Bipolaire stoornissen

Initiatief: NVvP psychiatrie Aantal modules: 58

Continuïteit van zorg

Publicatiedatum: 24-03-2026
Beoordeeld op geldigheid: 24-03-2026

Uitgangsvraag

Op welke wijze dient de continuïteit van zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis gewaarborgd te worden?

Aanbeveling

  • De behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis dient in principe multidisciplinair te zijn.
  • Vanwege de aard van de aandoening dient de zorg snel en laagdrempelig toegankelijk te zijn.
  • Indien de patiënt wordt behandeld binnen de specialistische GGZ (sggz) dient de patiënt minimaal eenmaal per jaar door een verpleegkundig specialist of een psychiater te worden onderzocht om de algehele voortgang en de somatische aspecten van de behandeling (farmacotherapie, laboratoriumuitslagen, comorbiditeit) te evalueren. Op indicatie, zoals bij complexe diagnostische, farmacotherapeutische of somatische vraagstukken, wordt een psychiater geraadpleegd of in consult gevraagd.
  • Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt en vastgelegd over wie in de behandeling de coördinerende functie heeft.
  • Regionale expertteams dragen zorg voor een laagdrempelig beschikbaar zijn voor consultatie, second opinions, en co-behandeling, of (tijdelijke) overname van behandeling voor alle bij de bipolaire stemmingsstoornis betrokken behandelaren.
  • Het wordt aanbevolen om de somatische zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis in nauwe samenwerking met de huisarts, de internist of een andere medisch specialist, de diëtist en het laboratorium te organiseren.
  • Behandelaren moeten de patiënt en zijn naasten gedurende langere tijd kunnen begeleiden, om zodoende de continuïteit van zorg te waarborgen en ervaringen uit eerdere fasen van de behandeling optimaal te kunnen inzetten.
  • Na afbouwen en stoppen van (onderhouds)medicatie moet de zorg in de (gespecialiseerde) SGGZ nog geruime tijd worden voortgezet, waardoor duidelijk wordt wat het effect van stoppen ook op de langere termijn is.

Overwegingen

Toegankelijkheid van zorg

Gezien de aard van de aandoening is het van belang dat er snel en laagdrempelig zorg geleverd kan worden aan patiënten bij (het vermoeden van) een bipolaire stoornis. Als patiënten al in zorg zijn bij een instelling, moet de intensiteit van de behandeling snel aangepast kunnen worden.

 

Diverse regio’s in Nederland beschikken over een multidisciplinair team met specifieke expertise op het gebied van de bipolaire stoornissen. Dit betreft academische centra, afdelingen met een TOPGGz erkenning voor bipolaire stoornissen, en andere centra aangesloten bij het landelijke Kenniscentrum Bipolaire Stoornissen. Juist vanwege de eerder beschreven lage prevalentie is het belangrijk dat regionale expertteams laagdrempelig beschikbaar zijn voor consultatie, second opinions, en co-behandeling, of (tijdelijke) overname van behandeling, voor alle bij de bipolaire stemmingsgstoornis betrokken behandelaren.

 

Idealiter werken alle aanbieders op het gebied van bipolaire stoornissen samen in een regionaal netwerk dat door een of meerdere expertteams wordt aangestuurd. Zie ook position paper van het KenBiS (hoofdstuk aanbevelingen).

 

Consultatie of second opinion kan aan deze expertteams worden gevraagd:

  • bij (complexe) diagnostische vragen;
  • bij complexe somatische en/of psychiatrische comorbiditeit die van invloed is op de behandeling;
  • bij twijfels over diagnostiek en behandeling;
  • bij een adviesbehoefte over de aanpak van de behandeling in de BGGZ of SGGZ;
  • bij een adviesbehoefte over de aanpak van de behandeling bij onverwachte terugval;  
  • op verzoek van de persoon met een bipolaire stoornis en/of diens naaste(n). 

Regionale expertteams worden gekenmerkt door een effectieve multidisciplinaire samenwerking waarbinnen optimaal gebruik wordt gemaakt van ieders expertise. Behandelingen verlopen zoveel mogelijk richtlijnconform en in samenspraak met patiënt en naasten. Het team is flexibel en kan zorg snel opschalen als de situatie daarom vraagt. Ook in crisissituaties wordt goed samengewerkt. De communicatie verloopt eenduidig en transparant.

