Bipolaire stoornissen

Initiatief: NVvP psychiatrie Aantal modules: 58

Farmacotherapie in de onderhoudsbehandeling bij jeugdigen

Publicatiedatum: 24-03-2026
Beoordeeld op geldigheid: 24-03-2026

Uitgangsvraag

Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van farmacologische interventies voor onderhoudsbehandeling bij jeugdigen (0 tot 23 jaar) met een bipolaire stoornis?

Aanbeveling

Zie ook beslisboom 11.3: Farmacotherapie onderhoudsbehandeling bij jeugdigen.

 

Bipolaire stoornissen kunnen zich op elke leeftijd voordoen, maar manifesteren zich meestal voor het eerst in de adolescentie en jonge volwassenheid, tussen 15 en 25 jaar. De aanwezigheid van de stoornis vóór de puberteit blijft controversieel. Over het algemeen zijn er drie fasen waarin bipolaire stoornissen beginnen: early onset (gemiddeld 17 jaar, 45%), mid onset (gemiddeld 26 jaar, 35%) en late onset (gemiddeld 41 jaar, 20%). Bij kinderen (0-12 jaar) is bipolaire stoornis een omstreden diagnose, gezien de atypische symptomen en de uitdaging om deze te onderscheiden van andere kinderstoornissen. Daarentegen wordt de stoornis bij adolescenten als een valide concept beschouwd, met een klinisch beeld dat grotendeels overeenkomt met dat van volwassenen.

 

Voortgezette en onderhoudsbehandeling

Lithium heeft de voorkeur in de voortgezette en onderhoudsbehandeling bij adolescenten. Op basis van het ongunstige bijwerkingenprofiel (sedatie, metabole veranderingen en gewichtstoename) van antipsychotica wordt aanbevolen om deze (indien mogelijk) maximaal 3 maanden in een zo laag mogelijke dosering voort te zetten na de fase van de acute manie. Zodra mogelijk wordt al tijdens de acute fase met een stemmingsstabilisator (bij voorkeur lithium) gestart en het antipsychoticum op geleide van het beeld afgebouwd. De aanbevelingen voor onderhoudsbehandeling bij volwassenen kunnen ook bij jeugdigen gebruikt worden, rekening houdend met de specifieke verschillen in dosering en bijwerkingen (zie tabel 1 in de hoofdmodule, het Farmacotherapeutisch Kompas, en het Kinderformularium: www.kinderformularium.nl). Schrijf valproïnezuur en carbamazepine niet voor bij meisjes en jonge vrouwen die zwanger kunnen worden vanwege verminderde vruchtbaarheid en de teratogeniteit. Tenzij na overweging van andere behandelopties (zoals besproken samen met de patiënt en naaste) het voordeel groter is dan de risico's; dan is effectieve anticonceptie een voorwaarde.

 

Ook bij jonge mannen wordt het voorschrijven van valproïnezuur afgeraden vanwege het verhoogd risico op verminderde vruchtbaarheid en op neurologische ontwikkelingsstoornissen bij eventuele kinderen. Naast farmacotherapie dient ook individuele en gezinsbegeleiding onderdeel uit te maken van de alle fasen van de behandeling (acuut, voortgezet en onderhoudsbehandeling) voor de bipolaire stoornis bij jeugdigen. Met uitzondering van lithium en aripiprazol (vanaf 13 jaar) is medicatie met de indicatie bipolaire stoornis in Nederland alleen off-label verkrijgbaar voor kinderen en adolescenten. De medicatie kan wel worden voorgeschreven: er moet dan erbij worden vermeld dat het voorschrift off-label is (zie tabel 1 in de inleiding van de hoofdmodule; zie ook het Farmacotherapeutisch Kompas, en het Kinderformularium: www.kinderformularium.nl).

 

Overwegingen

Adolescenten zijn in vergelijking met volwassenen zeer gevoelig voor de metabole en extrapiramidale bijwerkingen van antipsychotica (Correll, 2011; De Hert e.a., 2011).
Vooral gewichtstoename en sedatie zijn vaak optredende bijwerkingen bij adolescenten. De lange termijn effecten van medicatie zijn bij adolescenten nog niet goed onderzocht.

Medicamenteuze behandeling van ADHD kan naast de medicamenteuze behandeling voor de bipolaire stoornis plaatsvinden. Hierbij is van belang dat er eerst goede diagnostiek wordt verricht en dit pas na medicamenteuze stabilisatie van de bipolaire stoornis wordt geïnitieerd. Methylfenidaat en andere stimulantia kunnen bij jeugdigen met een familiaire belasting voor bipolaire stoornissen een manische episode luxeren, en enige terughoudendheid bij het voorschrijven hiervan in deze specifieke hoog risicogroep valt daarom te overwegen. Indien toch voor medicamenteuze behandeling van ADHD wordt gekozen, wordt aanbevolen om in de eerste maanden de stemming en het slaappatroon zorgvuldige te monitoren.

