Zelfmanagementtaxatie - bipolaire stoornissen
Als eerste stap voor het aanleren van zelfmanagementvaardigheden dient een taxatie plaats te vinden: wat weten de patiënt en de naasten al over de aandoening? Hoe heeft men zich geïnformeerd, en is deze informatie juist geïnterpreteerd? Daarnaast dient een beeld verkregen te worden van het beloop van de aandoening, de vroege verschijnselen van een (beginnende) depressieve, manische of hypomanische episode, de kwetsbaarheden en de krachtige kanten van de patiënt, het sociale netwerk van de patiënt, de gevolgen van de ziekte voor de patiënt en voor de naasten, en van de zorgbehoeften van de patiënt. Hiertoe zijn verschillende hulpmiddelen voorhanden:
- een stemmingsgrafiek zoals de life-chartmethode (LCM);
- zorgbehoeftenpeiling met de CAN (Camberwell Assessment of Need) of de Zorgbehoeftenlijst);
- een signaleringsplan;
- de Sociaal Ritme Meter (SRM).
Bestaande kennis inventariseren
Nu vrijwel iedereen toegang heeft tot internet, is het van belang om zorgvuldig te controleren welke kennis de patiënt en diens naasten al hebben verworven over de bipolaire stoornis in de breedste zin des woords. Ga na over welke kennis zij beschikken, waar zij deze kennis hebben verworven en of de informatie correct is geïnterpreteerd. Motiveer de patiënt en diens naasten om deel te nemen aan een groeps psycho-educatiecursus.
Life-chartmethode (LCM)
Inzicht in het beloop van de stoornis is nodig om na te kunnen gaan welke situaties luxerend kunnen zijn voor de patiënt en welke specifieke prodromen aangeduid kunnen worden als eerste tekenen van instabiliteit. Een stemmingsgrafiek zoals de life-chartmethode (LCM), zowel retrospectief als prospectief, is hierbij een goed hulpmiddel. Ook andere (online) stemmingsmonitoringssystemen kunnen gebruikt worden.
Zorgbehoeften peiling
Bij een aanzienlijk deel van de patiënten met een bipolaire stoornis blijken zorgbehoeften onvervuld (Goossens e.a., 2007). Onvervulde zorgbehoeften zijn gerelateerd aan een lagere kwaliteit van leven (Wiersma, 2006). Betrek bij het in kaart brengen van de zorgbehoeften ook de behoeften op het vlak van persoonlijk en maatschappelijk herstel. Voor het in kaart brengen van zorgbehoeften kan gebruikgemaakt worden van:
- de Camberwell Assessment of Need (CAN) (Phelan e.a., 1995);
- de Zorgbehoeftenlijst (Kroon, 2003).
Zorgbehoeften meting bij ouderen
Voor zorgbehoeften meting bij ouderen is de Camberwell Assessment of Need for the Elderly (CANE) ontwikkeld en gevalideerd (Reynolds e.a., 2000).
Signaleringsplan
Om patiënten te ondersteunen om een eventuele volgende episode zo vroeg mogelijk te herkennen, is het opstellen van een signaleringsplan een effectieve methode. Het advies is daarom om een signaleringsplan te maken, om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op de verschillende (manische, hypomanische, depressieve) episoden. In het signaleringsplan worden de omstandigheden, vroege signalen en symptomen beschreven die aan eerdere episoden vooraf zijn gegaan. Tevens staat vermeld welke omstandigheden eerder een episode uitlokten, en wat toen beschermde tegen het ontstaan van een episode. In het signaleringsplan staat wat kan worden ondernomen (door de patiënt, door naasten of door de behandelaar) om een terugval te voorkomen (Perry e.a., 1999). Het omvat zowel gedragsmaatregelen als eventuele medicamenteuze interventies. Het verdient aanbeveling om tijdens het opstellen van een signaleringsplan samen met de patiënt en diens naasten een analyse te maken van het steunsysteem, en om de actieve rol van de naasten bij vroege signalen te bespreken en vast te leggen. Daarnaast wordt een crisiskaart opgesteld, die wordt afgeleid uit het signaleringsplan en alle acties en wensen bevat hoe te handelen bij het daadwerkelijk optreden van een crisissituatie. Meer informatie over het gebruik van de crisiskaart is te vinden op www.crisiskaartggz.nl/crisiskaart. Voorbeelden van een signaleringsplan en een toelichting op het gebruik ervan zijn te vinden op www.kenniscentrumbipolairestoornissen.nl (https://www.kenniscentrumbipolairestoornissen.nl/voor-professionals/behandeling/signaleringsplannen/).
Sociaal Ritme Meter
De Sociaal Ritme Meter (SRM) is een instrument dat wordt gebruikt binnen de interpersoonlijke en sociaal-ritmetherapie (IP-SRT) (Frank e.a., 2005). Dit instrument brengt het volgende in kaart: dag-nachtritme, dagelijkse activiteiten, sociale contacten, en stemming. Ook deze informatie kan gebruikt worden om luxerende momenten, kwetsbaarheden en prodromen in kaart te brengen, die vervolgens weer vermeld worden in het signaleringsplan.
Onderbouwing
Conclusies / Summary of Findings
- Er zijn aanwijzingen dat psycho-educatie voor patiënt en naasten een belangrijke basis is waarop de patiënt adequate zelfmanagementvaardigheden kan ontwikkelen (zie hoofdstuk Psychosociale en psychologische interventies).
- Er zijn aanwijzingen dat het opstellen van en werken met een signaleringsplan effectief is in het aanleren van zelfmanagementvaardigheden, resulterend in verlenging van de tijd tot de eerste terugval, minder en kortere opnamen en een verbetering van het functioneren van patiënten in de interventiegroep (Morriss e.a., 2007).
- Er zijn aanwijzingen dat de inzet van zelfmanagementprogramma’s (waaronder Illness Management en Recovery (IMR) en Wellness Recovery Action Planning (WRAP)) effectief is voor het aanleren van zelfregie en zelfmanagementvaardigheden (Cook e.a., 2012; Hasson-Ohayon e.a., 2007; Levitt e.a., 2009).
- Er zijn aanwijzingen dat opgeleide, gecertificeerde ervaringsdeskundigen na de training en onder supervisie succesvol een gestructureerd zelfregie en zelfmanagementprogramma zoals IMR en WRAP kunnen geven aan patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen (Cook e.a., 2012; Garber-Epstein e.a., 2013).