 

Het expertteam investeert in regionale samenwerkingsverbanden, waarbij ook in crisissituaties optimaal wordt samengewerkt tussen alle betrokken partijen. Verder is het expertteam op de hoogte van het aanbod vanuit het sociale domein binnen de eigen regio en werkt daar nauw mee samen. Het team draagt zorg voor de eigen bij- en nascholing.  Hierbij wordt ook verwezen naar het scholingsaanbod van het Kenniscentrum Bipolaire Stoornissen (KenBiS).

 

Een expertteam heeft tenminste de beschikking over verpleegkundige, psychologische, psychiatrische en bij voorkeur ook ervaringsdeskundige expertise.

 

Individuele competenties

Behandelaren die werken in een expertteam gericht op de behandeling van de bipolaire stoornis dienen diepgaande kennis te hebben van diverse manifestaties van bipolaire stoornis, differentiaal diagnostiek en comorbiditeit. Zij kunnen crisisinterventies verrichten en risico-inschattingen maken op gebied van suïcidepreventie en ook op het gebied van ontwrichtend of beschadigend gedrag t.g.v. een manie. Ze zijn benaderbaar voor consultatie en advies. Elke behandelaar neemt verantwoordelijkheid voor zijn/haar rol en taken in de zorg voor de patiënt en moet rekenschap kunnen afleggen over de geleverde zorg.

 

Bijbehorende randvoorwaarden

Het is essentieel dat tijd wordt vergoed die bij crisisinterventies besteed wordt aan noodzakelijk overleg met bijvoorbeeld naasten, de acute zorgketen en/of een wijkagent. Hetzelfde geldt voor consultatie, met name wanneer dit patiënten betreft die niet in zorg zijn bij het expertteam. 

 

Verder is voldoende flexibiliteit in de agenda’s nodig om zorg te kunnen opschalen en bijvoorbeeld op huisbezoek te kunnen gaan. Er is voldoende behandelcapaciteit om behandeling conform de richtlijn uit te voeren en patiënten tijdig over te kunnen nemen van huisarts, crisisdienst of kliniek, zodat er geen lange wachtlijsten ontstaan. 

 

Medische verantwoordelijkheid

De diagnostiek en de medicamenteuze behandeling worden uitgevoerd door een psychiater, een verpleegkundig specialist, of een arts onder supervisie van een psychiater (zie hoofdstuk screening en diagnostiek bij volwassenen). Naast de contacten met andere behandelaren dienen zij binnen de specialistische GGZ (SGGZ) de patiënt minimaal eenmaal per jaar zelf te onderzoeken om de algehele voortgang en de somatische aspecten van de behandeling (farmacotherapie, laboratoriumuitslagen, comorbiditeit) te evalueren.

De psychiater, de arts of de verpleegkundig specialist is tevens verantwoordelijk voor de uitvoering van somatische aspecten van de behandeling van de psychiatrische stoornis, inclusief de laboratoriumcontroles betreffende gebruikte medicatie. De somatische zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis vindt bij voorkeur plaats in nauwe samenwerking met de huisarts, een internist of een andere medisch specialist, een diëtist en het laboratorium. Voor de farmacotherapie is ook een goede samenwerking met de apotheek van belang (zie ook hoofdstuk somatische aspecten).

 

Samenwerking tussen de verschillende disciplines (regiefunctie)

Bij de behandeling kunnen hulpverleners van verschillende disciplines betrokken zijn, zoals psychiaters, artsen, verpleegkundigen, psychologen, psychotherapeuten, vaktherapeuten, maatschappelijk werkenden en ervaringsdeskundigen. Bij een behandeling binnen de specialistische GGZ (SGGZ) waarbij meerdere disciplines betrokken zijn, is de psychiater, verpleegkundig specialist of klinisch psycholoog de regiebehandelaar. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken worden gemaakt en vastgelegd, ook wie in het behandelteam de coördinerende functie heeft.

