Bone Conduction Devices (BCD)

Initiatief: Cluster Otologie Aantal modules: 21

Indicatiestelling voor BCD

Publicatiedatum: 08-09-2026
Beoordeeld op geldigheid: 08-09-2026

Uitgangsvraag

Met welke indicatie is een patiënt een goede kandidaat voor een BCD?

Aanbeveling

Stel de indicatie voor een BCD zorgvuldig en overweeg en bespreek daarbij alternatieve behandel- en revalidatiemogelijkheden. Neem de beslissing gezamenlijk als kno-arts en klinisch fysicus-audioloog, in samenspraak met de patiënt.

 

Bespreek met de patiënt dat het plaatsen van een BCD een veilige en kortdurende operatieve ingreep is met een zeer kleine kans op complicaties. Bespreek daarbij de te verwachten effecten op spraakverstaan in stilte, spraakverstaan in ruis, op richtinghoren en luisterinspanning.

Overwegingen

Indicatie overstijgende informatie

In deze module worden de verschillende indicaties voor een BCD besproken. Voor het toestel-specifieke aspect van de richtlijn is anno 2024 opnieuw besloten de aMEI geen onderdeel te maken van de modulaire revisie.  

Voor onderstaande vier indicaties is een submodule ontwikkeld om richting te geven voor deze groepen patiënten:

  1. BCD bij bilaterale conductieve gehoorverliezen.
  2. BCD bij gemengde verliezen.
  3. BCD bij unilaterale conductieve gehoorverliezen.
  4. BCD bij congenitale of verworven unilaterale perceptieve verliezen.

Proefperiode

Wanneer een BCD een optie is voor de revalidatie van het gehoor van een patiënt, kan de patiënt het effect van het geluid ervaren tijdens een proef. Deze proef kan plaatsvinden met een soft- of headband of met een beugel. De soft- of headband- en beugelproef zijn in detail beschreven in de module ‘Criteria voor headband/softband trial BCD’.

 

De stimulatie tijdens een proef wordt passief transcutaan genoemd. De huid tussen de geluidsprocessor en de cochlea blijft hierbij intact. Recent ontwikkelde actief transcutane beengeleidingsapparaten hebben een output die ongeveer gelijk is aan die van percutane BCD’s. Voor deze toepassing zijn echter anno 2026 nog geen power-toestellen beschikbaar. Zie hiervoor ook de module BCD klasse bij type gehoorverlies/toepassing, waarin reguliere, power- en superpower-BCD’s en hun toepassingsgebied vanuit audiologisch perspectief worden beschreven.

 

Deze richtlijn beschrijft daarnaast twee typen BCD-toepassingen. Naast de percutane BCD worden ook aanvullende overwegingen gegeven bij de meer recente transcutane hooroplossingen. Deze zijn uitgewerkt in de module Type BCD: actief transcutaan versus percutaan.

 

De spelers op de markt

Er zijn twee bedrijven die percutane BCD’s en bijbehorende implantaten leveren. Zowel de implantaten als de geluidsprocessoren zijn door de fabrikanten ontwikkeld. Professionals en patiënten moeten zich ervan bewust zijn dat deze onderdelen niet altijd onderling uitwisselbaar zijn. Over de effecten van het combineren van een implantaat en een geluidsprocessor van verschillende merken zijn geen onderzoeksresultaten beschikbaar.

 

Er bestaan twee verschillende werkwijzen. Het cluster is van mening dat de professional hiervan op de hoogte moet zijn om een weloverwogen keuze te kunnen maken voor een van beide, valide methoden. Hieronder volgt een beknopte toelichting.

 

De eerste werkwijze is de filosofie van één systeem. Het implantaat, bestaande uit de abutment en het koppelstuk, en de geluidsprocessor zijn van hetzelfde merk. In de klinische praktijk betekent dit dat tijdens de proefperiode het ‘proof of principle’ wordt gecombineerd met een keuze voor een specifiek systeem. De patiënt krijgt de mogelijkheid om voorafgaand aan de operatie beide systemen te ervaren en een geïnformeerde keuze te maken. Na implantatie is het overstappen naar een geluidsprocessor van het andere systeem niet zonder meer mogelijk, afhankelijk van het merk van het te gebruiken systeem of reeds geplaatste implantaat.

 

De tweede werkwijze is de filosofie van keuzevrijheid. Deze keuzevrijheid geldt niet alleen tijdens de proefperiode, maar ook na de operatie, bijvoorbeeld wanneer een geluidsprocessor aan vervanging toe is. In de klinische praktijk wordt tijdens de proefperiode uitsluitend het ‘proof of principle’ toegepast. .  Met een universeel percutaan implantaat kan na implantatie een vrije processor keuze plaatsvinden.

 

De huidige generatie implantaten, met een wijde diameter (al dan niet met coating) zijn van een dermate hoge kwaliteit dat er vanuit medisch oogpunt geen beweegredenen zijn om de keuze voor een bepaald systeem te sturen. Hetzelfde principe gaat op voor de huidige generatie beschikbare geluidsprocesoren, waardoor er vanuit audiologisch oogpunt geen beweegredenen zijn om de keuze voor een bepaald systeem te sturen.

 

Het is van belang dat de patiënt een geïnformeerde keuze kan maken. Daarom moet de patiënt worden voorzien van informatie over bovenstaande aspecten, evenals over audiologische uitkomsten zoals versterking, connectiviteit, chirurgische technieken, huidreacties, implantaatverlies, MRI-compatibiliteit en nazorg. Zie hiervoor de module ‘Informatieverstrekking aan de patiënt bij BCD’).

