BCD bij unilaterale conductieve gehoorverliezen
Uitgangsvraag
Wanneer is een BCD geïndiceerd bij unilaterale conductieve gehoorverliezen?
Aanbeveling
Start, indien mogelijk, met revalidatie met een luchtgeleidingshoortoestel bij een, invaliderend en persisterend unilateraal conductief gehoorverlies. Controleer de effectiviteit (verwijzen naar richtlijn hoorzorg volwassenen). Is deze niet voldoende, en/of verwacht u problemen in gebruik, bespreek dan de mogelijkheid van een BCD en stel een proeftraject voor (zie de modules ‘Criteria voor headband/softband trial BCD’ en ‘BCD klasse bij type gehoorverlies/toepassing’).
Bied, indien een luchtgeleidingshoortoestel niet kan, een proeftraject met een BCD aan (zoals bij gehoorgangatresie of microtie, conform de module criteria voor headband/softband trial BCD). Evalueer de proef conform de aanbevelingen in module Instrumenten voor evaluatie BCD proef.
Kies het type BCD conform de module Type BCD: actief transcutaan versus percutaan. Maak deze keuze in gezamenlijk overleg met de patiënt en weeg daarbij de wensen en voorkeuren, de haalbaarheid, het draagcomfort, de audiologische uitkomstmaten, de kosten en de logistieke consequenties zorgvuldig mee.
Bespreek met de patiënt de te verwachten effecten op spraakverstaan in stilte en in ruis, en op richtinghoren. Benoem daarnaast dat subtielere verbeteringen, zoals minder vermoeidheid, kunnen optreden.
Informeer ouders van kinderen met een congenitaal of verworven unilateraal conductief gehoorverlies zo vroeg mogelijk over de mogelijkheden voor revalidatie en over centra met specifieke expertise in zowel hoorimplantaten als microtie. Stem lokaal af wie deze informatie geeft, vooral wanneer er sprake is van microtie of atresie, al dan niet in het kader van een syndroom.
Hanteer bij patiënten met een unilateraal congenitaal of verworven conductief gehoorverlies die voor het eerst een BCD uitproberen een proefperiode die lang genoeg is om een weloverwogen keuze te maken (zie de module ‘Criteria voor headband/softband trial BCD’):
- Zie ook de module ‘BCD bij gemengde verliezen’ in verband met de grootte van de air-bone gap en ten aanzien van bilateraal geleidingsverlies na bijvoorbeeld cholesteatoomchirurgie.
Overwegingen
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
Er is literatuuronderzoek gedaan naar de vergelijking tussen BCD’s en andere hoortoestellen bij patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. Er zijn geen studies gevonden die deze vergelijking onderzoeken.
Naast de vergelijking tussen BCD’s en andere hoortoestellen is ook gezocht naar studies waarin BCD’s zijn vergeleken met de ongeholpen situatie. Omdat deze vergelijking doorgaans lastig met een RCT te onderzoeken is als het gaat om contra-indicaties om een hoortoestel te dragen, zijn deze studies niet systematisch uitgewerkt in de literatuursamenvatting. Het cluster vindt dit type onderzoek wel relevant voor het beantwoorden van de uitgangsvraag. Het literatuuronderzoek uit 2024 leverde één systematische review en één observationele studie op. In de richtlijn uit 2018 waren vijf studies geïncludeerd. Een samenvatting van deze onderzoeken staat in de samenvatting studies BCD versus unaided bij de module Indicatiestelling BCD bij unilaterale gehoorverliezen.
Onderzoek uit de periode 2005–2025 (Hol, 2005; Kunst, 2008; Kunst, 2008b; Agterberg, 2011; Agterberg, 2012; Almuhawas, 2020; Wang, 2023) laat zien dat zowel implanteerbare als niet-implanteerbare BCD’s, bij unilateraal conductief gehoorverlies meestal leiden tot verbetering van vrije-veld gehoordrempels en spraakverstaan in stilte en in ruis. De grootste winst treedt doorgaans op wanneer ruis aan de zijde van het beter horende oor wordt aangeboden.