 

Overgang van kinder- en jeugdpsychiatrie naar volwassenenpsychiatrie

De behandeling van adolescenten met een bipolaire stoornis betreft het gehele gezin, dus inclusief ouders en broers en/of zussen. De behoeften van adolescenten die de overgang naar volwassenheid doormaken, is zeer wisselend. Hierbij is een goede balans tussen zorgbehoefte en drang naar autonomie van groot belang. De transitie vanuit de jeugdpsychiatrie (tot het 18e jaar) naar de volwassen behandelsetting vindt plaats in een zeer kwetsbare fase. Op verschillende levensdomeinen wordt een appel gedaan op de eigen verantwoordelijkheid. Gebrek aan continuïteit van zorg kan ertoe leiden dat juist in deze crisisgevoelige periode geen adequate hulpverlening beschikbaar is. Het is dan ook van belang dat de transitie van de kinder- en jeugdpsychiatrie naar de volwassenenpsychiatrie zorgvuldig en in samenspraak met alle betrokkenen wordt voorbereid opdat de continuïteit van zorg voor de adolescent en het gezin is gewaarborgd (Lindgren e.a., 2014).

 

Overgang van volwassenenpsychiatrie naar ouderenpsychiatrie

De psychiatrische problematiek van de oudere patiënt is complex als gevolg van enerzijds de leeftijdsspecifieke prevalentie van somatische, cognitieve en andere psychiatrische stoornissen en anderzijds de afgenomen functionele mogelijkheden, de veranderde sociale inbedding en de verminderde flexibiliteit. Dit maakt dat oudere psychiatrische patiënten specifieke zorg nodig hebben die het best geleverd kan worden door een team binnen de specialistische GGZ (SGGZ) met specifieke expertise op het gebied van de ouderenpsychiatrie. Hoewel de levens- verwachting nog steeds toeneemt en de pensioengerechtigde leeftijd opschuift, geldt voor psychiatrisch patiënten dat zij in biologische zin eerder oud worden (Rizzo e.a., 2014). De leeftijd waarop een patiënt naar de ouderenpsychiatrie wordt overgedragen, is doorgaans tussen de 60 en 65 jaar. Op indicatie gebeurt dit eerder (bij cognitieve stoornissen en bij multipele somatische comorbiditeit).

 

Dilemma’s binnen de behandeling

Bij de zorgverlening komt men regelmatig voor dilemma’s te staan, vooral in crisissituaties. Zo kan men worden geconfronteerd met verschillen tussen de wensen van de patiënt en die van naasten, die bijvoorbeeld op goede gronden meer problemen signaleren dan de patiënt zelf, met name bij een (dreigende) manische decompensatie. Ook kan het opbouwen en handhaven van een vertrouwensrelatie op gespannen voet staan met de eventuele noodzaak om met drang- en dwangmiddelen in te grijpen. Ook het omgaan met beroepsgeheim kan in acute crisissituaties tot dilemma’s leiden. Daarbij moet men ervan uitgaan dat de behandelaar openstaat voor elke informatie van derden, maar slechts in zeer beperkte mate zelf informatie mag verstrekken aan derden. Een complicerende factor hierbij kan zijn dat de patiënt met een bipolaire stoornis, al naargelang de stemming, hierin wisselende keuzes maakt. De regiebehandelaar is in dergelijke situaties aanspreekpunt voor de patient en naasten. Het is de verantwoordelijkheid van elke behandelaar om op de hoogte te blijven van de regels en wetten voor het medisch beroepsgeheim en gegevensuitwisseling. Op de site www.ggznederland.nl zijn hierover veel handreikingen terug te vinden (www.ggznederland.nl/themas/zorg-en-recht).

Onderbouwing

De richtlijncommissie gaat er vooralsnog van uit dat de meeste zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis geboden zal worden binnen de specialistische ggz (SGGZ). Continuïteit van zorg wordt door patiënten en naasten als belangrijk ervaren. Er dient daarom tijdens zowel ambulante als klinische behandeling een eenduidig behandelbeleid gevoerd te worden. Het heeft daarbij ook de voorkeur om te streven naar continuïteit van behandelaars.

 

Hoewel de wetenschappelijke onderbouwing voor de invloed van bipolair-specifieke zorg op kwaliteit van leven en maatschappelijke kosten vooralsnog beperkt onderzocht is, wijzen meerdere studies op het belang van tijdige diagnostiek en optimale behandeling. Op basis van de beschikbare literatuur kan worden geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat specialistische zorg voor mensen met een bipolaire stoornis leidt tot betere behandeluitkomsten en gunstiger kostenefficiëntie. Behandeling in de in stemmingsstoornissen gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg kan voordelen bieden ten opzichte van een standaard poliklinische behandeling.

