Uitgangsvraag

Zijn er patiënten met een verhoogd risico op endophthalmitis en moet de antimicrobiële profylaxe dan worden aangepast, zo ja hoe?

Aanbeveling

De werkgroep adviseert om bij onderstaande risicogroepen of -factoren het gebruik van intracamerale antibiotica, zoals cefuroxim, te overwegen:

  • immuun gecompromitteerde patiënten;
  • atopische patiënten met blepharitis;
  • patiënten met rosacea en blepharitis;
  • mannelijke patiënten > 80 jaar;
  • meer complexe operaties.

Inleiding

Endophthalmitis is een weinig voorkomende, maar potentieel ernstige complicatie van een cataract(staar)operatie of phaco-emulsificatie. De incidentie in Nederland is ongeveer 0,05%. De vraag is hoe de kans op postoperatieve endophthalmitis tot een minimum te beperken. Uiteraard moet ook worden nagegaan of er nadelige effecten zijn van de toediening van antibiotica en povidon. De relevante uitkomstmaat is de incidentie van postoperatieve endophthalmitis.

Conclusies

 

Niveau 2

Plaats van incisie (clear corneal in plaats van scleral tunnel), lensmateriaal (siliconen in plaats van acrylaat) en chirurgische complicaties verhogen mogelijk de kans op endophthalmitis.

 

B: ESCRS 2007, Lundstrom, 2007, Li 2004

 

Niveau 2

Mannelijk geslacht en hoge leeftijd (≥ 80 jaar) verhogen mogelijk de kans op endophthalmitis.

 

B: ESCRS 2007, Lundstrom 2007, Li 2004

Samenvatting literatuur

Een RCT (ESCRS, 2007), een prospectieve en twee retrospectieve cohortstudies (Lundstrom et al, 2007; Li et al, 2004; Garcia-Arumi et al, 2007) hebben deze vraag onderzocht (zie evidencetabel). In de Europese multicenter trial van de ESCRS studiegroep (zie beschrijving onder 6.1), zijn ruim veertig potentiële risicofactoren gescreend, met als resultaat een multivariaat prognostisch model voor postoperatieve endophthalmitis (klinische diagnose) met daarin, naast de gerandomiseerde behandelopties (cefuroxime, levofloxacin, placebo): leeftijd (OR = 1,02 [0.98-1,06]; per jaar), mannelijk geslacht (OR = 1,79 [0,86-3,75]), grotere chirurgische ervaring (OR = 2,01 [1,02-4,0]; per ervaringsniveau), plaats van incisie (OR = 5,88 [1,34-25,9]; clear corneal versus scleral tunnel), aanwezigheid van chirurgische complicaties (OR = 4,95 [1,68-14,6]) en siliconen lensmateriaal (OR = 3,13 [1,47-6,67]; versus acryl). Diabetes status, ziekenhuisopname (versus ambulante behandeling) en lensontwerp komen niet als risicofactor naar voren. Als de analyse wordt beperkt tot microbiologisch-bewezen endophthalmitis, zijn mannelijk geslacht (OR = 2,70 [1,07-6,8]) en siliconen lensmateriaal (OR = 4,10 [1,66-10,1]; versus acryl) statistisch relevante risicofactoren. Omdat niet is gerandomiseerd op de individuele risicofactoren, kan residuele confounding niet worden uitgesloten. Zo wordt de corneasclerale (scleral tunnel) incisie slecht in twee van de 24 centra routinematig gebruikt en is het daarmee geassocieerde verminderde risico op endophthalmitis mogelijk het gevolg van onbekende (niet gemeten) verschillen ten opzichte van de overige centra. De associatie tussen chirurgische ervaring en het risico op endophthalmitis wordt mogelijk verklaard doordat ervaren chirurgen vaker betrokken zijn bij risicovollere ingrepen.

