Uitgangsvraag

Welke informatie dient door welke professional voorafgaande aan de cataractoperatie verstrekt te worden aan de patiënt?

Aanbeveling

Het is sterk aan te bevelen dat ten behoeve van informed consent de volgende informatie voorafgaand aan de operatie aan de patiënt wordt verstrekt:

  • aard en doel van een cataractoperatie;
  • de verwachte visusverbetering en target refractie postoperatief;
  • hoe lang het duurt voordat de visus verbetert na operatie;
  • welke ernstige complicaties zich kunnen voordoen tijdens en na de operatie;
  • aanvullende informatie indien er sprake is van verhoogde algemene en oogheelkundige risico’s;
  • wat er gebeurt als geen operatie plaatsvindt;
  • andere mogelijkheden van behandeling, bijv. premium IOLs (multifocale en torische IOLs).

 

De operateur is verantwoordelijk dat voorafgaand aan de operatie bovengenoemde informatie aan de patiënt wordt verstrekt en dat een geldige geïnformeerde toestemming (informed consent) is verkregen en gedocumenteerd.

 

Het verdient aanbeveling naast verbale informatie schriftelijk of audiovisueel informatiemateriaal te geven aan patiënten voorafgaand aan de cataractoperatie.

Inleiding

Voorlichting van een patiënt die een cataractoperatie moet ondergaan is zeer belangrijk. Informed consent met documentatie in de medische status is bij wet verplicht en is van groot belang bij medico-legale kwesties. De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) (artikel 448 lid 2) noemt vier elementen die aan de patiënt vermeld moeten worden voorafgaand aan de operatie, te weten:

  • de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling;
  • de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
  • andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
  • de gezondheidssituatie van de patiënt en diens vooruitzichten ter zake.

Op basis van deze informatie kan de patiënt beslissen of hij zich wel of niet wil laten opereren.

Conclusies

Niveau 2

Audiovisuele informatie als aanvulling op verbale informatie voorafgaand aan de cataractoperatie kan leiden tot een beter begrip van de cataractextractie, een betere herinnering van feiten en risico’s, een hogere patiënttevredenheid en minder angst.

 

B: Moseley 2006, Pager 2005

 

Niveau 3

Patiënten hebben voorafgaand aan een cataractoperatie de meeste behoefte aan informatie over:

  • de kans op visusverbetering of verslechtering;
  • welke ernstige complicaties zich kunnen voordoen tijdens en na operatie;
  • hoe lang het duurt voordat het zicht verbetert na operatie;
  • wat er gebeurt als geen operatie plaatsvindt;
  • wat te doen in noodsituaties.

 

C: Elder 2004, Nijkamp 2002, Tan 2008

Samenvatting literatuur

Er werden drie prospectieve case-series (resp. n=190, n=540 en n=100) gevonden die met behulp van een vragenlijst onderzochten aan welke informatie patiënten behoefte hebben voordat ze een cataractoperatie ondergaan (Elder, 2004; Nijkamp, 2002; Tan, 2008). Uit de onderzoeken kwam naar voren dat patiënten behoefte hadden aan informatie over hoe groot de kans is op verbetering of verslechtering van visus na operatie, welke ernstige complicaties zich kunnen voordoen, hoe lang het duurt voordat het zicht verbetert na de operatie, wat er gebeurt als geen operatie plaatsvindt en wat te doen in een noodsituatie.

 

Verder zijn er twee randomized controlled trials die beschrijven dat audiovisueel materiaal bij verbale informatie over een cataractextractie een beter begrip van een cataractextractie, betere herinnering van feiten en risico’s en een hogere patiënttevredenheid postoperatief geven. Tevens verminderde het de angst voor de operatie (Pager et al., 2005, Moseley et al., 2006). Dhingra et al. (2004) beschrijven na een vragenlijstonderzoek, dat minder dan 40 % zich correct de gegeven schriftelijke en verbale informatie herinnert na twee weken.