 

Operatieve procedure

De operatietechniek, wordt in meer detail besproken in de modules ‘Operatietechnieken BCD bij volwassenen’ en ‘Operatietechniek BCD bij kinderen’.

 

Stabiliteit - implantaat verlies

De nieuwste generatie percutane implantaten en abutments met bijbehorende minimaal invasieve chirurgie laat in 2025 minder huidreacties zien, met name minder ernstige huidreacties (den Besten, 2016; Teunissen, 2023). Daarnaast is het percentage implantaatverlies lager dan bij eerdere generaties. De langst beschreven follow-up van deze implantaten bedraagt tien jaar. Bij gebruik van implantaten met een wijde diameter, bijbehorende abutments en een moderne chirurgische techniek in een gezonde volwassen populatie bedraagt het percutane implantaatverlies 3 tot 4 procent (den Besten, 2016; Teunissen, 2023). Bij kinderen is het percentage implantaatverlies vergelijkbaar met dat bij volwassenen, mits eveneens implantaten met een wijde diameter worden toegepast. Bij patiënten met een verstandelijke beperking ligt het percentage implantaatverlies hoger. Uit de studie van Teunissen (2024) blijkt bovendien dat zowel kinderen als patiënten met een verstandelijke beperking gevoeliger zijn voor huidreacties.

 

Veiligheid

Huidcomplicaties direct na percutane BCD-operaties komen relatief weinig voor bij gebruik van de lineaire incisie techniek met huidpreservatie (linear incision technique with tissue preservation), hoewel huidreacties en implantaatverlies belangrijke aandachtspunten blijven (Den Besten, 2016, Teunissen, 2023).

 

De plaats waar het percutane abutment de huid doorbreekt, vormt een potentiële toegang voor micro-organismen en kan daardoor ontsteking veroorzaken. De ernst van huidreacties werd lange tijd geclassificeerd met de Holgers-classificatie (Holgers, 1988; Holgers, 1989). Bij patiënten waarbij een grotere kans op huidcomplicaties a priori wordt ingeschat, kan een actief transcutaan systeem overwogen worden boven een percutaan systeem, vanwege het hogere risico op huidcomplicaties.

 

Met de introductie van deze actief transcutane BCD’s volstaat de Holgers classificatie niet langer. Het cluster stelt daarom voor om over te stappen op een meer inclusieve maat. De in 2017 geïntroduceerde IPS-score wordt steeds vaker gezien als de aangewezen classificatie (Kruyt, 2017). Dit sluit beter aan bij de huidige praktijk, waarin ook transcutaan geplaatste geluidsprocessoren zijn opgenomen en postoperatieve pijn wordt meegenomen in de beoordeling. De belangrijkste meerwaarde van de IPS-score is het gestandaardiseerde behandeladvies dat op basis van de score wordt gegeven. Dit ontbrak in de eerdere classificatie. Door de IPS-score – waar mogelijk - in het EPD (als smarttool) op te nemen, kan het behandeladvies bovendien automatisch worden gegenereerd en verwerkt in de notitie.

 

Concluderend kan worden gesteld dat bij gebruik van de huidige percutane implantaten, abutments en chirurgische techniek in een gezonde volwassen populatie de kans op ernstige huidreacties 2 tot 3% bedraagt.

 

Figuur 1 Flowchart van de IPS score

Figuur 1. Flowchart van de IPS-score en behandelingsadvies (Kruyt, 2017)

 

Voor actief transcutane systemen geldt dat deze over het algemeen goed worden verdragen. De geluidsprocessoren van actief transcutane BCD’s zijn bovendien eenvoudig aan te brengen; een safety cord wordt altijd geadviseerd om te gebruiken. Het is belangrijk patiënten hier vooraf over te informeren. Het risico op verlies van de geluidsprocessor is reëel, omdat de draagsensatie op de huid bij langdurig dragen kan afnemen.

 

De implantatie van een actief transcutaan systeem duurt doorgaans langer dan het plaatsen van een percutaan systeem. De ingreep kan als invasiever worden beschouwd, vanwege de meestal grotere incisie en de mogelijke noodzaak tot het verlagen of uitboren van het os temporale. Ook deze ingreep kan worden uitgevoerd onder lichte sedatie en/of lokale verdoving, echter de meerderheid vindt anno 2026 plaats onder algehele narcose (Hol, 2025; Lee, 2025; Posta, 2024 ). Omdat actieve transcutane implantaten onder de huid worden geplaatst en de huid daarover wordt gesloten, bestaat er een risico op op huidnecrose. Zie voor meer details modules Bilaterale conductieve gehoorverliezen, Gemengde gehoorverliezen, Unilaterale conductieve gehoorverliezen en Congenitale of verworven unilaterale perceptieve gehoorverliezen.

 

Op esthetisch vlak bestaat geen duidelijke voorkeur voor actieve transcutane of percutane BCD’s.  Nederlandse gebruikers van een BCD lijken vaker een voorkeur te hebben voor percutane systemen, terwijl personen zonder ervaring met een BCD vaker de voorkeur geven aan transcutane systemen (Krijnen, 2025). Hierbij kan sprake zijn van bevestigingsbias, omdat het merendeel van de BCD-gebruikers in Nederland een percutane BCD draagt. De esthetische voorkeur lijkt daarnaast samen te hangen met het haartype, zoals lang of kort haar. Overige aspecten die kunnen samenhangen met een voorkeur zijn vooralsnog niet internationaal onderzocht. Audiometrische uitkomsten worden door patiënten belangrijker gevonden dan esthetische overwegingen (Krijnen, 2025)

 

De MRI compatibiliteit en veiligheid van de verschillende percutane en actief transcutane systemen verschillen en komen aan bod in de module actief transcutaan versus percutaan.

