Uitgangsvraag

Welke intra-oculaire lenzen (IOLs) dienen bij voorkeur gebruikt te worden bij een cataractoperatie om het optimale resultaat te behalen?

Aanbeveling

Bij een patiënt met cataract is de implantatie van een square edge monofocale IOL met een overlapping capsulorhexis sterk aan te bevelen om de kans op postoperatieve nastaar te verminderen.

 

Bij een patiënt met cataract en corneaal astigmatisme is implantatie van een torische IOL een optie.

 

Bij een patiënt met cataract en een wens tot brilonafhankelijkheid is implantatie van een multifocale IOL een optie.

 

Het is wenselijk dat de oogarts de patient informeert over de correctiemogelijkheden van astigmatisme en brilonafhankelijkheid.

 

Wanneer de patient heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een multifocale en/of torische IOL implantatie dan dient de oogarts een adequate patiëntenselectie uit te voeren en de patiënt te informeren over de voor- en nadelen van deze behandeling.

 

Inleiding

Bij een cataractoperatie kunnen verschillende soorten kunstlenzen worden geïmplanteerd. Meestal wordt een monofocale intra-oculaire lens (IOL) gebruikt waarbij de patiënt op één afstand scherp kan zien. In overleg met de patiënt kan ervoor gekozen worden om de lenzen voor veraf of dichtbij te berekenen. De patiënt heeft dan voor de andere afstand een bril nodig.

Momenteel zijn IOLs die de patiënt minder brilafhankelijk maken, zoals torische IOLs en multifocale IOLs, sterk in opkomst. Torische IOLs corrigeren naast de sferische afwijking ook de cilindrische afwijking. In veel gevallen is na de behandeling dan alleen een leescorrectie nodig. Met een multifocale IOL kan de patiënt goed in de verte zien en tegelijkertijd (in de meeste gevallen) dichtbij lezen. In dat geval is ook een leesbril overbodig.

Er wordt veel wetenschappelijke onderzoek gedaan naar effectiviteit en patiënttevredenheid bij deze categorie IOLs die ook premium IOLs of AT-IOLs (advanced technology IOLs) genoemd worden, waaruit onder meer blijkt dat grote meerderheid van de patiënten zeer tevreden is over deze IOL keuze.

De vraag is welke IOLs bij voorkeur gebruikt dienen te worden bij een cataractoperatie om het optimale resultaat te behalen en hoe tot een juiste patiëntenselectie te komen.

Relevante uitkomstmaten zijn: de ongecorrigeerde visus voor verte afstand (UDVA), intermediaire afstand (UIVA) en leesafstand (UNVA); restcilinder (voor torische lenzen); contrastgevoeligheid (CS); brilonafhankelijkheid (multifocale lenzen); optreden van glare en/of halo klachten (multifocale lenzen).

Conclusies

Multifocale versus monofocale lenzen

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat er geen verschil in ongecorrigeerde visus voor verte afstand is tussen multifocale en monofocale lenzen.

 

B: Cillino 2008, Martinez-Palmer 2008, Zhao 2010

C: Alio 2011

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat de ongecorrigeerde visus voor leesafstand beter is met multifocale lenzen dan met monofocale lenzen.

 

B: Martinez-Palmer 2008, Zhao 2010

C: Alio 2011

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat de contrastgevoeligheid beter is met monofocale lenzen dan met multifocale lenzen.

 

B: Cillino 2008, Zhao 2010

C: Alio 2011

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat het percentage patiënten dat brilonafhankelijk is na implantatie van multifocale lenzen hoger is dan na implantatie van monofocale lenzen.

 

B: Cillino 2008, Martinez-Palmer 2008, Zhao 2010

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat haloklachten vaker voorkomen bij multifocale lenzen dan bij monofocale lenzen.

 

B: Cillino 2008, Zhao 2010

Asferische versus sferische lenzen

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat de contrastgevoeligheid beter is met de asferische Acrysof IQ SN60WF lens dan met de sferische Acrysof Natural lens.

 

B: Luo 2010, Trueb 2009

 

Niveau 3

Er zijn geen aanwijzingen dat er een verschil in contrastgevoeligheid is tussen de asferische Tecnis Z9003 lens en de sferische AR40e lens.

 

B: Munoz 2011

C: van Gaalen 2010

Torische versus monofocale lenzen

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat de ongecorrigeerde visus voor verte afstand beter is met torische lenzen dan met niet-torische monofocale lenzen.

 

B: Holland 2010

C: Mingo-Botin 2010

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat de refractieve restcilinder kleiner is met torische lenzen dan met niet-torische monofocale lenzen.

 

B: Holland 2010

C: Mingo-Botin 2010

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat het percentage dat brilonafhankelijk is na implantatie van torische lenzen hoger is dan na implantatie van niet-torische monofocale lenzen.

 

B: Holland 2010

C: Mingo-Botin 2010

Accommoderende versus monofocale lenzen

Niveau 2

Het is aannemelijk dat er geen verschil is in verte-gecorrigeerde visus voor leesafstand tussen accommoderende lenzen en monofocale lenzen.[zie bovenstaande opmerkingen]

 

B: Takakura 2010 (meta-analyse van 12 RCTs van niveau B/C)

 

Niveau 2

Het is onduidelijk of de anterior lens shift groter is met accommoderende lenzen dan met monofocale lenzen.

 

B: Takakura 2010 (meta-analyse van 12 RCTs van niveau B/C)

Samenvatting literatuur

Multifocale versus monofocale lenzen

Er waren vier RCTs die multifocale versus monofocale lenzen voor implantatie bij patiënten met cataract vergeleken (Alio et al., 2011; Cillino et al., 2008; Martinez Palmer et al., 2008; Zhao et al., 2010). De kwaliteit van de studies was over het algemeen matig doordat de randomisatie procedure vaak niet beschreven was en de te vergelijken groepen klein waren (imprecisie van resultaten). De resultaten van de studies konden niet gepoold worden door variatie in het rapporteren van uitkomstmaten en het gebruik van verschillende typen lenzen en vergelijkingen. De resultaten van de studies zullen hieronder per uitkomstmaat besproken worden. Een overzicht van de studies is te vinden in tabel 8.1.

 

Ongecorrigeerde visus voor verte afstand (UDVA)

Geen van de studies vond een statistisch significant verschil in UDVA tussen multifocale of monofocale lenzen.

 

Ongecorrigeerde visus voor intermediaire afstand (UIVA)

Eén studie (Cillino et al., 2008) vond dat de UIVA statistisch significant beter was met refractieve multifocale lenzen (ReZoom) in vergelijking met monofocale lenzen (AR40).


Ongecorrigeerde visus voor leesafstand (UNVA)

Drie studies (Alio et al., 2011; Cillino et al., 2008; Zhao et al., 2010) vonden dat de UNVA statistisch significant beter was met multifocale lenzen dan met monofocale lenzen.