- Er zijn aanwijzingen dat het bevorderen van het persoonlijk herstel bevorderd kan worden door een groepsaanbod voor positieve psychologie (Goed Leven met een Bipolaire Stoornis) (Kraiss e.a., 2023); zie ook hoofdstuk 5 Psychosociale en psychologische interventies.
- Er zijn aanwijzingen dat er bij het aanleren van zelfmanagement barrières zijn voor patiënten en naasten en de leerprocessen bij beide niet gelijk op gaan (Van den Heuvel e.a., 2015, 2018).
Zoeken en selecteren
Zelfregie en zelfmanagement zijn cruciale onderdelen van het persoonlijk herstelproces bij bipolaire stoornissen. Het model Duurzame mentale gezondheid stelt dat geestelijke gezondheid niet alleen gaat over het verminderen van symptomen, maar ook over het versterken van psychisch welbevinden (Bohlmeijer en Westerhof, 2021). Hieronder passen de herstelconcepten vanuit het CHIME-model (Leamy e.a., 2011; Bird e.a. 2014) en het daaruit specifiek voor bipolaire stoornisen ontwikkelde POETIC-model voor herstel (Jagfeld e.a., 2021). Het POETIC-model biedt een specifiek kader voor het herstelproces bij bipolaire stoornissen (zie figuur 4.1). Dit model, een uitbreiding van het CHIME-model, benadrukt zes domeinen: Purpose and meaning, Optimism and hope, Empowerment, Tensions, Identity en Connectedness. Zelfregie en zelfmanagement zijn essentieel binnen het Empowerment-domein, waar persoonlijke verantwoordelijkheid en het beheer van de eigen gezondheid centraal staan. Door zelfregie en zelfmanagement te bevorderen, kunnen mensen met een bipolaire stoornis hun herstelproces beter navigeren en een betekenisvol leven leiden ondanks de uitdagingen die hun aandoening met zich meebrengt. Het POETIC-model kan behulpzaam zijn bij het formuleren van persoonlijke hersteldoelen. Het toevoegen van het thema ‘spanningen’ (Tensions) is specifiek voor bipolaire stemmingsstoornissen en refereert o.a. aan de ambivalentie rondom hypomanie, en het zoeken naar een balans tussen persoonlijke ambities en het accepteren van beperkingen door de aandoening. Een meetinstrument als de I-ROC (Individual Recovery Outcome Counter) kan gebruikt worden om zicht te krijgen op o.a. deze zes dimensies en aangrijpingspunten geven voor hersteldoelen.
Figuur 4.1 POETIC: Ervaringen met persoonlijk herstel bij bipolaire stoornis (vertaald uit het Engels)
|
P |
Doel en betekenis |
Betekenis van ervaringen met psychische aandoeningen |
Betaald of vrijwillig werk |
Kwaliteit van leven |
Zinvol leven en sociale rollen |
|
O |
Optimisme en hoop |
Geloof in de mogelijkheid van herstel |
Positief denken en succes waarderen |
Hoopgevende relaties |
Dromen en aspiraties hebben |
|
E |
Empowerment |
Zelfmanagement en persoonlijke verantwoordelijkheid |
Controversiële rol van medicatie |
Controle over het leven |
|
|
T |
Spanningen |
Balans tussen acceptatie en ambities |
Openheid maakt steun mogelijk, maar ook stigmatisering |
Ambivalentie rondom (hypo)manie |
|
|
I |
Identiteit |
Positief zelfbeeld heropbouwen |
Overwinnen van stigma |
Dimensies van identiteit |
|
|
C |
Verbondenheid |
Steun van anderen |
Relaties |
Lotgenotensteun en steungroepen |
Deel uitmaken van de gemeenschap |
Van patiënten die lijden aan een chronische aandoening wordt verwacht dat zij, zo veel als mogelijk en haalbaar is, actief zijn in het onderhouden en bevorderen van hun eigen gezondheidstoestand. Zelfmanagement is een proces waarin patiënten zelf verantwoordelijkheid nemen voor het veranderen van hun gezondheidsgedrag, kennis verwerven over hun aandoening en de behandeling daarvan, en de symptomen en fysieke en psychosociale gevolgen van die aandoening managen. Het gaat over zelf regie voeren over het leven met de aandoening en de behandeling daarvan. Hierdoor blijft de patiënt meer autonoom, wat kan leiden tot een betere kwaliteit van leven. Zelfmanagement is het individuele vermogen tot omgaan met symptomen, behandeling, lichamelijke en psychosociale consequenties en leefstijlveranderingen, inherent aan het leven met een chronisch gezondheidsprobleem (Barlow e.a., 2002). Adequaat zelfmanagement behelst de mogelijkheden om de eigen gezondheid te beoordelen en de cognitieve, gedragsmatige en emotionele reacties te beïnvloeden die nodig zijn om een bevredigende kwaliteit van leven te behouden. Het aanleren van zelfmanagement en het bevorderen van zelfregie is geen individueel gebeuren maar vindt plaats in de sociale context van de patiënt. Daarom spelen naasten een belangrijke rol bij het bevorderen van zelfmanagement en zelfregie bij de patiënt.
Adequaat zelfmanagement is geen vanzelfsprekendheid. Men kan stellen dat iedereen met een chronische ziekte aan zelfmanagement doet. Sommige mensen slagen daar echter beter in dan anderen. Vanuit het patiëntenperspectief is zelfmanagement adequaat wanneer dit leidt tot een betekenisvol en goed leven. Wat dit inhoudt, is voor iedere persoon anders. Adequaat zelfmanagement heeft een zelfbeeld versterkende werking. Men ervaart dat men in staat is zelf invloed uit te oefenen op de eigen gezondheid en het eigen welzijn. Er ontstaat minder afhankelijkheid van hulpverleners. Het aanleren van zelfmanagementvaardigheden, waarbij het behandelend team en naasten de patiënt kunnen ondersteunen, vindt bij voorkeur plaats tijdens de euthyme fase van de bipolaire stoornis. Het ondersteunen van zelfmanagementvaardigheden vindt echter op elk moment in de behandeling plaats als daar behoefte aan is; dit kan ook tijdens een acute episode geïndiceerd zijn. De leerprocessen rondom het aanleren van zelfmanagement verschillen tussen patiënten en naasten en kunnen derhalve over en weer tot onbegrip leiden, waarin de professional een rol kan hebben in het goed begeleiden van beide processen.
