Organisatie van zorg – Cerebrale en/of spinale spasticiteit bij volwassenen
Uitgangsvraag
Hoe dient de zorg voor patiënten met cerebrale en/of spinale spasticiteit georganiseerd te worden?
Aanbeveling
- Zorg voor meer aandacht in de scholing van huisartsen, paramedici en professionals in verpleeghuizen (waaronder specialisten ouderengeneeskunde) voor het herkennen en onderkennen van (de functionele gevolgen) cerebrale en/of spinale spasticiteit.
- Behandel spasticiteit alleen wanneer deze leidt tot hinderlijke symptomen of (te verwachten) negatieve functionele gevolgen.
- Formuleer bij elke behandeling minimaal één doel, zoveel mogelijk op basis van ‘shared decision making’. Informeer de patiënt en diens naasten actief, zodat zij goed kunnen meebeslissen.
- Combineer (multi-)focale behandelingen van spasticiteit (zoals BoNT-A injecties, fenolisatie of shockwave therapie) altijd met (zo mogelijk) actieve of (anders) passieve oefentherapie om de effecten op resp. actief en passief bewegingsvermogen te ondersteunen en te verlengen.
- Volg bij langdurige of herhaalde behandelingen (zoals BoNT-A injecties of intrathecale baclofen / ITB) de symptomen en de behandelrespons regelmatig in de tijd. Pas indien nodig een ‘drug holiday’ toe om de effectiviteit van de behandeling te evalueren.
- Voer bij complexe houdings- en bewegingsproblemen door spasticiteit altijd interdisciplinaire diagnostiek uit om tot een adequaat behandelplan te komen, zeker bij het overwegen van invasieve interventies.
- Voer altijd een proefbehandeling uit alvorens een definitieve ITB pomp te implanteren. Gebruik hiervoor bij ambulante patiënten bij voorkeur een externe pomp in een gespecialiseerde klinische omgeving. Bij patiënten bij wie comfort en verzorgbaarheid op de voorgrond staan, kan een single bolus op locatie voldoende zijn.
- Houd een landelijk dekkend kwaliteitsregistratiesysteem bij voor ITB patiënten, zoals DICA Neuromodulatie.
- Laat chirurgische behandelingen van de onderste extremiteit bij ambulante patiënten (meer dan een enkelvoudige ingreep aan midden- of voorvoet) voorafgaan door een 3D-gangbeeldanalyse (kinematica, kinetica, én oppervlakte EMG) in een gespecialiseerd expertisecentrum. Voer de interventie ook in dit expertisecentrum uit en evalueer deze aldaar.
- Simuleer het effect van chirurgische interventie bij voorkeur pre-operatief met een selectieve zenuwblokkade, BoNT-A injecties of mechanische manipulatie, afhankelijk van de gekozen operatietechniek.
- Richt vier tot zes landelijk erkende en geografische verspreide expertisecentra in voor de chirurgische behandeling van spasticiteit (zowel voor de bovenste als de onderste extremiteit) die beschikken over de noodzakelijke geïnstrumenteerde diagnostiek, behandelexpertise, en met de capaciteit om wetenschappelijk onderzoek te verrichten.
Overwegingen
Behandelkeuze
Een aantal overwegingen is van belang bij het selecteren van een voor het individu geschikte behandeling van spasticiteit:
- Behandelindicatie: Is de spasticiteit problematisch, d.w.z. wordt deze als hinderlijk ervaren, zijn er negatieve secundaire functionele gevolgen, of kunnen deze op termijn worden verwacht?
- Behandeldoel: Wat is het niveau van functioneren van de patiënt en wat is zijn/haar doel?
- Verdeling van spasticiteit over het lichaam: Is de spasticiteit focaal, multi-focaal of gegeneraliseerd?
- Patiëntvoorkeuren: Wat zijn de voorkeuren van de patiënt en/of naaste(n) ten aanzien van de beschikbare behandelmethoden?
1. Behandelindicatie
Het advies is om in beginsel alleen te behandelen indien de spasticiteit als problematisch wordt ervaren. Behandeling wordt pas gestart als een van de hierboven onder 1. genoemde vragen positief kan worden beantwoord, en nadat is vastgesteld dat er geen behandelbare uitlokkende factoren zijn (zie module Voorkomen spasticiteit-verhogende factoren).
2. Behandeldoel
Het niveau van functioneren bepaalt in grote mate het doel van de behandeling. Dit varieert van het verbeteren van de verzorgbaarheid en ADL (passieve domein) tot het optimaliseren van functionele mogelijkheden en zelfstandigheid (het actieve domein). Het is essentieel om samen met patiënt en/of naaste(n) tenminste één behandeldoel te formuleren en een geschikt meetinstrument te kiezen (zie module Evaluatie van Spasticiteit). Bij spasticiteit van de bovenste extremiteit is het van belang om nauwkeurig vast te stellen in welke mate deze nog functioneel inzetbaar is en hiermee bij keuze, doel en evaluatie van behandeling rekening te houden. Ga bij de onderste extremiteit in beginsel altijd uit van functionele inzetbaarheid, ook al is deze soms minimaal (b.v. ten behoeve van belasten tijdens transfers of het positioneren van voet / schoen op de voetplaat van een rolstoel).
3. De verdeling van spasticiteit over het lichaam
De behandelkeuze wordt mede bepaald door de lokalisatie van spasticiteit (focaal, multi-focaal of gegeneraliseerd) en de ernst ervan. In onderstaande tabel 1 wordt een indicatief overzicht gegeven.
Overzicht behandelstrategieën
- Gegeneraliseerde spasticiteit: (in twee of meer lichaamssegmenten, bijvoorbeeld in vrijwel alle spiergroepen van beide benen of in die van een arm en een been), komt in de eerste plaats systemische behandeling in aanmerking, zoals orale spasmolytica of intrathecale baclofen therapie (ITB). Bij milde tot matig ernstige spasticiteit volstaat vaak orale medicatie. In ernstigere gevallen krijgt ITB de voorkeur, vanwege de bijwerkingen van orale spasmolytica.