 

Contrastgevoeligheid (CS)

Drie studies (Alio et al., 2011; Martinez-Palmer et al., 2008; Zhao et al., 2010) vonden dat de contrastgevoeligheid statistisch significant beter was met monofocale lenzen dan met multifocale lenzen.

 

Brilonafhankelijkheid

Het percentage personen dat brilonafhankelijk was geworden na implantatie van een multifocale lens (44-88%) was statistisch significant hoger dan na implantatie van een monofocale lens (4-24%) (Cillino et al., 2008; Martinez-Palmer et al., 2008; Zhao et al., 2010).

 

Optreden van glare en/of halo klachten

Glare klachten traden statistisch significant vaker op bij de multifocale lens ReZoom (33%) dan bij andere multifocale lenzen (SA40N: 6%, ZM900: 6%) en monofocale lenzen (7%) (Cillino et al., 2008). De studie van Zhao (2010) vond geen statistisch significant verschil in glare klachten tussen de multifocale lens (AcrySof ReSTOR SA60D3:7%) en monofocale lens (AcrySof SA60AT: 8%)

 

Halo klachten kwamen statistisch significant vaker voor bij multifocale lenzen versus monofocale lenzen (Cillino et al., 2008; Zhao et al., 2010).

 

Dysphotopsia klachten kwamen statistisch significant vaker bij de multifocale lens ZM900 (81%) vergeleken met andere multifocale lenzen (ReZoom:53% en TwinSet: 47%) en monofocale lenzen (48%) (Martinez-Palmer et al., 2008).

 

Tabel 8.1 Overzicht van RCTs multifocale versus monofocale lenzen

Studie en aantal (N)

Interventie(s)

Controle

Follow-up duur

Uitkomstmaten

Alio, 2011

 

N=53

(106 ogen)

 

-   adopized multifocaal (AcrySof ReSTOR SN6AD3, Alcon)

-   diffractief multifocaal (Acri.LISA 366D, Carl Zeiss Meditec AG)

monofocaal

(Acri.Smart 48S, Carl Zeiss Meditec AG)

3 maanden postoperatief

-   UDVA (logMAR)

-   UNVA (logRAD)

-   CS

 

Cilino, 2008

 

N=68

(136 ogen)

 

-   refractief multifocaal (Array SA40N, AMO)

-   refractief multifocaal (ReZoom, AMO)

-   diffractief multifocaal (Tecnis ZM900, AMO)

monofocaal

(AR40, AMO)

1 jaar postoperatief

-   UDVA (decimalen)

-   UIVA (decimalen)

-   UNVA (decimalen)

-   Brilonafhankelijkheid

-   Halos en glares

Martinez-Palmer, 2008

 

N=114

(228 ogen)

-   diffractief multifocaal (Tecnis ZM900, AMO)

-   refractief multifocaal (ReZoom, AMO)

-   diffractief multifocaal (TwinSet, Acri.Tec)

monofocaal

(Tecnis Z9000, AMO)

3 maanden postoperatief

-   UDVA (logMAR)

-   CS

-   Brilonafhankelijkheid

-   Dysphotopsia

Zhao, 2010

 

N=161

(161 ogen)

-   multifocaal (AcrySof ReSTOR SA60D3, Alcon)

monofocaal

(AcrySof SA60AT, Alcon)

6 maanden postoperatief

-   UDVA (alleen grafiek)

-   UNVA (alleen grafiek)

-   CS

-   Brilonafhankelijkheid

-   Halos en glares

 

 

Asferische versus sferische lenzen

 

Er waren vier RCTs die asferische monofocale versus sferische monofocale lenzen voor implantatie bij patiënten met cataract vergeleken (Luo, Ji, Zhao, & Fan, 2010; Munoz, Albarran-Diego, Galotto, Pascual, & Ferrer-Blasco, 2011; Trueb, Albach, Montes-Mico, & Ferrer-Blasco, 2009; van Gaalen, Koopmans, Jansonius, & Kooijman, 2010). De kwaliteit van de studies was over het algemeen matig doordat de randomisatie procedure niet beschreven was en de follow-up duur vrij kort was of variabel (≥ zes weken tot zes maanden postoperatief). De resultaten van de studies konden niet gepoold worden door variatie in het rapporteren van uitkomstmaten en het gebruik van verschillende typen lenzen en vergelijkingen. De resultaten van de studies zullen hieronder per uitkomstmaat besproken worden. Een overzicht van de studies is te vinden in tabel 7.2.

 

Contrastgevoeligheid (CS)

 

Twee studies (Luo et al., 2010; Trueb et al., 2009) vonden dat de contrastgevoeligheid statistisch significant beter was met asferische lenzen (Acrysof IQ SN60WF) dan met sferische lenzen (Acrysof Natural). De andere twee studies (van Gaalen et al., 2010; Munoz et al., 2011) vonden geen statistisch significant verschil in contrastgevoeligheid tussen asferische (Tecnis Z9003) en sferische (AR40e) lenzen.

 

Tabel 8.2 Overzicht van RCTs asferische monofocale versus sferische monofocale lenzen

 

Studie en aantal (N)

Interventie

Controle

Follow-up duur

Uitkomstmaten

van Gaalen, 2010

 

N=38 (76 ogen)

asferisch monofocaal

(Tecnis ZA9003, AMO)

sferisch monofocaal

(SensarAR40e, AMO)

≥ 6 weken postoperatief

CS (fotopisch; 3 en 6 cpd)

Luo, 2010

 

N=260

(260 ogen)

asferisch monofocaal

 (Acrysof IQ SN60WF, Alcon)

sferisch monofocaal

 (Acrysof Natural, Alcon)

3 maanden postoperatief

CS (fotopisch en mesopisch; 0,7-6,3 spatiele frequenties)

 

Munoz, 2011

 

N=60 (120 ogen)

asferisch monofocaal

 (Tecnis Z9003, AMO)

sferisch monofocaal

 (AR40e, AMO)

6 maanden postoperatief

CS (fotopisch en mesopisch;1,5, 3, 6, 12, 18 cpd)

Trueb, 2009

 

N=262

(524 ogen)

asferisch monofocaal

 (Acrysof IQ SN60WF, Alcon)

sferisch monofocaal

 (Acrysof Natural SN60AT, Alcon)

1-3 maanden postoperatief

CS (fotopisch en mesopisch;1,5, 3, 6, 12, 18 cpd)

 

 

Torische versus monofocale lenzen

Er waren twee RCTs die torische versus monofocale lenzen voor implantatie bij patiënten met cataract vergeleken (Holland et al., 2010; Mingo-Botin et al., 2010). De kwaliteit van de studies was matig tot laag doordat de randomisatie procedure niet of onvoldoende beschreven was en er geen sprake was van blindering van de patiënten en/of onderzoekers (niet mogelijk voor de operateur). De resultaten van de studies konden niet gepoold worden door variatie in het rapporteren van uitkomstmaten en het gebruik van verschillende typen lenzen en vergelijkingen. De resultaten van de studies zullen hieronder per uitkomstmaat besproken worden. Een overzicht van de studies is te vinden in tabel 8.3.