Zoeken en selecteren

In de databases Medline, Embase en Cochrane is vanaf 2004 gezocht  naar studies over welke informatie aan de patiënt verstrekt dient te worden voorafgaand aan de cataractoperatie en hoe. De zoekstrategie is weergegeven in de tabel hieronder. De literatuurzoekactie leverde 145 treffers op. Studies die voldeden aan de volgende selectiecriteria zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur: origineel onderzoek; gerandomiseerd onderzoek (RCT) of ander geschikt onderzoek van voldoende omvang; en gewenste informatie of manier van voorlichting geven als uitkomstmaten. Aan deze selectie is een sleutelstudie uit 2002 toegevoegd (Nijkamp, 2002).

Referenties

  1. Canadian Ophthalmological Society (2008). Canadian Ophthalmological Society evidence-based clinical practice guidelines for cataract surgery in the adult eye. Canadian Journal of Ophthalmology, 43, S1-S57.
  2. Dhingra, N., Clews, S., Neugebauer, M.A., & Hubbard, A.D. (2004). What patiënts recall of the preoperative discussion before cataract surgery: results of a questionnaire survey. Eye, 18, 790-791.
  3. Elder, M.J., & Suter, A. (2004). What patiënts want to know before they have cataract surgery. Br J Ophthalmol, 88, 331-2.
  4. KNMG (2004). Van wet naar praktijk. Implementatie van de WGBO. Deel 2 Informatie en toestemming.. www.knmg.nl, 0, X-.
  5. Moseley, T.H., Wiggins, M.N., & O’Sullivan, P. (2006). Effects of presentation method on the understanding of informed consent. Br J Ophthalmol, 90, 990-993.
  6. Nijkamp, M.D., Sixma, H.J., Afman, H., Hiddema, F., Koopmans, S.A., Nuijts, van den Borne, B.,… R.M.M.A. (2002). Quality of care from the perspective of the cataract patiënt – QUOTE Cataract Questionnaire. J Cataract Refract Surg, 28, 1924-1931.
  7. Pager, C.K. (2005). Randomised controlled trial of preoperative information to improve satisfaction with cataract surgery. Br J Ophthalmol, 89, 10-13.
  8. Tan, L.T., Jenkins, H., Roberts-Harry, J., & Austin, M. (2008). Should patiënts set the agenda for informed consent? A prospective survey of desire for information and discussion prior to routine cataract surgery. Ther Clin Risk Management, 4, 1119-25.
  9. The Royal College of Opthalmologists (2010). Cataract Surgery Guidelines. London, 0, X-.

Evidence tabellen

Study reference

Study characteristics

Patiënt characteristics

Intervention

Control

Follow-up

 

Outcome measures and effect size

Level of evidence

What information should be provided?

Elder, 2004

Type of study:

Prospective case series

 

Country:

New Zealand

 

Source of funding:

The authors have no commercial interests in any aspects of this paper

Inclusion criteria:

Not reported, but consecutive patiënts booked to undergo elective routine cataract surgery were asked.

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

N=203 consecutive patiënts invited to participate, 190 completed questionnaire

Questionnaire with 13 items about aspects of cataract surgery.

Rating on a 1-5 Likert Scale (1=not important, 5=very important).

Completion of questionnaire before the start of preoperative assessment visit. This was before any formal information had been given by department staff,

other than the verbal discussion leading to their booking some months previously.

 

 

 

No control

Endpoint of follow-up:

No follow-up

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N (%): 13/203 (6%)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

13 did not participate either because of a conscious decision not to, or because they were too physically

or intellectually disabled

The most important information wanted (>70% of patiënts rated topic as very important on 1-5 Likert scale):

  • the chances of the patiënt’s vision improving after surgery (85.6%).
  • when the vision would improve (80.8%).
  • the risk of losing vision (78.2%).
  • the consequences of not having the operation (73.1%).
  • the types of serious complications (70.3%).

 

Differences between males and females (p<0.05):

females placed higher importance on knowledge of the anaesthetic details, the

overall risk of losing vision from the operation, and the types of serious complications (although all were still important to males as the majority awarded high scale grades).

 

Differences between patiënts having first or second surgery (p<0.05):

those about to have their second operation placed less importance on knowing the chance of their vision improving, the types of serious complications, and all of the possible complications.

