Uitgangsvraag

Welk tijdsbestek dient er minimaal tussen de cataractoperatie van het eerste en tweede oog te zitten?

Aanbeveling

Indien het plan is beide ogen van één patiënt te opereren, dient er tenminste twee weken tussen de twee opeenvolgende operaties te zitten. Er dient vanaf één week na de operatie van het eerste oog een controle te hebben plaatsgevonden alvorens het tweede oog geopereerd wordt.

 

Simultane bilaterale cataractchirurgie wordt afgeraden.

 

In specifieke situaties is simultane bilaterale cataractchirurgie een optie, indien dit in het belang is van de oogheelkundige of algehele gezondheidstoestand van de patiënt.

 

Indien om moverende redenen bilaterale simultane cataractoperaties gepland worden, dienen deze beschouwd en behandeld te worden als twee afzonderlijke procedures.

 

Bij het optreden van een complicatie bij de eerste operatie moet heroverwogen worden of het tweede oog aansluitend wordt geopereerd.

Inleiding

Indien het plan is een cataractoperatie aan beide ogen van een patiënt te verrichten, wordt op dit moment een minimale periode van vier weken gehanteerd tussen beide ingrepen. Dit is nu een kwaliteitsindicator voor de cataractchirurgie. Er zijn geen wettelijke kaders of andere (Europese) richtlijnen op van toepassing. Het risico op endophthalmitis, een cornea decompensatie, een Toxic Anterior Segment Syndrome (TASS) en een onverwachte uitkomst in refractie na de cataractoperatie zijn argumenten om een bepaalde periode te laten bestaan tussen opeenvolgende cataractoperaties. Indien overeengekomen is dat beide ogen geopereerd worden, kunnen patiënten nadeel ondervinden van een langere periode tussen de twee operaties, bijvoorbeeld indien sprake is van anisometropie ten gevolge van de eerste cataractextractie. De tijd tot het kunnen aanpassen van een bril voor optimale gezichtsscherpte is langer.

Omringende landen hanteren geen duidelijke richtlijn voor wat betreft de periode tussen twee opeenvolgende cataractoperaties. Een belangrijke vraag is dan ook of er voor de Nederlandse situatie een richtlijn gegeven kan worden voor de ideale of gewenste tijd tussen de twee cataractextracties bij dezelfde patiënt. De relevante uitkomstmaten zijn: de tijd tot stabiele refractie van het eerste geopereerde oog (binnen ± 1.00 diopter van target refractie) en het risico op ernstige complicaties, zoals endophthalmitis, cornea decompensatie en/of TASS.

Conclusies

Niveau 4

Er zijn geen wetenschappelijke studies beschikbaar die het minimale tijdsbestek tussen cataractoperatie van het eerste en van het tweede oog onderzochten.

Samenvatting literatuur

Tijd tot stabiele refractie van het eerste geopereerde oog (binnen ± 1.00 diopter van target refractie)

Er waren geen studies die minimale tijd tot stabiele refractie van het eerste geopereerde oog onderzochten.

 

Risico op ernstige complicaties, zoals endophthalmitis, cornea decompensatie, TASS

Er zijn geen studies bekend die onderzochten of er een verband is tussen het tijdsbestek tussen twee cataractoperaties en het risico op ernstige complicaties.

Zoeken en selecteren

In de databases Medline, Embase en Cochrane is met relevante zoektermen gezocht vanaf 2004 naar artikelen die het minimale tijdsbestek tussen cataractoperatie van het eerste en van het tweede oog onderzochten met als uitkomstmaten tijd tot stabiele refractie van het eerste oog en het risico op ernstige complicaties. De zoekstrategie is weergegeven in de tabel hieronder. De literatuurzoekactie leverde 139 treffers op. Studies die voldeden aan de volgende selectiecriteria zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur: origineel onderzoek; gerandomiseerd onderzoek (RCT) of ander vergelijkend onderzoek van voldoende omvang; minimale tijdsbestek tussen eerste en tweede oog; en tijd tot stabiele refractie van het eerste geopereerde oog en het optreden van ernstige complicaties als uitkomstmaten.