 

Ongecorrigeerde visus voor verte afstand (UDVA)

Beide studies vonden dat de UDVA statistisch significant beter was met torische dan met monofocale lenzen, ongeacht de mate van preoperatief corneaal astigmatisme (0,75 tot ≥ 2,00 diopter) (Holland et al., 2010; Mingo-Botin et al., 2010).

 

Restcylinder

In beide studies was de gemiddelde absolute refractieve restcilinder statistisch significant kleiner met torische lenzen dan met monofocale lenzen.

 

Brilonafhankelijkheid

Het percentage personen dat brilonafhankelijk (voor verte) was geworden drie tot zes maanden na implantatie van een torische lens (61-85%), was (statistisch) significant hoger dan na implantatie van een monofocale lens (36-55%) (unilaterale resultaten).

 

Tabel 8.3 Overzicht van RCTs torische versus monofocale lenzen

Studie en aantal (N)

Interventie(s)

Controle

Follow-up duur

Uitkomstmaten

Holland, 2010

 

N=517

(517 ogen)

 

torisch

(AcrySof Toric SA60T3, SA60T4, SA60T5, Alcon)

 

monofocaal

(AcrySof spherical SA60AT, Alcon)

1 jaar postoperatief

-   UDVA (logMAR)

-   restcylinder

-   brilonafhankelijkheid

Mingo-Botin, 2010

 

N=40

(40 ogen)

torisch

(AcrySof Toric SN60T3, SN60T4, SN60T5, Alcon)

 

monofocaal

(Acrysof Natural SN60AT, Alcon)

3 maanden postoperatief

-   UDVA (logMAR)

-   restcylinder

-   brilonafhankelijkheid

 

 

Accommoderende versus monofocale lenzen

Er was één meta-analyse van 12 RCTs die accommoderende versus monofocale lenzen voor implantatie bij patiënten met cataract vergeleek (Takakura, Iyer, Adams, & Pepin, 2010). De kwaliteit van de 12 studies was matig tot laag doordat de randomisatie procedure niet of onvoldoende beschreven was, er geen sprake was van blindering van de patiënten en/of onderzoekers of blindering onduidelijk was en patiëntenuitval niet beschreven of hoog was (>30% in 4 RCTs). De resultaten van de studies werden gepoold, maar bleken heterogeen (I2 >50%). Er werd geen verklaring gevonden voor deze heterogeniteit. De meta-analyse rapporteerde geen van de vastgestelde uitkomstmaten. De resultaten van de meta-analyse zullen hieronder per uitkomstmaat besproken worden. Een overzicht van de meta-analyse is te vinden in tabel 8.4.

 

Verte-gecorrigeerde visus voor leesafstand

Het gepoolde resultaat van zes RCTs (N=179 ogen) (I2=43%) leverde geen statistisch significant verschil op in verte-gecorrigeerde visus voor leesafstand tussen accommoderende en monofocale lenzen (gestandaardiseerde gemiddelde verschil: -0,16; 95%BI -0,56 tot 0,25).

 

Pilocarpine geïnduceerde IOL shift

Het gepoolde resultaat van vier RCTs (N=182 ogen) toonde een statistisch significant grotere anterior lens shift met accommoderende dan met monofocale lenzen (gewogen gemiddelde verschil: -0,36; 95%BI -0,47 tot -0,24). De studies waren echter heterogeen (I2=58%).

 

Tabel 8.4 Overzicht van meta-analyse accommoderende versus multifocale versus monofocale lenzen

Studie

Interventie(s)

Controle

Follow-up duur

Uitkomstmaten

Takakura, 2010

(meta-analyse van 12 RCTs gepubliceerd tussen 1999 en 2008)

 

N=727 ogen

accommoderend

(1CU, HumanOptics AG; BioComFold; KH-3500)

 

Monofocaal

(divers)

4 weken tot 3 jaar postoperatief

-   Verte-gecorrigeerde visus voor leesafstand

-   Pilocarpine geïnduceerde IOL shift

 

Zoeken en selecteren

In de databases Medline en Embase is met relevante zoektermen gezocht vanaf 2004 naar studies die IOLs bij cataractoperatie vergelijken. De zoekstrategie is weergegeven in de tabel hieronder. De literatuurzoekactie leverde 118 treffers op. Studies die voldeden aan de volgende selectiecriteria zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur: origineel onderzoek; gerandomiseerd onderzoek (RCT); en multifocaal versus monofocaal, asferisch versus sferisch, torisch versus monofocaal, accommoderend versus monofocaal; en die tenminste één van in de inleiding genoemde uitkomstmaten evalueren; en gepubliceerd vanaf 2008. In totaal betrof dit 10 RCTs en één meta-analyse van RCTs.

Referenties

  1. Alio, J. L., Plaza-Puche, A. B., Pinero, D. P., Amparo, F., Rodriguez-Prats, J. L., & Ayala, M. J. (2011). Quality of life evaluation after implantation of 2 multifocal intraocular lens models and a monofocal model. J Cataract Refract Surg, 37, 638-648.
  2. Cillino, S., Casuccio, A., Di Pace, F., Morreale, R., Pillitteri, F., Cillino, G., & Lodato, G. (2008). One-year outcomes with new-generation multifocal intraocular lenses. Ophthalmology, 115, 1508-1516.
  3. Holland, E., Lane, S., Horn, J. D., Ernest, P., Arleo, R., & Miller, K. M. (2010). The AcrySof Toric intraocular lens in subjects with cataracts and corneal astigmatism: a randomized, subject-masked, parallel-group, 1-year study. Ophthalmology, 117, 2104-2111.
  4. Ito, M., & Shimizu K. (2009). Reading ability with pseudophakic monovision and with refractive multifocal intraocular lenses: comparative study. J Cataract Refract Surg, 35, 1501-4.
  5. Luo, M., Ji, J., Zhao, C., & Fan, X. (2010). Clinical study of Acrysof IQ aspheric intraocular lenses. Clin Experiment Ophthalmol, 38, 358-362.
  6. Martinez Palmer, A., Gomez Faina, P., Espana Albelda, A., Comas Serrano, M., Nahra Saad, D., & Castilla Cespedes, M. (2008). Visual function with bilateral implantation of monofocal and multifocal intraocular lenses: a prospective, randomized, controlled clinical trial. J Refract Surg, 24, 257-264.
  7. Mingo-Botin, D., Munoz-Negrete, F. J., Won Kim, H. R., Morcillo-Laiz, R., Rebolleda, G., & Oblanca, N. (2010). Comparison of toric intraocular lenses and peripheral corneal relaxing incisions to treat astigmatism during cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 36, 1700-1708.
  8. Munoz, G., Albarran-Diego, C., Galotto, M. A., Pascual, J., & Ferrer-Blasco, T. (2011). Lack of effect of intraocular lens asphericity on visual performance with acrylic intraocular lenses. Eur J Ophthalmol, 21, 723-731.
  9. Takakura, A., Iyer, P., Adams, J. R., & Pepin, S. M. (2010). Functional assessment of accommodating intraocular lenses versus monofocal intraocular lenses in cataract surgery: metaanalysis. J Cataract Refract Surg, 36, 380-388.
  10. Trueb, P. R., Albach, C., Montes-Mico, R., & Ferrer-Blasco, T. (2009). Visual acuity and contrast sensitivity in eyes implanted with aspheric and spherical intraocular lenses. Ophthalmology, 116, 890-895.
  11. van Gaalen, K. W., Koopmans, S. A., Jansonius, N. M., & Kooijman, A. C. (2010). Clinical comparison of the optical performance of aspheric and spherical intraocular lenses. J Cataract Refract Surg, 36, 34-43.
  12. Vasavada, A. R., Raj, S. M., Shah, A., Shah, G., & Vasavada, V. (2011). Comparison of posterior capsule opacification with hydrophobic acrylic and hydrophilic acrylic intraocular lenses. J Cataract Refract Surg, 37, 1050-1059.
  13. Zhang, F., Sugar, A., Jacobsen, G., & Collins, M. (2011). Visual function and patiënt satisfaction: Comparison between bilateral diffractive multifocal intraocular lenses and monovision pseudophakia. J Cataract Refract Surg, 37, 446-53.
  14. Zhang, F., Sugar, A., Jacobsen, G., & Collins, M. (2011). Visual function and spectacle independence after cataract surgery: bilateral diffractive multifocal intraocular lenses versus monovision pseudophakia. J Cataract Refract Surg, 37, 853-8.
  15. Zhao, G., Zhang, J., Zhou, Y., Hu, L., Che, C., & Jiang, N. (2010). Visual function after monocular implantation of apodized diffractive multifocal or single-piece monofocal intraocular lens Randomized prospective comparison. J Cataract Refract Surg, 36, 282-285.