Het effect op geluidslokalisatie is wisselend. Mensen met verworven gehoorverlies laten gemiddeld meer verbetering zien, doordat zij beter gebruik kunnen maken van herstel van binaurale cues (ITD/ILD). Bij aangeboren gehoorverlies zijn de effecten beperkter, mede doordat de prestaties in de ongeholpen situatie vaak al relatief goed zijn. De mate van objectieve winst verschilt sterk per individu en hangt samen met het uitgangsniveau, de gebruikte stimuli en het vermogen om alternatieve cues te benutten.
Subjectieve uitkomsten zijn in alle studies consistent positief. Vragenlijsten zoals de SSQ/SSQ-C, IOI-HA, GBI en GCBI laten minder luistergerelateerde beperkingen zien, een betere geluidskwaliteit en een hoge gebruikerstevredenheid. Het dagelijks gebruik is doorgaans langdurig en bijwerkingen, zoals huidirritatie, komen slechts incidenteel voor. Bij kinderen worden daarnaast voordelen beschreven in het dagelijks functioneren en het leren. Recentere studies benadrukken bovendien het belang van vroege hoorstimulatie voor de auditieve ontwikkeling.
Gezamenlijk ondersteunen deze studies het gebruik van BCD’s als een effectieve en goed geaccepteerde hooroplossing wanneer chirurgisch herstel van het gehoor niet mogelijk of wenselijk is. Vanwege de grote individuele variatie in effectiviteit wordt meestal aanbevolen eerst een proefperiode met een niet-implanteerbaar systeem te doorlopen voordat tot implantatie wordt besloten.
Verdere overwegingen
De veronderstelde meerwaarde van een BCD bij unilateraal conductief gehoorverlies is het (gedeeltelijk) herstel van binauraal horen. Dit kan leiden tot beter spraakverstaan, met name in rumoer, en tot verbetering van geluidslokalisatie. De gevonden winst in spraakverstaan in rumoer sluit aan bij herstel van binauraal functioneren. Bij een deel van de patiënten verbetert ook het richtinghoren, wat erop wijst dat het binauraal horen in deze groep (deels) herstelt. Voor het effect op richtinghoren is het onderscheid tussen aangeboren en verworven gehoorverlies van belang. Het herstel van binauraal functioneren is doorgaans beter bij verworven unilateraal conductief gehoorverlies dan bij aangeboren gehoorverlies, vooral wanneer revalidatie niet op kortere termijn plaatsvindt.
Gezien de specifieke doelgroep en de beschreven positieve effecten op spraakverstaan en richtinghoren, in combinatie met de mogelijkheid om de interventie preoperatief te proberen, kunnen de effecten vooraf goed worden ingeschat. Op basis hiervan zijn de onderstaande overwegingen en aanbevelingen geformuleerd.
Bij kinderen met unilateraal conductief gehoorverlies zijn in de afgelopen decennia meerdere studies verschenen naar het effect van interventies. Deze studies beschrijven consequent de nadelige gevolgen van eenzijdig gehoorverlies, zowel bij verworven als congenitale gehoorverliezen. Met name in het dagelijks leven, tijdens complexe luistersituaties, laten kinderen met een unilateraal gehoorverlies duidelijke verschillen zien ten opzichte van normaal horende leeftijdsgenoten. Zij hebben een verhoogd risico op ontwikkelingsachterstand en lagere schoolprestaties, doubleren vaker en ervaren meer vermoeidheid. In veel gevallen hielden deze verschillen meerdere jaren aan, ondanks individuele training (Lieu, 2004, 2012, 2015). Deze bevindingen onderbouwen het nut en de noodzaak om te blijven zoeken naar een adequate interventie voor kinderen met unilateraal conductief gehoorverlies.
Bij het afwegen van de verschillende interventies (chirurgische opheffing van gehoorgangatresie, conventionele hoortoestellen en BCD) kan voorzichtig het volgende worden geconcludeerd. Chirurgische opheffing van gehoorgangatresie is alleen te overwegen bij een type 1 of 2a atresie volgens de Altmann-Cremers-classificatie (Cremers, 1988). In andere gevallen wegen de risico’s en mogelijke complicaties niet op tegen de te verwachten gehoorwinst, zeker in vergelijking met de audiologische resultaten die met een BCD kunnen worden bereikt (Bouhabel, 2012; Cremers, 1988; Declau, 1999).