C

non-comparative study

 

Nijkamp, 2002

Type of study:

Prospective case series

 

Country:

Netherlands

 

Source of funding:

None of the authors has a financial or proprietary interest in any material

or method mentioned.

Inclusion criteria:

Not reported, but cataract patiënts

from the Departments of Ophthalmology at University Hospital

Maastricht (UHM), University Hospital Groningen (UHG) and the Rotterdam Eye Hospital (REH).

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

N=540

QUOTE Catract Questionnaire with 31 quality-of-care aspects.

 

Questionnaires were were distributed in different ways.

At UHM, the questionnaires were hand delivered to

patiënts at the hospital, whereas patiënts at UHG and

REH received them by mail.

 

 

No control

Endpoint of follow-up:

No follow-up

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N (%): 7% (UHM), 35% (UHG), 26% (REH)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

Not reported

Patiënts scored aspects concerning patiënt education as the most important quality aspects. The top 3 quality-impact factors were to inform patiënts what to do in emergency situations (Q=3.39), inform patiënts about the risks of

treatment (Q=3.00), and minimize the number of ophthalmologists to 1 per patiënt (Q=2.79).

C

non-comparative study

 

Tan, 2008

Type of study:

Pprospective case series

 

Country:h

UK

 

Source of funding:

The authors have not received financial support for the study and have no proprietary interest in any products

mentioned.

Inclusion criteria:

Not reported, but consecutive patiënts from dedicated cataract

surgery pre-assessment clinics of 2 hospitals in South West

Wales, UK.

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

N=106 consecutive patiënts recruited, 100 participated

Interview.

 

The survey was administered in 2 parts. The first consisted of preliminary questions to determine patiënts’ knowledge of cataract, risk perception, and the level of information desired prior to giving consent. Those who wanted further information pertaining to the surgery and wished to proceed to the second part of the survey were guided through a narrated Microsoft Power-Point audio-visual presentation that served the dual purpose of standardized information package and questionnaire. Aspects covered in the presentation included explanation of what a cataract is, indications for surgery, progression of cataract without treatment, the surgical procedure itself, postoperative course, chances of visual improvement, and a

detailed discussion of specific complications which included explanation in lay terms, an illustrated or animated figure, specific consequences, and incidence. Following description of each complication, patiënts were asked to rate each complication for its relevance to their giving of informed consent.

No control

Endpoint of follow-up:

No follow-up

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N (%): 6/106 (6%)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

excluded as being unable to complete the study due to

deafness or disorientation

Information desired:

46/100 (46%) wished to know overall rates for improvement/worsening of vision.

25/46 (54%) wished to further

discuss specific risks of surgery and underwent formal questionnaire survey

+ audiovisual package.

Of these 25 patiënts, 18 wished to be informed of posterior capsular tearing, 17 of endophthalmitis, 16 each of dropped lens, retinal detachment and corneal clouding, and 15 of bleeding, sympathetic ophthalmia, and posterior capsular opacification

 

C

non-comparative study

 

 

 

How should information be provided?

Moseley, 2006

Type of study:

RCT

 

Country:

USA

 

Source of funding:

This work was supported in part by unrestricted grants from Research to Prevent Blindness and the Pat & Willard Walker Eye Research Center.

Inclusion criteria:

Not reported, but freshmen medical students from the University of Arkansas for Medical Sciences.

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

N=90

Group A: verbal presentation without the

use of visual aids

 

Group C: verbal presentation without the

use of visual aids

 

At the completion of the talk, Group A was excused from the room, and group C was shown a 13 minute video presentation produced by the American Academy of Ophthalmology entitled ‘‘Understanding Cataract Surgery.’’ The informational content of the video presentation covered the same information as the scripted talk.

 

Group B: same verbal presentation as Group A and C, but were also shown diagrams during the talk.

 

To avoid providing unequal amounts of

information between groups, no questions were entertained from the participants.

 

To assess the effectiveness of the informed consent process, students received a 10 item, multiple choice quiz immediately after the presentation. One week later, without any presentation, the same quiz was re-administered (delayed post-test) to all three groups.