Kwaliteit van het bewijs

De kwaliteit van het bewijs is laag tot zeer laag. Het wetenschappelijke bewijs over behandeling van aan bipolaire stoornis bij jeugdigen is gering. Er zijn slechts enkele RCTs opgenomen in recente (netwerk) meta-analyses. Er werd met name afgewaardeerd wegens onnauwkeurigheid (kleine patiënten populaties) en mogelijke reporting bias (risico op belangenverstrengeling vanuit de industrie) en informatie bias (risico door studies met kinderen < 12 jaar waarbij de diagnose bipolaire stoornis onwaarschijnlijk is).  Er kan geconcludeerd worden dat bij de acute (gemengde) manie bij jeugdigen antipsychotica het meest effectief zijn. Er is op basis van de meta-analyse geen duidelijke voorkeur voor een specifiek antipsychoticum, echter een afweging op basis van het bijwerkingenprofiel en aanwezige comorbiditeit wordt aanbevolen. In het algemeen kunnen de aanbevelingen voor volwassenen gevolgd worden. Er zijn echter onvoldoende studies naar de voortgezette en onderhoudsbehandeling bij jeugdigen, waardoor het extrapoleren van onderzoeken uit volwassen populaties met bipolaire stoornissen noodzakelijk blijft.

 

Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Gewenste effecten: Meerdere farmacologische interventies (antipsychotica, lithium, anti-epileptica, antidepressiva) leveren mogelijk een bijdrage aan de behandeling van een bipolaire stoornis, in de verschillende stadia. Zo blijkt de medicatie effectief te zijn tegen manische en depressieve symptomen en in het tegengaan van nieuwe episoden.

 

Ongewenste effecten: Gebruik van de farmacologische interventies gaat echter niet zonder bijwerkingen. Gewichtstoename en misselijkheid zijn veelvoorkomende bijwerkingen. Ook komt stopzetting van de interventie vanwege bijwerkingen voor, en vinden er veel drop-outs plaats. Aripiprazol blijkt het meest intolerant, hoewel wel effectief.

 

Patiëntenperspectief

  • Jeugdigen die opgroeien in een gezin met een ouder met een bipolaire stoornis, zijn zich in wisselende mate bewust van hun eigen kwetsbaarheid voor stemmingsproblematiek.  Zorgvuldigheid in de diagnostiek waarbij impact van omgevingsfactoren en ontwikkelingsfase van de jeugdige voldoende meegewogen worden is van belang. Het evenwicht tussen proces diagnostiek, monitoring en behandeling van milde klachten binnen de context van continuïteit van de behandelrelatie is essentieel.
  • Jeugdigen die voor het eerst worden geconfronteerd met een diagnose bipolaire stoornis hebben vaak al een langere periode van psychische klachten en problemen achter de rug, waarvoor mogelijk ook al een meer of minder intensieve (gezins-) behandeling is geweest.
  • Zeker bij een eerste episode, meestal een depressie, is het niet altijd duidelijk wat het verdere beloop en de prognose op langere termijn zal zijn.
  • Ook de behandeling (medicamenteus, psychotherapeutisch, systemisch) is afhankelijk van het profiel van de jeugdige en ernst van de klachten.
  • Het leven van jeugdigen speelt zich grotendeels af op school en bij vrienden. Betrek in overleg met de jeugdige de mentor en vrienden bij het maken van een signaleringsplan.
  • Daarnaast is het voor jeugdigen (en hun ouders) niet gemakkelijk om de stemmingswisselingen die horen bij puberteit en adolescentie te onderscheiden van de uitingen van een bipolaire stoornis. Dit kan invloed hebben op de ontwikkeling van het zelfbeeld, wat juist in deze ontwikkelingsfase belangrijk is, evenals het streven naar autonomie, wat gepaard gaat met het zich afzetten tegen autoriteiten zoals behandelaars, school en ouders.
  • Dat er medicijnen nodig kunnen zijn om het emotionele evenwicht te bewaren kan vragen en weerstand oproepen, nog afgezien van eventuele (zichtbare) bijwerkingen.
  • Er is extra aandacht nodig bij jeugdigen op het gebied van leefstijl advies jeugdigen. Blijf hierover met elkaar in gesprek, met name ten aanzien van slaap ritme en alcohol en ander middelen gebruik.

Naastenperspectief (zie ook hoofdstuk Psychologische en psychosociale interventies)