Bij conventionele hoortoestelaanpassing is, wanneer dit anatomisch mogelijk en medisch verantwoord is (zie de module Diagnostiek bij BCD), de grootte van de air-bone gap bepalend voor het te verwachten resultaat in vergelijking met een BCD (zie de module BCD bij gemengde verliezen). Over de meerwaarde van een actief middenoorimplantaat kan nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, omdat hiernaar onvoldoende onderzoek is verricht. Wel is bekend dat hierbij geen sprake is van cros-horen, terwijl dit bij beengeleiding met een BCD wel optreedt.
Hoewel in deze uitgangsvraag congenitale en verworven unilaterale conductieve gehoorverliezen gezamenlijk worden besproken, is het belangrijk dit onderscheid in de overwegingen mee te nemen. Bij een deel van de mensen met een aangeboren unilateraal gehoorverlies lijkt compensatie mogelijk via spectrale cues van het beter horende oor, waardoor lokalisatie in het horizontale vlak mogelijk blijft (Agterberg, 2012).
Tegelijkertijd laat onderzoek van Agterberg (2012) zien dat de effecten van een BCD op richtinghoren doorgaans groter zijn bij verworven unilateraal conductief gehoorverlies dan bij aangeboren gehoorverlies. Mogelijke verklarende factoren zijn individuele variatie in schedelverzwakking, neurale verwerking, het hoofdschaduweffect en het gebruik van spectrale cues. Deze bevindingen zijn gebaseerd op kleine patiëntenaantallen.
Nelissen (2015) beschreef in een retrospectieve studie bij 53 mensen met een aangeboren unilateraal gehoorverlies, geïmplanteerd met een percutane BCD, een hoog percentage niet-gebruikers (40 procent). In deze groep stopt men rond het vijftiende levensjaar met het dragen van het systeem, na gemiddeld vijf jaar gebruik (gemiddeld geïmplanteerd op 10-jarige leeftijd). Hoewel deze resultaten voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd, onderstrepen zij het belang van een voldoende lange proefperiode vóór implantatie (tenminste 2 weken) en van zorgvuldige evaluatie van de instellingen, inclusief borging van de fitting en lange termijn follow-up; de ervaring van de werkgroep leert inmiddels (10 jaar na publicatie) dat een aantal van de non-users (zowel uit deze studie als daarbuiten) op latere leeftijd (na de pubertijd) zijn teruggekomen om toch weer een bone conduction device te willen gaan dragen ten tijde van studie of werk.
Kwaliteit van bewijs
Niet van toepassing.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)
Er zijn geen aanvullende waarden en voorkeuren gevonden die specifiek gelden voor patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. De algemeen beschreven punten uit de module indicatiestelling zijn ook voor deze groep van toepassing.
Kostenaspecten
Er zijn geen specifieke kostenaspecten gevonden die uitsluitend gelden voor patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. De algemene kostenoverwegingen zoals beschreven in de module indicatiestelling zijn ook voor deze groep van toepassing.
Gelijkheid ((health) equity/equitable)
Er zijn geen specifieke gelijkheidsaspecten gevonden die uitsluitend gelden voor patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. De algemene gelijkheidsoverwegingen zoals beschreven in de module indicatiestelling zijn ook op deze groep van toepassing.
Aanvaardbaarheid:
Ethische aanvaardbaarheid en duurzaamheid
Er zijn geen specifieke aspecten op het gebied van ethische aanvaardbaarheid en duurzaamheid gevonden die alleen gelden voor patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. De algemene overwegingen zoals beschreven in de module indicatiestelling zijn ook op deze groep van toepassing.
Haalbaarheid
Er zijn geen specifieke aspecten op het gebied van haalbaarheid gevonden die alleen gelden voor patiënten met unilateraal conductief gehoorverlies. De algemene overwegingen zoals beschreven in de module indicatiestelling zijn ook op deze groep van toepassing.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
BCD’s, bij zowel kinderen als volwassenen met unilateraal conductief gehoorverlies, leiden tot duidelijke verbeteringen in gehoordrempels en spraakverstaan van het aangedane oor, zowel in stilte als in rumoer. Ze zijn daarmee een goede behandeloptie voor patiënten bij wie chirurgisch herstel van gehoor niet mogelijk of wenselijk is, en bij wie resultaten met een conventioneel hoortoestel (indien mogelijk) niet voldoen. De BCD dient vooraf uitgeprobeerd te worden (zie module criteria voor headband/softband trial BCD en module instrumenten voor evaluatie bone conduction device proef).