Evidence tabellen

Study reference

Study characteristics

Patiënt characteristics

Intervention (I)

Comparison / control (C)

Follow-up

Outcome measures

Level of evidence

Multifocal versus monofocal IOL

 

Alio, 2011

RCT

N=53 patiënts (106 eyes)

 

Country:

Spain

 

Source of funding:

Not stated

Inclusion criteria:

cataract (Lens Opacity Classification

System III: NO1, C1, P1, or more severity) causing a significant reduction in visual quality, older than 45 years, and a minimum education level (reading ability).

 

Exclusion criteria:

active ocular disease and astigmatism > 3.00 diopters

 

Groups comparable at baseline?

statistically significant differences in sphere (P=0.02) and binocular logRAD corrected near visual acuity (CNVA) (P=0.03) between the groups

N=19 group B

N=21 group C

 

Multifocal IOLs:

- AcrySof ReSTOR SN6AD3 (Alcon Laboratories, Inc.) (group B)

 

-Acri.LISA 366D (Carl Zeiss Meditec AG) (group C)

 

All patiënts received

the same IOL model in both eyes (ie, no mix and match)

N=13 group A

 

Monofocal IOL:

- Acri.Smart 48S (Carl Zeiss Meditec AG) (Group A)

Endpoint of follow-up:

3 months after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

 

 

 

 

Means ± SD and p-values

 

Uncorrected distance visual acuity (UDVA, logMAR):

monocular:

group A: 0.09 ± 0.14

group B: 0.13 ± 0.13

group C: 0.10 ± 0.11

p < 0.01

binocular:

group A: 0.03 ± 0.06

group B: 0.05 ± 0.08

group C: 0.05 ± 0.10

p=0.49

 

binocular uncorrected near visual acuity (UNVA, logRAD)

group A: 0.47 ± 0.22

group B: 0.28 ± 0.04

group C: 0.19 ± 0.08

p < 0.01

 

Photopic contrast sensitivity (CS) at 3, 6, 12, 18 cpd:

better in Group A (vs. B or C) (p≤0.03)

 

Quality of life (NEI VFQ-25 and 39):

Groups B and C had less difficulty than Group A in reading the newspaper

and bills (P ≤ 0.04).

Groups B and C had less difficulty than Group A performing hobbies that required near vision (P ≤ 0.01).

Group C had less difficulty driving at night than Group B (P=0.01).

C

-   Small sample sizes of the intervention and control groups N=13, 19, 21) (imprecision of results)

-   Short follow-up (3 months)

-   UNVA expressed as logRAD (not as logMAR)

Cillino, 2008

RCT

N=68 patiënts

(136 eyes)

 

Country:

Italy

 

Source of funding:

None stated

Inclusion criteria:

bilateral juvenile or senile cataract, visually significant

(ie, Snellen visual acuity < 20/30) in at least 1 eye; corneal

astigmatism not > 1.0 diopter, and capability of understanding

and signing the informed consent.

 

Exclusion criteria:

age less than 21 years; pre-cataract myopia or hyperopia > 3 D; history of amblyopia; fundus abnormalities that could cause significant vision impairment; previous surgical intraocular procedures; and ocular comorbidities, such as previous trauma, glaucoma, diabetic

retinopathy, pseudoexfoliation syndrome, chronic uveitis, corneal opacities, senile miosis or hyporeactive pupil, or alpha-antagonist (tamsulosin) treatment, which might induce floppy iris syndrome.

Intraoperative exclusion criteria were iris pupillary trauma,

vitreous loss, and inability to place the IOL in the capsular bag.

 

Groups comparable at baseline?

No significant intergroup differences in age, sex, and preoperative spherical equivalent. Preoperative

photopic and mesopic pupil diameters and BCVA were

comparable among groups. The mean preoperative VF-7 scores

did not statistically differ in the 4 groups.

N=15 group 3

N=16 group 4

 

2 newer-generation multifocal IOLs:

- multifocal refractive (ReZoom, AMO) (group 3)

- multifocal diffractive pupil-independent (Tecnis ZM900, AMO) (group 4)

 

Surgery in the second eye was performed 1 month later, with the same type of IOL implanted in the second eye.

N=15 group 1

N=16 group 2

 

- monofocal IOL (AR 40, Advanced Medical Optics [AMO], Santa Ana) (group 1)

 

- older-generation multifocal refractive IOL (Array SA40N, AMO Array) (group 2)

 

Endpoint of follow-up:

1 year after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

N=6 (16%)

 

Four patiënts

withdrew after randomization or during the postoperative period.

Two patiënts were excluded from the analysis because of the presence of capsular fibrosis at 1 week postoperatively.

 

Intention to treat analysis?