- Bij focale (één spier of spiergroep, bijvoorbeeld de vingerflexoren) of multifocale spasticiteit (meerdere spiergroepen, bijvoorbeeld vinger- en elleboogflexoren, of beide kuitspieren) zijn intramusculaire botulinetoxine injecties (BoNT-A) of selectieve zenuwblokkades met fenol (fenolisatie) de eerste keus. Deze interventies dienen altijd gecombineerd te worden met (zo mogelijk) actieve of passieve oefentherapie (zie Oefentherapie [link] en Botulinetoxine [link]) om het effect van de neuro(musculaire) blokkade op actief en/of passief beweegvermogen te ondersteunen en te verlengen. Als aanvullende behandeling kunnen neuromusculaire elektrostimulatie (NMES) of transcutane elektro-neurostimulatie (TENS) worden ingezet.
Als alternatief voor invasieve behandelingen kan extracorporele shockwave therapie (ESWT) worden overwogen. De keuze tussen invasieve behandeling en ESWT hangt vaak samen met patiëntvoorkeur, ervaring en praktische overwegingen zoals beschikbaarheid van expertise en middelen. Ook bij ESWT is het essentieel deze te combineren met actieve en/of passieve oefentherapie (zie module Oefentherapie en module Extracorporele shockwave therapie).
Indien (multi-)focale behandelingen onvoldoende effect geven of langdurig herhaald moeten worden met toenemende praktische bezwaren of verminderde effectiviteit, kan een chirurgische aanpak overwogen worden (zie module Chirurgische interventies). Omdat chirurgische ingrepen irreversibel zijn, wordt bij voorkeur vooraf een simulatie uitgevoerd met behulp van (multi-)focale neuro(musculaire) blokkades. In geval van (zeer) ernstige spasticiteit met dwangstand in een of meer gewrichten kan chirurgie zelfs een eerste keus behandeling zijn.
Tabel 1. Overzicht van behandelmethoden in relatie tot ernst en verdeling van spasticiteit
|
Ernst |
Verdeling |
Behandeling |
|||||
|
Orale medicatie |
ITB |
BoNT-A / fenol |
NMES/TENS |
ESWT |
Chirurgisch |
||
|
Mild |
Focaal |
|
|
+ |
adj |
+ |
+ |
|
Gegeneraliseerd |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
Matig |
Focaal |
|
|
++ |
adj |
++ |
+ |
|
Gegeneraliseerd |
++ |
+ |
|
|
|
|
|
|
Ernstig |
Focaal |
|
|
++ |
adj |
++ |
++ |
|
Gegeneraliseerd |
+ |
++ |
|
|
|
|
|
ITB: intrathecale baclofen therapie; BoNT-A: intramusculaire botulinetoxine type A injecties; fenol: fenolisatie van zenuw; NMES: neuromusculaire elektrostimulatie; TENS: transcutane elektro-neurostimulatie; ESWT: extracorporele shockwave therapie; chirurgisch: focale orthopedische, plastisch chirurgische en/of neurochirurgische chirurgie; adj: adjuvante (ondersteunende) behandeling; ++ = goede behandeloptie, + = mogelijke behandeloptie, ± = incidentele behandeloptie
In de praktijk komt het regelmatig voor dat patiënten die systemisch behandeld worden toch hinder ondervinden van een focaal probleem, b.v. een kuitclonus of een ‘clenched fist’. In dergelijke gevallen kan men systemische behandeling combineren met een geschikte focale behandeling, zoals fenolisatie, BoNT-A injectie of een chirurgische interventie.
4. Patiëntvoorkeuren
Het is van belang dat de patiënt en/of naaste(n) betrokken worden bij de behandelkeuze, nadat de behandelaar / het behandelteam de mogelijkheden heeft benoemd en hierover voldoende informatie heeft gegeven. Er dient te worden gestreefd naar ‘shared decision making’ en het gezamenlijk stellen van behandeldoelen. Het is primair de rol van de behandelaar / het behandelteam om, naast een goede anamnese en klinisch onderzoek, aan de patiënt en zijn/haar naaste(n) informatie te verstrekken over spasticiteit, de verwachte gevolgen, en de behandelmogelijkheden inclusief de voor- en nadelen van de behandelopties. Voor direct betrokkenen kunnen bij het vaststellen van een behandelkeuze of behandeldoel andere overwegingen een rol spelen dan voor professional(s). Deze overwegingen zijn dikwijls niet medisch-inhoudelijk van aard, maar gerelateerd aan persoonlijke, omgevingsgebonden of culturele factoren. Hiermee moet maximaal rekening worden gehouden.
Plaats van invasieve en chirurgische behandelingen
Het is niet langer noodzakelijk om altijd eerst niet-invasieve opties te proberen voordat invasieve behandelmethoden (bijv. BoNT-A injecties of ITB) worden ingezet.
Chirurgische ingrepen kunnen in sommige gevallen zelfs eerste keus zijn, zeker bij structurele dwangstanden. Daarnaast kunnen chirurgische opties soms ook deformiteiten op termijn voorkomen. Simulatie van het verwachte effect is hierbij wenselijk, bijvoorbeeld via:
- Bij neurochirurgische interventie (selectieve neurectomie) kan dit middels selectieve blokkade van de te opereren zenuwtak, gebruikmakend van een langwerkend lokaal anestheticum (bijv. bupivacaïne).
- Bij orthopedische interventie kan dit door BoNT-A in de betreffende spiergroep, een hakverhoging (in geval van beoogde Achillespeesverlenging) of een uitwendige stabilisatie / gipsimmobilisatie van een gewricht (in geval van beoogde artrodese) (zie ook module Chirurgische interventies).
Indien mogelijk worden deze simulatie-effecten bij de onderste extremiteit bij voorkeur vastgelegd middels een vorm van geïnstrumenteerde gangbeeldanalyse.
Evaluatie en bijstelling van behandeling in de tijd
De effecten van een eerder ingestelde behandeling moeten zoveel mogelijk in de tijd worden gemonitord en wanneer nodig moeten alternatieven worden overwogen en besproken. Bij langdurige behandeling met orale medicatie of herhaalde BoNT-A injecties kan een tijdelijke afbouw nuttig zijn om te toetsen of er nog steeds sprake is van zinvolle behandeling.
Ook moet de behandelaar / het behandelteam met voldoende regelmaat oog hebben voor een veranderende ernst, aard of wellicht zelfs oorzaak van de spasticiteit, b.v. samenhangend met een hogere leeftijd (zie module Invloed van tijd op (behandeling van spasticiteit) of met zich ontwikkelende co-morbiditeit. Dit kan niet alleen aan de ‘eigen regie’ van patiënten worden overgelaten.
