Uitgangsvraag

Ad vergelijking directe autologe reconstructie gevolgd door radiotherapie versus directe autologe reconstructie zonder radiotherapie

Aanbeveling

Bij patiënte met een indicatie voor adjuvante radiotherapie:

  • Doe bij voorkeur geen directe reconstructie met een implantaat.
  • Als een directe reconstructie wordt gewenst door de patiënt heeft een autologe reconstructie de voorkeur.

Conclusies

Zeer laag

GRADE

Postoperatieve complicaties – algemeen

 

Het risico op complicaties (algemeen) lijkt even hoog wanneer een directe autologe mammareconstructie wordt gevolgd door radiotherapie in vergelijking met wanneer een directe autologe mammareconstructie niet wordt gevolgd door radiotherapie.

 

Bronnen (Berry et al, 2010; Lee et a., 2010; Carlson et al, 2008; Spear et al, 2005; Williams et al, 1997)

 

Zeer laag

GRADE

Postoperatieve complicaties – vetnecrose

 

Het risico op vetnecrose lijkt hoger wanneer een directe autologe mammareconstructie wordt gevolgd door radiotherapie in vergelijking met wanneer een directe autologe mammareconstructie niet wordt gevolgd door radiotherapie.

 

Bronnen (Lee et al, 2010; Carlson et al, 2008; Spear et al, 2005; Rogers and Allen, 2002; Tran et al, 2000; Williams et al, 1997)

 

Zeer laag

GRADE

Postoperatieve complicaties – heroperatie

 

Het risico op heroperatie lijkt even hoog wanneer een directe autologe mammareconstructie wordt gevolgd door radiotherapie in vergelijking met wanneer een directe autologe mammareconstructie niet wordt gevolgd door radiotherapie.

 

Bronnen (Carlson et al, 2008; Chatterjee et al, 2009; Rogers and Allen, 2002)

 

Zeer laag

GRADE

Esthetisch resultaat

 

Er lijkt een slechter esthetisch resultaat te zijn wanneer een directe autologe mammareconstructie wordt gevolgd door radiotherapie in vergelijking met wanneer een directe autologe mammareconstructie niet wordt gevolgd door radiotherapie.

 

Bronnen (Lee et al., 2010; Leonardi et al., 2010; Carlson et al., 2008; Thomson et al, 2008; Spear et al, 2005; Rogers and Allen, 2002; Tran et al, 2000)

 

 -

(GRADE)

Locoregionaal recidief, patiënttevredenheid

 

Uit vergelijkend onderzoek is niet bekend of er een verschil is in het voorkomen van locoregionaal recidief en patiënttevredenheid tussen directe autologe mammareconstructie gevolgd door radiotherapie en directe autologe mammareconstructie niet gevolgd door radiotherapie.

Samenvatting literatuur

Een systematische review (Schaverien et al, 2013) vergelijkt patiënten met een directe autologe mammareconstructie gevolgd door postoperatieve radiotherapie met patiënten die geen postoperatieve radiotherapie kregen. Tien retrospectieve vergelijkende studies zijn geïncludeerd (Berry et al, 2010; Lee et al, 2010; Leonardi et al, 2010; Chatterjee et al, 2009; Carlson et al, 2008; Thomson et al, 2008; Spear et al, 2005; Rogers and Allen, 2002; Tran et al, 2000; Williams et al, 1997). De follow-up was voor vier studies onbekend en varieerde voor de patiënten die postoperatieve radiotherapie kregen in de andere studies van 1 tot 5 jaar.

 

Locoregionaal recidief

De uitkomstmaat locoregionaal recidief was geen onderzochte uitkomstmaat.

 

“Overall” complicaties

Voor de uitkomstmaat complicaties zijn alleen complicaties meegenomen die in alle studies gerapporteerd worden. Welke complicaties hier precies onder vallen kan niet worden opgemaakt uit de systematische review. Wel staat vermeld dat de complicaties ‘revisie anastomose’ en ‘abdominale zwakte met bolling’ zijn geëxcludeerd. Het gepoolde resultaat (N=1121) laat zien dat de kans op complicaties even groot is wanneer postoperatieve radiotherapie wordt verricht als wanneer er geen postoperatieve radiotherapie wordt verricht (zie figuur 5.4).

