Behandeling secundair Raynaud en digitale ulcera

Initiatief: NIV Aantal modules: 26

Lokale behandeling van digitale ulcera

Publicatiedatum: 19-01-2026
Beoordeeld op geldigheid: 19-01-2026

Uitgangsvraag

Is lokale behandeling geïndiceerd ter genezing van digitale ulcera en/of kritieke ischemie bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud?

Aanbeveling

Overweeg botulinetoxine A injecties bij patiënten met secundair Raynaud met digitale ulcera of kritieke ischemie als aanvulling op systemische therapie, zoals intraveneuze prostacycline analogen. Hierbij heeft het de uitdrukkelijke voorkeur van de richtlijnwerkgroep dat patiënten multidisciplinair worden besproken in een centrum met ervaring op het gebied van de onderliggende ziekte en deze interventie.

 

Overweeg topicale behandeling (bijv. vitamine E-gel, tadalafilcrème, hydrocolloïdmembranen) bij patiënten met secundair Raynaud met digitale ulcera of kritieke ischemie als aanvulling op systemische therapie, zoals intraveneuze prostacycline analogen.

 

Lokale wondbehandeling wordt aanbevolen. Er is echter geen evidence voor het gebruik van specifiek lokaal wondmateriaal vanwege de beperkte kwaliteit van beschikbare studies. Daarom wordt aanbevolen om de zorg in samenwerking met het chirurgisch wondteam te coördineren. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het comfort van de patiënt, de specifieke karakteristieken van de wond/ulcus (zoals ischemie, calcinose, infectie, abces of necrose) en de onderliggende diagnose. Zet zo nodig aanvullende diagnostiek in naar bijvoorbeeld infectie, macrovasculair lijden, trombo-embolische event en bijkomend antifosfolipidensyndroom. 

 

LET OP:

De in deze module besproken medicamenten zijn niet geregistreerd voor het gebruik bij het secundair fenomeen van Raynaud. De in Nederland geldende afspraken voor off-label gebruik dienen in acht genomen te worden. Let daarbij ook op contra-indicaties en interacties.

Overwegingen

Gewenste effecten

Lokale behandeling met uitzondering van vitamine e gel lijkt geen significant effect te hebben op de genezing van digitale ulcera. Behandeling met Vitamine E-gel versnelde de genezing van digitale ulcera (13,22 ± 2,72 vs. 20,94 ± 3,65 weken; p < 0,0001) en verlaagde het medicatiegebruik (26,18 ± 5,63 vs. 41,88 ± 7,31; p < 0,0001). Op basis van de beschikbare literatuur kan behandeling met vitamine E gel mogelijk ook leiden tot vermindering van pijnklachten. Voor tadalafilcrème is een trend waargenomen in de richting van pijnreductie. Het bewijs voor deze bevindingen is echter onzeker tot zeer onzeker. Botulinetoxine A injecties leidt in 71%-100% (na een mediane periode van 8 tot 12 weken) tot genezing van digitale ulcera. In drie studies werd een gelijktijdige pijnreductie van 20% tot 100% waargenomen op de visuele analoge schaal (VAS). Een samenvatting van de kwaliteit van het bewijs en de resultaten is te vinden in tabel 2, met een uitgebreidere weergave in Conclusies / Summary of Findings.

 

Ongewenste effecten

Op basis van de beschikbare literatuur veroorzaakt lokale behandeling, waaronder tadalafilcrème, hydrocolloïdmembranen en vitamine E-gel, geen of slechts minimale bijwerkingen. In de studies waarin botulinetoxine A injecties zijn onderzocht is de meest voorkomende bijwerking tijdelijke handzwakte (gerapporteerd door maximaal 10% van de patiënten na de procedure). Pijn gerelateerd aan de procedure werd in de studie van Motegi et al. door alle patiënten gerapporteerd, maar verdween bij alle patiënten binnen twee dagen.(74)

 