Toegankelijkheid en beschikbaarheid van diagnostiek en behandeling
Een deel van de voorgestelde diagnostische en behandelmethoden valt binnen de reguliere klinische praktijk en is algemeen beschikbaar via vrijwel elke betrokken arts. Dit betreft o.a. het uitvoeren van lichamelijk en functioneel onderzoek, en het voorschrijven van orale medicatie, shockwave therapie en/of aanvullende oefentherapie. Bij twijfel over de aanwezigheid van (problematische) spasticiteit of over de meest geschikte behandelaanpak is het raadzaam om contact op te nemen met een revalidatiearts voor overleg, of indien nodig, verwijzing.
Voor enkele behandelingen en diagnostische procedures is specifieke expertise en toegang tot gespecialiseerde middelen vereist. Deze betreffen onder andere:
- op het gebied van diagnostiek:
- interdisciplinaire diagnostiek
- geïnstrumenteerde gangbeeldanalyse
- dynamische polymyografie (EMG) van de bovenste extremiteit
- op het gebied van invasieve, reversibele behandeling met een tijdelijk karakter:
- intramusculaire BoNT-A injecties
- perifere zenuwblokkade middels fenolisatie
- op het gebied van invasieve behandeling met een langdurig of irreversibel karakter:
- intrathecale baclofen (ITB) therapie
- orthopedische, plastisch chirurgische en/of neurochirurgische interventies.
1. Diagnostiek
Bij complexe houdings- en bewegingsproblematiek gerelateerd aan spasticiteit is interdisciplinaire diagnostiek een voorwaarde voor het maken van een goed behandelplan, zeker wanneer een invasieve behandeling wordt overwogen. Bij problemen van de onderste extremiteit is, naast de behandelend arts, de expertise van minimaal een fysiotherapeut gewenst. Bij problematiek van de bovenste extremiteit geldt dit voor een ergotherapeut of handtherapeut. Deze paramedici beschikken bij voorkeur over specifieke expertise in de functionele diagnostiek en behandeling van mensen met centraal neurologische aandoeningen.
- Bovenste extremiteit: Voor de focale behandeling van een functioneel inzetbare bovenste extremiteit is het waardevol om gebruik te maken van dynamische polymyografie, minimaal bestaande uit 2D-video opnames in combinatie met oppervlakte-EMG.
- Onderste extremiteit: Bij patiënten met residuele loopvaardigheid heeft het de voorkeur om focale spasticiteitsbehandeling van de onderste extremiteit mede te baseren op geïnstrumenteerde gangbeeldanalyse. Minimaal omvat dit een analyse met 2D-kinematica en oppervlakte-EMG. Een 3D-gangbeeldanalyse is essentieel voor een verantwoorde indicatiestelling en effectevaluatie van chirurgische ingrepen. De benodigde kennis en vaardigheden voor het verwijzen naar en verrichten van 3D-gangbeeldanalyse kan sinds enkele jaren worden opgedaan in de Verdiepingscursus Gangbeeldanalyse, welke gezamenlijk wordt verzorgd door Roessingh Research & Development, Radboudumc en de Sint Maartenskliniek (https://www.rrd.nl/verdiepingscursus-gangbeeldanalyse/). N.B. Gangbeeldanalyse heeft relatief beperkte waarde indien voorgenomen operaties beperkt blijven tot de midden- en voorvoet, zoals een oprichtingsosteotomie van de eerste straal bij een holvoet of een tenotomie van spastische teenflexoren.
2. Invasieve, reversibele behandeling met tijdelijk karakter
Voor het veilig en effectief toepassen van BoNT-A injecties of zenuwblokkades met fenol is een nauwkeurige lokalisatietechniek noodzakelijk:
- echografie is de voorkeursmethode;
- elektrostimulatie is een bruikbaar alternatief;
- bij zenuwblokkades wordt een combinatie van beide aanbevolen.
Niet alleen de beschikbaarheid van apparatuur, maart ook scholing en ervaring met dergelijke apparatuur en behandeling is van belang. In Nederland bestaat hiervoor de POBOT-training, georganiseerd door Boerhaave Nascholing in samenwerking met farmaceutische bedrijven en een echografieproducent. Deze training omvat:
- een basistraining van drie dagen, en
- drie vervolgdagen, gericht op de bovenste en onderste extremiteit en op kinderen.
Meer informatie is beschikbaar via: https://www.boerhaavenascholing.nl/medische-nascholing/
Invasieve behandelingen van spasticiteit moeten ook aan een aantal logistieke voorwaarden voldoen. Ze vinden bij voorkeur plaats in een ruime, goed uitgeruste behandelkamer met een verstelbare behandeltafel. Deze omgeving dient te voldoen aan de voorwaarden voor aseptisch en efficiënt werken om risico’s en belasting voor de patiënt te minimaliseren. Assistentie van een ervaren verpleegkundige of polikliniek-assistent is noodzakelijk ten behoeve van:
- fysieke hulp en begeleiding van de patiënt voor, tijdens en na de behandeling;
- voorbereiding van de medicatie en het toepassen van het vier-ogenprincipe bij controle van dosering en concentratie van injectievloeistof
- bediening van de apparatuur;
- hanteren van de injectiespuit tijdens de behandeling.
Bij BoNT-A injecties verdient het aanbeveling om te beschikken over meer dan één type botulinetoxine, aangezien er sprake kan zijn van specifieke intolerantie of verlaagde werkzaamheid ten aanzien van een bepaald product bij individuele patiënten.
Zoals eerder beschreven in de paragraaf “Behandelkeuze” (zie extracorporele shockwave therapie [link]) is extracorporele shockwave therapie (ESWT) een alternatief voor invasieve neuro(musculaire) blokkade. Hoewel de wetenschappelijke onderbouwing van ESWT nog beperkt is, kan de methode in specifieke situaties een passende keuze zijn. Bij de afweging tussen ESWT en invasieve technieken spelen meerdere factoren een rol, waaronder:
- patiëntvoorkeur en eerdere patiëntervaring;
- toegankelijkheid van zorg en beschikbaarheid van middelen;
- beschikbare expertise en behandelervaring.
Een belangrijk voordeel van ESWT boven neuro(musculaire) blokkade is het dat deze behandeling kan worden uitgevoerd door fysiotherapeuten in de eerstelijnszorg en in verpleeghuizen, mits zij de juiste ervaring hebben. Op dit moment bestaat hiervoor echter nog geen landelijke scholing.
