Bipolaire stoornissen

Initiatief: NVvP psychiatrie Aantal modules: 58

Lithium bij bipolaire stoornis ouderen

Publicatiedatum: 24-03-2026
Beoordeeld op geldigheid: 24-03-2026

Uitgangsvraag

In hoeverre zijn er aanpassingen nodig bij ouderen met een bipolaire stoornis, vergeleken met andere volwassenen, voor het voorschrijven van lithium?

Aanbeveling

Het wordt sterk aanbevolen om lithium bij ouderen aangepast te doseren, en te streven naar serum spiegels van 0.4‐0.8 mmol/L voor de leeftijdsgroep 60‐79 jaar, en serum spiegels van 0.4‐0.7 mmol/L voor mensen ouder dan 80 jaar.

Overwegingen

Ondanks het toenemende aantal oudere volwassenen met een bipolaire stoornis (OABD) zijn er weinig voor deze doelgroep specifieke richtlijnen voor het gebruik van lithium, dat zowel effectief als toxisch kan zijn. Een Delphi-enquête, uitgevoerd door 25 experts uit negen landen, bevestigde dat lithium de voorkeursbehandeling is voor OABD en stelde veilige serumspiegels vast (0,4-0,8 mmol/L voor 60-79 jaar en 0,4-0,7 mmol/L voor 80+) (Shulman et al, 2018, Shulman et al, 2019). Deze groep van experts is actief bezig met het implementeren van aparte referentiewaarden voor ouderen door laboratoria.

 

Kwaliteit van het bewijs

De kwaliteit van het bewijs is laag. Er is slechts één overkoepelende review opgenomen van enkele kleine reviews, met een hoge mate van heterogeniteit en een gematigd bias risico. Het aanbod aan RCT’s naar de effecten en risico’s van lithiumgebruik bij ouderen is beperkt. Studies gericht op ouderen met een bipolaire stoornis zijn voornamelijk retrospectief.

 

Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Gewenste effecten: de literatuur ondersteunt gebruik van lithium bij ouderen in een manische fase. Bij gebruik van lage doseringen is lithium gebruik veilig en wordt het goed getolereerd. 

Ongewenste effecten: afhankelijk van de dosering kunnen bijwerkingen optreden bij lithium gebruik.

 

Patiëntenperspectief

Als lithium al effectief was bij een patiënt in een jongere levensfase, dan is het belangrijk om bij het stijgen van de leeftijd rekening te houden met leeftijdsspecifieke veranderingen en daarop de dosis aan te passen zodat het middel veilig gebruikt kan worden. Er dient wel gewaakt te worden voor een te lage dosis die dan mogelijk ineffectief is.

 

Naastenperspectief

Bijwerkingen kunnen toenemen bij het ouder worden, dosis verlagen kan dan maken dat een effectieve behandeling, zoals lithium, gecontinueerd kan worden. Naasten moeten net als de patient zelf op de hoogte zijn van deze aanpassingen, en de consequenties van een toenemende (lichamelijke) kwestbaarheid en de effecten van bijkomende somatische medicatie.

 

Professioneel Perspectief

Bij het ouder worden veranderen farmacodynamiek en -kinetiek waarmee een lagere dosis en serum spiegel gerechtvaardigd is. Ook zal de bloed-hersenbarrière meer permeabel zijn waardoor de beschikbaarheid van lithium in de hersenen bij lagere serumwaarden toch hoog kan zijn.

 

Middelenbeslag

Veilig voorschrijven van lithium met een lagere dosering zal leiden tot minder somatische bijwerkingen/complicaties en daarmee minder kosten.

 

Organisatie van zorg

Er wordt ook in Nederland gewerkt aan de implementatie van aparte referentiewaarden voor lithium bij ouderen vanuit de International Society for Bipolar Disorders (ISBD).

 

Maatschappelijk Perspectief

Er zijn geen maatschappelijke overweging van toepassing.