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van het bewijs is laag tot zeer laag. Zie hiervoor tabel 2, conclusies en grade evidence profielen onder Conclusies / Summary of Findings. De observationele aard van de studies, het lage aantal geïncludeerde patiënten, de heterogeniteit (of zelfs het ontbreken) van een definitie van digitale ulcera (inclusief wondgenezing, en de objectieve moeilijkheid om het effect van lokale maatregelen in combinatie met systemische behandelingen te beoordelen, maken het onmogelijk om definitieve conclusies te trekken. Bovendien werd een deel van de geïncludeerde patiënten al behandeld met andere orale vaatverwijdende middelen (zoals calciumantagonisten, PDE-5-remmers, angiotensine-receptorblokkers, etc.), wat het nog lastiger maakt om het effect van de lokale behandeling op zichzelf te beoordelen.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Er is onzekerheid over de waardering van de uitkomsten door patiënten.

 

Balans gewenste en ongewenste effecten

Lokale behandeling (met uitzondering van vitamine E-gel) lijkt geen significant effect te hebben op de genezing van digitale ulcera. Vitamine E-gel kan mogelijk het genezingsproces versnellen, het medicatiegebruik verminderen en pijnklachten verlichten, al is het bewijs hiervoor onzeker. Voor tadalafilcrème is slechts een niet-significante trend richting pijnreductie gevonden. Botulinetoxine A injecties laten in kleine studies een hoog percentage wondgenezing en pijnreductie zien, maar het bewijs is van lage kwaliteit. Lokale behandelingen veroorzaken over het algemeen weinig tot geen bijwerkingen. Bij botulinetoxine A injecties komt tijdelijke handzwakte voor (tot 10%) en ervaren alle patiënten proceduregerelateerde pijn, die doorgaans binnen twee dagen verdwijnt.

 

Het bewijs voor alle interventies is laag tot zeer laag van kwaliteit, waardoor de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.

 

Economische overwegingen en kosteneffectiviteit

Deze lijken geen belangrijke rol te spelen.

 

Gelijkheid (health equity)

Het al dan niet toepassen van lokale behandeling zal naar verwachting wel invloed hebben op gezondheidsgelijkheid, omdat o.a. botulinetoxine A maar ook vitamine e gel mogelijk niet standaard vergoed wordt en daardoor verschillen in behandeltoegang kunnen ontstaan.

 

Aanvaardbaarheid

Er wordt verwacht dat de aanvaardbaarheid hoog is voor zowel patiënt als behandelde arts.

 

Haalbaarheid

De toepassing van lokale behandeling bij patiënten met digitale ulcera door onderliggende systemische sclerose brengt verschillende praktische uitdagingen met zich mee. Hoewel lokale therapieën zoals tadalafilcrème, hydrocolloïdmembranen en vitamine E-gel weinig tot minimale bijwerkingen lijken te hebben, blijft hun haalbaarheid in de dagelijkse praktijk een belangrijk aandachtspunt. Een van de uitdagingen is de frequentie en consistentie van toepassing. Patiënten met systemische sclerose kampen vaak met beperkte handfunctie door huidverstrakking, gewrichtscontracturen en pijn, wat het zelfstandig aanbrengen van lokale behandelingen bemoeilijkt. Botulinetoxine A is doorgaans na drie maanden uitgewerkt, waardoor patiënten elke drie maanden een nieuwe injectie nodig hebben. Ook beschikken niet alle ziekenhuizen over ervaring met de toediening van botulinetoxine A.

Onderbouwing

Digitale ulcera bij systemische sclerose genezen slecht en kan gepaard gaan met weefselverlies. Ondanks medicamenteuze behandeling en wondverzorging kan amputatie niet altijd worden voorkomen. Digitale ulcera hebben dan ook een grote impact op de kwaliteit van leven van de patiënt en kunnen leiden tot belangrijk verlies van handfunctie.(69) Ondanks dat lokale behandeling een belangrijk onderdeel vormt in de behandeling van digitale ulcera (met als belangrijk doel het voorkomen van weefselverlies) zijn er weinig studies die het effect goed hebben onderzocht. Zo wordt niet-chirurgische debridement door sommige experts beschouwd als de standaardzorg bij de lokale behandeling van digitale ulcera bij systemische sclerose, echter varieert het gebruik van deze techniek varieert aanzienlijk.(70-72)