No

 

Means ± SD and p-values

 

Monocular uncorrected distance visual acuity (UDVA) (Snellen)

Group 1: 0.79 ± 0.29

Group 2: 0.87 ± 0.21

Group 3: 0.86 ± 0.27

Group 4: 0.69 ± 0.16

P=0.134

 

Monocular uncorrected intermediate visual acuity (UIVA) (Snellen)

Group 1: 0.61 ± 0.05

Group 2: 0.67 ± 0.07

Group 3: 0.75 ± 0.13

Group 4: 0.69 ± 0.04

P=0.001

 

Monocular uncorrected near visual acuity (UNVA) (Snellen)

Group 1: 0.42 ± 0.13

Group 2: 0.63 ± 0.09

Group 3:0.61 ± 0.14

Group 4: 0.72 ± 0.18

P<0.0005

 

Patiënt overall satisfaction

(1 low - 5 high)

Group 1: 4.6 ± 0.3

Group 2: 4.4 ± 0.5

Group 3:4.5 ± 0.4

Group 4: 4.7 ± 0.4

P=0.071

 

Halos N (%)

Group 1: 0

Group 2: 7 (43.8%)

Group 3: 9 (60%)

Group 4: 2 (12.5%)

P<0.01

 

Glares N (%)

Group 1: 1 (6.7%)

Group 2: 1 (6.3%)

Group 3: 5 (33.3%)

Group 4: 1 (6.3%)

P>0.05

 

Complete spectacle independence N (%)

Group 1: 3 (20%)

Group 2: 7 (43.7%)

Group 3: 8 (53.3%)

Group 4: 14 (87.5%)

P<0.05

B

-   Small sample sizes of the intervention and control groups N=15,16, 15,16) (imprecision of results)

-   Adequate follow-up (1 year)

-   VA expressed as decimals (not as logMAR)

Martinez Palmer,

2008

RCT

N=114

(228 eyes)

 

Country:

Spain

 

Source of funding:

authors have no financial interest in the materials presented in article

Inclusion criteria:

both eyes had to be

healthy, with no disease except cataract

 

Exclusion criteria:

Professional

Drivers

 

Groups comparable at baseline?

patiënt characteristics in the four study

groups were not statistically significant

Group A n=26:

multifocal IOL,

including diffractive Tecnis ZM900 AMO)

 

group B n=32:

multifocal IOL,

including refractive

ReZoom (AMO)

 

Group C n=32:

Multifocal IOL, including diffractive Twin-Set (Acri.Tec, Hemmingsdorf, Germany)

 

Both eyes were operated within 1 week.

Group D n=24:

monofocal

prolate aspherical IOL (Tecnis Z9000; AMO, Santa Ana, Calif)

Endpoint of follow-up:

3 months postoperatively

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

UDVA (logMAR):

Group A: 0.18 (0.10)

Group B: 0.14 (0.12)

Group C: 0.16 (0.12)

Group D: 0.13 (0.09)

P=0.31

 

UNVA not reported

 

CS at 1.5, 3, 6, 12, 18 cpd and under scotopic and mesopic conditions:

Monofocal significantly better than multifocals

 

Spectacle independence:

Group A: 77%

Group B: 44%

Group C: 87.5%

Group D: 4%

(No statistical analysis)

 

Dysphotopsia phenomena:

Group A: 81%

Group B: 53%

Group C: 47%

Group D: 48%

P=0.01

B

-   Small sample sizes of the intervention and control groups N=24, 26, 32, 32) (imprecision of results)

-   Short follow-up (3 months)

-   UNVA not reported

Zhao, 2010

RCT

N= 161 patiënts

(161 eyes)

 

Country:

China

 

Source of funding:

No author has a financial or proprietary interest in any material or method

mentioned.

Inclusion criteria:

corrected distanc visual acuity

(CDVA) and uncorrected distance visual acuity (UDVA) worse than 10/25, nuclear hardness from grade II to IV on

the Emery-Little classification,1 corneal astigmatism less than 1.50 diopters (D), corneal endothelium cell count

greater than 2000 cells/mm2, and the ability to understand and sign an informed consent form

 

Exclusion criteria:

age younger than 21 years, myopia or hyperopia greater than 3.00 D, history of amblyopia, fundus abnormalities that could cause significant vision impairment, previous intraocular surgery, ocular comorbidity (eg, previous trauma, glaucoma, diabetic retinopathy, pseudoexfoliation

syndrome, chronic uveitis, corneal opacity, senile miosis hyporeactive pupil), or a-antagonist (tamsulosin) treatment because of the risk for floppy-iris syndrome. Intraoperative

exclusion criteria were iris pupil trauma, vitreous loss, and IOL implantation outside the capsular bag

 

Groups comparable at baseline?

no statistically significant differences in any characteristic between the multifocal group and the monofocal group

N=72

 

AcrySof ReSTOR SA60D3 multifocal IOL (Alcon, Inc.)

 

Unilateral cataract surgery

N=89

 

AcrySof SA60AT single-piece monofocal IOL (Alcon, Inc.)

Endpoint of follow-up:

6 months after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

 

 

UDVA:

No statistically significant

differences between groups.

 

UNVA:

multifocal group had statistically significantly better UNVA than the monofocal Group (p<0.05).

 

contrast sensitivity:

only at 3 cycles per degree, the monofocal group had statistically significantly better contrast sensitivity than the multifocal group (P < 0.05)

Halos N (%)

multi: 31 (43.1%)

mono: 18 (20.2%)

P<0.01

 

Glares N (%)

multi: 5 (6.9%)

mono: 7 (7.8%)

P > 0.05

 

Spectacle independent: N (%)

multi: 48 (66.6%)

mono: 21 (23.5%)

P < 0.05

B

-   VA results only illustrated in graph and not in table with numbers (imprecise results)

-   Follow-up was 6 months

 

 

Asperic versus spherical IOL

 

Van Gaalen, 2010

RCT

N=38 patiënts (76 eyes)

 

Country:

Netherlands

 

Source of funding:

None stated

Inclusion criteria:

patiënts

who had cataract extraction and bilateral IOL implantation at the University Medical Center of Groningen, postoperative corrected distance visual acuity (CDVA), determined using an Early Treatment Diabetic Retinopathy Study chart, had to be at least 0.8 (20/25) in both eyes for the patiënt

 

Exclusion criteria:

uveitis, retinal and optic nerve pathology (eg, macular degeneration, diabetic retinopathy,

glaucoma), corneal opacities and irregularities, amblyopia, and complications during cataract surgery; that is, any concurrent disease that might influence the optical or neural performance

of the eye. Patiënts with a refractive error of more

than G 2.00 diopters (D) spherical equivalent after cataract extraction in either eye were excluded, as were patiënts with astigmatism greater than 2.50 D.

 

Groups comparable at baseline?

Not reported

- aspheric Tecnis ZA9003 IOL in 1 eye

 

Surgery in the second eye was scheduled at

least 1 month after surgery in the first eye

- spherical SensarAR40e IOL in fellow-eye (both Abbott Medical Optics, Inc.)

 

Endpoint of follow-up:

At least 6 weeks after second eye surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

8/38 (21%)

Two patiënts were excluded because they no longer wished to participate, 3 patiënts because the

postoperative CDVA was worse than 0.8 in at least 1

eye, and 1 patiënt each because of a high postoperative

cylindrical correction, intraoperative capsule rupture, or inability to complete the contrast sensitivity tests. Unclear if they were excluded before or after randomisation

 

Intention to treat analysis?