Een grote retrospectieve cohortstudie onderzocht het risico op endophthalmitis bij alle cataractoperaties uitgevoerd in West Australië tussen 1980 en 2000 (Li et al, 2004). In deze periode deden zich 210 gevallen van endophthalmitis voor (0,18%). Uit het multivariaat prognostisch model komen als relevante risicofactoren vooral naar voren: leeftijd boven 79 jaar (OR = 1,50 [1,13-1,99]) en aanvullende oogchirurgie (vitreoretinale procedure, OR = 2,71 [1,18-6,23]; lacrimale en ooglid-procedures, OR = 23,5 [8,5-65,0]). Residuele confounding kan niet worden uitgesloten, vooral omdat geen rekening is gehouden met mogelijke variaties in antimicrobiële profylaxe.

Een prospectieve cohortstudie onderzocht het risico op endophthalmitis bij alle cataractoperaties uitgevoerd in Zweden tussen 2002 en 2004 (Lundstrom et al, 2007). In deze periode werd in Zweden al routinematig intracameraal cefuroxime gebruikt (99,1% van de ingrepen), en deden zich 109 gevallen van endophthalmitis voor (0,048%). Uit multivariate analyse komen als relevante risicofactoren naar voren, naast het niet gebruiken van cefuroxime (P < 0,001): leeftijd boven 84 jaar (P < 0,001) en communicatie tussen anterior compartment en vitreous (P < 0,001). De bijbehorende relatieve risico’s zijn slechts vermeld voor univariate analyses: leeftijd boven 84 jaar (ongecorrigeerde OR = 1,77 [1,33-2,37]) en communicatie tussen anterior compartment en vitreous (ongecorrigeerde OR = 5,10 [3,13-8,32]).

Zoeken en selecteren

In de databases Medline, Embase en Cochrane is met relevante zoektermen gezocht vanaf 2004 naar het gebruik van peroperatieve profylaxe (antibiotica, povidonjood) bij cataractoperaties ter voorkoming van post-operatieve infectieuze endophthalmitis. De zoekstrategie is weergegeven in de tabel hieronder. De literatuurzoekactie leverde 128 treffers op. Studies die voldeden aan de volgende selectiecriteria zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur: origineel onderzoek; gerandomiseerd onderzoek (RCT) of ander vergelijkend onderzoek van voldoende omvang; vergelijking van verschillende peroperatieve antimicrobiële strategieën (deelvragen peroperatieve antibiotica bij een cataractoperatie en povidonjood bij een cataractoperatie) of risicofactoren op endophthalmitis (deelvraag risico op endophthalmitis bij een cataractoperatie) bij patiënten die een cataractoperatie ondergaan middels phacoemulsificatie en de plaatsing van een intraoculaire lens; en het optreden van postoperatieve endophthalmitis als uitkomstmaat.