Tabel 2. GRADE summary of findings

a. Tadalafil 2% crème

Uitkomsten

Impact

Aantal deelnemers
(studies)

Certainty of the evidence
(GRADE)

 
 

 

Genezing digitale ulcera (aantal)

Het gemiddelde aantal digitale ulcera per patiënt nam af van 1,6 ± 1,0 naar 1,0 ± 1,0 na 4 weken behandeling, maar het verschil was niet statistisch significant (p = 0,088). Tevens was er ook een zwakke trend in pijnvermindering (VAS).

(1 observationele studie)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Necrose - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Bijwerkingen

Er zijn geen bijwerkingen gerapporteerd

(1 observationele studie)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Het risico in de interventie groep (en het 95% betrouwbaarheidsinterval) is gebaseerd op het risico in de controlegroep en het relatieve effect van de interventie (en het 95% BI). CI: Confidence interval; a. Case series; b. 4 weken voorafgaande geen verandering in behandeling; c. Voornamelijk vrouwen geïncludeerd.

 

 

b. Topicale membranen

Uitkomsten

Impact

Aantal deelnemers
(studies)

Certainty of the evidence
(GRADE)

 
 

 

Genezing digitale ulcera (aantal)

Gerapporteerde "healing rate" van 90 en 100% in de studies (n=6 en n=7), na een mediane duur van 3-8 weken.

(2 observationele studies)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Noodzaak tot amputatie - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Necrose - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Voorkomen van superinfecties

In de studie waarin de hydrocolloïd membraan is onderzocht was er 10% sprake van lokale wondinfectie

(2 observationele studies)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Duur van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Bijwerkingen

Er werden geen bijwerkingen gerapporteerd, wel was er in de studie waarin hydrocolloïd membraan is onderzocht er in 10% van de gevallen sprake van lokale wondinfectie

(2 observationele studies)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Het risico in de interventie groep (en het 95% betrouwbaarheidsinterval) is gebaseerd op het risico in de controle groep en het relatieve effect van de interventie (en het 95% BI). CI: Confidence interval; a. Zeer kleine groepen; b. Oudere studie; c. Alleen ulcera die al ruim 2 weken bestaan zijn geïncludeerd. Tevens ook alleen ulcera tussen 2mm-4mm geïncludeerd.

 

 

c. Vitamine E-gel

Uitkomsten

Impact

Aantal deelnemers
(studies)

Certainty of the evidence
(GRADE)

 
 

 

Genezing digitale ulcera (aantal)

Behandeling met Vitamine E-gel versnelde de genezing van digitale ulcera (13,22 ± 2,72 vs. 20,94 ± 3,65 weken; p < 0,0001) en verlaagde het medicatiegebruik (26,18 ± 5,63 vs. 41,88 ± 7,31; p < 0,0001). Daarnaast zorgde vitamine e gel voor snellere pijnverlichting (NRS 0) met minder gebruik van medicamenten (17,82 ± 4,59 vs. 26,26 ± 19,16; p = 0,0022).

(1 RCT)

⨁⨁◯◯
Laaga,b,c,d

 

 

Voorkomen van nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Necrose - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/ poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Bijwerkingen - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Het risico in de interventie groep (en het 95% betrouwbaarheidsinterval) is gebaseerd op het risico in de controlegroep en het relatieve effect van de interventie (en het 95% BI).
CI: Confidence interval; a. Oudere studie uit 2009; b. Geen duidelijkheid over hoe er gerandomiseerd is, alleen dat dit random was; c. Alleen Italiaanse patiënten zijn geïncludeerd; d. Geen van de patiënten kregen als standaardtherapie iloprost, terwijl dit alhier wel vaak wordt gegeven.

 

 

d. Botulinetoxine A

Uitkomsten

Impact

Aantal deelnemers
(studies)

Certainty of the evidence
(GRADE)

 
 

 

Genezing digitale ulcera (aantal)

Het genezingspercentage was in alle studies hoog, variërend van 71% tot 100% na een mediane periode van 8 tot 12 weken. In drie studies werd een gelijktijdige pijnreductie van 20% tot 100% waargenomen op de visuele analoge schaal (VAS).

