Borstkanker

Initiatief: NABON / NIV Aantal modules: 137

Borstkanker - Siliconenprothesen

Aanbeveling

Screening
Vrouwen tussen de 50-75 jaar met siliconenprothesen hebben recht op deelname aan het bevolkingsonderzoek.

Alleen als mammografie niet lukt of te weinig borstklierweefsel afgebeeld wordt, worden zij verwezen naar de afdeling radiologie van het ziekenhuis. Dit gebeurt hoofdzakelijk bij siliconenprothesen die t.o.v. de hoeveelheid klierweefsel een groot volume hebben.

Wanneer de ratio tussen de diameter van de prothese en de diameter van de borst gemeten op de CC opname groter is dan 0,8 worden vrouwen in de screening geweerd.

Naast de standaard mammografische opnames (CC en oblique opnames) wordt geadviseerd een zuiver laterale opname en de zogenaamde Eklund opnames te maken.

Diagnostiek
In de praktijk blijkt mammografie eerste onderzoek van keuze te zijn, tenzij er sprake is van contra-indicaties (bijvoorbeeld onverdraagbare pijn, negatief advies van aanvrager/ plastisch chirurg).

Zowel bij retro- als prepectoraal geplaatste prothesen is het zinvol om bij een mammografie zogenaamde aanvullende Eklund opnames te vervaardigen. Aanwijzingen voor kapselvorming is een contra-indicatie.

Aanvullende echografie is alleen geïndiceerd bij palpabele afwijkingen of op indicatie van de radioloog.

Overwegingen

De ruptuurkans van de oude generaties siliconenprothesen (die een bijna vloeibare kern bevatten) is veel groter dan die van de huidige prothesen, bestaande uit veel steviger cohesieve gel. Ze zijn door hun meer anatomische vorm beter vervormbaar en comprimeerbaar, dit wordt tijdens het productieproces getest. Ze vertonen een veel lagere ruptuurkans dan de oudere typen: 98% was ruptuurvrij na 5 jaar en 83-85% na 10 jaar [McLaughlin 2007].
De chirurg informeert patiënte over de mogelijke problemen bij de beoordeelbaarheid van het mammogram in toekomst vanwege de aanwezigheid van prothesen. Periodiek borstzelfonderzoek wordt niet aanbevolen in de algemene populatie. Echter, omdat bij vrouwen met prothesen de meeste carcinomen worden ontdekt door palpatie kan deze methode hier wel zinvol zijn.

Onderbouwing

Niveau 1

Het is aangetoond, dat in aanwezigheid van siliconenprothesen de carcinoomincidentie niet toeneemt, maar gelijk of minder hoog is dan in de algemene populatie.

 

A2    Deapen 2007, Pukkala 2002, Friis 2006

 

Niveau 1

Het is aangetoond, dat stadium en overleving bij vrouwen met siliconenprothesen vergelijkbaar zijn met die van de algemene populatie.

 

A2    Deapen 2007, Pukkala 2002, Friis 2006, Handel 2007

 

Niveau 3

Carcinomen bij vrouwen met prothesen worden vaker ontdekt als palpabele afwijkingen, ze zijn vaker invasief met lymfkliermetastasen en foutnegatief mammogram.

 

A2    Handel 2007

 

Er zijn geen evidence based richtlijnen of meta-analyses over screening en diagnostiek bij patiënten met siliconenprothesen. De meeste data komen van (langlopende) retrospectieve cohortstudies. Retrospectieve cohortstudies tonen aan dat de incidentie van borstkanker in aanwezigheid van prothesen niet hoger en de overleving niet slechter is dan verwacht [Deapen 2007]. In sommige studies ligt de incidentie zelfs lager. In een Finse studie werden 2.171 vrouwen geïncludeerd, 30 ontwikkelden borstkanker tegen 33,7 verwacht (SIR 0,9; 95%CI 0,6-1,3). In een Deense studie, waarin 2.763 vrouwen met siliconenprothesen werden vergeleken met een controlegroep werd ook minder borstkanker gevonden dan verwacht (SIR 0,7; 95%CI 0,5-1,0). In deze 2 studies waren stadium en overleving vergelijkbaar met die van de algemene populatie [Pukkala 2002, Friis 2006]. Handel (2007) vergeleek 129 carcinomen bij vrouwen met siliconenprothesen met de algemene populatie en vond meer palpabele afwijkingen, invasieve tumoren, positieve lymfklieren en foutnegatieve mammografieën. De nacontrole bedroeg maximaal 23 jaar, er werd geen overlevingsverschil gevonden. Tumordetectie vond meestal plaats door lichamelijk onderzoek (palpabele afwijking), mammografie was de meest betrouwbare beeldvormende techniek, gevolgd door echografie.