  • Jeugdigen groeien op in een gezinsstructuur, waarbij er aandacht is voor de naasten vanuit diverse vormen ( 1 -2 ouders gezin, co-ouderschap, samengesteld gezin, eventueel ook een aangedane ouder) en de impact daarvan op de patiënt.
  • Tijdens de adolescentie staat de identiteitsontwikkeling en behoefte aan autonomie centraal. Naasten/ouders hebben zorgen om de jeugdige patiënt waardoor het lastig is om een onderscheid te kunnen maken tussen typische adolescentie gedragingen, uitingen van stemmingsontregeling en de behoefte van de jeugdige om verantwoordelijkheid te nemen voor eigen leven. Daarbij hoort bijvoorbeeld uitgaan en een verstoring van slaapritme en ook het leren omgaan met alcohol gebruik en nee zeggen.
  • Voor naasten/ouders is het moeilijk een balans te vinden in het beschermen, coachen en loslaten van je kind met een bipolaire stoornis. Tijdens de levensfase van de jeugdige is het van belang dat ouders hun kind fouten laten maken, maar nu kan dat (ernstige) ontregeling tot gevolg hebben. Hierin kan lotgenoten contact en samenwerking met de ouders/verzorgers en vrienden een belangrijke rol spelen.
  • Naasten kunnen in een conflict van belangen terecht komen als zij tegen de wens van de manische jeugdige patiënt om professionele hulp willen vragen. Dit kan ook voorkomen in een lopende behandeling bij een dreigende manische ontregeling. Het wordt aanbevolen om een dergelijke situatie al in het begin van de behandeling met de patiënt en naasten te bespreken en daarover afspraken te maken en deze vast te leggen in het crisissignaleringsplan.
  • Tijdens alle fasen van de behandeling dienen naasten/ouders bij de behandeling betrokken te worden. Ouderbegeleiding, een gezin diagnostisch onderzoek en een systemische visie is onderdeel van de behandeling en met name van belang als ook een van de ouders een bipolaire stoornis heeft.  Naasten krijgen dit aangeboden, maar worden daarbij aangemoedigd om desgewenst ook zelf hiertoe het initiatief te nemen.
  • Naasten (ouders, broers, zussen en vrienden) hebben zeker in de thuissituatie goed zicht op de toestand van de jeugdige patiënt en zijn vaak de eerste die een beginnende manische of depressieve decompensatie zien aankomen; hun beoordeling daarvan dient mee te wegen in het te voeren beleid.
  • Het is van belang dat naasten hun primaire rol als ouder, broer/zus, familielid, vriend(in), etc. altijd vooropstellen, naast hun tijdelijk rol als mantelzorger, signaalpersoon en partner in de behandeling.
  • Naasten nemen bij voorkeur samen met de patiënt deel aan (groeps-)psycho-educatie.

Professioneel Perspectief

  • De behandelstrategie bij jeugdigen (12-23 jaar) met een bipolaire stoornis bestaat uit farmacotherapie, op indicatie individuele therapie en/of ouderbegeleiding en psycho-educatie voor de adolescent en naasten zoals ouders/verzorgers en broers en zussen.
  • Belangrijke elementen bij psycho-educatie zijn het opstellen van een signaleringsplan, therapietrouw, vermindering van stress, een regelmatig slaappatroon, aanpassingen op school en het vermijden van alcohol en drugs.
  • Ook is na een eerste stabilisatie van de stemming psychotherapie en ouderbegeleiding of systeemondersteuning geïndiceerd, mede ter preventie van volgende episoden.
  • Kennis en ervaring met jongeren met een bipolaire stoornis en hun ouders/naasten is van belang voor de professional.
  • Tevens is de samenwerking in een multidisciplinair team waarin er aandacht is voor de bovengenoemde aspecten, maar ook continuïteit van zorg kan worden geboden in persoon en ten aanzien van setting voor de verschillende fasen van de aandoening.
  • Intervisie en onderlinge support bij ernstige problematiek zijn van belang gezien de belasting voor de professional. Zoals bij beslissingen die soms tegen de wil van de jeugdige patiënt worden genomen.

Middelenbeslag

  • Behandeling van de jeugdige met een bipolaire stoornis dient plaats te vinden in de hoog specialistische GGZ.
  • Bij de behandeling van een jeugdige patiënt met een bipolaire stoornis is het niet zinvol om de kosten van de medicatie bij de keuze te betrekken, ook omdat er geen grote prijsverschillen zijn.
  • Het is van belang de jeugdige zo optimaal mogelijk te behandelen, aangezien de jonge beginleeftijd vaak gepaard gaat met een ernstig toestandsbeeld en noodzaak tot langdurige behandeling.
  • De prognose van de bipolaire stoornis wordt negatief beïnvloedt door het aantal ziekte episoden en dus is het van belang snel en optimaal te behandelen en te investeren in psych educatie en een werkrelatie die medicatie en behandel trouw bevordert.
  • Investeren in effectieve behandeling met daardoor stemmingsstabiliteit voor de jeugdige is van groot belang en kosteneffectief gezien de impact van ontregeling op school uitval en uiteindelijke maatschappelijk functioneren.
  • Tijdens een opname weegt de ernst van de symptomen en de relatief korte duur van de behandeling de effectiviteit in deze fase zwaarder dan de directe kosten. Bij een eventuele opname worden de kosten vooral bepaald door de duur van de opname.

Organisatie van zorg

  • Sinds 2025 is de financiering van de jeugd GGZ in de jeugdwet geregeld en valt niet meer onder de ziektekostenverzekering.
  • De jeugd GGZ en de volwassen GGZ sluiten daardoor organisatorisch niet meer vanzelfsprekend op elkaar aan, hetgeen de transitie lastig maakt.
  • De transitie vanuit de jeugdpsychiatrie naar de volwassen behandelsetting vindt plaats in een zeer kwetsbare fase; op verschillende levensdomeinen wordt een appèl gedaan op de eigen verantwoordelijkheid.
  • Gebrek aan continuïteit van zorg kan ertoe leiden dat juist in deze crisisgevoelige periode geen adequate hulpverlening aanwezig is en de jeugdige patiënt buiten beeld raakt.
  • Het is van belang dat de transitie van de kinder- en jeugdpsychiatrie naar de volwassenenpsychiatrie zorgvuldig en in samenspraak met alle betrokkenen tijdig wordt voorbereid opdat continuïteit van zorg voor de adolescent en zijn gezin is gewaarborgd.