Onderbouwing

Oudere volwassenen met een bipolaire stoornis (OABD) vormen een groeiende groep, maar internationale richtlijnen houden nog onvoldoende rekening met hun specifieke behandelbehoeften. Lithium blijft de voorkeursbehandeling voor onderhoudstherapie vanwege de bewezen effectiviteit, het verminderen van suïciderisico en mogelijke neuroprotectieve eigenschappen, maar brengt ook risico’s met zich mee, zoals nierproblemen, hypothyreoïdie en interacties met veelgebruikte medicijnen. Ondanks de afname in lithiumgebruik bij OABD, mede door zorgen over toxiciteit en beperkte ervaring van voorschrijvers, benadrukken internationale experts dat lithium de eerste keus blijft voor OABD en de noodzaak van gedetailleerde richtlijnen en aangepaste therapeutische serumspiegels voor ouderen.

⊕⊕ΟΟ

Een lage dosis lithium resulteert mogelijk in minder bijwerkingen (dan een hoge dosis) bij behandeling van ouderen met een bipolaire stoornis.

De Fazio2017

⊕⊕ΟΟ

Het is mogelijk beter om lagere doses lithium te gebruiken bij ouderen, vanwege leeftijdsgebonden farmacokinetische en farmacodynamische veranderingen.

Sun2018

⊕⊕ΟΟ

Polyfarmacie en onderliggende medische comorbiditeiten bij ouderen zijn mogelijk belangrijke voorspellende factoren voor lithiumtoxiciteit.

Sun2018

⊕⊕ΟΟ

Wegens afname van nierfunctie bij ouderen is er een verhoogd risico op niertoxiciteit door lithiumgebruik bij ouderen.

De Fazio2017

⊕OΟΟ

Er is geen bewijs dat lithium gebruik voorkomen moet worden bij ouderen (>65) wegens (nier)bijwerkingen.

Rej2012

⊕⊕ΟΟ

De lithium respons in ouderen met BD is mogelijk vergelijkbaar met de respons in jongeren.

De Fazio2017

⊕OΟΟ

Lithium is mogelijk effectiever dan placebo of andere stemmingsstabilisatoren in een behandelrespons bij ouderen (>50) met een manie.

De Fazio2017

Lithium gebruik bij ouderen met BD – Janiri (2023)

In een overkoepelende review (Janiri et al., 2023) werd de veiligheid en effectiviteit van lithium behandeling onderzocht bij patiënten met stemmingsstoornissen. Er werd onderscheid gemaakt in verschillende levensfasen: adolescentie, peripartum en ouderen. In totaal omvat deze review 20 studies. In deze onderbouwing richten we ons enkel op de drie systematische reviews die lithiumgebruik onderzochten bij ouderen met een BD. Dit omvat in totaal 1574 patiënten. Alle patiënten zijn ouder dan 50 jaar, en in twee van de drie studies ouder dan 65 jaar.

Deze drie reviews (Rej et al., 2012)(De Fazio et al., 2017)(Sun et al., 2018) omvatten studies met wisselende studie designs, variërend van retrospectief, RCT, tot case studies. De reviews hebben een hoge mate van heterogeniteit wat betreft de onderzochte populatie en specifieke uitkomsten. De studies richtten zich op veiligheid en slechts één review beoordeelde zowel effectiviteit en veiligheid van lithium bij de behandeling en preventie van manie.

De auteurs beoordeelden het risico op bias van de systematische reviews aan de hand van de ROBIS tool. Zie tabel 12.1 onder Evidence- en Risk of Biastabellen voor de resultaten met bijhorende GRADE’ing.

 

Lithium gebruik bij ouderen – Rej (2020)

In een cohortstudie (Rej et al., 2020) werd het risico op afname van nierfunctie onderzocht bij oudere volwassenen die lithium gebruikten. De studie omvatte 3.113 lithiumgebruikers en een even groot aantal valproaat gebruikers, allen ouder dan 65 jaar. De gemiddelde leeftijd was 71 jaar. De primaire uitkomst was een verlies van ≥ 30% in geschatte glomerulaire filtratiesnelheid vanaf de basislijn. De auteurs beoordeelden het risico op bias van de systematische reviews aan de hand van de ROBIS tool. Zie tabel 12.1 onder Evidence- en Risk of Biastabellen voor de resultaten met bijhorende GRADE’ing.