Adequaat zelfmanagement is geen garantie dat de aandoening ook te allen tijde beheersbaar is. Veel factoren zijn van invloed op het beloop van de bipolaire stoornis. Te veel nadruk op zelfmanagement kan de illusie wekken dat het altijd tot een goed resultaat kan leiden. Men dient een zorgvuldige inschatting van draaglast en draagkracht te maken en de verwachtingen af te stemmen op de realiteit. Zo kan men zelfstigmatisering in het geval van minder succesvol zelfmanagement helpen voorkomen.
Professionals hebben een belangrijke rol in het bevorderen van het zelfmanagement van de patiënt en in het aanleren van de benodigde vaardigheden. Dit vraagt een meer coachende en begeleidende rol tijdens de behandeling. Hiervoor zijn een aantal hulpmiddelen beschikbaar. Om zelfmanagement tot een succes te maken, hebben de patiënt en zijn omgeving kennis en inzicht nodig over de aandoening en de behandelmogelijkheden. De professional dient zich een aantal vaardigheden eigen te maken in het gebruik van hulpmiddelen. Tevens is het belangrijk dat de patiënt en de naaste(n) erop leren vertrouwen dat men zelf succesvol een bijdrage kan leveren aan het (leren) omgaan met de chronische ziekte, en daarmee aan de kwaliteit van leven.
De samenwerking in de triade professional-patiënt-naaste is hierbij vanzelfsprekend van groot belang, zie hoofdstuk Organisatie van Zorg, paragraaf 2.4 Naasten, triade en ervaringsdeskundigheid. Het proces van aanleren van zelfregie en zelfmanagementvaardigheden omvat drie elementen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, die de professional ook tegelijkertijd kan inzetten:
- Zelfmanagementtaxatie;
- Verantwoordelijkheid nemen voor het eigen leven;
- Interventies die zelfmanagement ondersteunen.
Wetenschappelijke onderbouwing
Zoekstrategie
Er is geen systematische review uitgevoerd naar de effectiviteit van interventies van hulpverleners om zelfmanagementvaardigheden te vergroten, of naar de effectiviteit van het toepassen van zelfmanagementvaardigheden door patiënten. Zelfregie als uitkomstmaat van zelfmanagement is zelden meegenomen in onderzoeken naar de effectiviteit van zelfmanagementvaardigheden. Veelal is er gemeten op ‘harde’ uitkomstmaten zoals terugval, aantal terugvallen, duur van opnamen. Per interventie ter ondersteuning van zelfmanagement wordt de bestaande evidence beschreven.
Psycho-educatie
Voor de evidence over psycho-educatie, zie hoofdstuk Psychosociale en psychologische interventies, paragraaf 6.4.1.1 De interventies.
Interpersoonlijke en sociaal-ritmetherapie (IP-SRT)
Voor de evidence over interpersoonlijke en sociaal-ritmetherapie (ip-srt), zie hoofdstuk Psychosociale en psychologische interventies, paragraaf 6.4.1.1 De interventies.
Life-chartmethode (LCM)
De life-chartmethode (LCM) wordt in onderzoeken veelal ingezet als meetinstrument om het ziektebeloop te monitoren. Er zijn geen onderzoeken bekend waarin de LCM wordt ingezet als interventie om de patiënt te leren inzicht te verwerven in het beloop van zijn of haar aandoening. Er is één kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de houding en attitude van patiënten met een bipolaire stoornis tegenover het gebruik van het instrument (van Bendegem e.a., 2014). Hierbij werden veertien patiënten geïnterviewd over hun ervaringen. Patiënten herkenden de waarde van het instrument voor het aanleren van zelfmanagement, maar noemden ook de ervaren negatieve belasting van het dagelijks gebruik van het instrument. Het instrument werd vaak al ingezet wanneer er nog veel ambivalentie was bij de patiënt bij het accepteren van de diagnose. De onderzoekers adviseren om zorgvuldig het tijdstip van het inzetten van de LCM te overwegen, hierbij rekening houdend met de impact van het stellen van de diagnose en de mate van acceptatie van die diagnose. Daarnaast adviseren ze om een aantal persoonlijke indicatoren op te nemen ter motivatie van het gebruik ervan en een duidelijke instructie te geven over het gebruik.
Signaleringsplan
Morriss e.a. (2007) publiceerden een systematische review in de Cochrane Library. Ze spoorden elf RCT’s op. Zeven daarvan bevatten de gestelde uitkomstmaten. Deze review toonde de meerwaarde aan van het gebruik van signaleringsplannen. Er was sprake van een verlenging van tijd tot de eerste terugval, minder hospitalisatie en een verbetering van het functioneren van patiënten in de interventiegroep.
Daggenvoorde e.a. (2013) voerden een kwalitatief onderzoek uit naar de ervaringen van patiënten met een bipolaire stoornis met het gebruik van een signaleringsplan. Vijftien patiënten werden geïncludeerd en geïnterviewd over hun ervaringen. Een belangrijke conclusie uit dit onderzoek was dat patiënten rapporteerden dat ze dankzij het werken aan het signaleringsplan het gevoel hadden gekregen de regie op hun leven teruggekregen te hebben. Het signaleringsplan droeg in belangrijke mate bij aan effectief zelfmanagement en versterkte de patiënt in het leren leven met de ziekte. Als bevorderende factoren daarbij werden genoemd: het individualiseren van het signaleringsplan waarbij de ervaringskennis van de patiënt en de naaste belangrijke input is; en goede professionele ondersteuning bij het ontwikkelen van het plan, zowel voor de patiënt als de naaste, waarbij een goede match tussen professional en patiënt en/of naaste zeer belangrijk is.
Ruchlewska e.a. (2014) deden onderzoek naar het gebruik van een crisis- kaart en vonden aanwijzingen dat door het gebruik van een crisiskaart patiënten met een psychotische stoornis of een bipolaire stoornis minder vaak gedwongen werden opgenomen met een rechterlijke machtiging.