Onderbouwing

Bipolaire stoornissen kunnen zich op elke leeftijd manifesteren, maar beginnen het vaakst tijdens de adolescentie en de jongvolwassenheid, tussen het 15e en 25e levensjaar. Het klinisch beeld van een bipolaire stoornis op de adolescentenleeftijd is vergelijkbaar met dat op de volwassenleeftijd, waarbij echter de leeftijdsspecifieke uitingen van ontremming, risicovol gedrag en agitatie soms niet worden herkend als een manisch beeld. Hierbij speelt mee dat tijdens de adolescentiefase deze gedragsuitingen ook als typisch puberteit gedrag worden beschouwd. Daarnaast wordt vaak de eerste (milde) depressieve episode gemist en wordt dus de (hypo)mane symptomen geïsoleerd vanuit het gedragsaspect beoordeeld.

 

De behandelstrategie bij adolescenten (12-23 jaar) met een bipolaire stoornis bestaat uit farmacotherapie, op indicatie individuele therapie en/of ouderbegeleiding en psycho-educatie voor de adolescent en naasten zoals ouders/verzorgers en broers en zussen. Afhankelijk van de fase (acute-, voortgezette- of onderhoudsbehandeling) is er zowel farmacologisch als psychologisch/systemisch een andere behandeling nodig.

⨁◯◯◯

Aripiprazol en lamotrigine + AP/MS als onderhoudsbehandeling hebben mogelijk een hogere respons en lagere kans op een nieuwe episode bij jeugdigen met een bipolaire stoornis, maar de wetenschappelijke evidentie is onzeker.

Yee 2019

Farmacotherapie voor onderhoudsbehandeling - Yee (2019)

In een systematische review met meta-analyse onderzochten Yee en collega’s (Yee et al., 2019) de effectiviteit van lange termijn behandelingen bij jeugdigen met een bipolaire stoornis. Er werden 13 artikelen geïncludeerd, waarvan drie RCTs. In deze wetenschappelijke onderbouwing worden enkel de RCTs meegenomen. In twee van de drie RCTs hadden alle patiënten een diagnose van bipolaire stoornis type 1. De gemiddelde leeftijd varieerde van 7, 13 tot 14 jaar. Respectievelijk 30% en 42% van de patiënten was vrouw. De studieduur varieerde van 8 tot 22 maanden.

 

De primaire uitkomstmaten waren klinische verbetering (respons) en het voorkomen van nieuwe episoden. De farmacologische interventies, aripiprazol (k=2) en lamotrigine +AP/MS (k=1) werden vergeleken met placebo. Zie tabel 11.1 onder Evidence- en Risk of Biastabellen voor een overzicht van de resultaten met bijhorende GRADE’ing.

Review protocol

Topic

Interventions/ epidemiology

Review question(s)

Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van farmacologische interventies voor acute manie, hypomanie, gemengde episoden, acute depressie en onderhoudsbehandeling bij jeugdigen (0 tot 23 jaar) met een bipolaire stoornis?

Criteria for considering studies for the review

  • Types of participants

Jeugdigen (0 tot 23 jaar) met een bipolaire stoornis met acute manie, hypomanie, gemengde episoden, acute depressie of een stabiele fase.

  • Intervention

Alle (goedgekeurde) orale medicatie:

Antipsychotica

Lithium

Anticonvulsiva (valproinezuur; carbamazepine; oxcarbazepine; lamotrigine)

Benzodiazepinen

  • Comparator

Placebo

Actieve controle met andere farmacotherapie

  • Critical outcomes

Symptomatisch herstel

Functioneel herstel

  • Important outcomes

Kwaliteit van leven

Werkherstel

Voorkomen nieuwe episoden

Bijwerkingen

  • Time

Dagen/weken/Maanden

  • Study design

Systematic reviews/ meta-analyses (van RCT’s)

  • Study setting/country

In klinische setting

Search strategy

Databases searched: CINAHL, Pubmed, PsycInfo

Date limiters: database inspectie van 2010 tot 2024.

Other limiters, e.g. design, language, age: jeugdigen (0 tot 23 jaar)

The review strategy

De wetenschappelijke onderbouwing wordt zoveel mogelijk gebaseerd op bestaande systematic reviews met meta-analyse. Vanwege de breedte van de uitgangsvraag worden maximaal 5 SRs geïncludeerd die, in overleg met de werkgroep, zoveel mogelijk de PICO dekken (en/of nieuwe relevante inzichten opleveren, denk aan nieuwe interventies). Bij hoge uitzondering zal er nog een search gedaan worden naar (aanvullende) RCTs.

  1. Yee, C. S., Hawken, E. R., Baldessarini, R. J., & Vazquez, G. H. (2019). Maintenance Pharmacological Treatment of Juvenile Bipolar Disorder: Review and Meta-Analyses. International Journal of Neuropsychopharmacology, 22(8), 531–540. https://doi.org/https://dx.doi.org/10.1093/ijnp/pyz034

Tabel 11.1. Effectiviteit van verschillende farmacologische interventies voor de onderhoudsbehandeling van bipolaire stoornis bij jeugdigen.

Studie

Uitkomsten

Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Zekerheid van het bewijs(GRADE)

Opmerkingen

Yee 2019

Findling

2012

Voorkomen van nieuwe episode

N.R.