Referenties

  1. Ainsworth, G. (2006). Bilateral endophthalmitis after simultaneous bilateral cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 32, 708-9.
  2. Arshinoff, S. (2008). Bilateral endophthalmitis after simultaneous bilateral cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 34, 2006-8.
  3. BenEzra, D., & Chirambo, M. C. (1978). Bilateral versus unilateral cataract extraction: advantages and complications. Br J Ophthalmol, 62, 770-773.
  4. Canadian Ophthalmological Society (2008). Canadian Ophthalmological Society evidence-based clinical practice guidelines for cataract surgery in the adult eye. Canadian Journal of Ophthalmology, 43, S1-S57.
  5. Chung, J. K., Park, S. H., Lee, W. J., & Lee, S. J. (2009). Bilateral cataract surgery: a controlled clinical trial. Japanese Journal of Ophthalmology, 53, 107-113.
  6. Jabbour, J., Irwig, L., Macaskill, P., & Hennesy, M. P. (2006). Intraocular lens power in bilateral cataract surgery: whether adjusting for error of predicted refraction in the first eye improves prediction in the second eye. J Cataract Refract Surg, 32, 2091-7.
  7. Kashkouli, M. B., Salimi, S., Aghaee, H., & Naseripour, M. (2007). Bilateral Pseudomonas aeruginosa endophthalmitis following bilateral simultaneous cataract surgery. Indian J Ophthalmol, 55, 374-5.
  8. Lundstrom, M., Albrecht, S., Nilsson, M., & Astrom, B. (2006). Benefit to patiënts of bilateral same-day cataract extraction: Randomized clinical study. Journal of Cataract & Refractive Surgery, 32, 826-830.
  9. Nassiri, N., Sadeghi Yarandi, S. H., & Rahnavardi, M. (2009). Immediate vs delayed sequential cataract surgery: a comparative study. Eye, 23, 89-95.
  10. Özdek, S. C., Onaran, Z., Gürelik, G., Konuk, O., Tekinsen, A., & Hasanreisoglu, B. (2005). Bilateral endophthalmitis after simultaneous bilateral cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 31, 1261-2.
  11. Percival,S. P., Vyas, A. V., Setty, S. S., & Manvikar, S. (2002). The influence of implant design on accuracy of postoperative refraction. Eye, 16, 309-315.
  12. Puvanachandra, N., & Humphry, R. C. (2008). Bilateral endophthalmitis after bilateral sequential phacoemulsification. J Cataract Refract Surg, 34, 1036-7.
  13. Sarikkola, A. U., Uusitalo, R. J., Hellstedt, T., Ess, S. L., Leivo, T., & Kivela, T. (2011). Simultaneous bilateral versus sequential bilateral cataract surgery. Helsinki Simultaneous Bilateral Cataract Surgery Study Report 1.. Journal of Cataract and Refractive Surgery, 0, X-.
  14. The Royal College of Opthalmologists (2010). Cataract Surgery Guidelines. London, 0, X-.

Overwegingen

Er zijn geen studies voorhanden die het minimale tijdsbestek tussen de eerste en tweede cataractoperatie onderzochten. Buitenlandse evidence-based richtlijnen komen tot eenzelfde conclusie. De richtlijn van de Canadian Ophthalmological Society (2008) doet als aanbeveling dat het tijdsinterval tussen twee cataractoperaties voldoende lang moet zijn om postoperatieve complicaties zoals endophthalmitis vroegtijdig op te sporen en te behandelen en om de postoperatieve refractiefout in het eerste oog te kunnen bepalen. De richtlijn van The Royal College of Ophthalmologists (2010) vermeldt dat er geen consensus is over de timing van de tweede operatie.