 

Voor zowel percutane als actief transcutane systemen worden veiligheidskoortjes (safety cords) aanbevolen om de geluidsprocessor te zekeren tegen verlies.

 

Concluderend kan worden gesteld dat zowel de percutane als de actief transcutane toepassing van een BCD stabiel en veilig is en dat het aantal complicaties relatief beperkt is. Goede en duidelijke instructies voor een zorgvuldige en hygiënische verzorging van het percutane implantaat en de omliggende huid blijven daarbij essentieel. Voor transcutaan actieve bcd’s geldt dat de kracht van de magneten geëvolueerd dient te worden ter preventie huidnecrose met name bij kinderen.  

 

Audiologische meet- en evaluatietechnieken

Bij de evaluatie van gehoorverlies en de bijbehorende behandelstrategieën worden verschillende meet- en evaluatietechnieken gebruikt. Hieronder worden de meest toegepaste technieken kort toegelicht.

 

Metingen

Pure Tone Average (PTA)

Voor achtergrondinformatie over toonaudiometrie wordt verwezen naar hoofdstuk 8.3.2 in het online Leerboek Audiologie: www.audiologieboek.nl). Ter beknopte beschrijving van een audiogram kan het gemiddeld gehoorverlies worden gebruikt. De internationaal veelgebruikte afkorting PTA4 staat voor pure tone average en betreft het gemiddeld gehoorverlies bij 500, 1.000, 2.000 en 4.000 Hz. Wanneer hiervan wordt afgeweken, wordt dit expliciet vermeld.

 

Speech Reception Threshold (SRT)

De speech reception threshold (SRT) is het geluidsniveau waarbij 50 procent van de aangeboden spraak correct wordt verstaan. De SRT kan worden bepaald met een spraakaudiogram en kan ook worden gemeten in de aanwezigheid van achtergrondgeluid. Bij sommige uitgangsvragen is gebruikgemaakt van de verbetering in SRT. Wanneer deze uitkomst niet beschikbaar was, bijvoorbeeld bij kinderen, is de verbetering in PTA gebruikt.

 

Winst van de interventie

Uit het literatuuronderzoek blijkt in veel gevallen een meerwaarde van een BCD ten opzichte van de ongeholpen situatie. Deze verbetering is klinisch relevant, maar wordt grotendeels bepaald door de grootte van de air-bone gap. Om de effectiviteit van het toestel vast te stellen en audiologisch het meest geschikte toestel te selecteren, is het daarom beter om uit te gaan van de cochleaire functie. Ook wanneer een winstmaat wordt gebruikt om BCD’s onderling te vergelijken, is een maat die wordt gedomineerd door de air-bone gap minder geschikt.

 

De functionele winst (functional gain), waarbij de luchtgeleidingsdrempels zonder BCD worden vergeleken met de drempels met BCD, werd lange tijd veel gebruikt. Deze maat is echter niet geschikt om de winst van het toestel te bepalen, omdat de uitkomst sterk afhankelijk is van de air-bone gap van de patiënt. Het cluster ontraadt daarom het gebruik van enkel deze maat en adviseert om meer holistisch naar het bepalen van ‘winst’ te kijken. De effectieve winst (effective gain), waarbij de beengeleidingsdrempels uit het toonaudiogram worden vergeleken met de drempels met BCD, is volgens de werkgroep een maat die niet mag ontbreken in deze beoordeling. Dit geldt met name wanneer verschillende BCD’s met elkaar worden vergeleken.

 

Aanvullend kan het spraakverstaan worden gemeten om een indruk te krijgen van de capaciteit van de cochlea en het functioneren in praktijk. Overweeg hiervoor het meten van het spraakverstaan in het vrije veld zonder en met BCD en met beengeleider via de audiometer, om een indruk te krijgen van het cochleaire functie en de winst met versterking met een beengeleider.Bij metingen met de beengeleider via de audiometer bestaan echter technische beperkingen, omdat het frequentiespectrum zonder correctie niet representatief is.

 

Vragenlijsten

Abbreviated Profile of Hearing Aid Benefit (APHAB)

Deze vragenlijst bestaat uit vier domeinen met elk zes vragen. Patiënten geven aan in welke mate zij hinder ervaren van hun gehoorproblemen in verschillende situaties, zoals communicatie in stilte, in ruis en in een galmende ruimte, en bij storend omgevingsgeluid. Per domein wordt een percentage berekend. Een hoger percentage duidt op meer beperking. De APHAB wordt gebruikt om het zelf gerapporteerde auditieve functioneren te meten (Cox & Alexander, 1995).

 

International outcome inventory for hearing aids (IOI-HA)

Dit is een korte vragenlijst met zeven items. De IOI-HA brengt het klinisch effect, de tevredenheid en de gehoor gerelateerde kwaliteit van leven in kaart. Er wordt gebruikgemaakt van een vijfpuntsschaal, waarbij een hogere score een beter resultaat aangeeft (Cox, 2002).