(p=0.005)

60

(1)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b,c

Aripiprazol is mogelijk effectiever dan placebo in lange termijn behandeling van bipolaire stoornis bij jonge kinderen (4 tot 9 jaar) in het voorkomen van een nieuwe episode, maar de wetenschappelijke evidentie is onzeker.

Findling

2013a

Manie reductie/ behandelrespons

N.R.

(p<0.001)

210

(1)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b,c

Aripiprazol (10 en 30mg/dag) heeft mogelijk een effectievere behandelrespons dan placebo bij jeugdigen (10-17 jaar) met een bipolaire stoornis, maar de wetenschappelijke evidentie is onzeker.

Findling

2015

Symptoom reductie

HR: 0.46

(0.024 tot 0.88)

173

(1)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b,c

Lamotrigine + AP/MS is mogelijk effectiever dan placebo in het verminderen van symptomen bij adolescenten tussen de 13 en 17 jaar (maar niet bij 10 tot 12 jarigen), maar de wetenschappelijke evidentie is onzeker.

Aanvullende RCTs

Findling

2019

Stopzetting wegens episode  

HR: 0.28

(0.10 tot 0.78)

31

(1)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b,c

Lithium heeft mogelijk een lagere kans op stopzetting dan placebo in de onderhoudsbehandeling van bipolaire stoornis bij jeugdigen, maar de wetenschappelijke evidentie is onzeker.

a. Kans op vertekening: geïncludeerde studies hebben methoden/resultaten onvolledig beschreven. b. onnauwkeurigheid: <300 deelnemers. c. Reporting bias: studie is gesponsord door farmaceutische industrie. N.R.: niet gerapporteerd.

 

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 24-03-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 24-03-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Plusminus

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen, op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Het is een multidisciplinaire richtlijn die aanwijzingen geeft voor screening, diagnostiek en behandeling van bipolaire stoornissen. De ontwikkeling is gefinancierd vanuit het gealloceerde budget van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Methodologisch en organisatorisch is de richtlijnontwikkeling ondersteund door het Trimbos-instituut.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. De richtlijn geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de screening, diagnostiek en behandeling van zowel kinderen als adolescenten, volwassenen en ouderen met een bipolaire stoornis. De aanbevelingen zijn bedoeld ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor deze patiënten. De richtlijn geeft een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen in lijn met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek naar bipolaire stoornissen.

De multidisciplinaire ontwikkelprocedure is bedoeld om de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk te bevorderen. Daarnaast kan deze richtlijn vertaald worden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn is dan te beschouwen als een moederrichtlijn voor de richtlijnen van die beroepsgroepen, waarin men aanknopingspunten kan vinden voor lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze richtlijn wordt door de richtlijnwerkgroep aangemoedigd, aangezien de implementatie van de in deze richtlijn beschreven behandeling optimale zorg kan bevorderen.

Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt met een bipolaire stoornis, kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar hem of haar kunnen schaden, dan wel geen nut hebben. In alle gevallen komt een behandeling tot stand op basis van gezamenlijke besluitvorming door de optimaal geïnformeerde patiënt, naaste en behandelaar(s).

 

Afbakening

Deze richtlijn betreft de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten (12 tot 23 jaar), volwassenen en ouderen (60 jaar of ouder) bij wie er sprake is van (of er een vermoeden is van) een bipolaire stemmingsstoornis. In de richtlijn is gezocht naar oorspronkelijke onderzoeken zonder begindatum, en tot en met november 2024. In sommige gevallen zijn gepubliceerde aanvullende reviews van recenter datum geraadpleegd. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen.

 

Doelgroep

De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van de richtlijn zijn doorgaans allen professioneel betrokken bij de zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis of voor patiënten bij wie men die aandoening vermoedt.

In de werkgroep waren ook patiënten- en familieverenigingen vertegenwoordigd, waarmee het perspectief van de patiënten met een bipolaire stoornis en hun naasten in de richtlijn een plaats heeft gekregen. Daardoor kunnen ook niet-professionele zorgverleners en/of belangenverenigingen tot de gebruikers van de richtlijn kan behoren.

Samenstelling werkgroep

De Multidisciplinaire richtlijn bipolaire stoornissen is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen bij volwassenen, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijnwerkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Ralph Kupka, emeritus hoogleraar bipolaire stoornissen, bestond uit psychiaters, psychologen, verpleegkundig specialisten, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen, allen door de (beroeps)verenigingen uitgenodigd en op persoonlijke titel aan het project verbonden.

Voorafgaande aan het ontwikkeltraject zijn kennismakingsgesprekken gevoerd met kandidaat-leden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden zijn de huidige werkgroepleden geselecteerd. Naast de richtlijnwerkgroep is een aantal experts benaderd om adviseur te worden. Deze adviseurs konden op individuele basis worden gevraagd om op verzoek van een werkgroeplid mee te denken over een specifieke uitgangsvraag. De richtlijnwerkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technische team van het Trimbos-instituut. Dit technische team bestond uit een projectleider, twee literatuur reviewers, een informatiespecialist, en een project assistent. De tabellen Leden werkgroep, Leden adviesgroep en Methodologische ondersteuning geven een overzicht van de samenstelling van de richtlijnwerkgroep, de klankbordgroep en het ondersteunende technische team.