(5 observationele studies)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Necrose - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

 

-

-

 

 

Bijwerkingen

Over het algemeen werd de procedure goed verdragen. De meest voorkomende bijwerking was tijdelijke handzwakte, gerapporteerd door maximaal 10% van de patiënten na de procedure. Pijn gerelateerd aan de procedure werd in de studie van Motegi et al. door alle patiënten gerapporteerd, maar verdween bij alle patiënten binnen twee dagen.

(5 observationele studies)

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

 

Het risico in de interventie groep (en het 95% betrouwbaarheidsinterval) is gebaseerd op het risico in de controlegroep en het relatieve effect van de interventie (en het 95% BI). CI: Confidence interval. a. In de studies worden er verschillende doseringen van botulinetoxine A gebruikt (variërend van 20-150U). b. Alleen patiënten die langer dan 3 maanden een digitale ulcera hadden werden geïncludeerd. Tevens werden ook alleen patiënten die > 1 jaar vaatverwijdende medicatie krijgen geïncludeerd. c. Onduidelijkheid over hoe de uitkomsten precies zijn gedefinieerd in de verschillende studies

 

 

Conclusies

⨁◯◯◯ 
ZEER LAAG 

Op basis van de bestaande literatuur leidt lokale behandeling met tadalafilcrème niet tot een significante versnelling van de genezing van digitale ulcera. Het gebruik van topicale membranen kan mogelijk wel een genezingstendens veroorzaken.

Campochiaro, 2023(73)

 

⨁⨁◯◯ 
LAAG 

 

Op basis van de bestaande literatuur is er een significante versnelling van de genezing van digitale ulcera na gebruik van vitamine e gel met tevens ook minder medicatiebehoefte.

Campochiaro, 2023(73)

 

⨁◯◯◯ 
ZEER LAAG 

 

Op basis van de bestaande literatuur leidt lokale behandeling (tadalafilcrème en hydrocolloïd membranen) niet of tot minimale bijwerkingen.

Campochiaro, 2023(73)

 

⨁◯◯◯ 
ZEER LAAG 

Op basis van de bestaande literatuur leidt lokale behandeling met vitamine E gel mogelijk tot minder pijnklachten. Daarnaast is er bij het gebruik van tadalafilcrème een trend waargenomen richting minder pijnklachten.

Campochiaro, 2023(73)

 

⨁◯◯◯ 
ZEER LAAG 

Op basis van de bestaande literatuur leidt lokale behandeling met botulinetoxine A injecties tot versnelde genezing (in 71-100% van de patiënten) van digitale ulcera en tot minder pijnklachten.

Campochiaro, 2023(73)

GRADE Evidence Profielen (VERGROOT TABEL)

Lokale behandeling

a. Tadalafil crème 

Certainty assessment

Impact

Certainty

Importantie

Aantal studies

Studieopzet

Risk of bias

Inconsistentie

Indirect bewijs

Onnauwkeurigheid

Andere factoren

Genezing digitale ulcera (aantal)

1

observationele studies

ernstiga,b

niet ernstig

ernstigc

niet ernstig

niet gevonden

Het gemiddelde aantal DUs per patiënt nam af van 1,6 ± 1,0 naar 1,0 ± 1,0 na 4 weken behandeling, maar het verschil was niet statistisch significant (p = 0,088). Tevens was er ook een zwakke trend in pijnvermindering (VAS).

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

CRUCIAAL

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

CRUCIAAL

Necrose - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

CRUCIAAL

Handfunctie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

CRUCIAAL

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

CRUCIAAL

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

CRUCIAAL

Bijwerkingen

1

observationele studies

ernstiga,b

niet ernstig

ernstiga,c

niet ernstig

niet gevonden

Er zijn geen bijwerkingen gerapporteerd

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

CRUCIAAL

CI: Confidence interval; a. Case series; b. 4 weken voorafgaande geen verandering in behandeling; c. Voornamelijk vrouwen geïncludeerd.