No

Uncorrected VA not reported

 

Contrast sensitivity (photopic):

With optimum focus and a 5.0 mm artificial pupil, there were no statistically significant differences in vertical sine-modulated gratings (VSG) and Holladay automated contrast sensitivity testing system (HACSS) contrast sensitivity measurements at 3 cpd or 6 cpd between the aspheric IOL and the spherical IOL.

C

-   Small sample size (N=38)

-   Variable follow-up (at least 6 weeks after surgery)

-   Patiënt own control: one eye aspheric, fellow-eye spherical IOL

-   High loss to follow-up and no ITT

Luo, 2010

RCT

N=260 patiënts

(260 eyes)

 

Country:

China

 

Source of funding:

Shanghai Leading Academic Discipline Project (S30205)

Inclusion criteria:

patiënts with age-related cataract, age

between 50 and 80 years old

 

Exclusion criteria:

any ocular diseases, such as corneal astigmatism more than 1.5 diopters, glaucoma, retinal abnormalities, surgical complications and loss of follow-up

 

Groups comparable at baseline?

no significant differences between the groups in age, IOL power, refractive power or mean follow-up.

N=124

 

Aspheric Acrysof IQ IOL (SN 60 WF Alcon)

 

Unilateral cataract surgery

N=136

 

Alcon Acrysof Natural IOL

Endpoint of follow-up:

90 days after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

 

Uncorrected VA not reported

 

Contrast sensitivity (photopic and mesopic):

Photopic:

In 4.0–0.7 spatial frequency, the patiënts implanted with the Acrysof IQ showed better CS than the control group (p ≤ 0.04).

Mesopic:

In 6.3–0.7 spatial frequency, the patiënts implanted with the Acrysof IQ showed better CS than the control group (p ≤ 0.03).

B

-   Short follow-up (3 months)

 

Munoz, 2011

RCT

N=60

(120 eyes)

 

Country:

Spain

 

Source of funding:

The authors report no proprietary interest or financial support.

Inclusion criteria:

patiënts needing bilateral

cataract surgery

 

Exclusion criteria:

potential visual acuity worse than 20/40, history of uveitis

or posterior synechiae, keratoconus, corneal irregularity,

corneal dystrophy, central endothelial cell count less than

2,250 cells/mm2, glaucoma or intraocular pressure greater

than 21 mm Hg, and existing retinal or optic disc pathology

 

Groups comparable at baseline?

N=?

 

aspheric acrylic Tecnis Z9003 IOL

 

Patiënts were randomized

to receive a Tecnis Z9003 IOL in the right or left

eye. The fellow eye received the control IOL (AR40e).

The second eye was operated within 1

week of the first.

N=?

 

Standard spherical acrylic AR40e IOL

Endpoint of follow-up:

6 months after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

4/60=7%

Reasons of loss to follow-up not described

 

Intention to treat analysis?

No

 

 

UDVA and UNVA not reported

 

Contrast sensitivity: no significant differences between the Tecnis Z9003 IOL and the AR40e IOLs under photopic or mesopic conditions at any of the spatial frequencies (1.5, 3, 6, 12, 18 cpd) studied

B

-   6 month follow-up

-   Unclear how many patiënts were in each group

-   Patiënt own control: one eye aspheric, fellow-eye spherical IOL

Trueb, 2009

RCT

N=262 patiënts

(524 eyes)

 

Country:

Switzerland

 

Source of funding:

The author(s) have no proprietary or commercial interest in any materials discussed

in this article.

Inclusion criteria:

age between 50 and 80 years, good

general health, no ocular pathologic features, and no complications

during surgery.

 

Exclusion criteria:

history of glaucoma or

retinal detachment, corneal disease, previous corneal or intraocular

surgery, abnormal iris, pupil deformation, macular degeneration or retinopathy, neuro-ophthalmic diseases, and history of prior ocular

inflammation

 

Groups comparable at baseline?

No significant difference in age, sex, IOL power, or pupil diameter between the groups.

N=131

 

AcrySof IQ IOL (SN60WF model; Alcon, Fort Worth, TX)

 

Bilateral cataract surgery

N=131

 

AcrySof Natural IOL (SN60AT model; Alcon)

Endpoint of follow-up:

1-3 months after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

 

 

Contrast sensitivity (photopic and mesotopic, monocular and binocular):

Statistically significant better for eyes implanted with the AcrySof IQ at 6, 12, and 18 cpd under photopic conditions and at 3, 6, 12, and 18 cpd under mesopic conditions (p < 0.001).

B

-   Short follow-up (1-3 months)

 

 

 

Toric versus monofocal IOL

 

Holland, 2010

RCT

N=517 patiënts

(517 eyes)

 

Country:

USA

 

Source of funding:

Sponsored by Alcon Laboratories, Inc., Fort Worth, Texas

Inclusion criteria:

≥ 21 years of age, and had unilateral or bilateral age-related cataracts necessitating surgery, preoperative best distance visual acuity < 0.2 logarithm of the minimum angle of resolution (logMAR; if best distance visual acuity was ≥ 0.2 logMAR, best distance visual acuity with a brightness acuity tester on medium setting had to be < 0.2 logMAR); need for spherical IOL correction between 12.00 and 25.00 D; pupil dilation of ≥ 6 mm; and ≥ 0.75 D of preoperative with-the-rule or oblique regular corneal astigmatism or ≥ 1.00 D of preoperative against-the-rule regular corneal astigmatism, as measured by keratometry and confirmed by corneal topography.

 

Exclusion criteria:

pregnancy, lactation, corneal abnormality, previous corneal surgery, amblyopia, uncontrolled glaucoma, clinically significant macular changes, history of macular edema, proliferative diabetic retinopathy, iris neovascularization, history of retinal detachment, history of uveitis/iritis, extremely shallow anterior chamber, optic atrophy, microphthalmos, recurrent intraocular inflammation of unknown etiology, or blind or absent fellow eye. Subjects were also excluded based on intraoperative events or findings, including additional surgery (e.g., glaucoma

surgery, or limbal relaxing incisions), vitreous loss, significant anterior chamber hyphema, uncontrollable positive intraocular pressure, zonular damage, capsulorrhexis tear, capsular

rupture, or inability to place the optic and both haptics of the IOL into the capsular bag.

 

Groups comparable at baseline?

Not reported

N=256

AcrySof Toric IOL models SA60T3, SA60T4, and SA60T5 (Alcon Laboratories, Inc.)

 

Sixty days after cataract surgery and implantation of a toric or spherical IOL as part of the study, subjects could receive the same

type of IOL (toric or spherical) in the fellow eye if the fellow eye

also met study eligibility criteria.

 

This manuscript reports study results for only the first eye of each subject who underwent

implantation and does not include study results for fellow eye

cataract surgery and IOL implantation.

N=261

AcrySof spherical IOL SA60AT (Alcon Laboratories, Inc.)