Eindoordeel:
Sterke aanbeveling voor (Doen).
Onderbouwing
This guideline module describes in which cases a patient is a good candidate for bone conduction device (BCD). The specific focus of this module is unilateral conductive hearing loss.
Summary of Findings
Not applicable.
Description of studies
No studies were included in the analysis of the literature.
Results
Not applicable.
A systematic review of the literature was performed to answer the following question(s):
What are (un)favorable effects of bone conduction devices compared with other audiological rehabilitation techniques in patients with unilateral conductive hearing loss?
Table 1. PICO
| Patients | Unilateral conductive hearing loss patients (excluding single-sided deafness (SSD)/severe to profound unilateral sensorineural hearing loss) |
| Intervention | BCD (including middle ear implants) |
| Control | other audiological technical rehabilitation techniques such as air conduction devices, (bi)cros hearing aid (CROS), cochlear implantation (CI), wait-and-see policy |
| Outcomes | Speech perception in quiet, speech perception in noise, sound localization, quality of life based on questionnaire, skin reactions according to IPS, implant loss |
| Other selection criteria | Study design: systematic reviews and randomized controlled trials |
Relevant outcome measures
The guideline panel considered speech perception in quiet and speech perception in noise as critical outcome measures for decision making; and sound localization, quality of life based on questionnaires, skin reactions according to IPS, and implant loss as important outcome measures for decision making.
A priori, the guideline panel did not define the outcome measures listed above but used the definitions used in the studies.
The guideline panel defined the following as minimal clinically (patient) important differences:
- Speech perception in quiet: mean difference of 10%.
- Speech perception in noise: mean difference of 10% or 1 dB.
- Sound localization: 10 degrees or 20% MAE (Mean Absolute Error, in degrees).
- Hearing related quality of life (based on questionnaire): 15% (eventueel nog verder afbakenen afhankelijk van de vragenlijst).
- Skin reactions according to IPS: 2 points.
- Implant loss: absolute difference of 2%.
Search and select (Methods)
A systematic literature search was performed by a medical information specialist using the following bibliographic databases: Embase.com and Ovid/Medline. Both databases were searched from May 2016 to 17th of June 2024 for systematic reviews, RCTs and observational studies. Systematic searches were completed using a combination of controlled vocabulary/subject headings (e.g., Emtree-terms, MeSH) wherever they were available and natural language keywords. The overall search strategy was derived from two primary search concepts: (1) hearing loss; (2) Bone Conduction Device. Duplicates were removed using EndNote software. After deduplication a total of 1733 records were imported for title/abstract screening. Initially, 22 studies were selected based on title and abstract screening. After reading the full text, 22 studies were excluded (see the exclusion table under the tab ‘Evidence tabellen’), and no studies were included.
This search was an update of the guideline published in 2018. In 2018, similar search strategy and similar search criteria were used. The observational studies that were included in 2018 were not included in this updated summary of literature, since only randomized controlled trials and systematic reviews were considered relevant.
- Agterberg MJ, Snik AF, Hol MK, van Esch TE, Cremers CW, Van Wanrooij MM, Van Opstal AJ. Improved horizontal directional hearing in bone conduction device users with acquired unilateral conductive hearing loss. J Assoc Res Otolaryngol. 2011 Feb;12(1):1-11. doi: 10.1007/s10162-010-0235-2. Epub 2010 Sep 14. PMID: 20838845; PMCID: PMC3015026.
- Agterberg MJ, Snik AF, Hol MK, Van Wanrooij MM, Van Opstal AJ. Contribution of monaural and binaural cues to sound localization in listeners with acquired unilateral conductive hearing loss: improved directional hearing with a bone-conduction device. Hear Res. 2012 Apr;286(1-2):9-18. doi: 10.1016/j.heares.2012.02.012. PMID: 22616091.
- Almuhawas F, Alzhrani F, Saleh S, Alsanosi A, Yousef M. Auditory Performance and Subjective Satisfaction with the ADHEAR System. Audiol Neurootol. 2021;26(1):1-10. doi: 10.1159/000507775. Epub 2020 Jun 16. PMID: 32544908.