 

Figuur 5.4  ”Overall” complications

 

Vetnecrose

Het gepoolde resultaat (N= 2313) laat zien dat de kans op vetnecrose 2.8 keer zo hoog is wanneer postoperatieve radiotherapie wordt verricht vergeleken met wanneer er geen postoperatieve radiotherapie wordt verricht (statistisch significant, zie figuur 5.5).

 

Figuur 5.5  Fat necrosis

 

 

Heroperatie

Heroperatie werd gedefinieerd als een vervolgoperatie voor reconstructie van de ipsilaterale borst. Het gepoolde resultaat (N=272) laat zien dat de kans op heroperatie kleiner is wanneer postoperatieve radiotherapie wordt verricht vergeleken met wanneer er geen postoperatieve radiotherapie wordt verricht (statistisch niet significant, zie figuur 5.6).

 

Figuur 5.6  Reoperation

 

Esthetisch resultaat

Zeven studies hebben esthetisch resultaat meegenomen als uitkomstmaat (Lee et al., 2010; Leonardi et al, 2010; Carlson et al, 2008; Thomson et al, 2008; Spear et al, 2005; Rogers and Allen, 2002; Tran et al, 2000). Esthetisch resultaat werd op verschillende manieren gemeten.

 

In de studie van Lee et al (N=407) werd het esthetisch resultaat beoordeeld op basis van patiënttevredenheid. De patiënttevredenheid werd beoordeeld met een vragenlijst waarin 5-punts Likert schalen werden gebruikt. In de groep die postoperatieve radiotherapie kreeg was 66.7% van de patiënten tevreden en in de groep die geen postoperatieve radiotherapie kreeg was dit 75.7%.

 

In de studie van Leonardi et al (N=33) beoordeelden 21 artsen het esthetisch resultaat op basis van foto's van vrouwen die een autologe mammareconstructie ondergingen. Daarbij werd er gelet op de vier items: symmetrie, volume, positie van de inframammaire plooi en ptosis. Ieder item kreeg een score tussen 0 (slechtste resultaat) en 10 (beste resultaat), op basis waarvan het esthetische resultaat werd beoordeeld als ‘excellent’ (behandelde borst vrijwel gelijk aan de andere borst), ‘good’ (behandelde borst slechts een beetje verschillend van de andere borst), ‘fair’ (behandelde borst duidelijk verschillend van de andere borst, maar niet misvormd) of ‘poor’ (behandelde borst ernstig misvormd) zoals beschreven door Harris et al (1979). In de groep die postoperatieve radiotherapie kreeg, werd 47.6% beoordeeld als ‘good’ of ‘excellent’. In de groep die geen postoperatieve radiotherapie kreeg was dit 68.6% (statistisch significant, p<0,0001).

 

In de studie van Carlson et al (174 lappen) werden foto's van vrouwen beoordeeld door vier onafhankelijke beoordelaars. Zij scoorden de mammareconstructie op basis van volume, vorm van de borst, plaats van de borst en positie van de inframammaire plooi. Net als bij de studie van Leonardi et al werd het totale esthetische resultaat beoordeeld als ‘excellent, good, fair of poor’, waarbij respectievelijk 4, 3, 2 of 1 punten werden gegeven. Gemiddeld kreeg de groep die postoperatieve radiotherapie kreeg 2.56 punten en de groep die geen postoperatieve radiotherapie kreeg 3.02 punten.

 

In de studie van Thomson et al (N=20) werd het esthetisch resultaat twee keer bepaald, eenmaal op basis van patiënttevredenheid en eenmaal op basis van het oordeel van drie medisch professionals. De patiënttevredenheid werd bepaald door een vragenlijst waarin 13 items, geïdentificeerd met behulp van de literatuur, beoordeeld moesten worden op 5-punts Likert schalen. De medisch professionals gaven tevens hun beoordeling op 5-punts Likert schalen, op basis van onder andere symmetrie, vorm, grootte, huidskleur, littekens en tepel reconstructie. De medisch professionals scoorden bij de groep die postoperatieve radiotherapie kreeg gemiddeld een 3.3 op de Likert schaal en bij de groep die geen postoperatieve radiotherapie kreeg een 4.5. De patiënten scoorden gemiddeld een 3 op de Likert schaal wanneer zij behandeld waren met postoperatieve radiotherapie en gemiddeld een 4 wanneer zij niet behandeld waren met postoperatieve radiotherapie.