 

Uit de literatuur blijkt dat als beide ogen geopereerd worden, de uitkomst na het eerste oog geen reden is om de lenssterkte voor het tweede oog aan te passen (Jabbour et al., 2006). De stabilisatie van de refractie is afhankelijk van o.a. de incisie grootte, lokalisatie en lenstype, maar hier is geen standaard termijn voor te geven (Percival, 2002). Het lijkt daarom niet zinvol de termijn van de operatie aan het tweede oog af te laten hangen van volledige stabilisatie van de refractie, een periode korter dan vier weken tussen beide ogen zou daarom ook mogelijk zijn. Uit een enquête (n=95) via het patiëntenplatform Staar van de patiëntenvereniging Staar en Katarakt, is gebleken dat, op de vraag wat men vindt van een periode van minimaal vier weken tussen de staaroperatie van linker- en rechteroog, 46% van de respondenten deze periode veel te lang vindt, 27% deze periode prettig vindt en 18% deze periode een beetje lang vindt.

 

Het is niet gebruikelijk om beide ogen op dezelfde dag te opereren (simultane bilaterale cataractchirurgie) vanwege het mogelijke risico op bilaterale endophthalmitis en omdat het dan niet mogelijk is om de uitkomst van het eerste oog mee te nemen in de beslissing om het tweede oog te opereren. Het risico op endophthalmitis bij een oog zonder verhoogde risico’s met de huidige operatietechniek en gebruik van medicatie is erg laag (0,05%).

Het is nog onvoldoende duidelijk of het risico op endophthalmitis wordt verhoogd door twee operaties op dezelfde dag. Er zijn studies die sequentiële operaties met simultane operaties vergelijken (Lundstrom et al., 2006; Sarikkola et al., 2011; Chung et al., 2009; Nassiri et al., 2009). In geen van de studies kwam endophthalmitis voor, maar de patiëntenaantallen in deze studies zijn te klein om te kunnen zeggen of er wel of geen verschil is in risico op endophthalmitis tussen sequentiële of simultane operaties, omdat het zo’n zeldzame complicatie is. In deze studies werden de operaties aan de verschillende ogen beschouwd en behandeld als twee verschillende procedures. Bij het tweede oog werd opnieuw opgedekt/gedesinfecteerd en een nieuwe set medische hulpmiddelen (vb. irrigatievloeistoffen, visco-elastica) en instrumentarium gebruikt.

Er bestaan enkele case reports over het optreden van bilaterale endophthalmitis na simultane bilaterale cataractchirurgie (BenEzra et al., 1978; Kashkouli et al., 2007; Özdek et al., 2005; Puvanachandra et al., 2008). Bij drie van deze cases werd voor beide ogen hetzelfde instrumentarium gebruikt zonder sterilisatie, zelfde irrigatie vloeistof en/of geen antibiotica profylaxe gebruikt (Ainsworth, 2006; Arshinoff, 2008).

Indien er een bilaterale endophthalmitis optreedt, kan dit leiden tot blindheid. Het risico op het optreden van een ernstige endophthalmitis is de eerste week na de operatie het grootst. Ook een cornea decompensatie en TASS blijkt in het algemeen binnen de eerste week na de operatie. In het algemeen zal daarom binnen twee weken na de operatie duidelijk zijn of er geen ernstige complicaties zijn opgetreden die een eventuele operatie aan het volgende oog in de weg staan.

 

Omdat het risico op endophthalmitis in het algemeen laag is, kan in speciale gevallen simultane bilaterale cataractoperatie overwogen worden (als de voordelen opwegen tegen de risico’s). Voorbeelden hiervan zijn belangrijke peri-operatieve medische risico’s bij patiënten die onder narcose moeten voor de operatie of een bilateraal acuut kamerhoekafsluitingsglaucoom ten gevolge van de cataract. De richtlijn van The Royal College of Ophthalmologists (2010) raadt simultane bilaterale chirurgie in speciale gevallen niet af en geeft enkele relatieve indicaties voor simultane chirurgie en verder extra voorzorgsmaatregelen indien gekozen wordt voor simultane bilaterale phacoemulsificatie. De Canadese richtlijn (2008) raadt bilaterale simultane chirurgie af als standaard procedure, maar in speciale gevallen kan het wel. Belangrijk is om de mogelijke risico’s goed te bespreken met de patiënt indien simultane bilaterale chirurgie wordt overwogen; een patiënt moet zich bewust zijn van een mogelijk risico op ernstige complicaties in beide ogen.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 11-03-2013

Laatst geautoriseerd : 11-03-2013

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven om een herzieningstraject te starten.