Review protocol

Topic

Interventions/ epidemiology

Review question(s)

In hoeverre zijn er aanpassingen nodig bij ouderen met een bipolaire stoornis, vergeleken met andere volwassenen, voor het voorschrijven van lithium?

Criteria for considering studies for the review

  • Types of participants

Ouderen met een bipolaire stoornis.

  • Intervention

Voorschrijven van Lithium

  • Comparator

Placebo

Ander soort therapie

  • Critical outcomes

 

  • Important outcomes

Symptomatisch herstel

Functioneel herstel

Kwaliteit van leven

 

  • Time

Weken/maanden

  • Study design

Systematic reviews/ meta-analyses (van RCT’s)

  • Study setting/country

 

Search strategy

Databases searched: CINAHL, Pubmed, PsycInfo

Date limiters: database inspectie van 2010 tot 2024.

Other limiters, e.g. design, language, age:

The review strategy

 

  1. De Fazio, P., Gaetano, R., Caroleo, M., Pavia, M., De Sarro, G., Fagiolini, A., & Segura-Garcia, C. (2017). Lithium in late-life mania: A systematic review. Neuropsychiatric Disease and Treatment Vol 13, 2017, ArtID 755-766, 13. https://doi.org/https://dx.doi.org/10.2147/NDT.S126708
  2. Janiri, D., Sampogna, G., Albert, U., Caraci, F., Martinotti, G., Serafini, G., Tortorella, A., Zuddas, A., Fiorillo, A., & Sani, G. (2023). Lithium use in childhood and adolescence, peripartum, and old age: An umbrella review. International Journal of Bipolar Disorders Vol 11, 2023, ArtID 8, 11. https://doi.org/https://dx.doi.org/10.1186/s40345-023-00287-7
  3. Rej S, Herrmann N, Gruneir A, McArthur E, Jeyakumar N, Muanda FT, Harel Z, Dixon S, Garg AX. Association of Lithium Use and a Higher Serum Concentration of Lithium With the Risk of Declining Renal Function in Older Adults: A Population-Based Cohort Study. J Clin Psychiatry. 2020 Aug 18;81(5):19m13045. doi: 10.4088/JCP.19m13045. PMID: 32841553.
  4. Rej, S., Herrmann, N., & Shulman, K. (2012). The effects of lithium on renal function in older adults - A systematic review. Journal of Geriatric Psychiatry and Neurology, 25(1), 51–61. https://doi.org/10.1177/0891988712436690
  5. Shulman KI, Almeida OP, Herrmann N, Schaffer A, Strejilevich SA, Paternoster C, Amodeo S, Dols A, Sajatovic M. Delphi survey of maintenance lithium treatment in older adults with bipolar disorder: An ISBD task force report. Bipolar Disord. 2019 Mar;21(2):117-123. doi: 10.1111/bdi.12714. Epub 2018 Nov 16. PMID: 30375703; PMCID: PMC6587471.
  6. Shulman KI, Sajatovic M, Dols A. Laboratories should provide a separate therapeutic range for serum lithium levels in maintenance treatment of older adults with bipolar disorder (OABD). Bipolar Disord. 2019 May;21(3):190-191. doi: 10.1111/bdi.12769. Epub 2019 Apr 3. PMID: 30861253.
  7. Sun, M., Herrmann, N., & Shulman, K. I. (2018). Lithium Toxicity in Older Adults: a Systematic Review of Case Reports. Clinical Drug Investigation, 38(3), 201–209. https://doi.org/10.1007/s40261-017-0598-9

Tabel 12.1. Overzicht van het effect van lithiumbehandeling bij ouderen met een bipolaire stoornis.

Studie

Uitkomsten

Absoluut/ Relatief effect
(95% CI)

Aantal deelnemers
(studies)

Zekerheid van het bewijs
(GRADE)

Opmerkingen

Rej

2012

Nier bijwerkingen

ARF incidentie: 1.5%, CRF prevalentie: 1.2% tot 34%.

NDI prevalentie: 1.8% tot 85%

835

(10)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b

Er is geen bewijs dat lithium gebruik voorkomen moet worden bij ouderen (>65) wegens (nier)bijwerkingen.