Ook is de ervaring met de toepassing van ESWT in verpleeghuizen nog gering. Hoewel de techniek niet invasief is, kan zij bij bepaalde patiëntengroepen – zoals bij geriatrische patiënten of multifocale toepassingen – alsnog als belastend worden ervaren door de combinatie van hoog-energetische drukgolven en relatief hard geluid. Ook dient de therapie minimaal drie keer achtereen in enkele opeenvolgende weken te worden toegepast, hetgeen een substantiële belasting kan zijn voor de beschikbare fysiotherapie. Hoewel bijwerkingen zelden worden gerapporteerd, is de kennis hierover, met name bij oudere patiënten, nog beperkt. Mogelijke bijwerkingen zijn onder andere petechiën, pijn, en huidschade (vooral bij ouderen, zie Zhang et al 2022). In de literatuur worden verder lokale tumoren, lokale infecties, en gebruik van orale antistolling als relatieve contra-indicaties gezien. In dergelijke gevallen moet altijd worden overlegd met een behandelend specialist of huisarts. Bij de indicatiestelling voor ESWT dient hiermee nadrukkelijk rekening te worden gehouden.
3. Invasieve behandeling met een langdurig of irreversibel karakter
Bij sommige patiënten is een langdurige of meer definitieve oplossing voor spasticiteit nodig, bijvoorbeeld wanneer andere behandelingen onvoldoende effect hebben of niet (meer) toepasbaar zijn. In dergelijke gevallen komen intrathecale baclofen (ITB) therapie) en chirurgische behandelingen in aanmerking.
ITB behandeling
ITB behandeling is een behandeling met laag volume en hoge complexiiteit, die gepaard gaat met het risico op potentieel ernstige bijwerkingen. Daarom is het van groot belang dat zowel de indicatiestelling als uitvoering interdisciplinair plaatsvinden. Afhankelijk van de doelgroep zijn hierbij verschillende specialismen betrokken, waaronder anesthesiologen, neurochirurgen, revalidatieartsen, fysiotherapeuten, neurologen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen voor verstandelijk gehandicapten.
In Nederland maken momenteel ca. 1200 patiënten gebruik van ITB therapie. Jaarlijks worden ongeveer ca. 250 pompen geïmplanteerd. Dit betreft zowel nieuwe implantaties als vervangingen, aangezien pompen na ca. zeven jaar aan vervanging toe zijn. Ondanks deze aantallen wijzen publicaties en praktijkervaring (o.a. Erwin 2011, Meijer 2017) erop dat er nog steeds sprake is van onderbehandeling, met name bij patiënten voor wie vervoer naar een ziekenhuis te belastend is.
De ITB-zorg in Nederland is in de afgelopen sterk geconcentreerd. In 2025 zijn er nog zes centra waar implantaties plaatsvinden, te weten het ErasmusMC, Radboudumc, Medisch Spectrum Twente (MST), Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis (ETZ), AmsterdamUMC en MUMC+. De centra in Amsterdam en Maastricht behandelen ook kinderen met ernstige spasticiteit. Alle genoemde centra beschouwen ITB-therapie als een speerpunt binnen hun zorgaanbod. Zij bieden 24/7 bereikbaarheid van zorg in acute situaties die poliklinisch niet opgelost kunnen worden. De troubleshooting voldoet aan internationale standaarden. Daarnaast participeren deze centra in wetenschappelijk onderzoek gericht op verdere ontwikkeling van de ITB-zorg.
De gehele ITB-zorgketen – van indicatiestelling tot nazorg – is inmiddels goed op elkaar afgestemd en geprotocolleerd. Het is ook patiëntvriendelijker geworden. De indicatiestelling vindt interdisciplinair plaats en wordt besproken in regionale overleggen. De ambulante nazorgkliniek Care4homecare speelt hierin een belangrijke rol. Deze organisatie ondersteunt bij de indicatiestelling op locatie, b.v. in verpleeghuizen of instellingen waar de ernstig beperkte patiënten meestal verblijven. Daarnaast verzorgt Care4homecare, als resultaat van een zorginnovatietraject, voor een groot deel van de Nederlandse ITB-patiënten, nazorg op locatie. Dit gebeurt door een deskundig en specifiek opgeleid medisch team dat fungeert als regiebehandelaar en de samenwerking binnen de zorgketen coördineert (Goslinga van der Gaas, 2019). Care4homecare is tevens het eerste aanspreekpunt voor extramurale troubleshooting. Het team is 24/7 bereikbaar en kan in veel gevallen behandeling in de thuissituatie bieden, waarmee onnodige belasting van de klinische centra wordt voorkomen.
Onder leiding van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, sectie pijnbestrijding, is binnen Neuromodulatie Nederland gewerkt aan de implementatie van een landelijk kwaliteitssysteem DICA Neuromodulatie. Vanaf 2016 zal de volledige zorgketen – van indicatiestelling en implantatie tot nazorg en complicaties – structureel worden geregistreerd, waarmee de kwaliteit, veiligheid en transparantie van de ITB-zorg verder worden versterkt.
Orthopedische, plastisch chirurgische en/of neurochirurgische interventies
Ook voor chirurgische behandeling van spasticiteit geldt dat er sprake is van zorg met een relatief laag volume en een hoge complexiteit, die interdisciplinair moet worden geïndiceerd, uitgevoerd en geëvalueerd. Gezien het onomkeerbare karakter van chirurgische ingrepen, is extra zorgvuldigheid geboden. De functionele en technische aspecten die een rol spelen bij chirurgische behandeling zijn divers en complex, waardoor het risico bestaat dat essentiële zaken over het hoofd worden gezien of onjuist worden beoordeeld. Voorbeelden van potentieel suboptimale besluitvorming zijn:
- het uitvoeren van een tenotomie waar een ‘doseerbare’ peesverlenging beter was geweest voor het behoud van musculaire balans over een bepaald gewricht;
- een te rigoreus uitgevoerde of verkeerd geïndiceerde Achillespeesverlenging, die kan leiden tot knie-instabiliteit en verlies van afzetkracht tijdens het lopen;
- het niet meenemen van de voorvoet en tenen bij een behandeling puur gericht op balansherstel rond de gewrichten van de achtervoet.