 

Leden Werkgroep

 

Naam

Organisatie

Beroepsvereniging

1.

Prof. dr. Ralph Kupka (voorzitter)

Amsterdam UMC; Altrecht; GGZ inGeest; Dimence

Psychiater, NVvP

2.

dr. Manja Koenders (vicevoorzitter)

Leiden University Faculty of Social Sciences

Psycholoog, NIP

3.

Prof. dr. Manon Hillegers

afd. K&J Psychiatrie Erasmus MC

Psychiater, NVvP

3.

dr. Annemieke Dols

UMC Utrecht

Psychiater, NVvP

4.

dr. Imke Hanssen

Radboud Universiteit Nijmegen

Psycholoog, NIP

5.

dr. Bart Geerling

Dimence

verpleegkundig specialist, V&VN

6.

drs. Henk Mathijssen

Plusminus

Plusminus

7.

Elisabeth Bakker-Timmerman

Plusminus, KenBiS

Plusminus

 

Leden adviesgroep

 

Naam

Organisatie

Beroep

1.

prof. dr. Marc Vervloet*

Radboud UMC

Hoogleraar nefrologie

2.

Dr. Miranda Kurver

NHG

Huisarts en senior wetenschappelijk medewerker richtlijnontwikkeling

3.

dr. Ingeborg Wilting

UMC Utrecht

klinisch farmacoloog

4.

dr. Benno Haarman

UMC Groningen

Psychiater

5.

dr. Rob Havermans

Mondriaan, PsyQ

Psychiater

6.

dr. Debbie Zittema

GGZ Ingeest

Psychiater en klinisch farmacoloog

7.

Bianca van Nieuwendijk

GGZ Ingeest

Verpleegkundig specialist

8.

Mischa van Bendegem

Mediant

Verpleegkundig specialist

9.

Dr. Bram Dierckx

Erasmus MC

Psychiater

10.

Dr. Esther Mesman

Erasmus MC

GZ-psycholoog

11.

Dr. Max de Leeuw

LUMC

Psychiater

12.

Dolf Snel

 

Naastenperspectief

13.

Suzanne Demacker

Altrecht

GZ-psycholoog

14.

Dr. Melis Orhan

Universiteit Leiden

GZ-psycholoog

15.

Theo Hoedemaker

Plusminus

Naastenperspectief

16.

JRP van der Veen

Plusminus

ervaringsdeskundige

17.

Bernadette Wigchert

Plusminus

ervaringsdeskundige

18.

Mirthe Knot-Ploeg

Plusminus

ervaringsdeskundige

*Marc Vervloet is namens de NIV gemandateerd om advies te verlenen op module 9 Somatische Aspecten.

 

Methodologische ondersteuning

Naam

Ondersteuning

Eva Becking

Projectleider, Trimbos-instituut

Anne van Jaarsveld

Reviewer, Trimbos-instituut

Matthijs Oud

Reviewer, Trimbos-instituut

Rikie Deurenberg

Informatiespecialist, namens Trimbos-instituut

Joyce Huls           

Projectassistent, Trimbos-instituut

 

In totaal kwam de Werkgroep Bipolaire Stoornissen voorafgaand aan de commentaarfase acht keer bijeen in de periode van januari 2024 tot maart 2025. In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. De informatiespecialist verrichtte in overleg met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek en de reviewers maakten per uitgangsvraag een selectie in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de zoekstrategie en de selectiecriteria: het reviewprotocol). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze per uitgangsvraag in evidentie-tabellen, GRADE-profielen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies (per module beschreven onder “Onderbouwing”). Leden van de Werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen (per module beschreven onder “Overwegingen”) en aanbevelingen (per module beschreven onder “Aanbevelingen”). De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, welke ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren worden verwerkt in een commentaartabel, die tijdens een werkgroep bijeenkomst wordt besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen wordt de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden.

Belangenverklaringen

Naam werkgroeplid

Functie

Nevenwerkzaamheden

Belangen

Ralph Kupka

Hoogleraar Bipolaire stoornissen

Psychiater

Bestuurslid Akwa-GGZ

Voorzitter bestuur KenBis

Bestuurslid ISBD

nvt

Manja Koenders

GZ-psycholoog i.o. specialist

Universitair docent

Docent Rino-groep

Zzp supervisor

nvt

Manon Hillegers

Hoogleraar en afdelingshoofd kinder/jeugd psychiatrie

Bestuurslid BOPP-west

ESCAP bestuurslid

ISBD taskforce member

nvt

Annemieke Dols

Psychiater

Onderwijs en nascholing faciliteren

nvt

Bart Geerling

Verpleegkundig specialist/hoofd

Onderzoeker

Voorzitter herziening zorgstandaard

nvt

Imke Hanssen

Psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog

Post-doc onderzoeker

Lid wetenschapscommissie Vereniging voor Mindfulness-Based Trainers Nederland

Bestuurslid van de sectie Mindfulness-Based Cognitieve GedragsTherapie (MB-CGT) van de Vereniging voor Cognitieve Gedragstherapieën (VGCt)

nvt

Henk Matthijsen

Voorzitter Plusminus

Lid RvT GGZ Transparant

nvt

Elisabeth Bakker Timmerman

Lid Plusminus

Gepensioneerd ergotherapeut

Bestuurslid KenBis

Lid familieraad Parnassia

 

nvt

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

EBRO-methode voor wetenschappelijke onderbouwing

Deze multidisciplinaire richtlijn is herzien volgens de methodiek van evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Hierbij werd de GRADE-methodiek toegepast. Er zijn ook hoofdstukken overgenomen vanuit de vorige versie van de MDR Bipolaire stoornis (2015). Hierin zijn conclusies gebaseerd op de ‘levels of evidence’ (voor informatie over deze werkwijze, raadpleeg de verantwoording van de betreffende hoofdstukken).