De Fazio

2017

Behandel

respons

Li+ > placebo / andere MS

701

(15)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b

Lithium is mogelijk effectiever dan placebo of andere stemmingsstabilisatoren in een behandelrespons bij ouderen (>50) met een manie.

De Fazio

2017

Behandel

respons

72% respons op lithium

(3)

⨁◯◯◯
Zeer Laaga,b

De positieve respons op lithium behandeling bij ouderen is gemiddeld 72%, vergelijkbaar met de 78% bij jongere patiënten.

Rej

2020

Nierfunctie

schade

HR: 1.14

(1.02 tot 1.27)

6226

(1)

⨁⨁◯◯
Laaga

Lithium behandeling resulteert mogelijk in verhoogd risico op nierfunctie verlies bij ouderen in vergelijking met valproïnezuur behandeling.

Rej

2020

Nierfunctie schade

RR: 1.26

(1.06 tot 1.49)

6226

(1)

⨁⨁◯◯
Laaga

Het risico op nierfunctie schade bij ouderen met een lithium concentratie >0.7 mmol/L is mogelijk hoger dan bij valproïnezuur gebruik.

Rej

2020

Nierfunctie

schade

RR: 1.06

(0.92 tot 1.22)

6226

(1)

⨁⨁◯◯
Laaga

Het risico op nierfunctie schade bij ouderen met een lithium concentratie <0.7 mmol/L is mogelijk niet hoger dan bij valproïnezuur gebruik.

a. Methodologische beperkingen: bewijs is gebaseerd op (zowel RCTs als) non-RCTs. b. Inconsistentie: substantiële mate van heterogeniteit.

 

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 24-03-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 24-03-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Plusminus

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen, op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Het is een multidisciplinaire richtlijn die aanwijzingen geeft voor screening, diagnostiek en behandeling van bipolaire stoornissen. De ontwikkeling is gefinancierd vanuit het gealloceerde budget van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Methodologisch en organisatorisch is de richtlijnontwikkeling ondersteund door het Trimbos-instituut.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. De richtlijn geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de screening, diagnostiek en behandeling van zowel kinderen als adolescenten, volwassenen en ouderen met een bipolaire stoornis. De aanbevelingen zijn bedoeld ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor deze patiënten. De richtlijn geeft een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen in lijn met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek naar bipolaire stoornissen.

De multidisciplinaire ontwikkelprocedure is bedoeld om de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk te bevorderen. Daarnaast kan deze richtlijn vertaald worden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn is dan te beschouwen als een moederrichtlijn voor de richtlijnen van die beroepsgroepen, waarin men aanknopingspunten kan vinden voor lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze richtlijn wordt door de richtlijnwerkgroep aangemoedigd, aangezien de implementatie van de in deze richtlijn beschreven behandeling optimale zorg kan bevorderen.

Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt met een bipolaire stoornis, kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar hem of haar kunnen schaden, dan wel geen nut hebben. In alle gevallen komt een behandeling tot stand op basis van gezamenlijke besluitvorming door de optimaal geïnformeerde patiënt, naaste en behandelaar(s).

 

Afbakening

Deze richtlijn betreft de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten (12 tot 23 jaar), volwassenen en ouderen (60 jaar of ouder) bij wie er sprake is van (of er een vermoeden is van) een bipolaire stemmingsstoornis. In de richtlijn is gezocht naar oorspronkelijke onderzoeken zonder begindatum, en tot en met november 2024. In sommige gevallen zijn gepubliceerde aanvullende reviews van recenter datum geraadpleegd. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen.

 

Doelgroep

De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van de richtlijn zijn doorgaans allen professioneel betrokken bij de zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis of voor patiënten bij wie men die aandoening vermoedt.

In de werkgroep waren ook patiënten- en familieverenigingen vertegenwoordigd, waarmee het perspectief van de patiënten met een bipolaire stoornis en hun naasten in de richtlijn een plaats heeft gekregen. Daardoor kunnen ook niet-professionele zorgverleners en/of belangenverenigingen tot de gebruikers van de richtlijn kan behoren.