Referenties

  1. Berkelman, R. L., Holland, B. W., & Anderson, R. L. (1982). Increased bactericidal activity of dilute preparations of povidone-iodine solutions. J Clin Microbiol, 15, 635-639.
  2. Ciulla, T. A., Starr, M. B., & Masket, S. (2002). Bacterial endophthalmitis prophylaxis for cataract surgery: an evidence-based update. Ophthalmology, 109, 13-24.
  3. Endophthalmitis Study Group, European Society of Cataract & Refractive Surgeons (2007). Prophylaxis of postoperative endophthalmitis following cataract surgery: results of the ESCRS multicenter study and identification of risk factors. J Cataract Refract Surg, 33, 978-988.
  4. European Society of Cataract and Refractive Surgeons (2007). ESCRS guidelines on prevention, investigation and management of post-operative endophthalmitis, version 2. European Society of Cataract and Refractive Surgeons, 0, X-.
  5. Ferguson, A. W., Scott, J. A., McGavigan, J., Elton, R. A., McLean, J., Schmidt, U., Kelkar, R., & Dhillon, B. (2003). Comparison of 5% povidone-iodine solution against 1% povidone-iodine solution in preoperative cataract surgery antisepsis: a prospective randomised double blind study. Br J Ophthalmol, 87, 163-167.
  6. Garat, M., Moser, C. L., Martín-Baranera, M., Alonso-Tarrés, C., & Alvarez-Rubio L. (2009). Prophylactic intracameral cefazolin after cataract surgery: endophthalmitis risk reduction and safety results in a 6-year study. J Cataract Refract Surg, 35, 637-642.
  7. Garcia-Arumi, J., Fonollosa, A., Sararols, L., Fina, F., Martínez-Castillo, V., Boixadera,… Campins, M. (2007). Topical anesthesia: possible risk factor for endophthalmitis after cataract extraction. J Cataract Refract Surg, 33, 989-992.
  8. García-Sáenz, M. C., Arias-Puente, A., Rodríguez-Caravaca, G., & Bañuelos, J. B. (2010). Effectiveness of intracameral cefuroxime in preventing endophthalmitis after cataract surgery Ten-year comparative study. J Cataract Refract Surg, 36, 203-207.
  9. Lane, S. S., Osher, R. H., Masket, S., & Belani, S. (2008). Evaluation of the safety of prophylactic intracameral moxifloxacin in cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 34, 1451-1459.
  10. Li, J., Morlet, N., Ng, J. Q., Semmens, J. B., Knuiman, M. W., & Team EPSWA. (2004). Significant nonsurgical risk factors for endophthalmitis after cataract surgery: EPSWA fourth report. Invest Ophthalmol Vis Sci, 45, 1321-1328.
  11. Lundström, M., Wejde, G., Stenevi, U., Thorburn, W., & Montan, P. (2007). Endophthalmitis after cataract surgery: a nationwide prospective study evaluating incidence in relation to incision type and location. Ophthalmology, 114, 866-870.
  12. Montan, P. G., Wejde, G., Koranyi, G., & Rylander, M. (2002). Prophylactic intracameral cefuroxime. Efficacy in preventing endophthalmitis after cataract surgery. J Cataract Refract Surg, 28, 977-981.
  13. Montan, P. G., Wejde, G., Setterquist, H., Rylander, M., & Zetterström, C. (2002). Prophylactic intracameral cefuroxime. Evaluation of safety and kinetics in cataract surgery. . J Cataract Refract Surg, 28, 982-987.
  14. Seal, D. V., Barry, P., Gettinby, G., Lees, F., Peterson, M., Revie, C. W., Wilhelmus, K. R., & ESCRS Endophthalmitis Study Group. (2006). ESCRS study of prophylaxis of postoperative endophthalmitis after cataract surgery: Case for a European multicenter study. J Cataract Refract Surg, 32, 396-406.
  15. Shimada, H., Arai, S., Nakashizuka, H., Hattori, T., & Yuzawa, M. (2011). Reduction of anterior chamber contamination rate after cataract surgery by intraoperative surface irrigation with 0.25% povidone-iodine. Am J Ophthalmol, 151, 11-17.
  16. Thoms, S. S., Musch, D. C., & Soong, H. K. (2007). Postoperative endophthalmitis associated with sutured versus unsutured clear corneal cataract incisions. Br J Ophthalmol, 91, 728-730.

Evidence tabellen

Zijn er patiënten met een verhoogd risico op endophthalmitis en moet de antimicrobiële profylaxe dan worden aangepast, zo ja hoe?

Study reference

Study characteristics

Patiënt characteristics

Prognostic factor(s)

Follow-up

 

Outcome measures and effect size

Level of evidence

Comments

ESCRS, 2007 (for study desing see Seal, 2006)

RCT

N=16,603 recruited Sept 2003- Jan 2006 (stopped)

 

2X2 factorial design; intracameral cefuroxime versus topical levofloxacin versus placebo;

4 groups (A,B,C,D); multivariate logistic model

 

Setting/country:

European multicenter; 24 ophthalmology units and eye clinics, 9 countries

 

Cataract operation:

phacoemulsification

cataract surgery with placement of an intraocular lens (IOL) as a single procedure without additional surgery

 

Additional antimicrobial treatment:

All patiënts received povidone–iodine 5% drops (Betadine) into the conjunctival sac and onto the cornea for a minimum of 3 minutes before surgery, and were requested to use levofloxacin 0.5% eyedrops (Oftaquix) 4 times daily for 6 d starting day after surgery

 

 

Inclusion criteria:

All patiënts, including diabetics, having routine cataract surgery; 58% women; median age 75 (f), 73 (m)

 

Exclusion criteria:

allergic to penicillins, cephalosporins, povidone iodine or any other known hypersensitivity to components of the study medications; those in long-term nursing homes, pregnant, < 18 years, severely ‘‘at risk’’ for infection ( atopic keratoconjunctivitis or ac-

tive blepharitis); complicated cataracts such as traumatic or subluxated;

combined operations with cataract surgery such as trabeculectomy or corneal graft; patiënts with severe thyroid disease