De NOG is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Het doel van deze richtlijn is het vaststellen van normen voor goede praktijkvoering, het opstellen van standaarden voor patiëntenzorg en veiligheid en het bieden van een referentiepunt voor de beoordeling van de resultaten waarbinnen cataractchirurgie van hoge kwaliteit kan plaatsvinden. In deze richtlijn wordt de huidige interpretatie van de werkgroep die de richtlijn heeft ontwikkeld weergegeven.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met cataract (oogartsen, assistenten in opleiding, optometristen, verpleegkundigen, Toa’s, anesthesiologen, anesthesiemedewerkers en recoveryverpleegkundigen, voor zover van toepassing bij de uitoefening van hun werk).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2011 een werkgroep ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende een periode van één jaar aan de totstandkoming van de concept richtlijn. De werkgroep heeft de integrale tekst van deze concept richtlijn geaccordeerd.

 

Werkgroep:

  • mevr. dr. M.C. Bartels, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. dr. M. van Hecke, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 11 augustus 2011);
  • drs. Y.P. Henry, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (voorzitter);
  • mevr. drs. R.C.M. Maatman, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. R.M.M.A. Nuijts, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. N.J. Reus, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • drs. A.H.F. Rulo, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. drs. A. Schuurhuis, anesthesioloog, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie;
  • mevr. drs. O.A.M. Tigchelaar-Besling,oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 11 augustus 2011);
  • drs. K.F. Tjia, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 16 november 2011);
  • drs. N.H. Trap, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 16 november 2011).

 

 

Met ondersteuning van:

  • mevr. drs. J.W. Hagemeijer, senior adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten.

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn.

 

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project (ja /nee)

Zo ja, welke

M. Bartels

nee

 

Y. Henry

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

M. van Hecke

nee

 

M. Maatman

nee

 

R. Nuijts

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

N. Reus

nee

 

A. Rulo

nee

 

A. Schuurhuis

nee

 

O. Tigchelaar-Besling

nee

 

K. Tjia

ja

Consultant voor Alcon
Onderzoek voor Bausch en Lomb
Onderzoek voor Hoya

N. Trap

nee

 

Inbreng patiëntenperspectief

De patiëntenvereniging Staar en Katarakt heeft via haar patiëntenforum mini-enquêtes uitgezet onder haar leden. De belangrijkste vragen die gesteld werden hadden betrekking op waardering van de oogarts en op de minimale gewenste tijd tussen operatie van het linker- en rechteroog. De resultaten van de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Tevens is de concept richtlijn voor commentaar voorgelegd aan de patiëntenvereniging.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden via de website van het NOG (www.oogheelkunde.org) en van de Kwaliteitskoepel: (www.kwaliteitskoepel.nl).

Werkwijze

Inleiding

Deze richtlijn is opgesteld conform de adviezen in het rapport ‘Richtlijnen voor richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews. Ook werd er gezocht naar studies over patiëntenperspectief. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases (PubMed, Embase, Cochrane), waarbij in eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van de desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling van de literatuur

Individuele studies werden systematisch beoordeeld aan de hand van de GRADE methode (interventie) (GRADE Working Group, 2004) of de EBRO methode (diagnostiek, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose) (van Everdingen et al, 2004). De beoordeling is terug te vinden in de evidence-tabellen.

 

Samenvatting van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Uit de literatuur zijn één of meerder conclusies getrokken waarbij het bewijsniveau van de literatuur weergegeven is.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten zijn, voor zover niet of onvoldoende wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Bij deze richtlijn zijn kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. In hoofdstuk 12 zijn een drietal indicaotren opgenomen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is aandacht geschonken aan lacunes in wetenschappelijke kennis. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader of vervolg onderzoek is opgenomen in hoofdstuk 11 van de richtlijn.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De concept richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren isde concept richtlijn aangepast en definitief vastgesteld worden door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.