochrane RoB-tool werd gebruikt, dit is een gevalideerd instrument dat wordt aanbevolen door de Cochrane Collaboration.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, matig, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013). 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er  resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is matige zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De leden van de expertgroep maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen.


De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de kritieke uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)-organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

Zoekverantwoording

Zoekstrategie

(("early stage"[tw] OR "early stages"[tw] OR "low stage"[tw] OR "low stages"[tw] OR "low risk"[tw] OR "low risks"[tw] OR "low grade"[tw] OR "FIGO IA2"[tw] OR "FIGO IB"[tw] OR (("FIGO"[tw] OR "Federation of Gynecology and Obstetrics"[tw]) AND ("IA2"[tw] OR "IB"[tw] OR "1A2"[tw] OR "1B"[tw])) OR "IA2"[tw] OR "IB"[tw] OR "1A2"[tw] OR "1B"[tw]) AND ("Uterine Cervical Neoplasms"[Mesh] OR "cervical carcinoma"[tw] OR "cervical carcinomas"[tw] OR "cervical cancer"[tw] OR "cervical cancers"[tw] OR "cervical adenocarcinoma"[tw] OR "cervical adenocarcinomas"[tw] OR "cervical tumor"[tw] OR "cervical tumors"[tw] OR "cervical tumour"[tw] OR "cervical tumours"[tw] OR "cervical malignancy"[tw] OR "cervical malignancies"[tw] OR "cervical neoplasm"[tw] OR "cervical neoplasms"[tw] OR "cervix carcinoma"[tw] OR "cervix carcinomas"[tw] OR "cervix cancer"[tw] OR "cervix cancers"[tw] OR "cervix adenocarcinoma"[tw] OR "cervix adenocarcinomas"[tw] OR "cervix tumor"[tw] OR "cervix tumors"[tw] OR "cervix tumour"[tw] OR "cervix tumours"[tw] OR "cervix malignancy"[tw] OR "cervix malignancies"[tw] OR "cervix neoplasm"[tw] OR "cervix neoplasms"[tw] OR "cervical carcinoma"[title/abstract:~6] OR "cervical carcinomas"[title/abstract:~6] OR "cervical cancer"[title/abstract:~6] OR "cervical cancers"[title/abstract:~6] OR "cervical adenocarcinoma"[title/abstract:~6] OR "cervical adenocarcinomas"[title/abstract:~6] OR "cervical tumor"[title/abstract:~6] OR "cervical tumors"[title/abstract:~6] OR "cervical tumour"[title/abstract:~6] OR "cervical tumours"[title/abstract:~6] OR "cervical malignancy"[title/abstract:~6] OR "cervical malignancies"[title/abstract:~6] OR "cervical neoplasm"[title/abstract:~6] OR "cervical neoplasms"[title/abstract:~6] OR "cervix carcinoma"[title/abstract:~6] OR "cervix carcinomas"[title/abstract:~6] OR "cervix cancer"[title/abstract:~6] OR "cervix cancers"[title/abstract:~6] OR "cervix adenocarcinoma"[title/abstract:~6] OR "cervix adenocarcinomas"[title/abstract:~6] OR "cervix tumor"[title/abstract:~6] OR "cervix tumors"[title/abstract:~6] OR "cervix tumour"[title/abstract:~6] OR "cervix tumours"[title/abstract:~6] OR "cervix malignancy"[title/abstract:~6] OR "cervix malignancies"[title/abstract:~6] OR "cervix neoplasm"[title/abstract:~6] OR "cervix neoplasms"[title/abstract:~6]) AND ("simple hysterectomy"[tw] OR "simple hysterectomies"[tw] OR "simple hysterectom*"[tw] OR "simple hysterectomy"[title/abstract:~10] OR "simple hysterectomic"[title/abstract:~10]) AND ("radical hysterectomy"[tw] OR "radical hysterectomies"[tw] OR "radical hysterectom*"[tw] OR "radical hysterectomy"[title/abstract:~10] OR "radical hysterectomic"[title/abstract:~10] OR "type B2 hysterectomy"[title/abstract:~10] OR "type B2 hysterectomic"[title/abstract:~10]))

Volgende:
Adjuvante behandeling na initiele behand