Bewaken van somatische gezondheid
Voor de evidentie over het bewaken van somatische gezondheid, zie hoofdstuk Somatische Aspecten.
Zelfhulp
Er zijn geen onderzoeken bekend naar de effectiviteit van zelfhulp bij bipolaire stoornis.
Illness Management en Recovery (IMR)
Er zijn drie RCT’s uitgevoerd naar de effectiviteit van Illness Management en Recovery (IMR) ten opzichte van care as usual. Twee RCT’s zijn uitgevoerd bij een patiëntenpopulatie met een ernstig psychiatrische aandoening (EPA) inclusief patiënten met een bipolaire stoornis (Hasson-Ohayon e.a., 2007; Levitt e.a., 2009), en een bij patiënten met een psychotische stoornis (Fardig e.a., 2011).
De RCT van Hasson-Ohayon e.a. (2007) (n = 210) liet zien dat de personen in de IMR-groep meer vooruitgingen op de variabelen ziekte-inzicht en vooruitgang op persoonlijke doelen, zoals gemeten met de IMR-schaal, dan de mensen in de controlegroep (care as usual). Ook de beoordeling van
de hulpverleners lieten meer vooruitgang zien op de totaalscore van de IMR-schaal bij de IMR-groep in vergelijking met de controlegroep. Beide groepen gingen evenveel vooruit op coping en er werd geen verbetering gevonden op de maat voor sociale ondersteuning. De rct van Levitt e.a. (2009) (n = 104) liet zien dat deelnemers in de IMR-groep significant meer dan de controlegroep verbeterden op zelf gerapporteerde en hulpverlenerscores van zelfmanagement. Daarnaast rapporteerden cliënten in de IMR-groep ook wat betreft depressieve en angstige gevoelens minder ernstige symptomen dan de controlegroep. Verder rapporteerden de deelnemers aan de IMR-groep een verbeterd psychosociaal functioneren in vergelijking met de controlegroep. Zowel deelnemers in de IMR-groep als in de controlegroep rapporteerden een verminderde last van het symptoom stress, werden zij minder vaak in het ziekenhuis opgenomen en gebruikten zij minder verslavende middelen, ten tijde van de behandeling. Het onderzoek van Färdig e.a. (2011) liet soortgelijke resultaten zien, maar wordt in deze richtlijn verder niet beschreven omdat de onderzoeksgroep geheel bestond uit patiënten met een psychotische stoornis. Garber-Epstein e.a. (2013) deden onderzoek naar het belang van de professionele achtergrond van de trainers bij het modelgetrouw implementeren van IMR. Men vergeleek de inzet van professionele trainers met die van ervaringsdeskundige trainers. Zij concludeerden dat, mits de trainers goed geschoold waren in IMR en deelnamen aan supervisie, er geen verschil is.
Wellness Recovery Action Planning (WRAP)
In een RCT gepubliceerd door Cook e.a. (2012) (n = 519) werd Wellness Recovery Action Planning (WRAP) uitgevoerd door getrainde ervaringsdeskundigen, vergeleken met treatment as usual bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA). Binnen de onderzoekspopulatie had 38% een diagnose bipolaire stoornis. Uit het onderzoek bleek dat patiënten die deelnamen aan de WRAP-groep, significant minder symptomen van angst en depressie ervoeren. Patiënten in de WRAP-groep lieten ook een significante verbetering zien op het vertrouwen in eigen herstel en doeloriëntatie ten opzichte van de controlegroep.
Kosteneffectiviteit
Er zijn geen onderzoeken bekend die informatie bevatten over kosteneffectiviteit van zelfmanagement ondersteunende activiteiten door professionals.
Referenties
- Anthony, W.A. (1993). Recovery from mental illness: the guiding vision of the mental health system in the 1990s. PsychoSocial Rehabilitation Journal, 16, 11-23.
- Appelo, M., Louwerens, J.W., & Vries, I. de. (2005). Minder zwaar met psychofar- maca: Pilot study naar de effecten van een nieuw gezondheidsprogramma. Maandblad geestelijke volksgezondheid, 60, 411-427.
- Barlow, J., Wright, C., Sheasby, J., Tuner, A., & Hainsworth, J. (2002). Selfman- agement approaches for people with chronic conditions: a review. Patient Education and Counseling, 48, 177-187.
- Bendegem, M.A. van, Heuvel, S.C.G.H. van den, Kramer, L.J., & Goossens P.J.J. (2014). Attitudes of patients with a bipolar disorder towards use of life chart methodology: a phenomenological study. Journal of the American Psychi- atric Nursing Association, 20, 376-385.
- Bird, V., Leamy, M., Tew, J., Le Boutillier, C., Williams, J., & Slade, M. (2014). Fit for purpose? Validation of a conceptual framework for personal recovery with current mental health consumers. Australian & New Zealand Journal of Psychiatry, 48(7), 644-653.
- Boertien, D., Bakel M. van, & Weeghel J. van (2013). Wellness Recovery Action Plan in Nederland. In S. van Rooijen, J. van Weeghel, & J. van Busschbach (Red.), Jaarboek rehabilitaite 2012-2013. Amsterdam: SWP.
- Bohlmeijer, E., & Westerhof, G. (2021). The model for sustainable mental health: future directions for integrating positive psychology into mental health care. Frontiers in psychology, 12, 747999.
- Bruin, K.M. de, Jansen, J., & Verkleij, H. (1995). Leefstijlfactoren en chroni-sche ziek(t)en: naar een integratieve preventie-strategie [rapportnummer 442003010]. Bilthoven: RIVM.
- Charles, C., Gafni, A., & Whelan, T. (1999). Decision-making in the physician- patient encounter: revisiting the shared treatment decision-making model. Social Science and Medicine, 49, 651-661.
- Cook J.A., Copeland M.E., Floyd C.B., Jonikas J.A., Hamilton M.M., Razzano L., e.a. (2012). A randomized controlled trial of effects of Wellness Recovery Action Planning on depression, anxiety, and recovery. Psychiatric Services, 63, 541-547.
- Copeland M.E., & Mead S. (2004) Wellness Recovery Action Plan & peer support: personal, group and program development. Dummerston: Peach Press.
- Daggenvoorde, T.H., Goossens, P.J.J., & Gamel, C. (2013). Regained control: a phenomenological study of the use of a relapse prevention plan by patients with a bipolar disorder. Perspectives in Psychiatric Care, 49, 235-242.