Endpoint of follow-up:

1 year after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

37/517 (7%)

 

Results exclude subjects who received IOLs but discontinued (AcrySof

Toric IOL, n=4; control IOL, n=2) or were lost to follow-up (AcrySof Toric IOL, n=9; control IOL, n=22).

 

Intention to treat analysis?

No

 

uncorrected distance visual acuity (UDVA):

overall, the cumulative UDVA results with an AcrySof Toric IOL were significantly better than with the control IOL (P<0.05). The UDVA results were superior with the AcrySof Toric IOL, whether preoperative corneal astigmatism was mild (0.75 to < 1.50 D) (P=0.0002), moderate (≥ 1.50 to < 2.00 D)) (P=0.0094), or high (≥ 2.00d) (P=0.0002).

 

Absolute residual refractive cylinder:

mean was 0.59 D for the AcrySof Toric IOL and 1.22 D for the control IOL (p<0.0001).

 

Patiënt-reported spectacle use:

6 months after surgery, 61.0% of subjects with the AcrySof Toric IOL reported spectacle independence for distance vision compared with 36.4% of those with the control IOL (p < 0.0001) (unilateral results)

 

Adverse events:

with both lenses, adverse events were few and were generally those typically associated with cataract surgery. Macular edema developed in 6 eyes (2.3%) with the AcrySof Toric IOL and in 2 eyes (0.8%) with the control IOL. One eye with the AcrySof Toric IOL (0.4%) and no eyes with the control IOL had a retinal detachment. Four eyes (1.6%) receiving the AcrySof Toric IOL underwent additional operative intervention. One eye (0.4%) with a control IOL required residual crystalline lens fragment removal.

B

With regard to the 0.75 to <1.50 D group, an interim analysis of conditional power was calculated by combining available data and data predicted by the null hypothesis. The conditional power was > 95%, which suggested that a lower sample size was justified and supported early termination of enrollment, with final sample sizes of 117 for SA60T3 and 132 for the control IOL.

Mingo-Botin, 2010

RCT

N=40 patiënts

(40 eyes)

 

Country:

Spain

 

Source of funding:

No author has a financial or proprietary interest in any material or method

mentioned.

Inclusion criteria:

visually significant cataract, regular

corneal astigmatism between 1.00 D and 3.00 D, and pharmacologic mydriasis of at least 6.0 mm to allow intraoperative and postoperative visualization of axis marks on the toric IOL.

 

Exclusion criteria:

would lead to poor postoperative corrected visual acuity (corneal scarring, uveitis, advanced glaucoma, neuroophthalmic

disease, significant macular disease or other retinopathy), zonule or pupil abnormalities, and irregular astigmatism or astigmatism outside the defined range

 

Groups comparable at baseline?

The 2 groups were comparable in preoperative

demographic characteristics, visual acuity, and

refractive parameters

N=20

 

Toric IOL, models SN60T3, SN60T4, SN60T5 (AcrySof Toric, Alcon, Inc.)

 

Unilateral cataract surgery

N=20

 

spherical IOL, model SN60AT (AcrySof Natural, Alcon, Inc.)

Endpoint of follow-up:

3 months after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

0

 

Uncorrected distance visual acuity (logMAR, mean ± SD):

intervention: 0.13 ± 0.10

control: 0.19 ± 0.12

p=0.09

 

Residual refractive cylinder:

intervention: -0.61 ± 0.41 D

control: -1.32 ± 0.60

p=0.000

 

Contrast sensitivity:

Performance under photopic and mesopic illumination without glare was similar between the 2 groups. However, under mesopic with glare conditions, there was a trend toward better contrast sensitivity in the toric IOL group at low spatial frequencies (1.5 and 3.0 cycles per degree) in which the difference was statistically significant (P < 0.05).

 

Spectacle independence (for distance):

Intervention: 17/20 (85%)

Control: 11/20 (55%)

P=unknown/not reported

 

Complications:

Intervention: IOL rotation (n=1)

Control: central deepithelialization (n=1)

C

-   Short follow-up (3 months)

-   Small sample size (N=40)

 

 

Accommodative versus multifocal or monofocal IOL

 

Takakura, 2010

Meta-analysis of 12 RCTs with 727 eyes

(22-180 eyes)

Country:

Western countries

 

Source of funding:

No author has a financial or proprietary interest in any material or method

mentioned.

Inclusion criteria:

- randomized controlled trials that compared accommodating IOLs and standard monofocal IOLs in cataract surgery patiënts.

- studies with patiënts 19 years or older

 

Exclusion criteria:

Not reported

 

Groups comparable at baseline?

Yes, for 10/12 RCTs

-   1CU

-   BioComfFold

-   KH-3500

-   AT-45

 

-   AMO PhacoFlex SI-40NB

-   IFP 3 G 6.00 Eurocrystal

-   3-piece open-loop acrylic

-   Acrysof MA30

-   AR40e Sensar

-   AcrySof MA50BM

-   AcrySof MA60BM

-   Softec1

-   ACR6D

-   AcrySof MA30 monofocal

-   Clariflex

Endpoint of follow-up:

4 weeks to 3 years after surgery

 

For how many participants were no complete outcome data available?

3/7 RCTs that reported drop-out rates had >30% loss to follow-up.

Distance-corrected near visual acuity (DCNVA):

mean difference -1.36 (95% CI, -2.22 to

-0.49) (n=508 eyes), I2=94% (unexplained)

(accommodating improved DCNVA more than monofocal IOL).

Pooling the 6 homogeneous trials (I2=43%) of 179 total eyes showed no significant difference in DCNVA; the standardized mean difference was -0.16 (95% CI, -0.56 to 0.25).

 

Occurrence of PCO:

of the 5 studies that mentioned PCO, 4 reported increased rates in the accommodating IOL group several months postoperatively.

 

Pilocarpine-induced IOL shift:

Based on 4 studies (182 total eyes) accommodating

IOLs were associated with significantly greater anterior lens shift than monofocal IOLs; the weighted mean difference was -0.36 (95% CI, -0.47 to -0.24), although the studies were heterogeneous (I2= 58%). Heterogeneity was not explained by the sensitivity analyses.

B

-   only 4/12 RCTS were considered as having adequate methodological quality

Overwegingen

Multifocale lenzen

Multifocale lenzen verminderen de brilafhankelijkheid voor de verte en dichtbij en resulteren daarmee in een toename van de brilonafhankelijkheid en een grote patiënten tevredenheid. Nadelen van implantatie van een multifocale lens kan een verlies aan contrastsensitiviteit en het voorkomen van optische bijwerkingen (halo’s) zijn. Plaatsing van een monofocale lens aangevuld met een leesbril blijft de oplossing met de minste bijwerkingen.

Volgens een recent CVZ standpunt van 26 oktober 2011 voldoen multifocale lenzen nu aan de stand van wetenschap en praktijk en zijn er geen grote veiligheidsrisico’s bij het plaatsen van multifocale lenzen. De (geringe) bijwerkingen kunnen, mits de patiënt goed geïnformeerd is, worden afgewogen tegen het nadeel van het moeten dragen van een (lees)bril na een cataractoperatie met monofocale lenzen. Voor sommige patiënten weegt het voordeel van brilonafhankelijkheid zwaarder dan de genoemde nadelen en bijwerkingen en is in de praktijk vaak een beslissende factor.