 

b. Topische membranen

Certainty assessment

Impact

Certainty

Importantie

Aantal studies

Studieopzet

Risk of bias

Inconsistentie

Indirect bewijs

Onnauwkeurigheid

Andere factoren

Genezing digitale ulcera (aantal)

2

observationele studies

zeer ernstiga

niet ernstig

ernstigb

ernstigc

niet gevonden

Gerapporteerde "healing rate" van 90 en 100% in de studies (n=6 en n=7), na een mediane duur van 3-8 weken.

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Noodzaak tot amputatie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Necrose - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Voorkomen van superinfecties

2

observationele studies

zeer ernstiga,b

niet ernstig

ernstigb

zeer ernstigc

niet gevonden

In de studie waarin de hydrocolloide membraan is onderzocht was er 10% sprake van locale wondinfectie

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

Duur van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Bijwerkingen

2

observationele studies

zeer ernstiga,b

niet ernstig

ernstigb,c

ernstigc

niet gevonden

Er werden geen bijwerkingen gerapporteed, wel was er in de studie waarin hydrocolloide membraan is onderzocht er in 10% van de gevallen sprake van locale wondinfectie

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

CI: Confidence interval; a. Zeer kleine groepen; b. Oudere studie; c. Alleen ulcera die al ruim 2 weken bestaan zijn geïncludeerd. Tevens ook alleen ulcera tussen 2mm-4mm geïncludeerd.

 

 

c. Vitamine E gel

Certainty assessment

Impact

Certainty

Importantie

Aantal studies

Studieopzet

Risk of bias

Inconsistentie

Indirect bewijs

Onnauwkeurigheid

Andere factoren

Genezing digitale ulcera (aantal)

1

gerandomiseerde trials

ernstiga,b

niet ernstig

ernstiga,c,d

niet ernstig

niet gevonden

Behandeling met Vitamine E-gel versnelde de genezing van digitale ulcera (13,22 ± 2,72 vs. 20,94 ± 3,65 weken; p < 0,0001) en verlaagde het medicatiegebruik (26,18 ± 5,63 vs. 41,88 ± 7,31; p < 0,0001). Daarnaast zorgde vitamine e gel voor snellere pijnverlichting (NRS 0) met minder gebruik van medicamenten (17,82 ± 4,59 vs. 26,26 ± 19,16; p = 0,0022).

⨁⨁◯◯
Laaga,b,c,d

CRUCIAAL

Voorkomen van nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Necrose - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/ poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Bijwerkingen - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

CI: Confidence interval; a. Oudere studie uit 2009; b. Geen duidelijkheid over hoe er gerandomiseerd is, alleen dat dit random was; c. Alleen Italiaanse patiënten zijn geïncludeerd; d. Geen van de patiënten kregen als standaardtherapie iloprost, terwijl dit alhier wel vaak wordt gegeven.

 

 

d. Botulinetoxine A injecties

Certainty assessment

Impact

Certainty

Importantie

Aantal studies

Studieopzet

Risk of bias

Inconsistentie

Indirect bewijs

Onnauwkeurigheid

Andere factoren

Genezing digitale ulcera (aantal)

5

observationele studies

niet ernstig

niet ernstig

ernstiga,b

ernstigc

niet gevonden

De genezingspercentage was in alle studies hoog, variërend van 71% tot 100% na een mediane periode van 8 tot 12 weken. In drie studies werd een gelijktijdige pijnreductie van 20% tot 100% waargenomen op de visuele analoge schaal (VAS).

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

Voorkomen nieuwe digitale ulcera - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Necrose - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Handfunctie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Voorkomen van superinfecties - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Duur/frequentie van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

 

-

 

Bijwerkingen

5

observationele studies

niet ernstig

niet ernstig

ernstiga,b

ernstigc

niet gevonden

Over het algemeen werd de procedure goed verdragen. De meest voorkomende bijwerking was tijdelijke handzwakte, gerapporteerd door maximaal 10% van de patiënten na de procedure. Pijn gerelateerd aan de procedure werd in de studie van Motegi et al. door alle patiënten gerapporteerd, maar verdween bij alle patiënten binnen twee dagen.