- Hol MK, Snik AF, Mylanus EA, Cremers CW. Does the bone-anchored hearing aid have a complementary effect on audiological and subjective outcomes in patients with unilateral conductive hearing loss? Audiol Neurootol. 2005 May-Jun;10(3):159-68. doi:10.1159/000084026. Epub 2005 Feb 17. PMID: 15724087.
- Kunst SJ, Hol MK, Mylanus EA, Leijendeckers JM, Snik AF, Cremers CW. Subjective benefit after BAHA system application in patients with congenital unilateral conductive hearing impairment. Otol Neurotol. 2008 Apr;29(3):353-58. doi: 10.1097/mao.0b013e318162f1d9. PMID: 18494142.
- Kunst SJ, Leijendeckers JM, Mylanus EA, Hol MK, Snik AF, Cremers CW. Bone-anchored hearing aid system application for unilateral congenital conductive hearing impairment: audiometric results. Otol Neurotol. 2008 Jan;29(1):2-7. doi: 10.1097/mao.0b013e31815ee29a. PMID: 18199951.
- Wang XY, Ren LJ, Xie YZ, Fu YY, Zhu YY, Li CL, Zhang TY. The Effects of BCDs in Unilateral Conductive Hearing Loss: A Systematic Review. J Clin Med. 2023 Sep 11;12(18):5901. doi: 10.3390/jcm12185901. PMID: 37762842; PMCID: PMC10532261.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 08-09-2026
Beoordeeld op geldigheid : 08-09-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2020 een multidisciplinaire cluster ingesteld. Dit cluster bestaat uit vertegenwoordigers van alle relevante organisaties die betrekking hebben op de zorg voor patiënten met gehoorproblemen.
Het cluster Otologie bestaat uit meerdere richtlijnen, zie hier voor de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden worden indien nodig gevraagd om hun expertise in te zetten voor een specifieke richtlijnmodule. Het cluster Otologie bestaat uit de volgende personen:
Clusterstuurgroep
- Dr. A.L. (Diane) Smit, voorzitter cluster otologie, KNO-arts, UMC Utrecht, NVKNO
- Dr. E. (Erik) van Spronsen, KNO-arts, Amsterdam UMC locatie AMC, Amsterdam, NVKNO
- Drs. R.M. (Robert) van Haastert, KNO-arts, Dijklander Ziekenhuis, Purmerend,
- Drs. M.J. (Thijs) Vaessen, Oogarts, Deventer Ziekenhuis, Deventer, NOG
- Dr. ir. F.L. (Femke) Theelen, Audioloog, Amsterdam UMC, Amsterdam, NVKF
- Drs. S.A.H. (Sjoert) Pegge, Radioloog, Radboudumc, Nijmegen, NVvR
Betrokken clusterexpertisegroep
- Dr. A.L. (Diane) Smit, cluster otologie, KNO-arts, UMC Utrecht, NVKNO
- Prof. Dr. M.K.S. (Myrthe) Hol, KNO-arts, UMC Groningen, Groningen (vz), NVKNO
- Ir. M.S. (Martijn) Toll, Klinisch fysicus-audioloog, Erasmus MC, Rotterdam, NVKF
- Dr. S.J.H. (Steven) Bom, KNO-arts, Deventer Ziekenhuis, Deventer, NVKNO
- Dr. L.V. (Louise) Straatman, KNO-arts, UMC Utrecht, Utrecht, NVKNO
- Drs. T.W. (Tjerk) Aukema, arts-assistent in opleiding tot medisch specialist KNO-arts, UMC Groningen, Groningen, NVKNO
- Ir. L.C. (Lucas) Stam, Klinisch fysicus-audioloog, Koninklijke Kentalis, NVKF
Met ondersteuning van
- Dr. R. (Romy) Zwarts-van de Putte, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. D.G. (Dian) Ossendrijver, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. E.R.L. (Evie) Verweg, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. E. (Esther) van der Bijl, medisch informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle clusterstuurgroepleden en actief betrokken expertisegroepleden (fungerend als schrijver en/of meelezer bij tenminste één van de geprioriteerde richtlijnmodules) hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een richtlijnmodule worden wijzigingen in belangen aan de projectleider doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase. Een overzicht van de belangen van de clusterleden en betrokken expertisegroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroepleden
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Smit |
KNO arts UMC Utrecht, afdeling KNO |