Op basis van het recente CVZ standpunt is een cataractoperatie met multifocale lenzen een te verzekeren prestatie in het kader van de Zorgverzekeringswet.

 

Torische lenzen

Torische lenzen verminderen de brilafhankelijkheid voor de verte en het postoperatieve refractie-astigmatisme en verbeteren de ongecorrigeerde vertevisus na cataractoperatie bij patiënten met corneaal astigmatisme in vergelijking met implantatie van standaard monofocale lenzen zonder cylindrische component. De implantatie van torische lenzen resulteert doorgaans in een beter voorspelbare reductie van het cornea astigmatisme dan een correctie met relaxerende cornea-incisies. Voor een effectief werkingsmechanisme is het noodzakelijk dat de mate en aard van preoperatief astigmatisme op adequate wijze beoordeeld en gemeten wordt en de torische IOL peroperatief correct gepositioneerd wordt. In de meeste studies is aangetoond dat bij correcte intraoperatieve positionering de torische IOL postoperatief gelokaliseerd blijft in de gewenste positie. Met betrekking tot bijwerkingen en inachtneming van voorgaande ten aanzien van positionering, zijn er voor torische IOLs geen additionele bijwerkingen in vergelijking met standaard monofocale IOLs.

 

Accommoderende lenzen

Met betrekking tot accommoderende IOLs worden er in de literatuur wisselende resultaten in effectiviteit (toename accommodatief vermogen) en verschillende verklaringen voor hun werkingsmechanisme (verandering van positie en/of vorm van de IOL) gerapporteerd. Volgens CVZ geldt voor accommoderende lenzen dat deze lenzen niet voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, omdat er een verhoogd risico is op complicaties als nastaar, vergeleken met een behandeling met monofocale lenzen. Met betrekking tot de keuze in accommoderende lenzen is van belang dat de Humanoptics IOL, waarop de meta-analyse van (Takakura, Iyer, Adams, & Pepin, 2010) gebaseerd is, vrijwel niet meer gebruikt wordt.

 

Monovision

Pseudophake monovision waarbij gestreefd wordt naar een emmetrope refractie in het dominante oog voor een goede ongecorrigeerde vertevisus en een myope refractie in het non-dominante oog voor een adequate ongecorrigeerde leesvisus kan een alternatief vormen voor het gebruik van multifocale lenzen om de brilafhankelijkheid na cataractoperatie te verminderen. Er zijn aanwijzingen dat bij een goede patiëntenselectie in pseudophake monofocale monovision, een ongecorrigeerde verte- en leesvisus bereikt kan worden die vergelijkbaar is met multifocale lenzen. Zowel multifocale lenzen als monofocale monovision verbeteren de kwaliteit van leven en brilonafhankelijkheid (Ito, 2009; Zhang, 2011a; Zhang, 2011b).

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 11-03-2013

Laatst geautoriseerd : 11-03-2013

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven om een herzieningstraject te starten.

De NOG is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Het doel van deze richtlijn is het vaststellen van normen voor goede praktijkvoering, het opstellen van standaarden voor patiëntenzorg en veiligheid en het bieden van een referentiepunt voor de beoordeling van de resultaten waarbinnen cataractchirurgie van hoge kwaliteit kan plaatsvinden. In deze richtlijn wordt de huidige interpretatie van de werkgroep die de richtlijn heeft ontwikkeld weergegeven.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met cataract (oogartsen, assistenten in opleiding, optometristen, verpleegkundigen, Toa’s, anesthesiologen, anesthesiemedewerkers en recoveryverpleegkundigen, voor zover van toepassing bij de uitoefening van hun werk).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2011 een werkgroep ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende een periode van één jaar aan de totstandkoming van de concept richtlijn. De werkgroep heeft de integrale tekst van deze concept richtlijn geaccordeerd.

 

Werkgroep:

  • mevr. dr. M.C. Bartels, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. dr. M. van Hecke, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 11 augustus 2011);
  • drs. Y.P. Henry, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (voorzitter);
  • mevr. drs. R.C.M. Maatman, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. R.M.M.A. Nuijts, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. N.J. Reus, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • drs. A.H.F. Rulo, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. drs. A. Schuurhuis, anesthesioloog, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie;
  • mevr. drs. O.A.M. Tigchelaar-Besling,oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 11 augustus 2011);
  • drs. K.F. Tjia, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 16 november 2011);
  • drs. N.H. Trap, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 16 november 2011).

 

 

Met ondersteuning van:

  • mevr. drs. J.W. Hagemeijer, senior adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten.

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn.

 

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project (ja /nee)

Zo ja, welke

M. Bartels

nee

 

Y. Henry

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

M. van Hecke

nee

 

M. Maatman

nee

 

R. Nuijts

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

N. Reus

nee

 

A. Rulo

nee

 

A. Schuurhuis

nee

 

O. Tigchelaar-Besling

nee

 

K. Tjia

ja

Consultant voor Alcon
Onderzoek voor Bausch en Lomb
Onderzoek voor Hoya

N. Trap

nee

 

Inbreng patiëntenperspectief

De patiëntenvereniging Staar en Katarakt heeft via haar patiëntenforum mini-enquêtes uitgezet onder haar leden. De belangrijkste vragen die gesteld werden hadden betrekking op waardering van de oogarts en op de minimale gewenste tijd tussen operatie van het linker- en rechteroog. De resultaten van de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Tevens is de concept richtlijn voor commentaar voorgelegd aan de patiëntenvereniging.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden via de website van het NOG (www.oogheelkunde.org) en van de Kwaliteitskoepel: (www.kwaliteitskoepel.nl).

Werkwijze

Inleiding

Deze richtlijn is opgesteld conform de adviezen in het rapport ‘Richtlijnen voor richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews. Ook werd er gezocht naar studies over patiëntenperspectief. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases (PubMed, Embase, Cochrane), waarbij in eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van de desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling van de literatuur

Individuele studies werden systematisch beoordeeld aan de hand van de GRADE methode (interventie) (GRADE Working Group, 2004) of de EBRO methode (diagnostiek, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose) (van Everdingen et al, 2004). De beoordeling is terug te vinden in de evidence-tabellen.

 

Samenvatting van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Uit de literatuur zijn één of meerder conclusies getrokken waarbij het bewijsniveau van de literatuur weergegeven is.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten zijn, voor zover niet of onvoldoende wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Bij deze richtlijn zijn kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. In hoofdstuk 12 zijn een drietal indicaotren opgenomen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is aandacht geschonken aan lacunes in wetenschappelijke kennis. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader of vervolg onderzoek is opgenomen in hoofdstuk 11 van de richtlijn.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De concept richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren isde concept richtlijn aangepast en definitief vastgesteld worden door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.