Samenstelling werkgroep

De Multidisciplinaire richtlijn bipolaire stoornissen is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen bij volwassenen, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijnwerkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Ralph Kupka, emeritus hoogleraar bipolaire stoornissen, bestond uit psychiaters, psychologen, verpleegkundig specialisten, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen, allen door de (beroeps)verenigingen uitgenodigd en op persoonlijke titel aan het project verbonden.

Voorafgaande aan het ontwikkeltraject zijn kennismakingsgesprekken gevoerd met kandidaat-leden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden zijn de huidige werkgroepleden geselecteerd. Naast de richtlijnwerkgroep is een aantal experts benaderd om adviseur te worden. Deze adviseurs konden op individuele basis worden gevraagd om op verzoek van een werkgroeplid mee te denken over een specifieke uitgangsvraag. De richtlijnwerkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technische team van het Trimbos-instituut. Dit technische team bestond uit een projectleider, twee literatuur reviewers, een informatiespecialist, en een project assistent. De tabellen Leden werkgroep, Leden adviesgroep en Methodologische ondersteuning geven een overzicht van de samenstelling van de richtlijnwerkgroep, de klankbordgroep en het ondersteunende technische team.

 

Leden Werkgroep

 

Naam

Organisatie

Beroepsvereniging

1.

Prof. dr. Ralph Kupka (voorzitter)

Amsterdam UMC; Altrecht; GGZ inGeest; Dimence

Psychiater, NVvP

2.

dr. Manja Koenders (vicevoorzitter)

Leiden University Faculty of Social Sciences

Psycholoog, NIP

3.

Prof. dr. Manon Hillegers

afd. K&J Psychiatrie Erasmus MC

Psychiater, NVvP

3.

dr. Annemieke Dols

UMC Utrecht

Psychiater, NVvP

4.

dr. Imke Hanssen

Radboud Universiteit Nijmegen

Psycholoog, NIP

5.

dr. Bart Geerling

Dimence

verpleegkundig specialist, V&VN

6.

drs. Henk Mathijssen

Plusminus

Plusminus

7.

Elisabeth Bakker-Timmerman

Plusminus, KenBiS

Plusminus

 

Leden adviesgroep

 

Naam

Organisatie

Beroep

1.

prof. dr. Marc Vervloet*

Radboud UMC

Hoogleraar nefrologie

2.

Dr. Miranda Kurver

NHG

Huisarts en senior wetenschappelijk medewerker richtlijnontwikkeling

3.

dr. Ingeborg Wilting

UMC Utrecht

klinisch farmacoloog

4.

dr. Benno Haarman

UMC Groningen

Psychiater

5.

dr. Rob Havermans

Mondriaan, PsyQ

Psychiater

6.

dr. Debbie Zittema

GGZ Ingeest

Psychiater en klinisch farmacoloog

7.

Bianca van Nieuwendijk

GGZ Ingeest

Verpleegkundig specialist

8.

Mischa van Bendegem

Mediant

Verpleegkundig specialist

9.

Dr. Bram Dierckx

Erasmus MC

Psychiater

10.

Dr. Esther Mesman

Erasmus MC

GZ-psycholoog

11.

Dr. Max de Leeuw

LUMC

Psychiater

12.

Dolf Snel

 

Naastenperspectief

13.

Suzanne Demacker

Altrecht

GZ-psycholoog

14.

Dr. Melis Orhan

Universiteit Leiden

GZ-psycholoog

15.

Theo Hoedemaker

Plusminus

Naastenperspectief

16.

JRP van der Veen

Plusminus

ervaringsdeskundige

17.

Bernadette Wigchert

Plusminus

ervaringsdeskundige

18.

Mirthe Knot-Ploeg

Plusminus

ervaringsdeskundige

*Marc Vervloet is namens de NIV gemandateerd om advies te verlenen op module 9 Somatische Aspecten.