Screening

Vrouwen met siliconenprothesen tussen 50-75 jaar hebben recht op deelname aan het bevolkingsonderzoek. Alleen als mammografie niet lukt of te weinig borstklierweefsel afbeeldt worden zij verwezen naar de afdeling radiologie van het ziekenhuis. Dit gebeurt hoofdzakelijk bij grote siliconenprothesen ten opzichte van de hoeveelheid klierweefsel. Wanneer de ratio tussen de diameter van de prothese en de diameter van de borst gemeten op de CC opname groter is dan 0,8 worden vrouwen in de screening verwezen naar het ziekenhuis. In de praktijk blijkt mammografie eerste onderzoek van keuze tenzij er contra-indicaties zijn (bijvoorbeeld onverdraagbare pijn, negatief advies van aanvrager/ plastische chirurg). Het is zinvol om bij een mammografie aanvullende Eklund opnames te vervaardigen (zowel bij retro- als prepectoraal geplaatste prothesen). Dit is een methode om opnamen te maken waarbij de prothese met de hand weggeduwd wordt naar de thoraxwand, voordat er compressie plaatsvindt. Op deze wijze wordt alleen het borstweefsel gecomprimeerd en afgebeeld. De Eklund methode is uitsluitend mogelijk indien er geen kapselcontractuur aanwezig is [LRCB 2017]. Aanvullende echografie wordt alleen aanbevolen bij palpabele afwijkingen of op indicatie van de radioloog.

 

Beeldvormende diagnostiek
Patiënten met siliconenprothesen vormen een heterogene groep. De mate waarin de prothese het fibroglandulaire weefsel maskeert wisselt sterk, in het algemeen neemt bij toenemende leeftijd de overprojectie af, door toename van vetweefsel in de borsten. Ook andere factoren spelen een rol bij de mogelijkheid tot het uitvoeren en het beoordelen van een mammogram: kapselvorming, grote prothese in kleine borst en prepectorale lokalisatie zijn nadelig, maar bij retropectorale lokalisatie is het uitvoeren en beoordelen doorgaans geen probleem. Ook hier heeft de digitalisering van de mammografie een positieve invloed.

  • Mammografie wordt algemeen beschouwd als standaardmethode. Bij het bevolkingsonderzoek wordt slechts een minderheid onbeoordeelbaar geacht.
  • Echografie is geïndiceerd als aanvulling op mammografie bij palpabele afwijkingen, zowel voor detectie van lekkage als voor massa’s. Over echografie als screeningsmiddel bij prothesen zijn geen goede studies verricht. In de 14-centerstudie van Berg (2008) werden geen vrouwen met implantaten geïncludeerd. Deze studie laat wel zien, dat in individuele gevallen screening met echografie zinvol kan zijn, als screening met mammografie niet lukt.
  • In de Verenigde Staten wordt MRI toegestaan door de FDA als methode om bij asymptomatische vouwen lekkage of ruptuur vast te stellen, maar de evidence hiervoor wordt mede door de kwaliteit van de huidige prothesen betwijfeld. MRI is wel zeer sensitief om een ruptuur vast te stellen bij symptomatologie [McCarthy 2008]. MRI als screeningsmiddel bij vrouwen met prothesen en met het risicoprofiel van de algemene populatie wordt niet aanbevolen, omdat er geen aanwijzingen zijn, dat bij optreden van borstkanker hun prognose slechter is.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 01-07-2018

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nationaal Borstkanker Overleg Nederland
  • Nederlandse Internisten Vereniging

Methode ontwikkeling

Evidence based

Volgende:
Diagnostiek