 

Speech Spatial and Qualities (SSQ)

De SSQ is een disabilitie-specifieke vragenlijst. Patiënten beoordelen gehoorproblemen in verschillende luister- en ruimtelijke situaties met een tienpunts-schaal, variërend van altijd tot nooit. Een hogere score duidt op beter functioneren (Gatehouse & Nobel, 2004).

 

Glasgow Hearing Aid Benefit Profile (GHABP)

De GHABP is een vragenlijst die de meerwaarde van een hoortoestel in kaart brengt (Gatehouse, 1999).

 

Nobel Biocare-vragenlijst

Deze vragenlijst bestaat uit zeventien vragen over dagelijks gebruik, gebruiksgemak, het vermogen om geluiden te lokaliseren en de aan- of afwezigheid van complicaties (Badran, 2006).

 

Glasgow Childrens Benefit Inventory (GCBI)

De GCBI is een vragenlijst met 24 items en wordt gebruikt om de effecten van een specifieke interventie bij kinderen te evalueren (Kubba, 2004; McDermott, 2009).

 

Kwaliteit van het bewijs

De kwaliteit van het bewijs kon niet worden vastgesteld, omdat voor deze overkoepelende module geen afzonderlijke literatuursearch is uitgevoerd. De kwaliteit van het bewijs wordt beschreven in de afzonderlijke submodules per type gehoorverlies.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun verzorgers)

Bij patiënten met gehoorverlies spelen zowel gehoorwinst als persoonlijke waarden en voorkeuren een belangrijke rol bij de keuze voor een behandeling. Uit studies blijkt dat patiënten functionele verbetering van het gehoor vaak belangrijker vinden dan cosmetische aspecten. Met name niet-gebruikers en nieuwe gebruikers van een bone conduction device (BCD) hechten echter waarde aan esthetiek en aan het vermijden van een zichtbaar implantaat (Hui, 2020).

 

Daarnaast kunnen zorgen over chirurgische risico’s, de verwachte baten en het lichaamsbeeld redenen zijn om af te zien van implantatie (Den Besten, 2021; Zeitler, 2019). Tegelijkertijd rapporteren gebruikers van BCD’s doorgaans een hoge tevredenheid en een verbeterde kwaliteit van leven. Daarbij worden dagelijks gebruiksgemak en comfort vaak als belangrijke factoren genoemd (Den Besten, 2019; Lassaletta, 2020).

 

In een eerdere observationele studie, waarin gebruik werd gemaakt van foto’s van verschillende BCD’s, bleek dat personen zonder ervaring met een BCD vaker een voorkeur hadden voor een actief transcutane BCD dan voor een percutane BCD. Tegelijkertijd gaf het merendeel van de deelnemers aan beter horen belangrijker te vinden dan het uiterlijk van het toestel (Krijnen, 2024).

 

Ander onderzoek laat zien dat stigmatisering optreedt bij gebruikers van een hoortoestel (Almufarrij, 2023). Studies laten ook zien dat patiënten vaak de functionele verbetering van gehoor en het advies van hun arts belangrijker vinden dan de cosmetische aspecten (Krijnen, 2025). Ondanks dat gebruikers doorgaans tevreden zijn met hun BCD (Den Besten, 2019; Lassaletta, 2020) kunnen zorgen over chirurgische risico’s, de verwachte baten en het lichaamsbeeld redenen zijn om af te zien (Den Besten 2021; Zeitler, 2019). In vergelijkende studies geven veel patiënten, die in aanmerking komen voor een BCD, de voorkeur aan een BCD boven een conventioneel hoortoestel vanwege groter draagcomfort en minder otologische klachten (Snik, 2005), cave, gezien otologische klachten zoals recidiverende ontstekingen van de gehoorgang juist een indicatie is voor een BCD.

 

Deze bevindingen onderstrepen dat besluitvorming sterk individueel is. Gedeelde besluitvorming en objectieve, onbevooroordeelde counseling door de kno-arts en/of audioloog zijn daarom essentieel om de gekozen interventie goed af te stemmen op de waarden en voorkeuren van de patiënt.

 

Kosten (middelenbeslag)

BCD’s zijn aanzienlijk duurder dan conventionele luchtgeleidings-hoortoestellen. Actief transcutane BCD’s zijn daarbij duurder dan percutane BCD’s, vooral door hogere initiële kosten zoals een langere operatieduur en een duurder implantaat. In Nederland liggen de kosten van een conventioneel luchtgeleidings-hoortoestel, vóór verrekening van vergoeding, tussen de €500 en €2.000 per toestel. De kosten van een BCD, inclusief operatie, bedragen afhankelijk van het type  tussen de €7.000 en€12.000 (van Lieshout, 2024).

 

Hoewel de aanschafkosten van een actief transcutaan systeem hoger zijn dan die van een percutaan systeem, lijken er na vijf jaar follow-up geen significante kostenverschillen tussen beide systemen meer te bestaan (Aukema, 2024). Dit hangt samen met hogere kosten van complicaties, zoals revisiechirurgie en implantaatverlies, bij percutane BCD’s (Amin, 2011). Ook de postoperatieve kosten, zowel medisch als audiologisch, verschillen na vijf jaar niet significant (Aukema, 2024).

 

De vergoeding van de hoorhulpmiddelen via de zorgverzekering aan de patiënt verschilt tussen luchtgeleidings-hoortoestellen en BCD’s. Voor een luchtgeleidingshoortoestel geldt dat deze in Nederland doorgaans wordt vergoed bij adequate audiologische indicatie vanuit de basisverzekering. De vergoeding bedraagt meestal 75% van de kosten van het geselecteerde toestel, waarbij de resterende 25% als eigen bijdrage voor rekening van de patiënt komt. Aanvullende verzekeringen kunnen (een deel van) deze eigen bijdrage dekken.