 

Methodologische ondersteuning

Naam

Ondersteuning

Eva Becking

Projectleider, Trimbos-instituut

Anne van Jaarsveld

Reviewer, Trimbos-instituut

Matthijs Oud

Reviewer, Trimbos-instituut

Rikie Deurenberg

Informatiespecialist, namens Trimbos-instituut

Joyce Huls           

Projectassistent, Trimbos-instituut

 

In totaal kwam de Werkgroep Bipolaire Stoornissen voorafgaand aan de commentaarfase acht keer bijeen in de periode van januari 2024 tot maart 2025. In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. De informatiespecialist verrichtte in overleg met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek en de reviewers maakten per uitgangsvraag een selectie in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de zoekstrategie en de selectiecriteria: het reviewprotocol). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze per uitgangsvraag in evidentie-tabellen, GRADE-profielen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies (per module beschreven onder “Onderbouwing”). Leden van de Werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen (per module beschreven onder “Overwegingen”) en aanbevelingen (per module beschreven onder “Aanbevelingen”). De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, welke ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren worden verwerkt in een commentaartabel, die tijdens een werkgroep bijeenkomst wordt besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen wordt de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden.

Belangenverklaringen

Naam werkgroeplid

Functie

Nevenwerkzaamheden

Belangen

Ralph Kupka

Hoogleraar Bipolaire stoornissen

Psychiater

Bestuurslid Akwa-GGZ

Voorzitter bestuur KenBis

Bestuurslid ISBD

nvt

Manja Koenders

GZ-psycholoog i.o. specialist

Universitair docent

Docent Rino-groep

Zzp supervisor

nvt

Manon Hillegers

Hoogleraar en afdelingshoofd kinder/jeugd psychiatrie

Bestuurslid BOPP-west

ESCAP bestuurslid

ISBD taskforce member

nvt

Annemieke Dols

Psychiater

Onderwijs en nascholing faciliteren

nvt

Bart Geerling

Verpleegkundig specialist/hoofd

Onderzoeker

Voorzitter herziening zorgstandaard

nvt

Imke Hanssen

Psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog

Post-doc onderzoeker

Lid wetenschapscommissie Vereniging voor Mindfulness-Based Trainers Nederland

Bestuurslid van de sectie Mindfulness-Based Cognitieve GedragsTherapie (MB-CGT) van de Vereniging voor Cognitieve Gedragstherapieën (VGCt)

nvt

Henk Matthijsen

Voorzitter Plusminus

Lid RvT GGZ Transparant

nvt

Elisabeth Bakker Timmerman

Lid Plusminus

Gepensioneerd ergotherapeut

Bestuurslid KenBis

Lid familieraad Parnassia

 

nvt

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

EBRO-methode voor wetenschappelijke onderbouwing

Deze multidisciplinaire richtlijn is herzien volgens de methodiek van evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Hierbij werd de GRADE-methodiek toegepast. Er zijn ook hoofdstukken overgenomen vanuit de vorige versie van de MDR Bipolaire stoornis (2015). Hierin zijn conclusies gebaseerd op de ‘levels of evidence’ (voor informatie over deze werkwijze, raadpleeg de verantwoording van de betreffende hoofdstukken).

 

GRADE-methodiek

Sinds de introductie van de GRADE-methodiek in 2004 werd dit wereldwijd al snel de methode van voorkeur om wetenschappelijk bewijs te graderen ten behoeve van richtlijnontwikkeling (Guyatt et al., 2008), inclusief deze richtlijn. De GRADE-methodiek gaat er van uit dat de zekerheid van het wetenschappelijk bewijs uit randomized controlled trials (RCT’s) in beginsel hoog is vanwege de, mits goed uitgevoerd, kleine kans op vertekening (bias). In geval van observationele (niet gerandomiseerde) studies is de uitgangspositie van de zekerheid van bewijs laag. De zekerheid van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1.1). Bij observationeel onderzoek kan het bewijs in bepaalde gevallen omhoog worden gegradeerd.