No control

Endpoint of follow-up:

One week

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N (%): 7/90 (8%)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

Not reported

Results quizz:

Immediate post-test:

Significant difference (p=0.006) between three groups with group C having significant higher mean score than group A (6.39 vs 7.7).

 

Delayed post-test (one week later):

Significant difference (p=0.001) between three groups with group C having significant higher mean score than group A and group B (6.96 vs 5.15 and 5.54).

 

 

B

RCT with serious limitations (unclear how randomisation was done, no blinding of patiënt possible, unclear if outcome assessor was blinded)

Pager, 2005

Type of study:

RCT

 

Country:

Australia

 

Source of funding:

This study was supported in part by the National Health and Medical

Research Council of Australia.

Inclusion criteria:

Not reported, but 160 consecutive patiënts undergoing day-stay cataract

surgery at Sydney Private Hospital were invited to participate

in this study when first registering at the hospital were invited to participate.

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

N=141

Group A: 9-minute ‘expectations’ videotape

 

The ‘‘expectations’’ video described the experience of undergoing cataract surgery, as well as mention of the potential risks. One patiënt was followed from arrival at the hospital through to discharge, including registration, donning a hospital gown, instillation of eye drops, transfer to the operation theatre, anaesthetics, drapes, and a short view of the surgery itself.

 

Both videotapes were of similar length and style, professionally produced and edited, and complied from patiënt education videos produced by pharmaceutical companies, with occasional voiceover added.

 

After the completion of the videotape,

patiënts were asked to rate their satisfaction with current vision and their expectations for the upcoming cataract surgery with regard to anxiety, discomfort, and risk. Answers to all of these questions were recorded on a 12 centimetre visual analogue scale.

 

Before discharge, the patiënt was asked to rate his or her experience of the cataract surgery in terms of anxiety, discomfort, and risk using identical visual analogue scales.In addition, patiënts were also asked about how the

experience compared with what they were expecting, level of understanding, and overall satisfaction. Answers to these questions were also recorded on visual analogue scales.

Group B: 9-minute ‘placebo’ videotape

 

video

contained no information at all about what patiënts should

expect from cataract surgery, but instead was exclusively

concerned with the anatomy of the crystalline lens and the

causes and nature of cataracts.

 

Endpoint of follow-up:

Until discharge

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N (%): 19/160 (12%)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

Not reported

Preoperative expectations:

Patiënts in group A had significantly more uncomfortable or painful expectation (p=0.008) and dangerous or risky expectation (p=0.009) than patiënts in group B.

 

Postoperative impression:

Patiënts in group A were more likely to think they understood what was happening to them (7p<0.001) and be satisfied with the overall experience (p=0.036). In addition, they were less likely to report having felt nervous or uneasy during the surgery (p<0.001).

 

B

RCT with serious limitations (unclear how randomisation was done, no blinding of patiënt possible)

Overwegingen

Internationale evidence-based richtlijnen

In de meest recente Canadese cataractrichtlijn (2008) wordt weinig gedetailleerd geschreven over informatieverstrekking. Claims worden met name toegekend op basis van ontbrekende of onvolledige informed consent en/of documentatie en op basis van slechte communicatie tussen patiënt en chirurg.

De Britse cataractrichtlijn (Royal College of Ophthalmology) van 2010 vermeldt dat patiënteninformatie belangrijk is en geeft adviezen die corresponderen met de WGBO-richtlijn.

 

Patiëntenperspectief

Uit een enquête (n=136) via het patiëntenplatform Staar, van de patiëntenvereniging Staar en Katarakt, is gebleken dat het overgrote deel van de respondenten heeft aangegeven dat subjectieve elementen, zoals het wegnemen van angst (40%) en het creëren van vertrouwen en een persoonlijke band (32%), belangrijkere eigenschappen zijn voor een oogarts dan objectieve elementen als de werkomgeving (ziekenhuis of privékliniek) (11%) of het aantal complicaties van de oogarts (17%).

 

Informed consent

De belangrijkste punten op het gebied van informed consent en WGBO ten aanzien van een cataractoperatie worden hieronder vermeld.