 

In de studie van Spear et al (N=112) werden foto's van vrouwen die een autologe mammareconstructie ondergingen beoordeeld door 16 geblindeerde beoordelaars. Zij beoordeelden het esthetische resultaat als ‘excellent, good, fair of poor’, waarbij respectievelijk 4, 3, 2 of 1 punten werden gegeven. De gemiddelde score voor de groep die postoperatieve radiotherapie kreeg was 2.76, de gemiddelde score voor de groep die geen postoperatieve radiotherapie kreeg was 3.77 (statistisch significant, p=0.0001).

In de studie van Rogers en Allen (N=60) werden foto's van vrouwen die een autologe mammareconstructie ondergingen beoordeeld door acht beoordelaars, waaronder medisch specialisten en medische studenten. Er werden foto's gemaakt van vlak na de mammareconstructie en er werden later, eventueel na de radiotherapie, opnieuw foto's gemaakt. De foto's werden beoordeeld op symmetrie, positie en totale esthetische verhouding. Voor deze drie items werden scores gegevens tussen 1 (slechtste resultaat) en 5 (beste resultaat) en van deze drie scores werd het gemiddelde berekend. In de groep die behandeld werd met radiotherapie kregen de foto's na postoperatieve radiotherapie gemiddeld een 0.56 lagere score dan de foto's van voor de radiotherapie. In de groep die niet behandeld werd met radiotherapie kregen de latere foto's gemiddeld een 0.50 hogere score dan de vroegere foto's (statistisch significant, p=0.006).

 

In de studie van Tran et al (N=1484) werd gekeken of symmetrie van de borsten behouden bleef wanneer radiotherapie volgde na de mammareconstructie. Data werden retrospectief verzameld met verschillende middelen, zoals persoonlijke communicatie, lichamelijk onderzoek en fotografische reviews. Slechts zeven van de 41 patiënten (17%) bereikten en behielden symmetrie.

 

Patiënttevredenheid

De uitkomstmaat patiënttevredenheid was geen onderzochte uitkomstmaat.

 

Bewijskracht van de literatuur

De bewijskracht voor de uitkomstmaten “overall” complicaties, vetnecrose en esthetisch resultaat is zeer laag aangezien er ernstige beperkingen in onderzoeksopzet zijn (niet gerandomiseerd onderzoek) en omdat de studies niet gepowered zijn op deze uitkomstmaten (imprecisie). Tevens is er statistische heterogeniteit (I2=56%) voor de uitkomstmaat vetnecrose. Bovendien is het niet duidelijk of de toegepaste fractioneringsschema’s en radiotherapietechnieken vergelijkbaar zijn met de methodieken in de Nederlandse situatie. Daarom is het onduidelijk of de studieresultaten extrapoleerbaar zijn naar de Nederlandse situatie.

 

Voor de uitkomstmaat heroperatie is de bewijskracht zeer laag om dezelfde redenen als hierboven. Er is sprake van een klinisch relevant effect. Dit effect is echter zeer onzeker vanwege de brede betrouwbaarheidsintervallen (imprecisie).

 

De bewijskracht voor de uitkomstmaten locoregionaal recidief en patiënttevredenheid zijn niet te beoordelen, omdat geen vergelijkend onderzoek deze uitkomstmaat heeft onderzocht.