 

 

Tabel 1.1 GRADE: Factoren voor downgraden en upgraden 1

We downgraden de zekerheid van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij:

We upgraden de zekerheid van bewijs van observationele studies bij:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet of uitvoering (study limitations): hierbij gaat het om de methodologische kwaliteit. Voorbeelden zijn dat de randomisatie-procedure niet optimaal was, dat beoordelaars van subjectieve uitkomsten niet geblindeerd waren, dat er selectief is gerapporteerd over de uitkomsten en dat er veel uitvallers waren.
  1. Een groot effect (large magnitude of effect): hiervan is sprake als er in de resultaten een groot effect of een sterk bewijs van associatie gevonden wordt. Dit kan tot uitdrukking komen in de hoogte van het relatieve risico (RR).

 

  1. Inconsistentie van de resultaten (inconsistency): hierbij gaat het om heterogeniteit van de resultaten van verschillende studies. Er kunnen beperkingen zijn als er een grote variatie is in de schattingen van het effect van een behandeling of als er nauwelijks overlap is tussen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen (BI’s).
  1. Mogelijke confounders die het ‘ware’ effect verminderd hebben (plausible confounding): hiervan kan sprake zijn als er een achterliggende variabele is, zoals de ernst van de aandoening van de patiënten die met het onderzoek meedoen, die van invloed is op het effect van de interventie.
  1. Indirect bewijs (indirectness): er worden twee soorten indirect bewijs onderscheiden. Enerzijds gaat het om indirecte vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer er alleen interventies met een placebo worden vergeleken en geen interventies met elkaar worden vergeleken. Anderzijds gaat het om verschillen in patiëntenpopulatie, inhoud van de interventie of keuze van de uitkomstmaten tussen de beschikbare studies en de uitgangsvraag die in de richtlijn of richtlijn wordt gesteld.
  1. Bewijs van een verband tussen de dosering en de repons (dose-response gradient): hiervan kan sprake zijn als een stijgende dosering van een bepaald medicijn meer effect geeft.

 

  1. Onnauwkeurigheid van de resultaten (imprecision): hierbij gaat het om de onzekerheid van de uitkomst, bijvoorbeeld als de 95%-BI’s heel breed zijn vanwege kleine patiënten aantallen.

 

  1. Kans op selectieve publicatie (publication bias) van onderzoeken of uitkomstmaten. Een voorbeeld van een beperking is wanneer niet alle studies gepubliceerd worden, bijvoorbeeld kleine studies die geen effecten ten gunste van de interventie konden aantonen.

 

1 De zekerheid van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandelinBij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijs ten aanzien van bovenstaande factoren werd uitgegaan van ‘Grade guidelines’, zoals ook te raadplegen in het ‘Grade handbook’ (Guyatt et al., 2013; Handbook for grading the quality of evidence and the strength of recommendations using the GRADE approach).

 

Legenda GRADE

Na vaststelling van het niveau van bewijs wordt dit in de bijbehorende conclusies als volgt verwoord:

Zekerheid

Symbolen

 

Signaalwoorden

Hoog

⊕⊕⊕⊕

“Het is aangetoond dat…”

geeft, heeft (een effect), resulteert in

Redelijk

⊕⊕⊕◯

“Het is aannemelijk...”

waarschijnlijk

Laag

⊕⊕◯◯

“Er zijn aanwijzingen…”

zou kunnen, lijkt, suggereert

Zeer laag

⊕◯◯◯

“Het is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat…”

onzeker

Van bewijs naar aanbevelingen: Overwegingen

Naast het wetenschappelijk bewijs bepalen enkele andere factoren mede of een instrument of behandeling wordt aanbevolen. In de teksten van de vorige richtlijn-versies werd dit onder “Overige Overwegingen” beschreven.

 

Mee te wegen factoren om te bepalen of een instrument of behandeling wordt aanbevolen:

1. Kwaliteit van bewijs

Hoe hoger de algehele kwaliteit van het bewijs, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Hoe groter het verschil is tussen de gewenste en ongewenste effecten, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Hoe kleiner dit verschil of hoe meer onzekerheid over de grootte van het verschil, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • Bespreken effectiviteit in relatie tot bijwerkingen en complicaties in het licht van de kwaliteit van bewijs, de precisie van de effectgrootte en minimaal klinisch relevant geacht voordeel;
  • Sterkte van het effect vergeleken met geen interventie;
  • Aanwezigheid van comorbiditeit;
  • Klinisch niet relevantie van het effect.