 

De hulpverlener heeft op grond van de WGBO de plicht om zijn patiënt te informeren en om van de patiënt toestemming te verkrijgen voor een geneeskundig onderzoek en/of een geneeskundige behandeling. Die combinatie is essentieel. Daarom spreken we van ‘informed consent’ ofwel ‘geïnformeerde toestemming’. De toestemming is voor de arts voorwaarde om de behandeling te (laten) starten. Deze toestemming moet de patiënt weloverwogen verlenen, waartoe adequate informatie van de kant van de hulpverlener onontbeerlijk is. In aansluiting hierop bepaalt de wet dat de arts zich bij het toepassen van de informatieplicht (WGBO, artikel 448 lid 2) laat leiden door hetgeen de patiënt ‘redelijkerwijze’[1] dient te weten ten aanzien van:

  • de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling;
  • de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
  • andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
  • de gezondheidssituatie van de patiënt en diens vooruitzichten ter zake.

 

Andere informatie die aan patiënten moet worden gegeven, is onder meer:

  • de naam van de arts, die de eindverantwoordelijkheid voor de behandeling heeft;
  • of er artsen in opleiding bij de operatie betrokken zullen zijn;
  • of het waarschijnlijk is dat aanvullende procedures onderdeel van de procedure uit
  • zullen maken;
  • een herinnering dat patiënten op elk moment van gedachten mogen veranderen of om een second opinion mogen vragen.

 

Er zijn enkele vuistregels die de omvang van de informatieplicht bepalen:

  • naarmate het onderzoek of de behandeling ingrijpender, ongebruikelijker of experimenteler is, moet de hulpverlener meer en specifiekere informatie geven;
  • naarmate de frequentie van een risico groter en/of de aard van het risico ernstiger is, neemt de omvang van de informatieplicht toe;
  • bij een behandeling die niet medisch geïndiceerd is (zoals vormen van esthetische chirurgie), worden aan de informatieplicht hogere eisen gesteld;
  • de hulpverlener bespreekt ook de mogelijkheid en consequenties van niet-behandelen;
  • wanneer daartoe aanleiding is, valt onder de informatieplicht ook het noemen van een alternatief dat in het buitenland aanwezig is;
  • specifieke omstandigheden van de patiënt kunnen aanleiding zijn om uitvoeriger informatie te geven;
  • vragen van de patiënt worden zo veel mogelijk beantwoord.

 

Verder wordt aangenomen dat de volgende factoren een rol moeten spelen bij de omvang van de informatieplicht:

  • meer of minder noodzakelijk;
  • wel of niet conventioneel;
  • bevattingsvermogen van de patiënt;
  • acuut of niet.

 

Informatie kan mondeling gegeven worden, maar op verzoek ook schriftelijk. Daarnaast blijkt uit de literatuur dat het verstrekken van aanvullende audiovisuele informatie voorafgaand aan de cataractoperatie kan leiden tot een beter begrip van de cataractextractie, een betere herinnering van feiten en risico’s, een hogere patiënttevredenheid en minder angst (Moseley 2006, Pager 2005). Wat betreft het tijdstip wordt aanbevolen om het moment te kiezen dat ook het traject voor de zorgverlener helder is en eventuele verkregen uitslagen binnen zijn.

 

Hoeveel informatie de patiënt wil, is individueel verschillend. Als de patiënt duidelijk maakt (verbaal of non-verbaal) dat hij een bepaald informatieniveau niet wil, dan moet dit worden genoteerd.

 

De hulpverlener die verantwoordelijk is voor een behandeling, is degene die verantwoordelijk is voor de informatieverstrekking. Functies die derden (bijv. verpleegkundigen) kunnen hebben bij de informatieverstrekking zijn:

  • herhalen van reeds gegeven informatie;
  • checken of reeds gegeven informatie is begrepen;
  • beantwoorden van vragen van de patiënt;
  • geven van aanvullende informatie;
  • (zelfstandig) geven van informatie (passend bij de eigen taakomschrijving).

 

Zorgvuldigheid is hier geboden. Een andere toonzetting of een andere inkleuring van de boodschap kan de patiënt onzeker maken of anderszins nadelig zijn voor een goede behandeling. Een goede verslaglegging is ook hier van groot belang. Door middel van een instructie of een protocol kan in zo’n geval de taakverdeling tussen beiden duidelijk worden neergelegd.