- Färdig, R., Lewander, T., Melin, L., Folke, F., & Fredriksson A. (2011). A random- ized controlled trial of the illness management and recovery program for persons with schizophrenia. Psychiatric Services, 62, 606-612.
- Frank, E., Kupfer, D.J., Thase, M.E., Mallinger, A.G., Swartz, H.A., Fagiolini, A.M., e.a. (2005). Two-year outcomes for interpersonal and social rhythm therapy in individuals with bipolar I disorder. Archives of General Psychiatry, 62, 996-1004.
- Garber-Epstein, P., Zisman-Ilani, Y., Levine, S., & Roe, D. (2013). Comparative impact of professional mental health background on ratings of consumer outcome and fidelity in an illness management and recovery program. Psychiatric Rehabilitation Journal, 36, 236-242.
- Goossens, P.J.J. (2008). Nursing care for patients with bipolar disorders; a study of current practice needs, coping and quality of life. Proefschrift, Radboud Universiteit Nijmegen.
- Goossens, P. J. J., Daggenvoorde, T. H., Groot Lipman, H. G., Verhaeghe, S., & Stevens, A. W. M. M. (2019). Show yourself, a short film to show professionals at an admission ward your ‘euthymic being’during an admission for mania. International Journal of Bipolar Disorders, 7(1), 2.
- Goossens, P. J., Daggenvoorde, T. H., Groot Lipman, M. H., Bendegem, M. A., & Kars, M. C. (2020). Show yourself, experiences of patients with bipolar disorder recording a film to show their" euthymic being": A qualitative study. Perspectives in Psychiatric Care, 56(2).
- Goossens, P.J.J., Knoppert-van der Klein, E.A.M., Kroon, H., & Achterberg, T. van (2007). Self-reported care needs of outpatients with a bipolar disorder in the Netherlands. Journal of Psychiatric and Mental Health Nursing, 14, 527-621.
- Goossens, P.J.J., Beentjes, T.A.A., Leeuw, J.A.M. de, Knoppert-van der Klein, E.A.M., & Achterberg, Th. van (2008). The nursing of patients with a bipolar disorder: What nurses actually do. Archives of Psychiatric Nursing, 22, 3-11.
- Goossens, P.J.J., Kupka, R.W. Beentjes T.A.A., & Achterberg T. van (2010). Recognising prodromes of manic or depressive recurrence in outpatients with bipolar disorder: A cross-sectional study in the Netherlands. Interna- tional Journal of Nursing Studies, 47, 1201-1207.
- Goossens P.J.J., Vries S. de, & Brugman, M. (2013). Illness management and recovery. In S. van Rooijen, J. van Weeghel, & J. van Busschbach (Red.), Jaarboek rehabilitaite 2012-2013. Amsterdam: SWP.
- Grypdonck, M. (1999). Het leven boven de ziekte uittillen: De opdracht van de verpleegkunde en verplegingswetenschap voor chronische ziekten. Amsterdam: SMD.
- Hasson-Ohayon, I., Roe, D., & Kravetz, S. (2007). A randomized controlled trial of the effectiveness of the illness management and recovery program. Psychiatric Services, 58, 1461-1466.
- Jagfeld, G., Lobban, F., Marshall, P., & Jones, S. H. (2021). Personal recovery in bipolar disorder: Systematic review and “best fit” framework synthesis of qualitative evidence–a POETIC adaptation of CHIME. Journal of affective disorders, 292, 375-385.
- Janney, C.A., Bauer, M.S., & Kilbourne, A.M. (2014). Self-management and bipolar disorder-a clinician’s guide to the literature 2011-2014. Current Psychiatry Reports, 16, 485.
- Kroon, H. (2003). De zorgbehoeftenlijst: een vragenlijst voor het meten van zorg- en rehabilitatiebehoeften bij mensen met ernstige psychische stoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut.
- Leamy, M., Bird, V., Le Boutillier, C., Williams, J., & Slade, M. (2011). Conceptual framework for personal recovery in mental health: systematic review and narrative synthesis. The British journal of psychiatry, 199(6), 445-452.
- Levitt, A.J., Mueser, K.T., Degenova, J., Lorenzo, J., Bradford-Watt, D., Barbosa, A., e.a. (2009). Randomized controlled trial of illness management and recovery in multiple-unit supportive housing. Psychiatric Services, 60, 1629- 1636.
- Mantere, O., Suominen, K., Valtonen, H.M., Arvilommi, P., & Isometsä, E. (2008). Only half of bipolar I and II patients report prodromal symptoms. Journal of Affective Disorders, 111, 366-371.
- Meeuwissen, J., Meijel, B. van, Gool, R. van, & Hermens, M.; Werkgroep Richtli- jnontwikkeling Algemene somatische screening & Leefstijl. (2015). Richtlijn leefstijl bij patiënten met een ernstige psychische aandoening (EPA). Utrecht: Trimbos-instituut/V&VN.
- Michalak, E.E., Yatham, L.N., Maxwell, V., Hale, S., & Lam, R.W. (2007). The impact of bipolar disorder upon work functioning: A qualitative analysis. Bipolar Disorders, 9, 126-143.
- Miklowitz, D.J. (2004). Hulpgids bipolaire stoornis: Alles wat jij en je omgeving moeten weten over manisch-depressiviteit. Amsterdam: Nieuwezijds.
- Morriss R.K., Faizal M.A., Jones A.P., Williamson P.R., Bolton C., & McCarthy J.P. (2007) Interventions for helping people recognise early signs of recur- rence in bipolar disorder. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007(1), Article CD004854. Retrieved March 15, 2014. The Cochrane Library Data- base.
- Mueser, K.T., Meyer, P.S., Penn, D.L., Clancy, R., Clancy, D.M., & Salyers, M.P. (2006). The Illness Management and Recovery program: Rationale, develop- ment, and preliminary findings. Schizophrenia Bulletin, 32, 32-43.
- Murray, G., Suto, M., Hole, R,. Hale, S., Amari, E., & Michalak, E. (2011). Self- management strategies used by ‘high functioning’ individuals with bipolar disorder: From research to clinical practice. Clinical Psychology and Psycho- therapy, 18, 95-109.