Referenties

  1. Anderson PR, Hanlon AL, McNeeley SW, et al. Low complication rates are achievable after postmastectomy breast reconstruction and radiation therapy. Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2004;59:1080-7.
  2. Barry M, Kell MR. Radiotherapy and breast reconstruction: a meta-analysis. Breast Cancer Res Treat. 2011;127:15-22.
  3. Berry T, Brooks S, Sydow N, et al. Complication rates of radiation on tissue expander and autologous tissue breast reconstruction. Ann Surg Oncol. 2010;17:202-10.
  4. Carlson GW, Page AL, Peter K, et al. Effects of radiation therapy on pedicled transverse rectus abdominis myocutaneous flap breast reconstruction. Ann Plast Surg. 2008;60:568-72.
  5. Chatterjee JS, Lee A, Anderson W, et al. Effect of postoperative radiotherapy on autologous deep inferior epigastric perforator flap volume after immediate breast reconstruction. Br J Surg. 2009;96:1135-40.
  6. Christante D, Pommier SJ, Diggs BS, et al. Using complications associated with postmastectomy radiation and immediate breast reconstruction to improve surgical decision making. Arch Surg. 2010;145:873-8.
  7. Cordeiro PG, Pusic AL, Disa JJ, et al. Irradiation after immediate tissue expander/implant breast reconstruction: Outcomes, complications, aesthetic results, and satisfaction among 156 patients. Plast Reconstr Surg. 2004;113:877-81.
  8. Cowen D, Gross E, Rouannet P, et al. Immediate postmastectomy breast reconstruction followed by radiotherapy: risk factors for complications. Breast Cancer Res Treat. 2010;121:627-34.
  9. Jhaveri JD, Rush SC, Kostroff K, et al. Clinical outcomes of postmastectomy radiation therapy after immediate breast reconstruction. Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2008;72:859-65.
  10. Krueger EA, Wilkins EG, Stawderman M, et al. Complications and patient satisfaction following expander/implant breast reconstruction with and without radiotherapy. Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2001;49:713-21.
  11. Lam TC, Hsieh F, Boyages J. The effects of postmastectomy adjuvant radiotherapy on immediate two-stage prosthetic breast reconstruction: a systematic review. Plast Reconstr Surg. 2013;132:511-8.
  12. Lee BT, Adesiyun TA, Colakoglu S, et al. Postmastectomy radiation therapy and breast reconstruction: an analysis of complications and patient satisfaction. Ann Plast Surg. 2010;64:679-83.
  13. Leonardi MC, Garusi C, Santoro L, et al. Impact of medical discipline and observer gender on cosmetic outcome evaluation in breast reconstruction using transverse rectus abdominis myocutaneous (TRAM) flap and radiotherapy. J Plast Reconstr Aesthet Surg. 2010;63:2091-7.
  14. Nava MB, Pennati AE, Lozza L, et al. Plast Reconstr Surg. 2011;128:353-9.
  15. Rogers NE, Allen RJ. Radiation effects on breast reconstruction with the deep inferior epigastric artery perforator flap. Plast Reconstr Surg. 2002;109:1919-24.
  16. Schaverien MV, Macmillan RD, McCulley SJ. Is immediate autologous breast reconstruction with postoperative radiotherapy good practice?: A systematic review of the literature. J Plast Reconstr Aesthet Surg. 2013, http://dx.doi.org/10.1016/j.bjps.2013.06.059.
  17. Spear SL, Ducic I, Low M, et al. The effect of radiation on pedicled TRAM flap breast reconstruction: outcomes and implications. Plast Reconstr Surg. 2005;115:84-95.
  18. Strålman K, Mollerup CL, Kristoffersen US, et al. Long-term outcome after mastectomy with immediate breast reconstruction. Acta Oncol. 2008;47:704-8.
  19. Tallet AV, Salem N, Moutardier V, et al. Radiotherapy and immediate two-staged breast reconstruction with a tissue expander and implant: Complications and esthetic results. Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2003;57:136-42.
  20. Thomson HJ, Potter S, Greenwood RJ, et al. A prospective longitudinal study of cosmetic outcome in immediate latissimus dorsi breast reconstruction and the influence of radiotherapy. Ann Surg Oncol. 2008;15:1081-91.
  21. Tran NV, Evans GR, Kroll SS, et al. Postoperative adjuvant irradiation: effects on transverse rectus abdominis muscle flap breast reconstruction. Plast Reconstr Surg. 2000:106:313-7.
  22. Whitfield GA, Horan G, Irwin MS, et al. Incidence of severe capsular contracture following implant-based immediate breast reconstruction with or without postoperative chest wall radiotherapy using 40 Gray in 15 fractions. Radiother Oncol. 2009;90:141-7.
  23. Williams JK, Carlson GW, Bostwick 3rd J, et al. The effects of radiation treatment after TRAM flap breast reconstruction. Plast Reconstr Surg. 1997;100:1153-60.
  24. Wong JS, Ho AY, Kaelin CM, et al. Incidence of major corrective surgery after post-mastectomy breast reconstruction and radiation therapy. Breast J. 2008;14:49-54.