 

Een BCD valt eveneens onder de basisverzekering. De kosten voor zowel het implantaat als het externe toestel worden doorgaans volledig vergoed vanuit de basisverzekering, mits aan de daartoe vereiste medische criteria wordt voldaan. In alle gevallen wordt een verzekering voor verlies/diefstal van het de processor ter overweging gegeven, wat het verschil in kosten wat beperkt.

 

Het onderscheid in kosten en vergoedingsstructuur onderstreept het belang van een zorgvuldige indicatiestelling. Ondanks de hogere kosten ten opzichte van conventionele luchtgeleidingshoortoestellen kunnen BCD’s bij specifieke indicaties, waarbij conventionele oplossingen onvoldoende effect hebben, van duidelijke meerwaarde zijn en doelmatig en kosteneffectief worden ingezet.

 

Gelijkheid ((health) equity/equitable)

Bij de toepassing van een BCD spelen naast klinische uitkomsten ook aspecten van gelijke toegang tot zorg een rol. Voor patiënten brengt een BCD doorgaans meer reistijd en hogere kosten met zich mee dan een luchtgeleidingshoortoestel, omdat de behandeling vaak plaatsvindt in een gespecialiseerd centrum. Afhankelijk van het type BCD is bovendien in principe een chirurgische ingreep nodig, wat de belasting in termen van zorgcontacten en reisbewegingen verder vergroot. Een conventioneel luchtgeleidingshoortoestel vereist doorgaans geen chirurgische ingreep en daarmee minder zorgcontacten en minder reisbewegingen.

 

Er bestaan daarnaast verschillen in kosten voor de patiënt. Voor een BCD geldt geen wettelijke eigen bijdrage, terwijl voor een luchtgeleidingshoortoestel wel een eigen bijdrage van toepassing is. Voor beide typen apparaten wordt verzekering tegen verlies of schade geadviseerd. De verzekeringspremie ligt echter aanzienlijk hoger voor een BCD. Deze verschillen in kosten en praktische belasting kunnen leiden tot verschillen in toegankelijkheid van zorg. Het is daarom belangrijk deze aspecten mee te wegen bij de keuze voor een interventie, indien een keuze van toepassing is, om zorg zo gelijkwaardig mogelijk aan te bieden.

 

Daarnaast vragen BCD’s specifieke vaardigheden van patiënten. Percutane systemen vereisen regelmatige en zorgvuldige verzorging van de huid rond het abutment. Dit kan een uitdaging zijn voor bijvoorbeeld kinderen, ouderen, mensen met een verstandelijke beperking of patiënten met beperkte handvaardigheid. Ook het correct plaatsen en bedienen van de geluidsprocessor vraagt motorische en cognitieve vaardigheden. Bij transcutane systemen is de onderhoudsbelasting doorgaans geringer, maar blijft juiste positionering en regelmatige controle van de huid noodzakelijk.

 

Tot slot spelen opleidingsniveau en gezondheidsvaardigheden een rol bij gedeelde besluitvorming. Inzicht in technische verschillen, realistische verwachtingen ten aanzien van gehoorwinst en actieve betrokkenheid bij de nazorg zijn bepalend voor het succes van de behandeling. Het is daarom van belang dat counseling en voorlichting worden afgestemd op het kennisniveau en de context van de individuele patiënt, om gezondheidsverschillen te beperken en gelijke toegang tot effectieve hooroplossingen te bevorderen.

 

Aanvaardbaarheid:

Ethische aanvaardbaarheid

Het cluster acht de toepassing van een BCD bij gehoorverlies ethisch aanvaardbaar. Net als een conventioneel hoortoestel of een CROS-hoortoestel kan een BCD bijdragen aan herstel van functioneren en verbetering van de kwaliteit van leven. Essentieel is dat de besluitvorming plaatsvindt via gedeelde en geïnformeerde besluitvorming, op basis van volledige en objectieve informatie over kosten, baten, complicaties, risico’s en alternatieve behandelopties.

 

Duurzaamheid

De toepassing van een BCD heeft ook een duurzaamheidsdimensie. Implantatie en de daaropvolgende zorg vragen om materialen, medische ingrepen en reisbewegingen, wat leidt tot een grotere ecologische en financiële voetafdruk dan bij conventionele hoortoestellen, al dan niet met een CROS-zender. Daar staat tegenover dat de langere gebruiksduur en de blijvende gehoorverbetering van een BCD kunnen bijdragen aan duurzame inzetbaarheid en kwaliteit van leven van de patiënt, zeker wanneer hiermee de otitiden verminderen. Daarnaast bieden fabrikanten mogelijkheden voor remote fittings, waardoor reisbewegingen beperkt worden.

 

Haalbaarheid

De toepassing van BCD’s bij een juiste indicatie is haalbaar, omdat deze zorg deels al is opgenomen in het huidige behandelaanbod. De expertise, met name rondom actief transcutane systemen, is momenteel vooral geconcentreerd in enkele, veelal academische centra. Deze zorg kan in de toekomst ook in andere ziekenhuizen worden aangeboden, afhankelijk van interne budgetten voor devices, personele capaciteit en voldoende opgebouwde expertise.