Zo concludeerden twee systematische reviews dat de (gemiddeld lagere) kwaliteit van leven bij mensen met een bipolaire stoornis samenhing met onder andere het aantal doorgemaakte episodes en met comorbiditeit, terwijl een langer durende stabiliteit juist samenhing met een betere kwaliteit van leven (Dean et al, 2004; Pascual-Sánchez et al, 2019).

In aanvulling op bovenstaande lieten meerdere studies zien dat tijdige en effectieve behandeling volgens  een stoornis-specifieke richtlijn samenhing met lagere heropnamepercentages, meer stabiliteit en een betere kwaliteit van leven (Gomes et al, 2023; Ratheesh et al, 2023; Renes et al, 2021).

 

Deze wetenschappelijke bevindingen onderstrepen het belang van een organisatie van zorg waarbij adequate en tijdige diagnostiek wordt geborgd, zodat vervolgens een adequate behandeling aangeboden kan worden. Dit vormt een uitdaging vanwege de lage prevalentie van de bipolaire stoornis, de heterogene manifestaties van de bipolaire stoornis en de wachtlijstproblematiek. Het regionaal organiseren van laagdrempelig beschikbare expertise, richtlijnconform werken (zie ook regionale expertteams) en het blijvend evalueren en optimaliseren van (ook langdurige) behandeltrajecten zijn cruciaal om zowel de kwaliteit van leven te verbeteren, als vermijdbare zorgkosten te beperken. 

  1. Dean BB, Gerner D, Gerner RH. A systematic review evaluating health-related quality of life, work impairment, and healthcare costs and utilization in bipolar disorder. Curr Med Res Opin. 2004;20(2):139-54. doi: 10.1185/030079903125002801. PMID: 15006007.
  2. Pascual-Sánchez A, Jenaro C, Montes-Rodríguez JM. Quality of life in euthymic bipolar patients: A systematic review and meta-analysis. J Affect Disord. 2019 Aug 1;255:105-115. doi: 10.1016/j.jad.2019.05.032. Epub 2019 May 21. PMID: 31150940.Referenties
  3. Gomes FA, Dumay H, Fagen J, Palma N, Milev R, Brietzke E. Does the Ranking Matter? A Retrospective Cohort Study Investigating the Impact of the 2018 CANMAT and ISBD Guidelines for the Management of Patients with Bipolar Disorder Treatment Recommendations for Acute Mania on Rehospitalization Rates. Can J Psychiatry. 2023 Aug;68(8):605-612. doi: 10.1177/07067437231156235. Epub 2023 Feb 21. PMID: 37551100; PMCID: PMC10411363.
  4. Ratheesh A, Hett D, Ramain J, Wong E, Berk L, Conus P, Fristad MA, Goldstein T, Hillegers M, Jauhar S, Kessing LV, Miklowitz DJ, Murray G, Scott J, Tohen M, Yatham LN, Young AH, Berk M, Marwaha S. A systematic review of interventions in the early course of bipolar disorder I or II: a report of the International Society for Bipolar Disorders Taskforce on early intervention. Int J Bipolar Disord. 2023 Jan 3;11(1):1. doi: 10.1186/s40345-022-00275-3. PMID: 36595095; PMCID: PMC9810772
  5. Renes JW, Maciejewski DF, Regeer EJ, Hoogendoorn AW, Nolen WA, Kupka RW. Guideline concordance and outcome in long-term naturalistic treatment of bipolar disorder - a one-year longitudinal study using latent change models. J Affect Disord. 2021 Mar 15;283:395-401.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 24-03-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 24-03-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Plusminus

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen, op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Het is een multidisciplinaire richtlijn die aanwijzingen geeft voor screening, diagnostiek en behandeling van bipolaire stoornissen. De ontwikkeling is gefinancierd vanuit het gealloceerde budget van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Methodologisch en organisatorisch is de richtlijnontwikkeling ondersteund door het Trimbos-instituut.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. De richtlijn geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de screening, diagnostiek en behandeling van zowel kinderen als adolescenten, volwassenen en ouderen met een bipolaire stoornis. De aanbevelingen zijn bedoeld ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor deze patiënten. De richtlijn geeft een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen in lijn met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek naar bipolaire stoornissen.