- Nolen, W.A., Kupka, R.W., Schulte, P.F.J., Knoppert-van der Klein, E.A.M., Honig, A., Reichart, C.G., e.a. (2008). Richtlijn bipolaire stoornissen. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie/De Tijdstroom Uitgeverij.
- Perry, A., Tarrier, N., Morriss, R., McCarthy, E., & Limb, K. (1999). Randomised controlled trial of efficacy of teaching patients with bipolar disorder to iden- tify early symptoms of relapse and obtain treatment. BMJ, 318, 149-153.
- Phelan, M., Slade, M., Thornicroft, G., Dunn, G., Holloway, F., Wykes, T., e.a. (1995). The Camberwell Assessment of Need: the validity and reliability of an instrument to assess the needs of people with severe mental illness. British Journal of Psychiatry, 167, 589-595.
- Reynolds, T., Thornicroft, G., Abas, M., Woods, B., Hoe, J., Leese, M., e.a. (2000). Camberwell Assessment of Need for the Elderly (CANE): Development, validity and reliability. British Journal of Psychiatry, 176, 444-452.
- Ruchlewska, A., Wierdsma, A.I., Kamperman, A.M., Gaag, M. van der, Smulders, R., e.a. (2014). Effect of crisis plans on admissions and emergency visits: a randomized controlled trial. PloS One, 9, e91882.
- Tjaden, C. D., Mulder, C. L., van Weeghel, J., Delespaul, P., Keet, R., Castelein, S., ... & Kroon, H. (2019). The resource group method in severe mental illness: study protocol for a randomized controlled trial and a qualitative multiple case study. International Journal of Mental Health Systems, 13(1), 15.
- Van den Heuvel, S. C. G. H., Goossens, P. J. J., Terlouw, C., Van Achterberg, T., & Schoonhoven, L. (2015). Identifying and describing patients' learning experiences towards self‐management of bipolar disorders: a phenomenological study. Journal of Psychiatric and Mental Health Nursing, 22(10), 801-810.
- van den Heuvel, S., Goossens, P., Terlouw, C., Schoonhoven, L., & van Achterberg, T. (2018). Informal caregivers’ learning experiences with self-management support of individuals living with bipolar disorder: A phenomenological study. Journal of the American Psychiatric Nurses Association, 24(6), 531-541.
- Van den Heuvel, S. C. G. H., Goossens, P. J. J., Terlouw, C., Schoonhoven, L., & Van Achterberg, T. (2019). Self-Management Education for Bipolar Disorders: A Hermeneutic-Phenomenological Study on the Tacit Knowledge of Mental Health Nurses. Issues in mental health nursing, 40(11), 942-950.
- van den Heuvel, S. C. G. H. (2021). Searching for order in disorder: Self-management education for persons with bipolar disorders and their informal caregivers (Doctoral dissertation, sl: sn).
- Wiersma, D. (2006). Needs of people with severe mental illness. Acta Psychiatrica Scandinavica Supplementum, 113, 115-119.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 24-03-2026
Beoordeeld op geldigheid : 24-03-2026
Algemene gegevens
Deze richtlijn is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen, op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Het is een multidisciplinaire richtlijn die aanwijzingen geeft voor screening, diagnostiek en behandeling van bipolaire stoornissen. De ontwikkeling is gefinancierd vanuit het gealloceerde budget van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Methodologisch en organisatorisch is de richtlijnontwikkeling ondersteund door het Trimbos-instituut.
Doel en doelgroep
Doel
Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. De richtlijn geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de screening, diagnostiek en behandeling van zowel kinderen als adolescenten, volwassenen en ouderen met een bipolaire stoornis. De aanbevelingen zijn bedoeld ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor deze patiënten. De richtlijn geeft een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen in lijn met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek naar bipolaire stoornissen.
De multidisciplinaire ontwikkelprocedure is bedoeld om de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk te bevorderen. Daarnaast kan deze richtlijn vertaald worden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn is dan te beschouwen als een moederrichtlijn voor de richtlijnen van die beroepsgroepen, waarin men aanknopingspunten kan vinden voor lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze richtlijn wordt door de richtlijnwerkgroep aangemoedigd, aangezien de implementatie van de in deze richtlijn beschreven behandeling optimale zorg kan bevorderen.
Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt met een bipolaire stoornis, kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar hem of haar kunnen schaden, dan wel geen nut hebben. In alle gevallen komt een behandeling tot stand op basis van gezamenlijke besluitvorming door de optimaal geïnformeerde patiënt, naaste en behandelaar(s).
Afbakening
Deze richtlijn betreft de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten (12 tot 23 jaar), volwassenen en ouderen (60 jaar of ouder) bij wie er sprake is van (of er een vermoeden is van) een bipolaire stemmingsstoornis. In de richtlijn is gezocht naar oorspronkelijke onderzoeken zonder begindatum, en tot en met november 2024. In sommige gevallen zijn gepubliceerde aanvullende reviews van recenter datum geraadpleegd. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen.
Doelgroep
De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van de richtlijn zijn doorgaans allen professioneel betrokken bij de zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis of voor patiënten bij wie men die aandoening vermoedt.
In de werkgroep waren ook patiënten- en familieverenigingen vertegenwoordigd, waarmee het perspectief van de patiënten met een bipolaire stoornis en hun naasten in de richtlijn een plaats heeft gekregen. Daardoor kunnen ook niet-professionele zorgverleners en/of belangenverenigingen tot de gebruikers van de richtlijn kan behoren.
Samenstelling werkgroep
De Multidisciplinaire richtlijn bipolaire stoornissen is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen bij volwassenen, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijnwerkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Ralph Kupka, emeritus hoogleraar bipolaire stoornissen, bestond uit psychiaters, psychologen, verpleegkundig specialisten, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen, allen door de (beroeps)verenigingen uitgenodigd en op persoonlijke titel aan het project verbonden.
Voorafgaande aan het ontwikkeltraject zijn kennismakingsgesprekken gevoerd met kandidaat-leden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden zijn de huidige werkgroepleden geselecteerd. Naast de richtlijnwerkgroep is een aantal experts benaderd om adviseur te worden. Deze adviseurs konden op individuele basis worden gevraagd om op verzoek van een werkgroeplid mee te denken over een specifieke uitgangsvraag. De richtlijnwerkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technische team van het Trimbos-instituut. Dit technische team bestond uit een projectleider, twee literatuur reviewers, een informatiespecialist, en een project assistent. De tabellen Leden werkgroep, Leden adviesgroep en Methodologische ondersteuning geven een overzicht van de samenstelling van de richtlijnwerkgroep, de klankbordgroep en het ondersteunende technische team.