 

Revalidatie met een BCD omvat zowel audiologische als medische aspecten. Het cluster is daarom van mening dat een goede samenwerking tussen de kno-arts en de klinisch fysicus-audioloog (kfa) een voorwaarde is voor optimale indicatiestelling. Met deze uitgangsvraag wil het cluster handvatten bieden voor een juiste indicatie. Zie ook de module Kwaliteitseisen audiologische zorg bij BCD.

 

Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Het stellen van een juiste indicatie voor een BCD vraagt om zowel medische als audiologische expertise. Door de beslissing altijd gezamenlijk te nemen door de kno-arts en de klinisch fysicus-audioloog, wordt geborgd dat alle relevante factoren, zoals het type gehoorverlies, de technische mogelijkheden en patiëntgebonden omstandigheden, zorgvuldig worden meegewogen.

 

Daarnaast is het belangrijk dat patiënten goed worden geïnformeerd over de aard van de ingreep en de lage kans op complicaties. Dit ondersteunt gedeelde besluitvorming, vergroot het vertrouwen van de patiënt en draagt bij aan optimale behandeluitkomsten.

 

Eindoordeel: Sterke aanbeveling voor (Doen).

Onderbouwing

It is important to be able to determine if a patient may be considered a suitable candidate for a bone conduction device (BCD). In this topic the relevant characteristics of a patient are identified in four submodules based on the type of hearing loss and whether the loss is unilateral or bilateral.

 

Each module also describes possible alternative rehabilitation options. These alternatives should always be discussed with the patient and, in some cases, attempted before a BCD is considered although these alternatives are not part of this guideline.

 

In total, four different types of hearing loss are presented for which a BCD may be indicated. A separate module has been developed for each indication, with the corresponding recommendations provided in the respective modules.

No separate literature search was conducted for this general module. Literature searches were performed for the individual types of hearing loss These results are presented within the respective submodules.

  1. Amin N, Soulby AJ, Borsetto D, Pai I. Longitudinal economic analysis of Bonebridge 601 versus percutaneous bone-anchored hearing devices over a 5-year follow-up period. Clin Otolaryngol. 2021 Jan;46(1):263-272. doi: 10.1111/coa.13659. Epub 2020 Nov 12. PMID: 33068331.
  2. Aukema TW, Teunissen EM, Janssen AM, Hol MKS, Mylanus EAM. Post-implantation clinical cost analysis between transcutaneous and percutaneous bone conduction devices. Eur Arch Otorhinolaryngol. 2024 Jan;281(1):117-127. doi: 10.1007/s00405-023-08099-2. Epub 2023 Jul 8. PMID: 37421428; PMCID: PMC10764476.
  3. den Besten CA, Stalfors J, Wigren S, Blechert JI, Flynn M, Eeg-Olofsson M, Aggarwal R, Green K, Nelissen RC, Mylanus EA, Hol MK. Stability, Survival, and Tolerability of an Auditory Osseointegrated Implant for Bone Conduction Hearing: Long-Term Follow-Up of a Randomized Controlled Trial. Otol Neurotol. 2016 Sep;37(8):1077-83. doi: 10.1097/MAO.0000000000001111. PMID: 27482783; PMCID: PMC4982756.
  4. Hol MKS, Aukema TW, Ubbink SWJ, Lindholm D, Holmberg M, Arndt S, Wolf S, Monksfield P, Marwa M, Lenarz T, Busch S, Tysome J, Asher A, Kok H, Mylanus Emmanuel Antonius M. A Prospective, Multicenter Clinical Investigation on the Safety and Performance of a New Active Transcutaneous Bone-Anchored Implant System. Otol Neurotol. 2026 Feb 1;47(2):287-296. doi: 10.1097/MAO.0000000000004706. Epub 2025 Nov 17. PMID: 41247283; PMCID: PMC12777597.
  5. Jukic A, Munhall CC, Stevens SM. A Systematic Review of Surgical Characteristics and Adverse Events of an Active, Transcutaneous Bone Conduction Device. Ann Otol Rhinol Laryngol. 2024 Nov;133(11):956-966. doi: 10.1177/00034894241283269. Epub 2024 Sep 22. PMID: 39307966.
  6. Krijnen HK, Aukema TW, Hol MKS. Participant valued appearance of bone conduction devices: a comparison between percutaneous and transcutaneous systems. Eur Arch Otorhinolaryngol. 2025 Sep;282(9):4467-4475. doi:10.1007/s00405-025-09335-7. Epub 2025 Mar 22. PMID: 40121381; PMCID: PMC12423119.
  7. Lee JW, Lee HS, Seo YJ. Innovative surgical approaches for the Osia® 2 System. Acta Otolaryngol. 2025 Oct;145(10):921-928. doi: 10.1080/00016489.2025.2557572. Epub 2025 Sep 16. PMID: 40957617.
  8. Posta B, Rovó L, Bere Z. How I do it: implantation of Osia® 2 system under local anesthesia. Eur Arch Otorhinolaryngol. 2024 Dec;281(12):6717-6720. doi: 10.1007/s00405-024-08921-5. Epub 2024 Sep 6. PMID: 39242407; PMCID: PMC11564375.
  9. Teunissen EM, Caspers CJI, Vijverberg MA, Mylanus EAM, Hol MKS. Long-Term Follow-up of a Wide-Diameter Bone-Anchored Hearing Implant: 10-Year Experience on Stability, Survival, and Tolerability of an Implant-Abutment Combination. Otol Neurotol. 2023 Jan 1;44(1):40-46. doi: 10.1097/MAO.0000000000003763. Epub 2022 Nov 23. PMID:36417764; PMCID: PMC9762720.
  10. Wimmer W, Hakim A, Kiefer C, Pastore-Wapp M, Anschuetz L, Caversaccio MD, Wagner F. MRI Metal Artifact Reduction Sequence for Auditory Implants: First Results with a Transcutaneous Bone Conduction Implant. Audiol Neurootol. 2019;24(2):56-64. doi: 10.1159/000500513. Epub 2019 May 8. PMID: 31067530.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 08-09-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 08-09-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Cluster Otologie
Geautoriseerd door:
  • Hoormij∙NVVS
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Stichting Kind & Zorg