Overwegingen

Behalve de verhoogde kans op het ontwikkelen van vetnecrose, lijkt de kans op het ontwikkelen van andere complicaties na directe autologe mammareconstructie niet te worden verhoogd door adjuvante radiotherapie, volgens de meta-analyse van Schaverien et al (2013). De kans op revisie van de microchirurgische anastomose werd in deze meta-analyse echter niet betrokken, omdat dit meestal niet werd gemeld in de originele studies. Wel lijkt het esthetisch resultaat van de directe autologe reconstructie nadelig te worden beïnvloed door adjuvante radiotherapie.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 31-12-2018

Laatst geautoriseerd : 31-12-2018

Uiterlijk in 2018 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Borstkankervereniging Nederland

Algemene gegevens

2018

Met ondersteuning van:

B.S. Niël-Weise, zelfstandig richtlijnmethodoloog

J.J.A. de Beer, zelfstandig richtlijnmethodoloog

 

2013

In samenwerking met:

Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Nederlandse Vereniging voor Psychosociale Oncologie

V&VN Verpleegkundig Specialisten

Borstkankervereniging Nederland

 

Met ondersteuning van:

Orde van Medisch Specialisten

 

Financiering

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en ZonMw.

 

In 2017 tot 2018

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door J.J.A. de Beer, zelfstandig richtlijnmethodoloog en B. Niël-Weise, zelfstandig richtlijnmethodoloog en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

In 2011 tot 2013

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door B.S. Niël-Weise, arts-microbioloog (n.p.)/epidemioloog, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Doel en doelgroep

Doel

Ontwikkelen van een multidisciplinaire kwaliteitsrichtlijn voor borstreconstructies bij vrouwen na borstsparende therapie of ablatio vanwege borstkanker of na een profylactische ablatio.

 

Doelgroep

De richtlijn beoogt een praktisch handvat te bieden aan plastisch chirurgen en de leden van het multidisciplinair mammateam (oncologisch chirurg, internist-oncoloog, radiotherapeut-oncoloog, radioloog, patholoog, psycholoog, verpleegkundig specialist mammacare-verpleegkundige). Tevens is er een versie voor patiënten ontwikkeld welke zal worden aangepast met de herzieningen in 2018.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de module borstreconstructie en systemische therapie is in 2017 een werkgroep ingesteld, bestaand uit vertegenwoordigers van die specialismen die inhoudelijk direct gerelateerd zijn aan het betreffend onderwerp.

 

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in oktober 2011 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een borstreconstructie.

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende 2 jaar aan de totstandkoming van de richtlijn.

 

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

In 2017 tot 2018 hebben de volgende personen deelgenomen aan de ontwikkeling van de richtlijn:

  • Dr. M.A.M. Mureau (voorzitter), plastisch chirurg, Erasmus MC Kanker Instituut, Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam
  • Prof. Dr. R. van der Hulst, plastisch chirurg, Maastricht Universitair Medisch Centrum/Orbis Medisch Centrum/Viecuri Medisch Centrum, Maastricht
  • Dr. C.H. Smorenburg, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Amsterdam
  • Mvr. C. Willems, Borstkankervereniging Nederland, Utrecht
  • Mevr. D. Ligtenberg, Borstkankervereniging Nederland, Utrecht

 

Meelezers:

  • Dr. M.B.E. Menke-Pluijmers, oncologisch chirurg, Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht
  • Dr. N.S. Russell, radiotherapeut-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Amsterdam
  • Mvr. D. van der Zee, V&VN Verpleegkundig Specialisten, Diakonessenhuis, Utrecht/Zeist.

 

Met ondersteuning van:

  • Mw. B.S. Niël-Weise, arts-microbioloog (niet praktiserend), zelfstandig richtlijnmethodoloog, Deventer
  • Dr. ir. J.J.A. de Beer, zelfstandig richtlijnmethodoloog, Utrecht

 

In 2011 tot 2013 hebben de volgende personen deelgenomen aan de ontwikkeling van de richtlijn:

  • Dr. M.A.M. Mureau (voorzitter), plastisch chirurg, Erasmus MC Kanker Instituut, Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam
  • Prof. Dr. R. van der Hulst, plastisch chirurg, Maastricht Universitair Medisch Centrum/Orbis Medisch Centrum/Viecuri Medisch Centrum, Maastricht
  • Dr. L. A.E. Woerdeman, plastisch chirurg, Antoni van Leeuwenhoek / Nederlands Kanker instituut, Amsterdam
  • Drs. A.A.W.M Turnhout, plastisch chirurg, Tergooi Ziekenhuis, locatie Hilversum
  • Drs. N.A.S. Posch, plastisch chirurg, Haga-ziekenhuis, Den Haag
  • Dr. M.B.E. Menke-Pluijmers, oncologisch chirurg, Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht
  • Dr. E.J.T. Luiten, oncologisch chirurg, Amphia Ziekenhuis, Breda
  • Drs. A.H. Westenberg, radiotherapeut-oncoloog, Arnhems Radiotherapeutisch Instituut, Arnhem
  • Dr. J.P. Gopie, psycholoog, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden
  • Dr. H.M. Zonderland, radioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • Drs. M. Westerhof, Borstkankervereniging Nederland, Utrecht
  • Mvr. E.M.M.Krol-Warmerdam MA, V&VN Verpleegkundig Specialisten, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

 

Met ondersteuning van

  • Drs. B.S. Niël-Weise, arts-microbioloog (n.p.)/epidemioloog, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Een overzicht hiervan kunt u bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch specialisten (KiMS) opvragen en voor de revisie in 2017 bij de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie. Een overzicht van de belangenverklaringen van de werkgroepleden in 2017 vindt u hieronder:

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatie-management

Extern gefinancierd onderzoek

Kennis

Valorisatie

Overige belangen

Mureau

Plastisch en reconstructief chirurg

Voorzitter NVPC; voorzitter commissie kwaliteit; wetenschappelijk commissielid DBIR; lid Clinical Audit Board NBCA.

 

Behoudens vacatiegeld en km vergoeding zijn deze functies onbetaald.

geen

geen

Voorzitter NVPC

geen

geen

geen

van der Hulst

Plastisch chirurg

Werkzaam in de mooi kliniek

Aandelen in microsure, ontwikkeling robot voor microchirurgie nvty

geen

geen

Hoofdonderzoeker verschillende BREAST trial, gerandomiseerde studie naar effectiviteit en veiligheid lipofilling voor volledige borstreconstructie

geen

geen

Smorenburg

Internist-oncoloog

Voorzitter richtlijn Borstkanker

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Willems

Namens BVN

 

 

 

 

 

 

 

Ligtenberg

Namens BVN

 

 

 

 

 

 

 

Hans de Beer

zelfstandig adviseur richtlijnontwikkeling /richtlijnmethodoloog

onderzoeker als fellow (onbetaald)

geen

geen

geen

geen

geen

In 2015 en 2016 heb ik workshops over de GRADE-methodiek gegeven bij enkele farmaceuten. Deze activiteiten hebben geen consequenties voor de opdrachtgever of voor het onderhavige project.

Barbara Niël-Weise

zelfstandig adviseur richtlijnontwikkeling /richtlijnmethodoloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Inbreng patiëntenperspectief

Borstkankervereniging Nederland (BVN) heeft schriftelijk input geleverd tijdens  de knelpuntanalyse en in de commentaarfase. Patiënten werden tevens in de werkgroep vertegenwoordigd door een afgevaardigde van Borstkankervereniging Nederland.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen volgens het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit (www.kwaliteitskoepel.nl). Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) (www.agreecollaboration.org), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is en op ‘richtlijnen voor richtlijn’ voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen (www.cvz.nl).

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door vertegenwoordigers van Borstkankervereniging Nederland (BVN), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), College voor Zorgverzekeringen (CvZ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg IGZ via een invitational conference in 2013 en schriftelijk in 2017 . Een verslag van de invitational conference kunt u vinden in de bijlage van deze module.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep   definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen [http://www.g-i-n.net/library/international-guidelines-library; www.guideline.gov] en naar systematische reviews [Cochrane Library; Medline]. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module van desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de methodologische checklijsten.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij voldoende overeenkomsten tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kwaliteit van bewijs (‘quality of evidence’) werd beoordeeld met behulp van GRADE (Guyatt et al., 2008). GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte (tabel 1 en 2).

 

Tabel 1 Indeling van de kwaliteit van bewijs volgens GRADE

Hoog

Er is veel vertrouwen dat het werkelijke effect dicht in de buurt ligt van het geschatte effect.

 

 

Matig

Er is matig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijk effect ligt waarschijnlijk dicht bij het geschatte effect, maar er is een mogelijkheid dat het hiervan substantieel afwijkt.