 

GRADE-methodiek

Sinds de introductie van de GRADE-methodiek in 2004 werd dit wereldwijd al snel de methode van voorkeur om wetenschappelijk bewijs te graderen ten behoeve van richtlijnontwikkeling (Guyatt et al., 2008), inclusief deze richtlijn. De GRADE-methodiek gaat er van uit dat de zekerheid van het wetenschappelijk bewijs uit randomized controlled trials (RCT’s) in beginsel hoog is vanwege de, mits goed uitgevoerd, kleine kans op vertekening (bias). In geval van observationele (niet gerandomiseerde) studies is de uitgangspositie van de zekerheid van bewijs laag. De zekerheid van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1.1). Bij observationeel onderzoek kan het bewijs in bepaalde gevallen omhoog worden gegradeerd.

 

 

Tabel 1.1 GRADE: Factoren voor downgraden en upgraden 1

We downgraden de zekerheid van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij:

We upgraden de zekerheid van bewijs van observationele studies bij:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet of uitvoering (study limitations): hierbij gaat het om de methodologische kwaliteit. Voorbeelden zijn dat de randomisatie-procedure niet optimaal was, dat beoordelaars van subjectieve uitkomsten niet geblindeerd waren, dat er selectief is gerapporteerd over de uitkomsten en dat er veel uitvallers waren.
  1. Een groot effect (large magnitude of effect): hiervan is sprake als er in de resultaten een groot effect of een sterk bewijs van associatie gevonden wordt. Dit kan tot uitdrukking komen in de hoogte van het relatieve risico (RR).

 

  1. Inconsistentie van de resultaten (inconsistency): hierbij gaat het om heterogeniteit van de resultaten van verschillende studies. Er kunnen beperkingen zijn als er een grote variatie is in de schattingen van het effect van een behandeling of als er nauwelijks overlap is tussen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen (BI’s).
  1. Mogelijke confounders die het ‘ware’ effect verminderd hebben (plausible confounding): hiervan kan sprake zijn als er een achterliggende variabele is, zoals de ernst van de aandoening van de patiënten die met het onderzoek meedoen, die van invloed is op het effect van de interventie.
  1. Indirect bewijs (indirectness): er worden twee soorten indirect bewijs onderscheiden. Enerzijds gaat het om indirecte vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer er alleen interventies met een placebo worden vergeleken en geen interventies met elkaar worden vergeleken. Anderzijds gaat het om verschillen in patiëntenpopulatie, inhoud van de interventie of keuze van de uitkomstmaten tussen de beschikbare studies en de uitgangsvraag die in de richtlijn of richtlijn wordt gesteld.
  1. Bewijs van een verband tussen de dosering en de repons (dose-response gradient): hiervan kan sprake zijn als een stijgende dosering van een bepaald medicijn meer effect geeft.

 

  1. Onnauwkeurigheid van de resultaten (imprecision): hierbij gaat het om de onzekerheid van de uitkomst, bijvoorbeeld als de 95%-BI’s heel breed zijn vanwege kleine patiënten aantallen.

 

  1. Kans op selectieve publicatie (publication bias) van onderzoeken of uitkomstmaten. Een voorbeeld van een beperking is wanneer niet alle studies gepubliceerd worden, bijvoorbeeld kleine studies die geen effecten ten gunste van de interventie konden aantonen.

 

1 De zekerheid van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandelinBij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijs ten aanzien van bovenstaande factoren werd uitgegaan van ‘Grade guidelines’, zoals ook te raadplegen in het ‘Grade handbook’ (Guyatt et al., 2013; Handbook for grading the quality of evidence and the strength of recommendations using the GRADE approach).

 

Legenda GRADE

Na vaststelling van het niveau van bewijs wordt dit in de bijbehorende conclusies als volgt verwoord:

Zekerheid

Symbolen

 

Signaalwoorden

Hoog

⊕⊕⊕⊕

“Het is aangetoond dat…”

geeft, heeft (een effect), resulteert in

Redelijk

⊕⊕⊕◯

“Het is aannemelijk...”

waarschijnlijk

Laag

⊕⊕◯◯

“Er zijn aanwijzingen…”

zou kunnen, lijkt, suggereert

Zeer laag

⊕◯◯◯

“Het is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat…”

onzeker

Van bewijs naar aanbevelingen: Overwegingen

Naast het wetenschappelijk bewijs bepalen enkele andere factoren mede of een instrument of behandeling wordt aanbevolen. In de teksten van de vorige richtlijn-versies werd dit onder “Overige Overwegingen” beschreven.