⨁◯◯◯
Zeer laaga,b,c

 

CI: Confidence interval. a. In de studies worden er verschillende doseringen van botulinetoxine A gebruikt (variërend van 20-150U). b. Alleen patiënten die langer dan 3 maanden een digitale ulcera hadden werden geïncludeerd. Tevens werden ook alleen patiënten die > 1 jaar vaatverwijdende medicatie krijgen geïncludeerd. c. Onduidelijkheid over hoe de uitkomsten precies zijn gedefinieerd in de verschillende studies.

Effectiviteit

De beschikbare literatuur over de effectiviteit van lokale behandeling bij digitale ulcera en/of kritieke ischemie bij patiënten met secundair Raynaud-fenomeen is beperkt. Hoewel sommige studies veelbelovende resultaten tonen, is de bewijskracht over het algemeen laag. De observationele aard van de studies, het geringe aantal geïncludeerde patiënten en de heterogeniteit of afwezigheid van een eenduidige definitie van digitale ulcera (inclusief wondgenezing) bemoeilijken de interpretatie. Daarnaast maakt de combinatie van lokale en systemische behandelingen het lastig om het effect van lokale maatregelen afzonderlijk te beoordelen, waardoor geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken. Zie ook tabel 2, conclusies en grade evidence profielen in Conclusies / Summary of Findings.

Tabel 1. PICO

Populatie

Patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud met digitale ulcera

Interventie

Lokale behandeling

Controle

Placebo

Uitkomstmaten (Outcome)

Genezing ulcus (oppervlakte), pijn (bij voorkeur in rust, met VAS), noodzaak tot amputatie, necrose, handfunctie (SHAQ), voorkomen van superinfecties, duur van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken

 

 

Setting

Poliklinisch

Perspectief

Individuele patiënt

Literatuursearch en -selectie

Er is 1 systematische review gevonden die voldeed aan de selectiecriteria, zie ook onder evidence tabellen.(73) Er werden geen RCTs gevonden die voldeden aan de selectiecriteria. In het geïncludeerde artikel van Campochiaro et al. (2023) zijn er 8 verschillende niet-chirurgische lokale behandelopties geëvalueerd, waaronder botulinetoxine A-injecties, topische membranen, zalven, hydrodissectie en steroïdinjecties in de carpale tunnel, low-level lichttherapie, extracorporeal shockwave-therapie (ESW), dimethylsulfoxide en fotobiomodulatie.(73) Voor deze richtlijn zijn vier behandelingen geselecteerd: tadalafilcrème, vitamine E-gel, botulinetoxine A-injecties en topische membranen.

 

Literatuurselectie

 

Lokale behandeling

In- en exclusiecriteria

Inclusiecriteria

Exclusiecriteria

Populatie: patiënten met digitale ulcera of kritieke ischemie

 

Interventie: TARs

 

Controle: placebo

 

Uitkomstmaten: Genezing ulcus (oppervlakte), pijn (bij voorkeur in rust, met VAS), noodzaak tot amputatie, necrose, handfunctie (SHAQ), voorkomen van superinfecties, duur van ziekenhuisopname/poliklinische bezoeken

 

Onderzoeksdesign: systematische reviews (bij search naar systematische reviews)

 

Taal: Engels en Nederlands

 

Resultaat literatuurselectie

Methode

Op 24-09-24 is in Medline gezocht naar bewijs uit de literatuur. Hierbij is gezocht naar combinaties van gecontroleerde trefwoorden en vrije tekstwoorden gericht op digitale ulcera, kritieke ischemie en lokale behandeling. Er is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. De volledige zoekstrategie is te vinden onder verantwoording. Met behulp van tevoren vastgestelde selectiecriteria is de literatuurselectie uitgevoerd in twee stappen: eerst op basis van titel en abstract en daarna op basis van de volledige tekst. De literatuurselectie is weergegeven onder evidence tabellen.