Leden Werkgroep
|
|
Naam |
Organisatie |
Beroepsvereniging |
|
1. |
Prof. dr. Ralph Kupka (voorzitter) |
Amsterdam UMC; Altrecht; GGZ inGeest; Dimence |
Psychiater, NVvP |
|
2. |
dr. Manja Koenders (vicevoorzitter) |
Leiden University Faculty of Social Sciences |
Psycholoog, NIP |
|
3. |
Prof. dr. Manon Hillegers |
afd. K&J Psychiatrie Erasmus MC |
Psychiater, NVvP |
|
3. |
dr. Annemieke Dols |
UMC Utrecht |
Psychiater, NVvP |
|
4. |
dr. Imke Hanssen |
Radboud Universiteit Nijmegen |
Psycholoog, NIP |
|
5. |
dr. Bart Geerling |
Dimence |
verpleegkundig specialist, V&VN |
|
6. |
drs. Henk Mathijssen |
Plusminus |
Plusminus |
|
7. |
Elisabeth Bakker-Timmerman |
Plusminus, KenBiS |
Plusminus |
Leden adviesgroep
|
|
Naam |
Organisatie |
Beroep |
|
1. |
prof. dr. Marc Vervloet* |
Radboud UMC |
Hoogleraar nefrologie |
|
2. |
Dr. Miranda Kurver |
NHG |
Huisarts en senior wetenschappelijk medewerker richtlijnontwikkeling |
|
3. |
dr. Ingeborg Wilting |
UMC Utrecht |
klinisch farmacoloog |
|
4. |
dr. Benno Haarman |
UMC Groningen |
Psychiater |
|
5. |
dr. Rob Havermans |
Mondriaan, PsyQ |
Psychiater |
|
6. |
dr. Debbie Zittema |
GGZ Ingeest |
Psychiater en klinisch farmacoloog |
|
7. |
Bianca van Nieuwendijk |
GGZ Ingeest |
Verpleegkundig specialist |
|
8. |
Mischa van Bendegem |
Mediant |
Verpleegkundig specialist |
|
9. |
Dr. Bram Dierckx |
Erasmus MC |
Psychiater |
|
10. |
Dr. Esther Mesman |
Erasmus MC |
GZ-psycholoog |
|
11. |
Dr. Max de Leeuw |
LUMC |
Psychiater |
|
12. |
Dolf Snel |
|
Naastenperspectief |
|
13. |
Suzanne Demacker |
Altrecht |
GZ-psycholoog |
|
14. |
Dr. Melis Orhan |
Universiteit Leiden |
GZ-psycholoog |
|
15. |
Theo Hoedemaker |
Plusminus |
Naastenperspectief |
|
16. |
JRP van der Veen |
Plusminus |
ervaringsdeskundige |
|
17. |
Bernadette Wigchert |
Plusminus |
ervaringsdeskundige |
|
18. |
Mirthe Knot-Ploeg |
Plusminus |
ervaringsdeskundige |
*Marc Vervloet is namens de NIV gemandateerd om advies te verlenen op module 9 Somatische Aspecten.
Methodologische ondersteuning
|
Naam |
Ondersteuning |
|
Eva Becking |
Projectleider, Trimbos-instituut |
|
Anne van Jaarsveld |
Reviewer, Trimbos-instituut |
|
Matthijs Oud |
Reviewer, Trimbos-instituut |
|
Rikie Deurenberg |
Informatiespecialist, namens Trimbos-instituut |
|
Joyce Huls |
Projectassistent, Trimbos-instituut |
In totaal kwam de Werkgroep Bipolaire Stoornissen voorafgaand aan de commentaarfase acht keer bijeen in de periode van januari 2024 tot maart 2025. In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. De informatiespecialist verrichtte in overleg met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek en de reviewers maakten per uitgangsvraag een selectie in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de zoekstrategie en de selectiecriteria: het reviewprotocol). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze per uitgangsvraag in evidentie-tabellen, GRADE-profielen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies (per module beschreven onder “Onderbouwing”). Leden van de Werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen (per module beschreven onder “Overwegingen”) en aanbevelingen (per module beschreven onder “Aanbevelingen”). De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, welke ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren worden verwerkt in een commentaartabel, die tijdens een werkgroep bijeenkomst wordt besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen wordt de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden.
Belangenverklaringen
|
Naam werkgroeplid |
Functie |
Nevenwerkzaamheden |
Belangen |
|
Ralph Kupka |
Hoogleraar Bipolaire stoornissen Psychiater |
Bestuurslid Akwa-GGZ Voorzitter bestuur KenBis Bestuurslid ISBD |
nvt |
|
Manja Koenders |
GZ-psycholoog i.o. specialist Universitair docent |
Docent Rino-groep Zzp supervisor |
nvt |
|
Manon Hillegers |
Hoogleraar en afdelingshoofd kinder/jeugd psychiatrie |
Bestuurslid BOPP-west ESCAP bestuurslid ISBD taskforce member |
nvt |
|
Annemieke Dols |
Psychiater |
Onderwijs en nascholing faciliteren |
nvt |
|
Bart Geerling |
Verpleegkundig specialist/hoofd Onderzoeker |
Voorzitter herziening zorgstandaard |
nvt |
|
Imke Hanssen |
Psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog Post-doc onderzoeker |
Lid wetenschapscommissie Vereniging voor Mindfulness-Based Trainers Nederland Bestuurslid van de sectie Mindfulness-Based Cognitieve GedragsTherapie (MB-CGT) van de Vereniging voor Cognitieve Gedragstherapieën (VGCt) |
nvt |
|
Henk Matthijsen |
Voorzitter Plusminus |
Lid RvT GGZ Transparant |
nvt |
|
Elisabeth Bakker Timmerman |
Lid Plusminus Gepensioneerd ergotherapeut |
Bestuurslid KenBis Lid familieraad Parnassia
|
nvt |
Methode ontwikkeling
Evidence based
Werkwijze
EBRO-methode voor wetenschappelijke onderbouwing
Deze multidisciplinaire richtlijn is herzien volgens de methodiek van evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Hierbij werd de GRADE-methodiek toegepast. Er zijn ook hoofdstukken overgenomen vanuit de vorige versie van de MDR Bipolaire stoornis (2015). Hierin zijn conclusies gebaseerd op de ‘levels of evidence’ (voor informatie over deze werkwijze, raadpleeg de verantwoording van de betreffende hoofdstukken).