 

Toestemming verkrijgen

Aanbevolen wordt in het dossier aan te tekenen dat de patiënt is geïnformeerd conform een bepaalde richtlijn, brochure of protocol en dat de patiënt toestemming heeft gegeven.

Verder wordt geadviseerd om bepaalde vormen van toestemming te allen tijde te vermelden in het dossier, zoals:

  • off-label;
  • uitzondering op richtlijn;
  • de patiënt die contrair gaat aan het advies van de oogarts;
  • hoog risico ingrepen;
  • verschillende visie kind en ouders.

 

De patiënt moet (wanneer mogelijk ruim) vóór de aanvang van een behandeling daarvoor toestemming geven. De wet bepaalt niet of de toestemming expliciet of stilzwijgend moet worden gegeven.

 

De persoon die de toestemming verkrijgt hoeft niet dezelfde persoon te zijn als degene die de operatie uitvoert en het hoeft ook niet iemand te zijn die in staat is de procedure uit te voeren. De persoon moet echter iemand zijn die bekend is met cataract en met cataractchirurgie, die opgeleid is in effectief communiceren en in het verkrijgen van toestemming en wiens professionele werkwijze wordt gecontroleerd. Het is de verantwoordelijkheid van de opererend oogarts ervoor te zorgen dat, voordat er een behandeling wordt gestart, de patiënt de juiste informatie heeft gekregen en dat voorafgaand aan de operatie een geldige geinformeerde toestemming (informed consent) is verkregen en gedocumenteerd.

 

In het geval dat een volwassen patiënt de geestelijke vermogens mist (tijdelijk of blijvend) om al dan niet toestemming voor zichzelf te geven, dient men de modelrichtlijn voor hulpverleners over informatie en toestemming bij een meerderjarige wilsonbekwame patiënt te volgen, zoals vastgelegd in bijlage 8 van deel 2 (informatie en toestemming) van het eindrapport WGBO (2004). Dit eindrapport is te downloaden of op te vragen via www.knmg.nl, onder publicaties. Tevens gelden er richtlijnen voor minderjarigen en allochtonen/analfabeten.

 

Risico’s

Met betrekking tot het benoemen van specifieke operatiecomplicaties, is er weinig literatuur. Een optie zou zijn: alle risico’s van de cataractoperatie te benoemen in de brochure en tijdens het gesprek af te vinken of de brochure gelezen en begrepen is en zonodig nog de grotere of meer specifiek voor de patiënt bestaande risico’s te noemen.

 

Hulpmiddelen

Hulpmiddelen voor informatie verstrekking en documentering worden waardevol geacht, zoals stempel, sticker, checklist of richtlijn.



[1]: Het in deze bepaling opgenomen begrip ‘redelijkerwijze’ geeft aan dat de informatievoorziening zo goed mogelijk moet worden afgestemd op de omstandigheden van het geval. De wet kan nu eenmaal geen regels formuleren die voor elke individuele situatie duidelijk maken hoe moet worden gehandeld. De arts zelf zal de vertaalslag moeten maken tussen de algemene wettelijke bepaling en de concrete situatie, aan de hand van het begrip ‘redelijkerwijze’. Aan de ene kant geeft dit onzekerheid, omdat niet altijd op voorhand duidelijk zal zijn of conform de wet gehandeld is. Aan de andere kant, valt gelet op de complexe praktijk aan de noodzaak van een vertaalslag niet te ontkomen, en geeft het begrip ‘redelijkerwijze’ de arts bovendien de ruimte om algemeen aanvaarde opvattingen uit de beroepsgroep bij de informatieverplichting te betrekken. Als bijvoorbeeld een wetenschappelijke vereniging op zorgvuldige wijze een standpunt heeft ontwikkeld met betrekking tot de informatieplicht van een arts ten aanzien van een specifieke ingreep of behandeling, dan kan de arts dit standpunt gebruiken bij het in concrete situaties toepassen van het begrip ‘redelijkerwijze’. De rechter accepteert een dergelijke benadering. De rechtspraak laat tal van voorbeelden zien van situaties waarin de rechter het standpunt van een wetenschappelijke vereniging benut om een algemene wettelijke regel ‘in te vullen’.