 3. Patiëntenperspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van patiënten bij het afwegen van de voor- en nadelen van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

4. Professioneel perspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van professionals ten aanzien van de toepasbaarheid van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

Toelichting:

  • Kennis en ervaring met technieken/therapieën;
  • Risico’s die professional loopt bij het toepassen van de interventie;
  • Verwachte tijdbesparing;
  • Verlies aan tijd door het invoeren van de interventie.

5. Middelenbeslag

Hoe minder middelen er worden gebruikt (m.a.w. hoe lager de kosten van een interventie zijn vergeleken met de beschouwde alternatieven en andere kosten gerelateerd aan de interventie), des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke aanbeveling. Hoe meer onzekerheid over het middelenbeslag, des te waarschijnlijker wordt een conditionele aanbeveling.

6. Organisatie van zorg

Hoe meer onzekerheid of de geëvalueerde interventie daadwerkelijk op landelijke schaal toepasbaar is, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • De beschikbaarheid/aanwezigheid van faciliteiten & medicijnen;
  • De wijze waarop de organisatie van de zorg aangeboden dient te worden/grootte van de verandering in de organisatie-zorgproces / infrastructuur voor implementatie;
  • Voorbeeld: een bepaalde diagnostiek of behandeling kan alleen in bepaalde centra worden uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van faciliteiten zoals een PET-scan.

Formulering van aanbevelingen

Afhankelijk van deze factoren kun je een instrument of behandeling wel of niet aanbevelen. We maken daarbij onderscheid tussen zwakke en sterke aanbevelingen. In het geval van een sterke aanbeveling zou je behandeling X voor alle patiënten met Y willen aanbevelen. Bij een zwakke aanbeveling is dit bijvoorbeeld afhankelijk van de voorkeuren van de patiënt in kwestie. Het is belangrijk in deze sectie expliciet te vermelden op grond waarvan een behandeling wel of niet wordt aanbevolen en ook waarom die aanbeveling zwak of sterk zou moeten zijn.

 

Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 1.2):

 

Tabel 1.2 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen

Gradering aanbeveling

Betekenis

Voorkeursformulering*

STERK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] aan.

ZWAK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

ZWAK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

STERK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] niet aan.

*      Het gaat hier om voorkeursaanbevelingen, deze kunnen in een enkel geval afwijken. Voor bepaalde hoofdstukken is GRADE niet toegepast (bijv. Organisatie van zorg) daar zijn uit praktisch oogpunt ook de aanbevelingen niet volgens GRADE.

 

Zoekstrategie

Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden, is door de informatiespecialist en reviewers van het Trimbos-instituut, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar meta-analyses, systematische reviews en oorspronkelijke onderzoeken. In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van Medline en Psychological Information Database (Psycinfo).

 

Selectiestrategie

Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:

  • Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze paragraaf);
  • Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de richtlijn;
  • Is er sprake van een meta-analyse, systematic-review, randomised controlled trial (RCT), cohort onderzoek, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;
  • Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per hoofdstuk en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per hoofdstuk.

Leeswijzer

Met kinderen en adolescenten bedoelen we kinderen van 8 tot 12 jaar en adolescenten van 12 tot 18 jaar. Met jongvolwassenen bedoelen we volwassenen van 18 tot 25 jaar. Met volwassenen bedoelen we mensen van 25 tot 60 jaar. Met ouderen bedoelen we oudere volwassenen van 60 jaar en ouder.

Zoekverantwoording

Op 5 juni 2024 is er een search uitgevoerd in PsychInfo en Medline databases. De specifieke zoektermen zijn in het review protocol opgenomen. De search leverde 48 referenties op. Na beoordeling op titel en abstract bleven er 6 referenties over voor selectie op basis van de volledige teksten: Janiri2023; Velosa2020; Leopold2023; De Fazio2017; Christl2023; Lehmann2013. De voornaamste exclusieredenen waren onjuiste uitkomstmaat of onjuiste interventie. Na een uitgebreide tweede selectie bleef één studie over die is opgenomen in dit hoofdstuk: Janiri2023.