 

 

Describe prognostic factor(s) and method of measurement:

 

> 40 potential risk factors extracted from study-specific data-entry forms; screened individually, and included in multivariable logistic regression model if likelihood ratio test P value < 0.25; age and sex as forced covariates along with key design factors: models constructed using backward elimination; co-variates: age, sex, intracameral cefuroxime, topical levofloxacin, surgeon experience level(<100, 100–500 , >500 cataract operations

in career), site of incision (Clear corneal, scleral tunnel), any surgical complications (yes/no), IOL optic material (Acrylic, silicone, PMMA, unknown)

Endpoint of follow-up:

3-6 weeks after surgery; active monitoring of late-presenting cases (>6 weeks after surgery)

 

For how many participants were no complete outcome data available?

324 (2%) lost to follow-up; 68 did not have planned surgery or withdrew their consent (total 2.4% excluded post-randomization)

 

Reasons for incomplete outcome data described?

Yes, failure tot attend scheduled appointments, death, and incomplete data reports

 

Incidence and OR [95% CI]

Intention To Treat (ITT)

29 cases (20 proven)

 

Total endophthalmitis: clinical diagnosis, proven and unproven cases; excluding toxic anterior segment syndrome (TASS) and noninfective uveitis

 

Proven infective endophthalmitis: clinical diagnosis, and aqueous and vitreous positive on ≥ 1 of following tests, Gram staining, culture, PCR using nonspecific microbial primers

 

Incidence (control group)

14/ 4054=0.345

 

Multivariate analysis Total endophthalmitis

 

Cefuroxime (intracam; present[ref], absent)

4.92[1.87-12.9]

 

Levofloxacin (topical; present[ref], absent)

1.41[0.67-2.95]

 

Age(y)

1.02[0.98-1.06]

 

Sex((f[ref],m)

1.79[0.86-3.75]

 

Surgeon exp level (1,2,3)

2.01[1.02-4.0]

 

Site of incision (sclera tunnel[ref], clear corneal)

5.88[1.34-25.9]

 

Any surg compl (abs[ref],pres)

4.95[1.68-14.6]

 

IOL optic material (acrylic[ref], silicone)

3.13[1.47-6.67]

 

B: Retrospective cohort study or controls from a RCT or lesser-quality prospective cohort study

 

No blinding of outcome assessor (but unlikely to influence outcome); relatively high incidence of endophthalmitis (indirectness); low number of cases (imprecision)

 

Source of funding:

ESCRS; Santen GmbH; authors declare no financial or proprietary interest in any material or method mentioned

 

Adequate length of follow-up; acceptable dropout rate; confounding was adequately controlled

Relatively high incidence in control group (0.35%)

 

Multivariate analysis with ~3 cases per covariate, i.e. risk of overfitting; stratification on country/ centre not possible

 

Very similar results using per-protocol analysis ( data not shown)

 

Proven cases: absence of cefuroxime, use of silicone IOL, and male sex, significantly associated with increased risk:

cefuroxime 5.86[1.72-20.0]

levofloxacin 1.51[0.62-3.7]

sex 2.70[1.07-6.8]

IOL material 4.10[1.66-10.1]

 

Scleral tunnel technique only used in 2 centers: reduced risk may be due to residual confounding

 

association of surgeon experience with increased risk may be due to being involved in more complicated cases

 

non- significant risk factors: age, diabetic status, outpatiënt versus inpatiënt surgery, IOL design, topical levofloxacin

Li, 2004

 

Retrospective cohort

 

All cataract operations

1980-2000 (76424 patiënts)

 

Country: Western Australia; public and private hospitals

 

 

N=117083

 

Inclusion criteria:

All cataract operations; operations are confined to licended hospitals, required by law to submit morbidity data; patiënts who underwent cataract surgery were identified using record linkage

 

Exclusion criteria:

None mentioned

 

 

Describe prognostic factor(s) and method of measurement:

 

patiënt discharge data and record linkage (Western Australian Data Linkage System)

 