De multidisciplinaire ontwikkelprocedure is bedoeld om de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk te bevorderen. Daarnaast kan deze richtlijn vertaald worden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn is dan te beschouwen als een moederrichtlijn voor de richtlijnen van die beroepsgroepen, waarin men aanknopingspunten kan vinden voor lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze richtlijn wordt door de richtlijnwerkgroep aangemoedigd, aangezien de implementatie van de in deze richtlijn beschreven behandeling optimale zorg kan bevorderen.

Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt met een bipolaire stoornis, kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar hem of haar kunnen schaden, dan wel geen nut hebben. In alle gevallen komt een behandeling tot stand op basis van gezamenlijke besluitvorming door de optimaal geïnformeerde patiënt, naaste en behandelaar(s).

 

Afbakening

Deze richtlijn betreft de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten (12 tot 23 jaar), volwassenen en ouderen (60 jaar of ouder) bij wie er sprake is van (of er een vermoeden is van) een bipolaire stemmingsstoornis. In de richtlijn is gezocht naar oorspronkelijke onderzoeken zonder begindatum, en tot en met november 2024. In sommige gevallen zijn gepubliceerde aanvullende reviews van recenter datum geraadpleegd. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen.

 

Doelgroep

De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van de richtlijn zijn doorgaans allen professioneel betrokken bij de zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis of voor patiënten bij wie men die aandoening vermoedt.

In de werkgroep waren ook patiënten- en familieverenigingen vertegenwoordigd, waarmee het perspectief van de patiënten met een bipolaire stoornis en hun naasten in de richtlijn een plaats heeft gekregen. Daardoor kunnen ook niet-professionele zorgverleners en/of belangenverenigingen tot de gebruikers van de richtlijn kan behoren.

Samenstelling werkgroep

De Multidisciplinaire richtlijn bipolaire stoornissen is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen bij volwassenen, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijnwerkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Ralph Kupka, emeritus hoogleraar bipolaire stoornissen, bestond uit psychiaters, psychologen, verpleegkundig specialisten, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen, allen door de (beroeps)verenigingen uitgenodigd en op persoonlijke titel aan het project verbonden.

Voorafgaande aan het ontwikkeltraject zijn kennismakingsgesprekken gevoerd met kandidaat-leden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden zijn de huidige werkgroepleden geselecteerd. Naast de richtlijnwerkgroep is een aantal experts benaderd om adviseur te worden. Deze adviseurs konden op individuele basis worden gevraagd om op verzoek van een werkgroeplid mee te denken over een specifieke uitgangsvraag. De richtlijnwerkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technische team van het Trimbos-instituut. Dit technische team bestond uit een projectleider, twee literatuur reviewers, een informatiespecialist, en een project assistent. De tabellen Leden werkgroep, Leden adviesgroep en Methodologische ondersteuning geven een overzicht van de samenstelling van de richtlijnwerkgroep, de klankbordgroep en het ondersteunende technische team.

 

Leden Werkgroep

 

Naam

Organisatie

Beroepsvereniging

1.

Prof. dr. Ralph Kupka (voorzitter)

Amsterdam UMC; Altrecht; GGZ inGeest; Dimence

Psychiater, NVvP

2.

dr. Manja Koenders (vicevoorzitter)

Leiden University Faculty of Social Sciences

Psycholoog, NIP

3.

Prof. dr. Manon Hillegers

afd. K&J Psychiatrie Erasmus MC

Psychiater, NVvP

3.

dr. Annemieke Dols

UMC Utrecht

Psychiater, NVvP

4.

dr. Imke Hanssen

Radboud Universiteit Nijmegen

Psycholoog, NIP

5.

dr. Bart Geerling

Dimence

verpleegkundig specialist, V&VN

6.

drs. Henk Mathijssen

Plusminus

Plusminus

7.

Elisabeth Bakker-Timmerman

Plusminus, KenBiS

Plusminus

 

Leden adviesgroep

 

Naam

Organisatie

Beroep

1.

prof. dr. Marc Vervloet*

Radboud UMC

Hoogleraar nefrologie

2.

Dr. Miranda Kurver

NHG

Huisarts en senior wetenschappelijk medewerker richtlijnontwikkeling

3.

dr. Ingeborg Wilting

UMC Utrecht

klinisch farmacoloog

4.

dr. Benno Haarman

UMC Groningen

Psychiater

5.

dr. Rob Havermans

Mondriaan, PsyQ

Psychiater

6.

dr. Debbie Zittema

GGZ Ingeest

Psychiater en klinisch farmacoloog

7.

