Borstkanker

Initiatief: NABON / NIV Aantal modules: 137

Borstkanker - Systemische behandeling locoregionaal recidief

Aanbeveling

Deze module is in 2017 gereviseerd.

 

Bij patiënten met een oestrogeenreceptor negatief locoregionaal recidief (zonder metastasen op afstand) kan na locoregionale behandeling aanvullende behandeling met chemotherapie overwogen worden.

 

Bij patiënten met een oestrogeenreceptor positief locoregionaal recidief (zonder metastasen op afstand) kan na locoregionale behandeling aanvullende behandeling met chemotherapie voorafgaande aan endocriene therapie overwogen worden in geval van ongunstige tumorkenmerken van het recidief of indien er ten tijde van de primaire diagnose geen (neo-)adjuvante chemotherapie gegeven is.

Overwegingen

Bij patiënten met een locoregionaal recidief (zonder metastasen op afstand) kan aanvullende behandeling met chemotherapie overwogen worden na locoregionale behandeling, met name bij oestrogeenreceptor-negatieve tumoren. In deze groep werd het relatieve risico voor recidief met bijna 2/3 gereduceerd [Aebi 2014]. Patiënten met een oestrogeenreceptorpositieve tumor en een locoregionaal recidief kunnen adjuvant behandeld worden met alleen endocriene therapie [Borner, 1994, Waeber 2003]. Chemotherapie gevolgd door endocriene therapie kan bij hormoonreceptorpositieve tumoren met een locoregionaal recidief overwogen worden in geval van ongunstige tumorkenmerken van het recidief of indien er ten tijde van de primaire diagnose geen (neo)-adjuvante chemotherapie gegeven is [Aebi 2014]. In geval van locoregionale recidieven die tegelijkertijd met of na afstandsmetastasen optreden, geldt dat op basis van risico-inschatting het relatieve belang van systemische en locoregionale behandeling moet worden afgewogen. In elk geval moet voor ogen worden gehouden dat een ongecontroleerd locoregionaal recidief een grote morbiditeit met zich meebrengt en dat locoregionale behandeling in combinatie met systemische behandeling een betere kans heeft dat te voorkomen dan systemische behandeling alleen.

 

Continuïteit van zorg

Na behandeling van het locoregionaal recidief moet de behandelaar alert zijn op vragen van de patiënt en problemen met betrekking tot de verwerking van een terugslag.

Onderbouwing

(GRADE)

Er is bewijs van matige kwaliteit dat chemotherapie bij patiënten met een locoregionaal recidief leidt tot verbeterde 5-jaars overleving.

Aebi 2014

 

Er is bewijs van matige kwaliteit dat er geen verschil is in 5-jaars overleving bij patiënten met een oestrogeenreceptor-negatief locoregionaal recidief met of zonder chemotherapie.

Aebi 2014

 

Er is bewijs van matige kwaliteit dat er geen verschil is in 5-jaars overleving bij patiënten met een oestrogeenreceptor-positief locoregionaal recidief met of zonder chemotherapie.

Aebi 2014

 

Er is bewijs van matige kwaliteit dat chemotherapie bij patiënten een locoregionaal borstkankerrecidief leidt tot verbeterde 5-jaars ziektevrije overleving.

Aebi 2014

 

Er is bewijs van matige kwaliteit dat chemotherapie bij patiënten met een oestrogeenreceptor-negatief locoregionaal recidief leidt tot hogere 5-jaars ziektevrije overleving.

Aebi 2014

 

Er is bewijs van matige kwaliteit dat dat er geen verschil is in 5-jaars ziektevrije overleving bij patiënten met een oestrogeenreceptor-positief locoregionaal recidief met of zonder chemotherapie.

Aebi 2014

Door de positieve resultaten van adjuvante systemische behandeling na primaire locoregionale behandeling van stadium I en II borstkanker en de veelal trage groeisnelheid van borstkanker wordt een locoregionaal recidief vaak pas na jaren manifest.

In de CALOR trial is de toegevoegde waarde van adjuvante chemotherapie bij behandeling van het locoregionaal recidief uitgezocht [Aebi 2014]. Aebi randomiseerde 162 patiënten met een lokaal en/of regionaal recidief naar wel of geen aanvullende chemotherapie. Adjuvante behandeling door middel van radiotherapie, endocriene therapie en/of anti-HER2 therapie was toegestaan. De studie is wegens gebrek aan accrual vervroegd gesloten, en is geanalyseerd met 58 in plaats van de beoogde 124 events. Met betrekking tot dit onderwerp is het niet te verwachten dat er andere informatie ter beschikking komt. De studie heeft een laag risico op bias voor objectieve uitkomsten (zoals totale overleving). Door het lage aantal events is er afgewaardeerd voor imprecisie.

 

Effect op totale overleving

Na een mediane follow-up van 4,9 jaar was de totale overleving beter na chemotherapie met een van HR 0,41 (95%CI 0,19-0,89; p=0,024). Dit bleek vooral te berusten op de (gestratificeerde) subgroep van oestrogeenreceptor negatieve tumor (58 patiënten). De patiënten met een oestrogeenreceptorpositieve tumor die chemotherapie kregen, hadden een 5-jaars totale overleving van 94% (95%CI 82-98) versus 80% (95%CI 63-90) bij patiënten met oestrogeenreceptor positieve tumoren zonder chemotherapie (HR=0,40 (95%CI 0,12-1,28)). Bij de oestrogeenreceptor-negatieve patiëntengroep was dit 79% (95%CI 55-91) versus 69% (95%CI 47-93) (HR=0,43 (95%CI 0,15-1,24)) [Aebi 2014].

 

Effect op ziektevrije overleving en recidief ziekte

Na een mediane follow up van 4,9 jaar werd een significante verbetering van de ziektevrije overleving gevonden voor de chemotherapie groep van 69% (95%CI 56-79) versus 57% (95%CI 44-67) in de niet-chemotherapie groep (HR=0,59 (95%CI 0,35-0,99)) [Aebi 2014].

 

De patiënten met een oestrogeenreceptor-negatieve tumor die chemotherapie kregen, hadden een significant betere 5-jaars ziektevrije overleving dan de patiënten met een oestrogeenreceptor-negatieve tumor die geen chemotherapie kregen (HR 0,32 (95%CI 0,14-0,73)). Dit verschil werd niet gerapporteerd bij de patiënten met oestrogeenreceptor positieve tumoren [Aebi 2014].

 

De trial van de Swiss Group for Clinical Cancer Research (SAKK) randomiseerde tamoxifen versus geen adjuvante therapie in 178 patiënten. Deze trial toonde na 11,6 jaar een verbetering in ziektevrije overleving van 6,5 jaar versus 2,7 jaar, maar geen overlevingswinst [Borner 1994, Waeber 2003]. Enkele studies onderzochten retrospectief de rol van aanvullende chemotherapie, maar vonden geen of geen significant verschil [Danoff 1983, Haylock 2000]. Op basis van de SAKK trial kan secundair adjuvante hormonale therapie worden geadviseerd [Borner 1994, Waeber 2003].

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 31-12-2017

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nationaal Borstkanker Overleg Nederland
  • Nederlandse Internisten Vereniging

Methode ontwikkeling

Evidence based

Volgende:
Gemetastaseerde borstkanker