Multivariate logistic regression of risk factors: gender, age, cancer history, comorbidity (defined at index admission for cataract surgery, or any hospital admission within previous year, using Charlton index; 17 categories including cardiovascular diseases, dementia, pulmonary disease, liver disease, diabetes, renal disease, malignancies, AIDS), health insurance status (public, private, other), locality of residence (metropolitan, rural), hospital type (public, private), hospital location (metropolitan, rural), total volume of cataract operations (cumulative over 21-year period; largest=24,000+ / large=2,000+ / medium=1000+ / small=<1000)), length of stay (same day, 1, 2-5, 6-7, 8+ days), surgical technique (extracapsular+phacoemulsification, intracapsular, other cataract procedures), other eye procedures, year of surgery, season

Endpoint of follow-up: not mentioned; Data Linkage System checked for endophthalmitis diagnosis codes

 

For how many participants were no complete outcome data available?

Not known (likely to be low)

 

3 cases excluded because of inadequate clinical data

Incidence, and OR [95% CI]

 

210 cases

 

Total endophthalmitis: morbidity data from licenced hospitals; cases of endophthalmitis were based on ICD-9 codes; verified by cross-referencing with clinical databases, by reviewing surgical logbooks, and by medical record review

 

Incidence(%)

210/117083=0.179[0.16-0.21]

 

Age (>80y; ref <80y)

1.50[1.13-1.99]

 

Private hospital (ref=public)

2.38[1.32-4.27]

 

Length of stay (ref= 2-5 d)

Same day 1.42[0.95-2.13]

8+ day 2.08[1.18-3.67]

 

Surgical technique (ref=

extracapsular/phacoem)

intracapsular 1.67[0.95-2.95]

other cataract proc 1.52[0.95-2.45]

 

Other eye procedures during same admission (ref=none)

Vitreoretinal procedure 2.71[1.18-6.23]

Lacrimal/eyelid procedures

23.5[8.5-65.0]

 

Season of surgery (ref=spring)

Summer 1.27[0.83-1.93]

Autumn 1.41[0.95-2.08]

Winter 1.48[1.00-2.18]

 

B: Retrospective cohort study or controls from a RCT or lesser-quality prospective cohort study

 

confounding may not be adequately controlled (e.g. no data on prophylactic measures); unknown loss to follow-up (but likely low); age cut-off (80 years) not predefined; relatively old study (1980-2000; indirectness)

 

Adequate length of follow-up; very large study with high number of cases (although <300), precize effect estimates (210 cases, <300; narrow CIs); relatively large (clinically significant) effects

 

Source of funding:

Australian National Health and Medical Research

Council; author disclosures: none declared

 

Relatively high incidence (0.179%)

 

In 1990–2000, OR

same-day surgery was 1.62[1.01–2.61]; note that same-day surgery was hardly performed before 1990

 

higher risk of stay for 8+ days is due to development and treatment of endophthalmitis during same admission

 

there was no reduction in incidence of endophthalmitis from the extracapsular to the phacoemulsification technique

 

Lundstrom, 2007

Prospective cohort

 

All cataract operations Jan 2002 – Dec 2004

 

Country: Sweden; nationwide study

 

Phacoemulsification (97.9% ), intracameral cefuroxime (99.1%), preoperative chlorhexidine alcohol wash of eyelid skin (100%), chlorhexidine solution rinsing of conjunctiva (all but 2 clinics); but pre- and post-operative antibiotic use was low (<7%, and <5%, resp)

 

 

N=225471

109 cases

 

Inclusion criteria:

None mentioned; all cataract operations

 

Exclusion criteria:

None mentioned

 

 

Describe prognostic factor(s) and method of measurement:

 

all ophthalmic units report to the National Cataract Registry (NCR): type cataract procedure (phacoemulsification with posterior chamber IOL or other kind); type of IOL material; conditions that could cause visual impairment, incision type and location (sclerocorneal, clear corneal; superior incision, temporal incision), use of an injector for IOL, prophylactic intracameral injection of 1 mg of cefuroxime at end of procedure, presence of peroperative communication between anterior chamber (AC) and vitreous; additional enquiry: prophylactic protocols besides intracameral injection

 

Univariate analyses and multivariate logistic

regression

Endpoint of follow-up: not predefined (at end of year, all clinics were asked to verify number of PE cases); median delay between surgery and endophthalmitis was 7 days

 

For how many participants were no complete outcome data available?