Om dergelijke risico’s te minimaliseren en de kwaliteit van zorg te waarborgen, is het noodzakelijk dat de chirurgische behandeling van spasticiteit wordt geconcentreerd in een beperkt aantal gespecialiseerde behandelcentra, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen zorg voor de bovenste en/of onderste extremiteit. Alleen op deze wijze kan aldaar de benodigde expertise verder ontwikkelen, kan gezamenlijk wetenschappelijke onderzoek worden verricht, en kunnen op basis daarvan richtlijnen worden aangescherpt. Een landelijke spreiding van circa vier tot zes expertisecentra per (bovenste/onderste) extremiteit lijkt adequaat: groot genoeg om de zorgvraag op te vangen, maar voldoende beperkt om de benodigde concentratie van expertise, ervaring en wetenschappelijk onderzoek te waarborgen. Binnen deze centra kunnen:
- richtlijnen en protocollen verder worden ontwikkeld en aangescherpt;
- interdisciplinaire samenwerkingen optimaal plaatsvinden;
- innovatie en kwaliteitsverbetering via wetenschappelijke registratie en uitwisseling (zoals een landelijke database) structureel worden ondersteund.
Deze concentratie van zorg sluit aan bij de uitgangspunten van het Integraal Zorgakkoord (IZA) en is bovendien van belang om op de langere termijn de beschikbaarheid en vergoeding van hoogwaardige chirurgische spasticiteitszorg veilig te stellen.
Aanvullende overwegingen bij spasticiteitszorg
Spasticiteit wordt bij volwassenen nog regelmatig onvoldoende herkend en behandeld, vooral wanneer zij niet (meer) onder medisch-specialistische behandeling of begeleiding vallen. Eén van de belangrijkste oorzaken hiervan is een gebrekkige herkenning van symptomen en onderkenning van de gevolgen van spasticiteit. Scholing van huisartsen, paramedici en professionals werkzaam in de langdurige zorg (zoals specialisten ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialisten, physician assistants en paramedici) is daarom essentieel.
Interdisciplinair overleg in de eerste lijn
Wanneer spasticiteit wordt vastgesteld, is het raadzaam dat huisartsen patiënten kunnen bespreken in een interdisciplinair overleg in de 1e lijn, bijvoorbeeld samen met een fysiotherapeut en/of een ergotherapeut. Milde vormen van spasticiteit kunnen vaak goed worden beoordeeld en behandeld in de eerste lijn met een combinatie van orale medicatie, oefentherapie, en eventueel ESWT. Bij ernstigere vormen van spasticiteit is verwijzing naar de 2e of 3e lijn aangewezen.
De rol van de revalidatiearts
Voor verwijzers in de eerste lijn is het niet altijd duidelijk welke specialist het beste kan worden geraadpleegd bij complexe spasticiteitsklachten. In Nederland is de revalidatiearts, met expertise in neurologische aandoeningen, de beste ingang voor verwijzing vanuit de 1e lijn. Deze heeft toegang tot een interdisciplinair team in de 2e of 3e lijn en kent tevens de indicaties en verwijslijnen voor hoog-specialistische behandelingen zoals ITB en chirurgische interventies. Omgekeerd is het aan te bevelen om vanuit de verschillende expertisecentra de relatie met de brede groep neurologisch georiënteerde revalidatieartsen te onderhouden en te versterken, zodat vanuit deze groep de verbinding met de eerste lijn kan worden geborgd.
De rol van de specialist ouderengeneeskunde
Bij kwetsbare ouderen ligt het vaak meer voor de hand om primair advies te vragen aan een specialist ouderengeneeskunde, b.v. door deze in de 1e lijn te consulteren. Deze kan dan meedenken en -beslissen over behandelmogelijkheden in de 1e lijn en over eventuele verwijzing naar 2e of 3e lijn.
Zorg in het verpleeghuis
Hoewel verwijzing naar de tweede of derdelijnszorg voor bewoners van verpleeghuizen mogelijk is, is dit in de praktijk lang niet altijd gewenst of haalbaar. Om passende zorg op locatie te kunnen bieden verdient het dan ook aanbeveling dat verpleeghuizen kunnen beschikken over een consulent revalidatiearts. Deze kan de specialist ouderengeneeskunde ondersteunen bij de functionele diagnostiek en indicatiestelling voor behandeling van spasticiteit. Voor het realiseren van deze samenwerkingsvorm is commitment van beide partijen noodzakelijk: zowel van het verpleeghuis als van het betrokken revalidatiecentrum (dan wel ziekenhuis met revalidatieafdeling). Idealiter maakt deze samenwerking het mogelijk om ook binnen het verpleeghuis focale neuromusculaire blokkades met botulinetoxine (BoNT-A) of fenolisatie uit te voeren, zodat bewoners hoogwaardige doelgericht behandeling kunnen ontvangen zonder onnodige belasting door vervoer.
Aandacht voor bijkomende problemen
Niet zelden hebben patiënten met cerebrale e/o spinale spasticiteit ook problemen met spreken, slikken, en op gewicht blijven. In dergelijke gevallen is consultatie door een neurologische geschoolde logopedist e/o diëtist in 1e, 2e of 3e lijn aangewezen.
Waarden en voorkeuren van patiënten
Behandelaars dienen zich bewust te zijn van het feit dat een patiënt spasticiteit doorgaans als hinderlijk of ongewenst zal ervaren. Een belangrijke rol van de behandelaar is daarom, naast het verrichten van een zorgvuldige anamnese en klinisch onderzoek, het bieden van heldere en begrijpelijke voorlichting aan de patiënt en zijn/haar naaste(n) dan wel wettelijk vertegenwoordiger. Deze voorlichting moet betrekking hebben op: het verschijnsel spasticiteit, de functionele gevolgen, en de behandelmogelijkheden. Het formuleren van gezamenlijke behandeldoelen is daarbij cruciaal. Hiervoor kunnen formele instrumenten worden ingezet, zoals Goal Attainment Scaling en andere vormen van klinimetrie (zie module Evaluatie van spasticiteit). Het gebruik van dergelijke instrumenten helpt om ook op lange termijn de doelen en resultaten voor alle partijen inzichtelijk en toetsbaar te houden.