Medisch adviseur Stichting Hoormij, onbetaald |
-Medeaanvrager en onderzoeker van de MinT-studie naar de toepassing van mindfulness bij tinnitus, gefinancierd door HandicapNL. -Hoofdonderzoeker van de CINGLE-studie naar de toepassing van cochleaire implantatie, beengeleidingshoortoestellen en CROS bij mensen met single sided deafness, gefinancierd door Cochlear (unrestricted grant). Cochlear had geen invloed op het studiedesign, de uitvoering, analyse of publicatie. De resultaten (Peters et al.) zijn gebruikt als evidence in de module perceptief gehoorverlies van de BCD-richtlijn. Ik heb geen persoonlijk belang bij de uitkomsten van deze module. - Medeaanvrager en onderzoeker van een studie naar cochleaire implantatie bij mensen met tinnitus, gefinancierd door Cochlear. - Medeaanvrager en onderzoeker van een studie naar subtypering van tinnituspatiënten, gefinancierd door Cochlear. |
Restricties ten aanzien van besluitvorming over aanbevelingen bij indicatiestelling voor perceptieve verliezen. Hol treedt als voorzitter op voor het onderdeel BCD binnen de derde cyclus. |
|
Spronsen |
KNO-arts, Amsterdam UMC |
Raad van Advies START |
Geen |
Geen restrictie |
|
Vaessen |
Oogarts Deventer Ziekenhuis, Oogarts Streekziekenhuis Koningin Beatrix te Winterswijk |
Geen |
Samen met Sallandse Specialisten Coorporatie aandeelhouder in een drietal bedrijven: 1. eNose: een bedrijf dat een product ontwikkelt voor adem- en headspace-analyse om ziekten te detecteren waaronder tuberculose, hoofd-, hals- en longkanker(https://www.enose-company.com/). 2. Ventinova: een bedrijf dat verbeteringen in hart-long machines wil aanbrengen. (https://www.ventinovamedical.com/). 3. Novioscan: een bedrijf dat een blaas scan maakt ikv incontinentie. (https://novioscan.com/nl/) |
Geen restrictie
|
|
Theelen |
Klinisch Fysicus – Audioloog, Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Van Haastert |
KNO-arts Dijklander ziekenhuis Hoorn/Purmerend |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Pegge |
Radioloog Radboud UMC |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Gemelde (neven)functies en belangen betrokken expertisegroepleden
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Hol |
KNO-arts, UMCG |
Healthy hearing ears advisory board (betaalde functie, gefinancierd door Cochlear) |
Financiering onderzoeksprojecten (uitbetaald aan Radboudumc en/of UMCG) op het gebied van beengeleidingshoortoestellen (BCD), gefinancierd door Cochlear en Oticon Medical:
|
Geen restricties, advieswerk en extern gefinancierd onderzoek vallen buiten bestek van de modules waaraan is gewerkt. |
|
Toll |
Klinisch-fysicus-audioloog, Erasmus MC Rotterdam |
Lid programmacommissie neonatale gehoorscreening, onbetaald (via wg)
Lid Commissie van toezicht bij Penitentiaire inrichting Krimpen aan de IJssel, betaling op basis van vacatiegelden. |
Onderzoek naar het optimaal instellen van een beengeleidingshoortoestel, waarin drie verschillende versterkingsstrategieën worden vergeleken. Deels gefinancierd door Cochlear. Geen rol als hoofdonderzoeker. |
Geen restrictie, het onderzoek valt buiten het bestek van de modules waaraan is gewerkt. |
|
Bom |
KNO-arts, Deventer Ziekenhius |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Straatman |
KNO-arts, UMC Utrecht |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Aukema |
arts-assistent in opleiding tot medisch specialist KNO-arts, UMCG, |
Geen |
|
Geen restrictie, de onderzoeken vallen buiten het bestek van de modules waaraan is gewerkt. |
|
Stam |
Klinisch fysicus - audioloog bij Koninklijke Kantalis. |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
BCD bij unilaterale conductieve gehoorverliezen |
geen financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.