Unknown (likely low)

 

Missing data for 3 cases (age, gender, intracam. cefuroxime, IOL material, other parameters)

Incidence, OR [95% CI]

 

109 cases

 

Total endophthalmitis: clinical diagnosis; culture-proven and presumed (: it is assumed that patiënts are reported to NCR if visual recovery is poor or very slow); reporting with a form completed upon diagnosis, and a form 3 months later(type of isolated organism, prophylactic regime, present visual acuity)

 

Incidence(%)

109/225471=0.048

 

Univariate analysis:

OR[95%CI]

 

Age (ref<84)

≥85: 1.77 [1.33–2.37]

 

Sex (ref=f)

Male: 1.08 [0.85–1.38]

 

Type surgery (ref=phaco)

Other: 3.07[1.41–6.69]

 

Incision type (ref=scleroc.)

Clear corn: 1.11[1.00–1.24]

 

Incision site (ref=superior)

Temporal: 1.15[0.98–1.35]

 

IOL injector (ref=yes)

No: 0.95[0.82–1.11]

 

IOL material (ref=acrylic)

Silicone: 0.35[0.08–1.38]

 

Intracam cefuroxime (ref=yes)

No: 7.24[3.71–14.11]

 

Communication with vitreous (ref=absent)

Present: 5.10[3.13–8.32]

 

Multivariate analysis:

OR not mentioned

 

Communication with vitreous: P<0.001

 

intracameral cefuroxime: P<0.001

 

Age ≥85: P<0.001

 

Clear corneal versus sclerocorneal: P=0.14

 

Temporal versus superior: P=0.14

 

IOL material: P=0.33

 

Type surgery: P=0.41

 

B: Retrospective cohort study or controls from a RCT or lesser-quality prospective cohort study

 

confounding not adequately controlled in univariate analyses (in the multivariate analyses, no effect sizes are mentioned); unknown loss to follow-up (but likely low); age cut-off (85 years) predefined?; intracameral cefuroxime used in 99% (unlike NL; indirectness)

 

Adequate length of follow-up; very large study with relatively high number of cases (although <300)

 

Source of funding:

grants from Stiftelsen Synfrämjandets For-

skningsfond, and National Board of Health and

Welfare, Stockholm, Sweden; authors declare no

affiliation with any manufacturer concerned in this project

Low incidence (0.048%)

 

Common practice Sweden: intracameral cefuroxime (99.1%), and use of chlorhexidine wash (~100%); but low use of pre-or post-operative antibiotics (<7%)

 

Multivariate analyses are performed, but effect sizes are not mentioned (only p-values); conclusions of the study were based on the univariate analyses

 

 

Overwegingen

Uiteenlopende factoren kunnen bijdragen aan het ontstaan van endophthalmitis na een cataractextractie. Uit de literatuur komen een aantal zaken naar voren zoals de plaats van incisie (clear corneal temporaal i.p.v. scleral tunnel superior), het lensmateriaal (siliconen i.p.v. acrylaat) en chirurgische complicaties (achterste kapsel scheur, glasvocht, zonulolysis) verhogen mogelijk de kans op endophthalmitis.

Ook zouden mannen met een hoge leeftijd (≥ 80 jaar) meer risico hebben op het ontwikkelen van een endophthalmitis. Topicale anesthesie zou de kans op een endophthalmitis mogelijk ook vergroten. Het gebruik van een cartridge om de lens te implanteren zou het risico juist kunnen verminderen, daar de lens dan niet in aanraking komt met het oogoppervlak, de conjunctiva.

Wellicht is er bij meer complexe operaties een verhoogd risico op een infectie. Ook als er sprake is van een (onbehandelde) blepharitis kan het risico verhoogd zijn. Atopische patiënten en patiënten met rosacea hebben dientengevolge ook meer kans op het ontwikkelen van een endophthalmitis. Als laatste groep risico patiënten zijn er de immuun gecompromitteerde patiënten en diegene die immunosupressiva gebruiken (ESCRS guideline, 2007).