Bij behandelingen die periodiek herhaald worden, zoals BoNT-A injecties, bestaat het risico dat de cyclus van doelen stellen, behandelen, evalueren, en bijstellen van doelen gemakkelijk worden verwaarloosd. Om die reden is het wenselijk dat deze informatie wordt bijgehouden in een monitoringsysteem. Om de patiëntgerichtheid van de zorg te verbeteren, zou het wenselijk zijn als de patiënt en/of diens naaste(n) zelf een belangrijke rol zouden kunnen spelen bij deze monitoring. Dit zal ook de doelmatigheid van de behandeling ten goede komen (Kerstens, 2023; zie ook module Evaluatie van spasticiteit).
Vooral bij patiënten met bijkomende cognitieve stoornissen moet men er rekening mee houden dat het stellen en evalueren van realistische doelen en verwachtingen moeilijk is. Ook het bepalen van de feitelijke hinder van de spasticiteit kan dan lastig zijn. In deze gevallen moeten de direct naasten intensief bij de behandeling worden betrokken wil deze zinvol kunnen zijn. In het geval van (gedeeltelijke) wilsonbekwaamheid moeten vooral bij invasieve behandeling de mogelijke baat versus belasting en risico’s extra zorgvuldig worden afgewogen.
Kosten (middelenbeslag)
Kostenaspecten van de diverse diagnostische en behandelmethoden zijn in de individuele modulen al aan de orde gesteld, soms ook in vergelijkende zin. Een algemeen punt van spasticiteitsbehandeling betreft het voorkómen van contracturen. Spasticiteit is een van de belangrijkste risicofactoren voor de ontwikkeling van contracturen bij neurologische patiënten. Het onvoldoende behandelen / verminderen van spasticiteit zal daarom leiden tot meer en ernstiger contracturen. Deze hebben vaak een zeer grote impact op actieve- en passieve vaardigheden. Verwaarlozing van het toegenomen risico op contracturen door onvoldoende kennis en/of behandeling van spasticiteit zal daarom waarschijnlijk hogere kosten met zich meebrengen dan de behandeling van de spasticiteit zelf, ongeacht de methode van behandeling.
Het verder inrichten van de netwerken rondom de kennis en behandeling van spasticiteit kan een positieve bijdrage geven aan de totale kosten betreffende spasticiteit in Nederland. De expertisecentra kunnen daarin een ondersteunende rol bieden.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
Veel van de adviezen gegeven in deze module en deze richtlijn kunnen direct in de praktijk worden geïmplementeerd. Er is echter een aantal punten waarvoor aanpassingen aan de zorgorganisatie nodig zijn. Deze betreffen:
- Consultatiefunctie van revalidatiearts in verpleeghuizen
- Consultatiefunctie van specialist ouderengeneeskunde in de eerste lijn
- Beschikbaarheid van focale neuro(musculaire) blokkade in verpleeghuizen
- Erkenning van landelijke ITB expertisecentra
- Ontwikkeling en erkenning van landelijke chirurgische expertisecentra
Rationale van de aanbevelingen
De hierboven gegeven adviezen zijn – daar waar aangegeven – gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast zijn ze gebaseerd op knelpunten zoals verwoord door geraadpleegde stakeholders alsook op klinische ervaringen van en consensus tussen werkgroepleden.
Onderbouwing
Achtergrond
Wanneer een volwassen patiënt met een Upper Motor Neuron syndroom ten gevolge van cerebraal en/of spinaal letsel zich presenteert met spasticiteit, beschikt de behandelaar over een breed scala aan diagnostische methoden en behandelingen. De diverse behandelmogelijkheden zijn in de voorgaande modules uitvoerig aan bod gekomen, maar wel hoofdzakelijk vanuit het perspectief van één behandelmethode. In de praktijk worden patiënten met cerebrale en/of spinale spasticiteit echter vaak behandeld met een combinatie van verschillende methoden. Deze module biedt praktische handvatten voor het selecteren en evalueren van de juiste behandelmethode, afgestemd op de individuele patiënt. Daarnaast wordt stilgestaan bij de actuele en gewenste toegankelijkheid en beschikbaarheid van behandelmethoden in Nederland.
Samenvatting literatuur
Voor het schrijven van deze module werd een narratieve insteek genomen, en gebruik gemaakt van de overige modules van deze richtlijn.
Zoeken en selecteren
This module focuses on organization of care based on the other modules of the guideline. Due to the context-specificity of healthcare organization, no literature search was conducted.
Referenties
- Albright AL, Gilmartin R, Swift D, Krach LE, Ivanhoe CB, McLaughlin JF. Long-term intrathecal baclofen therapy for severe spasticity of cerebral origin. J Neurosurg. 2003 Feb;98(2):291-5.
- Andringa A, Meskers C, van de Port I, van Wegen E, Kwakkel G. Time Course of Wrist Hyper-Resistance in Relation to Upper Limb Motor Recovery Early Post Stroke. Neurorehabil Neural Repair. 2020 Aug;34(8):690-701.
- Azouvi P, Mane M, Thiebaut JB, Denys P, Remy-Neris O, Bussel B. Intrathecal baclofen administration for control of severe spinal spasticity: functional improvement and long-term follow-up. Arch Phys Med Rehabil. 1996 Jan;77(1):35-9.
- Battaglia M, Borg MB, Loro A, Cosenza L, Scotti L, Picelli A, Filippetti M, Bertoni M, Spina S, Santamato A, Carda S, Baricich A. Post-stroke spasticity: follow-up and functional implications of chronic long-term treatment with botulinum toxin. Eur J Phys Rehabil Med. 2024 Aug;60(4):581-590.
- Carda S, Cisari C, Invernizzi M. Sarcopenia or muscle modifications in neurologic diseases: a lexical or pathophysiological difference? Eur J Phys Rehabil Med. 2013 Feb;49(1):119-30. PMID: 23575206.
- Chung SG, Van Rey EM, Bai Z, Rogers MW, Roth EJ, Zhang LQ. Aging-related neuromuscular changes characterized by tendon reflex system properties. Arch Phys Med Rehabil. 2005 Feb;86(2):318-27. doi: 10.1016/j.apmr.2004.04.048. PMID: 15706561.
- Coffey JR, Cahill D, Steers W, Park TS, Ordia J, Meythaler J, Herman R, Shetter AG, Levy R, Gill B, et al. Intrathecal baclofen for intractable spasticity of spinal origin: results of a long-term multicenter study. J Neurosurg. 1993 Feb;78(2):226-32.
- Dhillon RJ, Hasni S. Pathogenesis and Management of Sarcopenia. Clin Geriatr Med. 2017 Feb;33(1):17-26. doi: 10.1016/j.cger.2016.08.002. PMID: 27886695; PMCID: PMC5127276.