GRADE-methodiek
Sinds de introductie van de GRADE-methodiek in 2004 werd dit wereldwijd al snel de methode van voorkeur om wetenschappelijk bewijs te graderen ten behoeve van richtlijnontwikkeling (Guyatt et al., 2008), inclusief deze richtlijn. De GRADE-methodiek gaat er van uit dat de zekerheid van het wetenschappelijk bewijs uit randomized controlled trials (RCT’s) in beginsel hoog is vanwege de, mits goed uitgevoerd, kleine kans op vertekening (bias). In geval van observationele (niet gerandomiseerde) studies is de uitgangspositie van de zekerheid van bewijs laag. De zekerheid van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1.1). Bij observationeel onderzoek kan het bewijs in bepaalde gevallen omhoog worden gegradeerd.
Tabel 1.1 GRADE: Factoren voor downgraden en upgraden 1
⇓ |
We downgraden de zekerheid van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij: |
⇑ |
We upgraden de zekerheid van bewijs van observationele studies bij: |
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
1 De zekerheid van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandelinBij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijs ten aanzien van bovenstaande factoren werd uitgegaan van ‘Grade guidelines’, zoals ook te raadplegen in het ‘Grade handbook’ (Guyatt et al., 2013; Handbook for grading the quality of evidence and the strength of recommendations using the GRADE approach).
Legenda GRADE
Na vaststelling van het niveau van bewijs wordt dit in de bijbehorende conclusies als volgt verwoord:
|
Zekerheid |
Symbolen |
|
Signaalwoorden |
|
Hoog |
⊕⊕⊕⊕ |
“Het is aangetoond dat…” |
geeft, heeft (een effect), resulteert in |
|
Redelijk |
⊕⊕⊕◯ |
“Het is aannemelijk...” |
waarschijnlijk |
|
Laag |
⊕⊕◯◯ |
“Er zijn aanwijzingen…” |
zou kunnen, lijkt, suggereert |
|
Zeer laag |
⊕◯◯◯ |
“Het is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat…” |
onzeker |
Van bewijs naar aanbevelingen: Overwegingen
Naast het wetenschappelijk bewijs bepalen enkele andere factoren mede of een instrument of behandeling wordt aanbevolen. In de teksten van de vorige richtlijn-versies werd dit onder “Overige Overwegingen” beschreven.
Mee te wegen factoren om te bepalen of een instrument of behandeling wordt aanbevolen:
|
1. Kwaliteit van bewijs Hoe hoger de algehele kwaliteit van het bewijs, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. |
|
2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten Hoe groter het verschil is tussen de gewenste en ongewenste effecten, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Hoe kleiner dit verschil of hoe meer onzekerheid over de grootte van het verschil, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling. Toelichting:
|
|
3. Patiëntenperspectief Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van patiënten bij het afwegen van de voor- en nadelen van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. |
|
4. Professioneel perspectief Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van professionals ten aanzien van de toepasbaarheid van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Toelichting:
|
|
5. Middelenbeslag Hoe minder middelen er worden gebruikt (m.a.w. hoe lager de kosten van een interventie zijn vergeleken met de beschouwde alternatieven en andere kosten gerelateerd aan de interventie), des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke aanbeveling. Hoe meer onzekerheid over het middelenbeslag, des te waarschijnlijker wordt een conditionele aanbeveling. |
|
6. Organisatie van zorg Hoe meer onzekerheid of de geëvalueerde interventie daadwerkelijk op landelijke schaal toepasbaar is, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling. Toelichting:
|
Formulering van aanbevelingen
Afhankelijk van deze factoren kun je een instrument of behandeling wel of niet aanbevelen. We maken daarbij onderscheid tussen zwakke en sterke aanbevelingen. In het geval van een sterke aanbeveling zou je behandeling X voor alle patiënten met Y willen aanbevelen. Bij een zwakke aanbeveling is dit bijvoorbeeld afhankelijk van de voorkeuren van de patiënt in kwestie. Het is belangrijk in deze sectie expliciet te vermelden op grond waarvan een behandeling wel of niet wordt aanbevolen en ook waarom die aanbeveling zwak of sterk zou moeten zijn.
Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 1.2):
Tabel 1.2 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen
|
Gradering aanbeveling |
Betekenis |
Voorkeursformulering* |
|
STERK VOOR |
De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten. Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen. |
We bevelen [interventie] aan. |
|
ZWAK VOOR |
De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen. De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen. |
Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen). |
|
ZWAK TEGEN |
De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen. De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen. |
Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen). |
|
STERK TEGEN |
De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten. Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen. |
We bevelen [interventie] niet aan. |
* Het gaat hier om voorkeursaanbevelingen, deze kunnen in een enkel geval afwijken. Voor bepaalde hoofdstukken is GRADE niet toegepast (bijv. Organisatie van zorg) daar zijn uit praktisch oogpunt ook de aanbevelingen niet volgens GRADE.
Zoekstrategie
Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden, is door de informatiespecialist en reviewers van het Trimbos-instituut, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar meta-analyses, systematische reviews en oorspronkelijke onderzoeken. In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van Medline en Psychological Information Database (Psycinfo).
Selectiestrategie
Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:
- Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze paragraaf);
- Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de richtlijn;
- Is er sprake van een meta-analyse, systematic-review, randomised controlled trial (RCT), cohort onderzoek, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;
- Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per hoofdstuk en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per hoofdstuk.
Leeswijzer
Met kinderen en adolescenten bedoelen we kinderen van 8 tot 12 jaar en adolescenten van 12 tot 18 jaar. Met jongvolwassenen bedoelen we volwassenen van 18 tot 25 jaar. Met volwassenen bedoelen we mensen van 25 tot 60 jaar. Met ouderen bedoelen we oudere volwassenen van 60 jaar en ouder.