 

 

Laag

Er is beperkt vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect kan substantieel verschillen van het geschatte effect.

 

 

Zeer laag

Er is weinig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect wijkt waarschijnlijk substantieel af van het geschatte effect.

 

Tabel 2 De kwaliteit van bewijs wordt bepaald op basis van de volgende criteria

Type bewijs      

Voor studies over interventies:

RCT start in de categorie ‘hoog’. Observationele studie start in de categorie ‘laag’. Alle overige studietypen starten in de categorie ‘zeer laag’.

 

Voor studies over een risico- of prognostische factor:

Prospectieve of retrospectieve cohortstudie start in de categorie ‘hoog’. Voor andere studieontwerpen wordt afgewaardeerd via ‘risk of bias’.

 

 

 

Afwaarderen

‘Risk of bias’

- 1 Ernstig

- 2 Zeer ernstig

 

 

 

 

Inconsistentie

- 1 Ernstig

- 2 Zeer ernstig

 

 

 

 

Indirect bewijs

- 1 Ernstig

- 2 Zeer ernstig

 

 

 

 

Onnauwkeurigheid

- 1 Ernstig

- 2 Zeer ernstig

 

 

 

 

Publicatiebias

- 1 Waarschijnlijk

- 2 Zeer waarschijnlijk

 

 

 

 

 

 

Opwaarderen

Groot effect

+ 1 Groot

+ 2 Zeer groot

 

 

 

 

Dosis-respons relatie

+ 1 Bewijs voor gradiënt

 

 

 

 

Alle plausibele ‘confounding’

+ 1 zou een effect kunnen reduceren

+ 1 zou een tegengesteld effect kunnen suggereren terwijl de resultaten geen effect laten zien.

 

Formuleren van de conclusies

Een conclusie verwijst niet naar één of meer artikelen, maar wordt getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence).

 

Overwegingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie, of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor, vaak ook nog andere factoren van belang (Alonso-Coello et al., 2016).

Genoemd kunnen worden:

  • kosten,
  • waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en behandelaars met betrekking tot interventies en uitkomsten van zorg,
  • balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies,
  • aanvaardbaarheid van interventies,
  • haalbaarheid van een aanbeveling.

 

Bij voorkeur wordt ook voor deze aspecten naar wetenschappelijk bewijs gezocht. De werkgroep die deze richtlijn heeft opgesteld, heeft hiervan afgezien omdat de hiervoor benodigde tijd in geen enkele verhouding zou staan tot de verwachte opbrengst. De werkgroep heeft, daar waar dit noodzakelijk werd geacht, op basis van eigen ervaring en expertise de hiervoor genoemde aspecten geïnventariseerd.

 

Deze aspecten worden besproken na de ‘conclusie’ onder het kopje ‘overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. Dit is afhankelijk van het gewicht dat wordt toegekend aan kosten, gewenste of ongewenste effecten en andere onder de overwegingen genoemde factoren.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module 'Organisatie van nazorg en nacontrole'.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden er interne kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de methodiek zoals beschreven in Programm für Nationale VersorgungsLeitlinien von BÄK, KBV und AWMF Qualitätsindikatoren. Manual für Autoren: 6. Qualitätsindikatoren für Nationale VersorgungsLeitlinien (2009).

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader/vervolg onderzoek staat in de Kennislacunes.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. Tevens werd de richtlijn voorgelegd aan de volgende organisaties ter becommentariëring: Borstkankervereniging Nederland (BVN), Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO), Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG),  Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Nederlandse zorgautoriteit (NZA), College voor Zorgverzekeringen (CvZ), Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), Achmea, CZ, Menzis en VGZ. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

Literatuurlijst

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089.

Guyatt et al., 2008Guyatt GH, Oxman AD, Vist GE, Kunz R, Falck-Ytter Y, Alonso-Coello P, Schünemann HJ; GRADE Working Group (2008). GRADE: an emerging consensus on rating quality of evidence and strength of recommendations. BMJ. 336: 924-6.

Programm für Nationale VersorgungsLeitlinien von BÄK, KBV und AWMF Qualitätsindikatoren. Manual für Autoren: 6. Qualitätsindikatoren für Nationale VersorgungsLeitlinien (2009).

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.