Bianca van Nieuwendijk

GGZ Ingeest

Verpleegkundig specialist

8.

Mischa van Bendegem

Mediant

Verpleegkundig specialist

9.

Dr. Bram Dierckx

Erasmus MC

Psychiater

10.

Dr. Esther Mesman

Erasmus MC

GZ-psycholoog

11.

Dr. Max de Leeuw

LUMC

Psychiater

12.

Dolf Snel

 

Naastenperspectief

13.

Suzanne Demacker

Altrecht

GZ-psycholoog

14.

Dr. Melis Orhan

Universiteit Leiden

GZ-psycholoog

15.

Theo Hoedemaker

Plusminus

Naastenperspectief

16.

JRP van der Veen

Plusminus

ervaringsdeskundige

17.

Bernadette Wigchert

Plusminus

ervaringsdeskundige

18.

Mirthe Knot-Ploeg

Plusminus

ervaringsdeskundige

*Marc Vervloet is namens de NIV gemandateerd om advies te verlenen op module 9 Somatische Aspecten.

 

Methodologische ondersteuning

Naam

Ondersteuning

Eva Becking

Projectleider, Trimbos-instituut

Anne van Jaarsveld

Reviewer, Trimbos-instituut

Matthijs Oud

Reviewer, Trimbos-instituut

Rikie Deurenberg

Informatiespecialist, namens Trimbos-instituut

Joyce Huls           

Projectassistent, Trimbos-instituut

 

In totaal kwam de Werkgroep Bipolaire Stoornissen voorafgaand aan de commentaarfase acht keer bijeen in de periode van januari 2024 tot maart 2025. In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. De informatiespecialist verrichtte in overleg met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek en de reviewers maakten per uitgangsvraag een selectie in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de zoekstrategie en de selectiecriteria: het reviewprotocol). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze per uitgangsvraag in evidentie-tabellen, GRADE-profielen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies (per module beschreven onder “Onderbouwing”). Leden van de Werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen (per module beschreven onder “Overwegingen”) en aanbevelingen (per module beschreven onder “Aanbevelingen”). De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, welke ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren worden verwerkt in een commentaartabel, die tijdens een werkgroep bijeenkomst wordt besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen wordt de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden.

Belangenverklaringen

Naam werkgroeplid

Functie

Nevenwerkzaamheden

Belangen

Ralph Kupka

Hoogleraar Bipolaire stoornissen

Psychiater

Bestuurslid Akwa-GGZ

Voorzitter bestuur KenBis

Bestuurslid ISBD

nvt

Manja Koenders

GZ-psycholoog i.o. specialist

Universitair docent

Docent Rino-groep

Zzp supervisor

nvt

Manon Hillegers

Hoogleraar en afdelingshoofd kinder/jeugd psychiatrie

Bestuurslid BOPP-west

ESCAP bestuurslid

ISBD taskforce member

nvt

Annemieke Dols

Psychiater

Onderwijs en nascholing faciliteren

nvt

Bart Geerling

Verpleegkundig specialist/hoofd

Onderzoeker

Voorzitter herziening zorgstandaard

nvt

Imke Hanssen

Psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog

Post-doc onderzoeker

Lid wetenschapscommissie Vereniging voor Mindfulness-Based Trainers Nederland

Bestuurslid van de sectie Mindfulness-Based Cognitieve GedragsTherapie (MB-CGT) van de Vereniging voor Cognitieve Gedragstherapieën (VGCt)

nvt

Henk Matthijsen

Voorzitter Plusminus

Lid RvT GGZ Transparant

nvt

Elisabeth Bakker Timmerman

Lid Plusminus

Gepensioneerd ergotherapeut

Bestuurslid KenBis

Lid familieraad Parnassia

 

nvt

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

EBRO-methode voor wetenschappelijke onderbouwing

Deze multidisciplinaire richtlijn is herzien volgens de methodiek van evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Hierbij werd de GRADE-methodiek toegepast. Er zijn ook hoofdstukken overgenomen vanuit de vorige versie van de MDR Bipolaire stoornis (2015). Hierin zijn conclusies gebaseerd op de ‘levels of evidence’ (voor informatie over deze werkwijze, raadpleeg de verantwoording van de betreffende hoofdstukken).