 

Mee te wegen factoren om te bepalen of een instrument of behandeling wordt aanbevolen:

1. Kwaliteit van bewijs

Hoe hoger de algehele kwaliteit van het bewijs, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Hoe groter het verschil is tussen de gewenste en ongewenste effecten, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Hoe kleiner dit verschil of hoe meer onzekerheid over de grootte van het verschil, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • Bespreken effectiviteit in relatie tot bijwerkingen en complicaties in het licht van de kwaliteit van bewijs, de precisie van de effectgrootte en minimaal klinisch relevant geacht voordeel;
  • Sterkte van het effect vergeleken met geen interventie;
  • Aanwezigheid van comorbiditeit;
  • Klinisch niet relevantie van het effect.

 3. Patiëntenperspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van patiënten bij het afwegen van de voor- en nadelen van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

4. Professioneel perspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van professionals ten aanzien van de toepasbaarheid van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

Toelichting:

  • Kennis en ervaring met technieken/therapieën;
  • Risico’s die professional loopt bij het toepassen van de interventie;
  • Verwachte tijdbesparing;
  • Verlies aan tijd door het invoeren van de interventie.

5. Middelenbeslag

Hoe minder middelen er worden gebruikt (m.a.w. hoe lager de kosten van een interventie zijn vergeleken met de beschouwde alternatieven en andere kosten gerelateerd aan de interventie), des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke aanbeveling. Hoe meer onzekerheid over het middelenbeslag, des te waarschijnlijker wordt een conditionele aanbeveling.

6. Organisatie van zorg

Hoe meer onzekerheid of de geëvalueerde interventie daadwerkelijk op landelijke schaal toepasbaar is, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • De beschikbaarheid/aanwezigheid van faciliteiten & medicijnen;
  • De wijze waarop de organisatie van de zorg aangeboden dient te worden/grootte van de verandering in de organisatie-zorgproces / infrastructuur voor implementatie;
  • Voorbeeld: een bepaalde diagnostiek of behandeling kan alleen in bepaalde centra worden uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van faciliteiten zoals een PET-scan.

Formulering van aanbevelingen

Afhankelijk van deze factoren kun je een instrument of behandeling wel of niet aanbevelen. We maken daarbij onderscheid tussen zwakke en sterke aanbevelingen. In het geval van een sterke aanbeveling zou je behandeling X voor alle patiënten met Y willen aanbevelen. Bij een zwakke aanbeveling is dit bijvoorbeeld afhankelijk van de voorkeuren van de patiënt in kwestie. Het is belangrijk in deze sectie expliciet te vermelden op grond waarvan een behandeling wel of niet wordt aanbevolen en ook waarom die aanbeveling zwak of sterk zou moeten zijn.

 

Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 1.2):

 

Tabel 1.2 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen

Gradering aanbeveling

Betekenis

Voorkeursformulering*

STERK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] aan.

ZWAK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

ZWAK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

STERK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] niet aan.

*      Het gaat hier om voorkeursaanbevelingen, deze kunnen in een enkel geval afwijken. Voor bepaalde hoofdstukken is GRADE niet toegepast (bijv. Organisatie van zorg) daar zijn uit praktisch oogpunt ook de aanbevelingen niet volgens GRADE.

 

Zoekstrategie

Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden, is door de informatiespecialist en reviewers van het Trimbos-instituut, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar meta-analyses, systematische reviews en oorspronkelijke onderzoeken. In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van Medline en Psychological Information Database (Psycinfo).

 

Selectiestrategie

Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:

  • Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze paragraaf);
  • Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de richtlijn;
  • Is er sprake van een meta-analyse, systematic-review, randomised controlled trial (RCT), cohort onderzoek, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;
  • Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per hoofdstuk en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per hoofdstuk.

Leeswijzer

Met kinderen en adolescenten bedoelen we kinderen van 8 tot 12 jaar en adolescenten van 12 tot 18 jaar. Met jongvolwassenen bedoelen we volwassenen van 18 tot 25 jaar. Met volwassenen bedoelen we mensen van 25 tot 60 jaar. Met ouderen bedoelen we oudere volwassenen van 60 jaar en ouder.

Zoekverantwoording

Op 24 mei 2024 is er een search uitgevoerd in PsychInfo en Medline databases. De specifieke zoektermen zijn in het review protocol opgenomen. De search leverde 274 referenties op. Na beoordeling op titel en abstract bleven er 14 referenties over voor selectie op basis van de volledige teksten: Garcia-Rodriguez2023; Srinivas2020; Yee2019; Maneeton2017; DelBello2022; Patel2021; Howard2011; Hesapcioglu2024; Meduri2016; Amerio2018; Janiri2023; Bai2019; Duffy2018; Kim2021. De voornaamste exclusieredenen waren onjuiste populatie of onjuiste interventie. Na een uitgebreide tweede selectie bleven drie studies over die zijn opgenomen in dit hoofdstuk: Garcia-Rodriguez2023 (over depressie); Hesapcioglu2024 (over manie); Yee2019 (over onderhoud).

 

Als aanvulling op de gevonden meta-analyse over onderhoudsbehandeling werd een search gedaan naar RCTs gericht op onderhoudsbehandeling, gepubliceerd vanaf 2019. Dit leverde één bruikbare studie op; Findling2019.

Volgende:
Diagnostiek en behandeling bij ouderen