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 11-03-2013

Laatst geautoriseerd : 11-03-2013

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven om een herzieningstraject te starten.

De NOG is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Het doel van deze richtlijn is het vaststellen van normen voor goede praktijkvoering, het opstellen van standaarden voor patiëntenzorg en veiligheid en het bieden van een referentiepunt voor de beoordeling van de resultaten waarbinnen cataractchirurgie van hoge kwaliteit kan plaatsvinden. In deze richtlijn wordt de huidige interpretatie van de werkgroep die de richtlijn heeft ontwikkeld weergegeven.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met cataract (oogartsen, assistenten in opleiding, optometristen, verpleegkundigen, Toa’s, anesthesiologen, anesthesiemedewerkers en recoveryverpleegkundigen, voor zover van toepassing bij de uitoefening van hun werk).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2011 een werkgroep ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende een periode van één jaar aan de totstandkoming van de concept richtlijn. De werkgroep heeft de integrale tekst van deze concept richtlijn geaccordeerd.

 

Werkgroep:

  • mevr. dr. M.C. Bartels, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. dr. M. van Hecke, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 11 augustus 2011);
  • drs. Y.P. Henry, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (voorzitter);
  • mevr. drs. R.C.M. Maatman, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. R.M.M.A. Nuijts, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • dr. N.J. Reus, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • drs. A.H.F. Rulo, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap;
  • mevr. drs. A. Schuurhuis, anesthesioloog, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie;
  • mevr. drs. O.A.M. Tigchelaar-Besling,oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 11 augustus 2011);
  • drs. K.F. Tjia, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (vanaf 16 november 2011);
  • drs. N.H. Trap, oogarts, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (tot 16 november 2011).

 

 

Met ondersteuning van:

  • mevr. drs. J.W. Hagemeijer, senior adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van medisch Specialisten;
  • mevr. drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten.

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn.

 

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project (ja /nee)

Zo ja, welke

M. Bartels

nee

 

Y. Henry

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

M. van Hecke

nee

 

M. Maatman

nee

 

R. Nuijts

ja

Adviesraad Alcon (1 jaar bijeen)

N. Reus

nee

 

A. Rulo

nee

 

A. Schuurhuis

nee

 

O. Tigchelaar-Besling

nee

 

K. Tjia

ja

Consultant voor Alcon
Onderzoek voor Bausch en Lomb
Onderzoek voor Hoya

N. Trap

nee

 

Inbreng patiëntenperspectief

De patiëntenvereniging Staar en Katarakt heeft via haar patiëntenforum mini-enquêtes uitgezet onder haar leden. De belangrijkste vragen die gesteld werden hadden betrekking op waardering van de oogarts en op de minimale gewenste tijd tussen operatie van het linker- en rechteroog. De resultaten van de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. Tevens is de concept richtlijn voor commentaar voorgelegd aan de patiëntenvereniging.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden via de website van het NOG (www.oogheelkunde.org) en van de Kwaliteitskoepel: (www.kwaliteitskoepel.nl).

Werkwijze

Inleiding

Deze richtlijn is opgesteld conform de adviezen in het rapport ‘Richtlijnen voor richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews. Ook werd er gezocht naar studies over patiëntenperspectief. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases (PubMed, Embase, Cochrane), waarbij in eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van de desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling van de literatuur

Individuele studies werden systematisch beoordeeld aan de hand van de GRADE methode (interventie) (GRADE Working Group, 2004) of de EBRO methode (diagnostiek, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose) (van Everdingen et al, 2004). De beoordeling is terug te vinden in de evidence-tabellen.

 

Samenvatting van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Uit de literatuur zijn één of meerder conclusies getrokken waarbij het bewijsniveau van de literatuur weergegeven is.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten zijn, voor zover niet of onvoldoende wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Bij deze richtlijn zijn kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. In hoofdstuk 12 zijn een drietal indicaotren opgenomen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is aandacht geschonken aan lacunes in wetenschappelijke kennis. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader of vervolg onderzoek is opgenomen in hoofdstuk 11 van de richtlijn.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De concept richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren isde concept richtlijn aangepast en definitief vastgesteld worden door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.