 

GRADE-methodiek

Sinds de introductie van de GRADE-methodiek in 2004 werd dit wereldwijd al snel de methode van voorkeur om wetenschappelijk bewijs te graderen ten behoeve van richtlijnontwikkeling (Guyatt et al., 2008), inclusief deze richtlijn. De GRADE-methodiek gaat er van uit dat de zekerheid van het wetenschappelijk bewijs uit randomized controlled trials (RCT’s) in beginsel hoog is vanwege de, mits goed uitgevoerd, kleine kans op vertekening (bias). In geval van observationele (niet gerandomiseerde) studies is de uitgangspositie van de zekerheid van bewijs laag. De zekerheid van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1.1). Bij observationeel onderzoek kan het bewijs in bepaalde gevallen omhoog worden gegradeerd.

 

 

Tabel 1.1 GRADE: Factoren voor downgraden en upgraden 1

We downgraden de zekerheid van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij:

We upgraden de zekerheid van bewijs van observationele studies bij:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet of uitvoering (study limitations): hierbij gaat het om de methodologische kwaliteit. Voorbeelden zijn dat de randomisatie-procedure niet optimaal was, dat beoordelaars van subjectieve uitkomsten niet geblindeerd waren, dat er selectief is gerapporteerd over de uitkomsten en dat er veel uitvallers waren.
  1. Een groot effect (large magnitude of effect): hiervan is sprake als er in de resultaten een groot effect of een sterk bewijs van associatie gevonden wordt. Dit kan tot uitdrukking komen in de hoogte van het relatieve risico (RR).

 

  1. Inconsistentie van de resultaten (inconsistency): hierbij gaat het om heterogeniteit van de resultaten van verschillende studies. Er kunnen beperkingen zijn als er een grote variatie is in de schattingen van het effect van een behandeling of als er nauwelijks overlap is tussen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen (BI’s).
  1. Mogelijke confounders die het ‘ware’ effect verminderd hebben (plausible confounding): hiervan kan sprake zijn als er een achterliggende variabele is, zoals de ernst van de aandoening van de patiënten die met het onderzoek meedoen, die van invloed is op het effect van de interventie.
  1. Indirect bewijs (indirectness): er worden twee soorten indirect bewijs onderscheiden. Enerzijds gaat het om indirecte vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer er alleen interventies met een placebo worden vergeleken en geen interventies met elkaar worden vergeleken. Anderzijds gaat het om verschillen in patiëntenpopulatie, inhoud van de interventie of keuze van de uitkomstmaten tussen de beschikbare studies en de uitgangsvraag die in de richtlijn of richtlijn wordt gesteld.
  1. Bewijs van een verband tussen de dosering en de repons (dose-response gradient): hiervan kan sprake zijn als een stijgende dosering van een bepaald medicijn meer effect geeft.

 

  1. Onnauwkeurigheid van de resultaten (imprecision): hierbij gaat het om de onzekerheid van de uitkomst, bijvoorbeeld als de 95%-BI’s heel breed zijn vanwege kleine patiënten aantallen.

 

  1. Kans op selectieve publicatie (publication bias) van onderzoeken of uitkomstmaten. Een voorbeeld van een beperking is wanneer niet alle studies gepubliceerd worden, bijvoorbeeld kleine studies die geen effecten ten gunste van de interventie konden aantonen.

 

1 De zekerheid van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandelinBij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijs ten aanzien van bovenstaande factoren werd uitgegaan van ‘Grade guidelines’, zoals ook te raadplegen in het ‘Grade handbook’ (Guyatt et al., 2013; Handbook for grading the quality of evidence and the strength of recommendations using the GRADE approach).

 

Legenda GRADE

Na vaststelling van het niveau van bewijs wordt dit in de bijbehorende conclusies als volgt verwoord:

Zekerheid

Symbolen

 

Signaalwoorden

Hoog

⊕⊕⊕⊕

“Het is aangetoond dat…”

geeft, heeft (een effect), resulteert in

Redelijk

⊕⊕⊕◯

“Het is aannemelijk...”

waarschijnlijk

Laag

⊕⊕◯◯

“Er zijn aanwijzingen…”

zou kunnen, lijkt, suggereert

Zeer laag

⊕◯◯◯

“Het is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat…”

onzeker

Van bewijs naar aanbevelingen: Overwegingen

Naast het wetenschappelijk bewijs bepalen enkele andere factoren mede of een instrument of behandeling wordt aanbevolen. In de teksten van de vorige richtlijn-versies werd dit onder “Overige Overwegingen” beschreven.