- Draulans N, Vermeersch K, Degraeuwe B, Meurrens T, Peers K, Nuttin B, Kiekens C. Intrathecal baclofen in multiple sclerosis and spinal cord injury: complications and long-term dosage evolution. Clin Rehabil. 2013 Dec;27(12):1137-43.
- Fellows SJ, Ross HF, Thilmann AF. The limitations of the tendon jerk as a marker of pathological stretch reflex activity in human spasticity. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 1993 May;56(5):531-7. doi: 10.1136/jnnp.56.5.531. PMID: 8505646; PMCID: PMC1015014.
- Goslinga-van der Gaag SME, Delhaas EM, Frankema SPG, Huygen FJPM. Efficiency and Safety of Aftercare With Intrathecal Baclofen on Location. Neuromodulation. 2019 Oct;22(7):828-833. doi: 10.1111/ner.13038. Epub 2019 Aug 18.PMID: 31423696.
- Gill CE, Hacker ML, Meystedt J, Turchan M, Schnelle JF, Simmons SF, Habermann R, Phibbs FT, Charles D. Prevalence of Spasticity in Nursing Home Residents. J Am Med Dir Assoc. 2020 Aug;21(8):1157-1160. doi: 10.1016/j.jamda.2020.01.005.
- de Gooijer-van de Groep KL, de Groot JH, van der Krogt H, de Vlugt E, Arendzen JH, Meskers CGM. Early Shortening of Wrist Flexor Muscles Coincides With Poor Recovery After Stroke. Neurorehabil Neural Repair. 2018 Jun;32(6-7):645-654.
- Haisma JA, van der Woude LH, Stam HJ, Bergen MP, Sluis TA, Post MW, Bussmann JB. Complications following spinal cord injury: occurrence and risk factors in a longitudinal study during and after inpatient rehabilitation. J Rehabil Med. 2007 May;39(5):393-8. doi: 10.2340/16501977-0067. PMID: 17549331.
- Hitzig SL, Tonack M, Campbell KA, McGillivray CF, Boschen KA, Richards K, Craven BC. Secondary health complications in an aging Canadian spinal cord injury sample. Am J Phys Med Rehabil. 2008 Jul;87(7):545-55. doi: 10.1097/PHM.0b013e31817c16d6. PMID: 18574346.
- Jensen MP, Truitt AR, Schomer KG, Yorkston KM, Baylor C, Molton IR. Frequency and age effects of secondary health conditions in individuals with spinal cord injury: a scoping review. Spinal Cord. 2013 Dec;51(12):882-92.
- Kawano O, Masuda M, Takao T, Sakai H, Morishita Y, Hayashi T, Ueta T, Maeda T. The dosage and administration of long-term intrathecal baclofen therapy for severe spasticity of spinal origin. Spinal Cord. 2018 Oct;56(10):996-999.
- Kerstens HCJW. Smoothening the waves of spasticity: the value of personalized monitoring. PhD Thesis, Radboud University, 2023 (ISBN: 978-94-6469-187-0).
- Lam K, Kwan JSK, Kwan CW, Chi I. Factors Associated with Development of New Joint Contractures in Long-Term Care Residents. J Am Med Dir Assoc. 2022 Jan;23(1):92-97.
- Mathur SN, Chu SK, McCormick Z, Chang Chien GC, Marciniak CM. Long-term intrathecal baclofen: outcomes after more than 10 years of treatment. PM R. 2014 Jun;6(6):506-513.
- Maneyapanda MB, McCormick ZL, Marciniak C, Reger C. Long-Term Dosing of Intrathecal Baclofen in the Treatment of Spasticity After Acquired Brain Injury. PM R. 2017 Jun;9(6):556-562.
- Mejia NI, Vuong KD, Jankovic J. Long-term botulinum toxin efficacy, safety, and immunogenicity. Mov Disord. 2005 May;20(5):592-7.
- Mohammadi B, Balouch SA, Dengler R, Kollewe K. Long-term treatment of spasticity with botulinum toxin type A: an analysis of 1221 treatments in 137 patients. Neurol Res. 2010 Apr;32(3):309-13.
- Meijer R, Wolswijk A, van Eijsden H. Prevalence, impact and treatment of spasticity in nursing home patients with central nervous system disorders: a cross-sectional study. Disabil Rehabil. 2017 Feb;39(4):363-371. doi: 10.3109/09638288.2016.1146351.
- Plassat R, Perrouin Verbe B, Menei P, Menegalli D, Mathé JF, Richard I. Treatment of spasticity with intrathecal Baclofen administration: long-term follow-up, review of 40 patients. Spinal Cord. 2004 Dec;42(12):686-93
- Rekand T, Grønning M. Treatment of spasticity related to multiple sclerosis with intrathecal baclofen: a long-term follow-up. J Rehabil Med. 2011 May;43(6):511-4.
- Santamato A, Panza F, Intiso D, Baricich A, Picelli A, Smania N, Fortunato F, Seripa D, Fiore P, Ranieri M. Long-term safety of repeated high doses of incobotulinumtoxinA injections for the treatment of upper and lower limb spasticity after stroke. J Neurol Sci. 2017 Jul 15;378:182-186.
- Shah MV. Rehabilitation of the older adult with stroke. Clin Geriatr Med. 2006 May;22(2):469-89; xi. doi: 10.1016/j.cger.2005.12.012. PMID: 16627089.
- Sommerfeld DK, Gripenstedt U, Welmer AK. Spasticity after stroke: an overview of prevalence, test instruments, and treatments. Am J Phys Med Rehabil. 2012 Sep;91(9):814-20. doi: 10.1097/PHM.0b013e31825f13a3. PMID: 22760104.
- Stampacchia G, Gerini A, Mazzoleni S. Effects of severe spasticity treatment with intrathecal Baclofen in multiple sclerosis patients: Long term follow-up. NeuroRehabilitation. 2016 Apr 6;38(4):385-93.
- Tilborg NAWV, de Groot V, Meskers CGM. The effectiveness of early interventions for post-stroke spasticity: a systematic review. Disabil Rehabil. 2024 Jun 22:1-12.