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2020 een multidisciplinaire cluster ingesteld. Dit cluster bestaat uit vertegenwoordigers van alle relevante organisaties die betrekking hebben op de zorg voor patiënten met gehoorproblemen.


Het cluster Otologie bestaat uit meerdere richtlijnen, zie hier voor de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden worden indien nodig gevraagd om hun expertise in te zetten voor een specifieke richtlijnmodule. Het cluster Otologie bestaat uit de volgende personen:

 

Clusterstuurgroep

  • Dr. A.L. (Diane) Smit, voorzitter cluster otologie, KNO-arts, UMC Utrecht, NVKNO
  • Dr. E. (Erik) van Spronsen, KNO-arts, Amsterdam UMC locatie AMC, Amsterdam, NVKNO
  • Drs. R.M. (Robert) van Haastert, KNO-arts, Dijklander Ziekenhuis, Purmerend, 
  • Drs. M.J. (Thijs) Vaessen, Oogarts, Deventer Ziekenhuis, Deventer, NOG
  • Dr. ir. F.L. (Femke) Theelen, Audioloog, Amsterdam UMC, Amsterdam, NVKF
  • Drs. S.A.H. (Sjoert) Pegge, Radioloog, Radboudumc, Nijmegen, NVvR 

Betrokken clusterexpertisegroep

  • Dr. A.L. (Diane) Smit, cluster otologie, KNO-arts, UMC Utrecht, NVKNO
  • Prof. Dr. M.K.S. (Myrthe) Hol, KNO-arts, UMC Groningen, Groningen (vz), NVKNO
  • Ir. M.S. (Martijn) Toll, Klinisch fysicus-audioloog, Erasmus MC, Rotterdam, NVKF
  • Dr. S.J.H. (Steven) Bom, KNO-arts, Deventer Ziekenhuis, Deventer, NVKNO
  • Dr. L.V. (Louise) Straatman, KNO-arts, UMC Utrecht, Utrecht, NVKNO
  • Drs. T.W. (Tjerk) Aukema, arts-assistent in opleiding tot medisch specialist KNO-arts, UMC Groningen, Groningen, NVKNO
  • Ir. L.C. (Lucas) Stam, Klinisch fysicus-audioloog, Koninklijke Kentalis, NVKF

Met ondersteuning van

  • Dr. R. (Romy) Zwarts-van de Putte, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Drs. D.G. (Dian) Ossendrijver, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Drs. E.R.L. (Evie) Verweg, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Drs. E. (Esther) van der Bijl, medisch informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle clusterstuurgroepleden en actief betrokken expertisegroepleden (fungerend als schrijver en/of meelezer bij tenminste één van de geprioriteerde richtlijnmodules) hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een richtlijnmodule worden wijzigingen in belangen aan de projectleider doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase. Een overzicht van de belangen van de clusterleden en betrokken expertisegroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroepleden

Clusterlid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Smit

KNO arts UMC Utrecht, afdeling KNO

Medisch adviseur Stichting Hoormij, onbetaald

-Medeaanvrager en onderzoeker van de MinT-studie naar de toepassing van mindfulness bij tinnitus, gefinancierd door HandicapNL.

-Hoofdonderzoeker van de CINGLE-studie naar de toepassing van cochleaire implantatie, beengeleidingshoortoestellen en CROS bij mensen met single sided deafness, gefinancierd door Cochlear (unrestricted grant). Cochlear had geen invloed op het studiedesign, de uitvoering, analyse of publicatie. De resultaten (Peters et al.) zijn gebruikt als evidence in de module perceptief gehoorverlies van de BCD-richtlijn. Ik heb geen persoonlijk belang bij de uitkomsten van deze module.

- Medeaanvrager en onderzoeker van een studie naar cochleaire implantatie bij mensen met tinnitus, gefinancierd door Cochlear.

- Medeaanvrager en onderzoeker van een studie naar subtypering van tinnituspatiënten, gefinancierd door Cochlear.

Restricties ten aanzien van besluitvorming over aanbevelingen bij indicatiestelling voor perceptieve verliezen. Hol treedt als voorzitter op voor het onderdeel BCD binnen de derde cyclus.