 

Mee te wegen factoren om te bepalen of een instrument of behandeling wordt aanbevolen:

1. Kwaliteit van bewijs

Hoe hoger de algehele kwaliteit van het bewijs, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Hoe groter het verschil is tussen de gewenste en ongewenste effecten, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Hoe kleiner dit verschil of hoe meer onzekerheid over de grootte van het verschil, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • Bespreken effectiviteit in relatie tot bijwerkingen en complicaties in het licht van de kwaliteit van bewijs, de precisie van de effectgrootte en minimaal klinisch relevant geacht voordeel;
  • Sterkte van het effect vergeleken met geen interventie;
  • Aanwezigheid van comorbiditeit;
  • Klinisch niet relevantie van het effect.

 3. Patiëntenperspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van patiënten bij het afwegen van de voor- en nadelen van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

4. Professioneel perspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van professionals ten aanzien van de toepasbaarheid van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

Toelichting:

  • Kennis en ervaring met technieken/therapieën;
  • Risico’s die professional loopt bij het toepassen van de interventie;
  • Verwachte tijdbesparing;
  • Verlies aan tijd door het invoeren van de interventie.

5. Middelenbeslag

Hoe minder middelen er worden gebruikt (m.a.w. hoe lager de kosten van een interventie zijn vergeleken met de beschouwde alternatieven en andere kosten gerelateerd aan de interventie), des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke aanbeveling. Hoe meer onzekerheid over het middelenbeslag, des te waarschijnlijker wordt een conditionele aanbeveling.

6. Organisatie van zorg

Hoe meer onzekerheid of de geëvalueerde interventie daadwerkelijk op landelijke schaal toepasbaar is, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • De beschikbaarheid/aanwezigheid van faciliteiten & medicijnen;
  • De wijze waarop de organisatie van de zorg aangeboden dient te worden/grootte van de verandering in de organisatie-zorgproces / infrastructuur voor implementatie;
  • Voorbeeld: een bepaalde diagnostiek of behandeling kan alleen in bepaalde centra worden uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van faciliteiten zoals een PET-scan.

Formulering van aanbevelingen

Afhankelijk van deze factoren kun je een instrument of behandeling wel of niet aanbevelen. We maken daarbij onderscheid tussen zwakke en sterke aanbevelingen. In het geval van een sterke aanbeveling zou je behandeling X voor alle patiënten met Y willen aanbevelen. Bij een zwakke aanbeveling is dit bijvoorbeeld afhankelijk van de voorkeuren van de patiënt in kwestie. Het is belangrijk in deze sectie expliciet te vermelden op grond waarvan een behandeling wel of niet wordt aanbevolen en ook waarom die aanbeveling zwak of sterk zou moeten zijn.

 

Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 1.2):

 

Tabel 1.2 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen

Gradering aanbeveling

Betekenis

Voorkeursformulering*

STERK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] aan.

ZWAK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

ZWAK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

STERK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] niet aan.

*      Het gaat hier om voorkeursaanbevelingen, deze kunnen in een enkel geval afwijken. Voor bepaalde hoofdstukken is GRADE niet toegepast (bijv. Organisatie van zorg) daar zijn uit praktisch oogpunt ook de aanbevelingen niet volgens GRADE.

 

Zoekstrategie

Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden, is door de informatiespecialist en reviewers van het Trimbos-instituut, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar meta-analyses, systematische reviews en oorspronkelijke onderzoeken. In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van Medline en Psychological Information Database (Psycinfo).

 

Selectiestrategie

Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:

  • Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze paragraaf);
  • Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de richtlijn;
  • Is er sprake van een meta-analyse, systematic-review, randomised controlled trial (RCT), cohort onderzoek, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;
  • Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per hoofdstuk en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per hoofdstuk.

Leeswijzer

Met kinderen en adolescenten bedoelen we kinderen van 8 tot 12 jaar en adolescenten van 12 tot 18 jaar. Met jongvolwassenen bedoelen we volwassenen van 18 tot 25 jaar. Met volwassenen bedoelen we mensen van 25 tot 60 jaar. Met ouderen bedoelen we oudere volwassenen van 60 jaar en ouder.

Zoekverantwoording

Er is een niet-systematische literatuursearch uitgevoerd voor deze uitgangsvraag.

Volgende:
Screening & diagnostiek bipolaire stoornissen