- Welmer AK, Widén Holmqvist L, Sommerfeld DK. Location and severity of spasticity in the first 1-2 weeks and at 3 and 18 months after stroke. Eur J Neurol. 2010 May;17(5):720-5. doi: 10.1111/j.1468-1331.2009.02915.x. Epub 2009 Dec 29. PMID: 20050897.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 06-01-2026
Beoordeeld op geldigheid : 06-01-2026
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen geeft bestuurlijke goedkeuring onder voorwaarde van autorisatie door de ALV van 17 april 2026.
Algemene gegevens
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2023 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met Cerebrale en/of spinale spasticiteit.
Werkgroep
- prof. dr. A.C.H. Geurts (voorzitter), hoogleraar neurorevalidatie, Radboud UMC en Sint Maartenskliniek, namens de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen
- drs. A.M.V. Dommisse, revalidatiearts, Isala Klinieken Zwolle, namens de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen
- drs. P.J. van Dongen, patiëntvertegenwoordiger bij Hersenletsel.nl
- Dr. M. van Eijk, specialist ouderengeneeskunde, Marnix Medisch B.V., namens Verenso
- dr. J.F.M. Fleuren, revalidatiearts, Jeroen Bosch Ziekenhuis / Tolbrug, ‘s Hertogenbosch, namens de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen
- F. van Gorp-Swart, MSc, ziekenhuisapotheker, Diakonessenhuis, Utrecht/Zeist/Doorn, namens de Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuisapothekers
- prof. dr. G. Kwakkel, hoogleraar neurorevalidatie, Amsterdam UMC, Amsterdam, namens het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
- drs. E. Kurt, neurochirurg, Radboud UMC en Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen, namens de Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
- Prof. dr. C.G.M. Meskers, hoogleraar revalidatiegeneeskunde, Amsterdam UMC, Amsterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen
- dr. H.A. Moser, anesthesioloog, Radboud UMC, Nijmegen en Care4homecare, Bladel, namens de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
- drs. W.P. Polomski, revalidatiearts (gepensioneerd), voorheen in Spaarne Gasthuis, Hoofddorp, namens de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen
- drs. M.N. Ruissen-Eversdijk, ergotherapeut en bewegingswetenschapper, Reade, Amsterdam, namens Ergotherapie Nederland
- dr. A.V.C.M. Zeegers, orthopedisch chirurg, Medisch Spectrum Twente, Enschede, namens de Nederlandse Orthopaedische Vereniging
- dr. J.M. Zuidam, plastisch chirurg, Erasmus MC, namens de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
Klankbordgroep
- P.M. van Lamoen, gepensioneerd, namens Dwarslaesieorganisatie Nederland
- M. Pol, Dwarslaesie Organisatie Nederland, tot september 2024*
- Dr. A.E. Tigchelaar, Dwarslaesie Organisatie Nederland, vanaf september 2024
- Dr. W.J. Kruithof, revalidatiearts, Universitair Medisch Centrum Utrecht
- Dr. I.H. Zaal-Schuller, arts verstandelijk gehandicapten/kaderarts palliatieve zorg
*Overleden
Met ondersteuning van
- Dr. M.L. Molag, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Dr. M.M.J. van Rooijen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Geurts (voorzitter) |
Hoogleraar neurorevalidatie, Radboud UMC, Nijmegen en Sint Maartenskliniek |
|
Geen. |
Geen restricties. |
|
Dommisse |
Revalidatiearts, Vogellanden |
Geen |
Speakerfee bij Ipsen farmaceutica voor:
|
Geen restricties; e-learning en presentaties betreffen de volle breedte van de behandel opties |
|
van Dongen |
Patiëntvertegenwoordiger Hersenletsel.nl |
Deelname andere werkgroepen |
Geen |
Geen restricties. |
|
van Eijk |
Specialist Ouderengeneeskunde, Marnix Medisch B.V |
|
Extern gefinancierd onderzoek over heupfracturen: 1. FITHIP; onderzoek naar valangst bij patienten met heupfractuur 2. GR HIP; onderzoek naar herstel na heupfractuur 3. HIPCARE; onderzoek naar herstel en biomarkers bij heupfractuur |
Geen restricties; De webinars waren gericht op samenwerking specialisten ouderengeneeskunde en revalidatieartsen |
|
Fleuren |
Revalidatiearts, Tolbrug |
Bestuurslid VRA (onbetaald) |
Geen. |
Geen restricties. |
|
van Gorp |
Ziekenhuisapotheker |
Lid werkgroep interacties KNMP |
Geen. |
Geen restricties. |
|
Kwakkel |
Hoogleraar neurorevalidatie, Amsterdam UMC, locatie VUMC |
|
Geen |
Geen restricties. |
|
Kurt |
Neurochirurg, Radboud UMC, Nijmegen |
Geen |
Geen |
Geen restricties. |
|
Meskers |
Revalidatiearts, Amsterdam UMC locatie VUMC |
Geen |
Geen. |
Geen restricties. |
|
Moser |
Anesthesioloog, Radboud UMC, Nijmegen en Care4homecare, Bladel |
Geen |
Geen |
Geen restricties. |
|
Polomski |
Revalidatiearts Spaarne Gasthuis (gepensioneerd vanaf 1 mei 2023). |
Geen |
Lid Adviesraad Merz Benelux, raakt niet aan de modules |
Restrictie ten aanzien van besluitvorming met betrekking tot botulinetoxine |
|
Ruissen-Eversdijk |
Ergotherapeut bij Reade Revalidatie. |
Geen. |
Geen. |
Geen restricties. |
|
Zeegers |
Orthopedisch chirurg, Medisch Spectrum Twente, Enschede (tot 1-6-2025), en UMCG (vanaf 1-6-2025) |
|
Geen. |
Geen restricties. |
|
Zuidam |
Plastisch chirurg, Erasmus MC Rotterdam |
Geen. |
Geen. |
Geen restricties. |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door uitnodigen van Hersenletsel.nl en Dwarslaesie Organisatie Nederland (DON) bij de schriftelijke knelpuntenanalyse. DON heeft een enquête bij hun achterban uitgezet, en knelpunten werden meegenomen in het proces. Het verslag van deze enquête is besproken in de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. In de werkgroep heeft een vertegenwoordiger van Hersenletsel.nl deelgenomen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan Hersenletsel.nl, DON, MS Nederland en Spierziekten Nederland.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase). Uit deze kwalitatieve raming bleek dat er geen grote financiële gevolgen te verwachten zijn.
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Organisatie van zorg |
geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.