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 11-03-2013

Laatst geautoriseerd : 11-03-2013

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven om een herzieningstraject te starten.

De NOG is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Het doel van deze richtlijn is het vaststellen van normen voor goede praktijkvoering, het opstellen van standaarden voor patiëntenzorg en veiligheid en het bieden van een referentiepunt voor de beoordeling van de resultaten waarbinnen cataractchirurgie van hoge kwaliteit kan plaatsvinden. In deze richtlijn wordt de huidige interpretatie van de werkgroep die de richtlijn heeft ontwikkeld weergegeven.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met cataract (oogartsen, assistenten in opleiding, optometristen, verpleegkundigen, Toa’s, anesthesiologen, anesthesiemedewerkers en recoveryverpleegkundigen, voor zover van toepassing bij de uitoefening van hun werk).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2011 een werkgroep ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende een periode van één jaar aan de totstandkoming van de concept richtlijn. De werkgroep heeft de integrale tekst van deze concept richtlijn geaccordeerd.

 

Werkgroep:

  • mevr. dr. M.C. Bartels, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. dr. M. van Hecke, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 11 augustus 2011);
  • drs. Y.P. Henry, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (voorzitter);
  • mevr. drs. R.C.M. Maatman, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. R.M.M.A. Nuijts, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. N.J. Reus, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • drs. A.H.F. Rulo, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. drs. A. Schuurhuis, anesthesioloog, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie;
  • mevr. drs. O.A.M. Tigchelaar-Besling,oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 11 augustus 2011);
  • drs. K.F. Tjia, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 16 november 2011);
  • drs. N.H. Trap, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 16 november 2011).

 

 

Met ondersteuning van:

  • mevr. drs. J.W. Hagemeijer, senior adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten.

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn.

 

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project (ja /nee)

Zo ja, welke

M. Bartels

nee

 

Y. Henry

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

M. van Hecke

nee

 

M. Maatman

nee

 

R. Nuijts

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

N. Reus

nee

 

A. Rulo

nee

 

A. Schuurhuis

nee

 

O. Tigchelaar-Besling

nee

 

K. Tjia

ja

Consultant voor Alcon
Onderzoek voor Bausch en Lomb
Onderzoek voor Hoya

N. Trap

nee

 

Inbreng patiëntenperspectief

De patiëntenvereniging Staar en Katarakt heeft via haar patiëntenforum mini-enquêtes uitgezet onder haar leden. De belangrijkste vragen die gesteld werden hadden betrekking op waardering van de oogarts en op de minimale gewenste tijd tussen operatie van het linker- en rechteroog. De resultaten van de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Tevens is de concept richtlijn voor commentaar voorgelegd aan de patiëntenvereniging.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden via de website van het NOG (www.oogheelkunde.org) en van de Kwaliteitskoepel: (www.kwaliteitskoepel.nl).

Werkwijze

Inleiding

Deze richtlijn is opgesteld conform de adviezen in het rapport ‘Richtlijnen voor richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews. Ook werd er gezocht naar studies over patiëntenperspectief. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases (PubMed, Embase, Cochrane), waarbij in eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van de desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling van de literatuur

Individuele studies werden systematisch beoordeeld aan de hand van de GRADE methode (interventie) (GRADE Working Group, 2004) of de EBRO methode (diagnostiek, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose) (van Everdingen et al, 2004). De beoordeling is terug te vinden in de evidence-tabellen.

 

Samenvatting van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Uit de literatuur zijn één of meerder conclusies getrokken waarbij het bewijsniveau van de literatuur weergegeven is.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten zijn, voor zover niet of onvoldoende wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Bij deze richtlijn zijn kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. In hoofdstuk 12 zijn een drietal indicaotren opgenomen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is aandacht geschonken aan lacunes in wetenschappelijke kennis. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader of vervolg onderzoek is opgenomen in hoofdstuk 11 van de richtlijn.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De concept richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren isde concept richtlijn aangepast en definitief vastgesteld worden door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.