Spronsen

KNO-arts, Amsterdam UMC

Raad van Advies START

Geen

Geen restrictie

Vaessen

Oogarts Deventer Ziekenhuis, Oogarts Streekziekenhuis Koningin Beatrix te Winterswijk

Geen

Samen met Sallandse Specialisten Coorporatie aandeelhouder in een drietal bedrijven: 1. eNose: een bedrijf dat een product ontwikkelt voor adem- en headspace-analyse om ziekten te detecteren waaronder tuberculose, hoofd-, hals- en longkanker(https://www.enose-company.com/). 2. Ventinova: een bedrijf dat verbeteringen in hart-long machines wil aanbrengen. (https://www.ventinovamedical.com/). 3. Novioscan: een bedrijf dat een blaas scan maakt ikv incontinentie. (https://novioscan.com/nl/)

Geen restrictie

 

Theelen

Klinisch Fysicus – Audioloog, Amsterdam UMC

Geen

Geen

Geen restrictie

Van Haastert

KNO-arts Dijklander ziekenhuis Hoorn/Purmerend

Geen

Geen

Geen restrictie

Pegge

Radioloog Radboud UMC

Geen

Geen

Geen restrictie

Gemelde (neven)functies en belangen betrokken expertisegroepleden

Clusterlid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Hol

KNO-arts, UMCG

Healthy hearing ears advisory board (betaalde functie, gefinancierd door Cochlear)

Financiering onderzoeksprojecten (uitbetaald aan Radboudumc en/of UMCG) op het gebied van beengeleidingshoortoestellen (BCD), gefinancierd door Cochlear en Oticon Medical:

  • A prospective, multicenter, single-arm clinical investigation of the safety and performance of the Sentio system bij mensen met gemengd/conductief gehoorverlies en single sided deafness. Gefinancierd door Oticon Medical. Rol: principal (coördinerend) investigator. Het onderzoek werd uitgevoerd conform protocol in UMCG en Radboudumc; daarnaast verantwoordelijk voor data uit overige Europese centra en de publicatie (verwacht november). Het UMCG ontving contractuele financiering voor de uitvoering (sponsor-driven research). Er is geen directe overlap met de huidige richtlijnmodules; systemen worden niet per fabrikant benoemd.
  • Post-implantation clinical cost analysis between transcutaneous and percutaneous bone conduction devices.
    Gefinancierd door Cochlear. Rol: lokale onderzoeker. Retrospectief dataonderzoek; het uitvoerende centrum ontving contractuele financiering. De studie betreft kosten na implantatie en is relevant voor de overwegingen in de module waarin transcutane en percutane BCD’s worden vergeleken.
  • Single-stage bone-anchored hearing implant surgery in children: a prospective comparative study.
    Gefinancierd door Oticon Medical en Cochlear. Investigator initiated research in Radboudumc en UMCG. Rol: principal investigator.
  • Evaluation of clinical performance of Ponto implantation using a minimally invasive surgical technique – a prospective multicenter study.
    Gefinancierd door Oticon Medical. Europese klinische studie. Geen rol als hoofdonderzoeker.
  • Long-term follow-up of a wide-diameter bone-anchored hearing implant: 10-year experience on stability, survival and tolerability of an implant–abutment combination.
    Gefinancierd door Cochlear. Investigator initiated research.

Geen restricties, advieswerk en extern gefinancierd onderzoek vallen buiten bestek van de modules waaraan is gewerkt.

Toll

Klinisch-fysicus-audioloog, Erasmus MC Rotterdam

Lid programmacommissie neonatale gehoorscreening, onbetaald (via wg)

 

Lid Commissie van toezicht bij Penitentiaire inrichting Krimpen aan de IJssel, betaling op basis van vacatiegelden.

Onderzoek naar het optimaal instellen van een beengeleidingshoortoestel, waarin drie verschillende versterkingsstrategieën worden vergeleken. Deels gefinancierd door Cochlear. Geen rol als hoofdonderzoeker.

Geen restrictie, het onderzoek valt buiten het bestek van de modules waaraan is gewerkt.

Bom

KNO-arts, Deventer Ziekenhius

Geen

Geen

Geen restrictie

Straatman

KNO-arts, UMC Utrecht

Geen

Geen

Geen restrictie

Aukema

arts-assistent in opleiding tot medisch specialist KNO-arts, UMCG,

Geen

  • A prospective, multicenter, single-arm clinical investigation of the safety and performance of the Sentio system bij mensen met gemengd/conductief gehoorverlies en single sided deafness. Gefinancierd door Oticon Medical. Rol: lokale onderzoeker in UMCG en Radboudumc. Beide centra ontvingen contractuele financiering voor de uitvoering van het onderzoek. Er is geen directe overlap met de modules in de derde herzieningscyclus; fabrikantspecifieke systemen worden niet benoemd in de richtlijn.
  • Post-implantation clinical cost analysis between transcutaneous and percutaneous bone conduction devices.
    Gefinancierd door Cochlear. Studie naar kosten na implantatie van beengeleidings-hoortoestellen. Dit onderwerp is onderdeel van de overwegingen in de module waarin transcutane en percutane BCD’s worden vergeleken.
  • A prospective, multicenter, single-arm clinical investigation of the safety and performance of the Sentio system bij mensen met gemengd/conductief gehoorverlies en single sided deafness. Het uitvoerende centrum ontving contractuele financiering voor de uitvoering van dit onderzoek. Er is geen directe overlap met de modules in de derde herzieningscyclus; fabrikantspecifieke systemen worden niet benoemd.
  • Office-based inferior turbinate coblation treatment: a randomized controlled trial on effectiveness and tolerability of medicinal honey. Rol: coördinerend onderzoeker.

Geen restrictie, de onderzoeken vallen buiten het bestek van de modules waaraan is gewerkt.

Stam

Klinisch fysicus - audioloog bij Koninklijke Kantalis.

Geen

Geen

Geen restrictie

Inbreng patiëntenperspectief

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Indicatiestelling voor BCD

geen financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat [het overgrote deel (+/- 90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet OF het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft]. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Werkwijze

Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.

Volgende:
Diagnostiek bij BCD