 

Na het selectie- en data-extractieproces van de systematische reviews is op 24-09-24 gezocht naar RCT’s verschenen na inclusiedatum van de geselecteerde systematische review. Ook deze stappen zijn verantwoord in de zoekstrategie onder verantwoording en onder evidence tabellen. 

  1. 1. Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Behandelrichtlijn Fenomeen van Raynaud. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap; 2024.
  2. 2. Adviescommissie Richtlijnen - Raad Kwaliteit. Medisch specialistische richtlijnen 2.0. 2011.
  3. 3. Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, et al. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42.
  4. 4. Brozek JL, Akl EA, Alonso-Coello P, Lang D, Jaeschke R, Williams JW, et al. Grading quality of evidence and strength of recommendations in clinical practice guidelines. Part 1 of 3. An overview of the GRADE approach and grading quality of evidence about interventions. Allergy. 2009;64(5):669-77.
  5. 5. Kunz R, Burnand B, Schunemann HJ, Grading of Recommendations AD, Evaluation Working G. [The GRADE System. An international approach to standardize the graduation of evidence and recommendations in guidelines]. Internist (Berl). 2008;49(6):673-80.
  6. 6. Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, et al. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016;353:i2089.
  7. 7. Alonso-Coello P, Schunemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, et al. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016;353:i2016.
  8. 8. Parodis I, Girard-Guyonvarc'h C, Arnaud L, Distler O, Domjan A, Van den Ende CHM, et al. EULAR recommendations for the non-pharmacological management of systemic lupus erythematosus and systemic sclerosis. Ann Rheum Dis. 2024;83(6):720-9.
  9. 9. Vermeire E, Hearnshaw H, Van Royen P, Denekens J. Patient adherence to treatment: three decades of research. A comprehensive review. J Clin Pharm Ther. 2001;26(5):331-42.
  10. 10. Daniels J, Pauling JD, Eccleston C. Behaviour change interventions for the management of Raynaud's phenomenon: a systematic literature review. BMJ Open. 2018;8(12):e024528.
  11. 11. Stocker JK, Schouffoer AA, Spierings J, Schriemer MR, Potjewijd J, de Pundert L, et al. Evidence and consensus-based recommendations for non-pharmacological treatment of fatigue, hand function loss, Raynaud's phenomenon and digital ulcers in patients with systemic sclerosis. Rheumatology (Oxford). 2022;61(4):1476-86.
  12. 12. Fritsch A, Kokoschka R, Mach K. [Results of thoracoscopic sympathectomy in hyperhidrosis of the upper extremities (author's transl)]. Wien Klin Wochenschr. 1975;87(17):548-50.
  13. 13. Hoexum F, Coveliers HM, Lu JJ, Jongkind V, Yeung KK, Wisselink W. Thoracic sympathectomy for upper extremity ischemia. Minerva Cardioangiol. 2016;64(6):676-85.
  14. 14. Herrick A, Muir L. Raynaud's phenomenon (secondary). BMJ Clin Evid. 2014;2014.
  15. 15. Coveliers HM, Hoexum F, Nederhoed JH, Wisselink W, Rauwerda JA. Thoracic sympathectomy for digital ischemia: a summary of evidence. J Vasc Surg. 2011;54(1):273-7.
  16. 16. Claes G, Drott C, Gothberg G. Thoracoscopic sympathicotomy for arterial insufficiency. Eur J Surg Suppl. 1994(572):63-4.
  17. 17. van Roon AM, Kuijpers M, van de Zande SC, Abdulle AE, van Roon AM, Bos R, et al. Treatment of resistant Raynaud's phenomenon with single-port thoracoscopic sympathicotomy: a novel minimally invasive endoscopic technique. Rheumatology (Oxford). 2020;59(5):1021-5.
  18. 18. Kuijpers M, van de Zande SC, van Roon AM, van Roon AM, Stel AJ, Smit AJ, et al. Treatment of resistant Raynaud's phenomenon with single-port thoracoscopic sympathicotomy: One-year follow-up. Semin Arthritis Rheum. 2022;56:152065.
  19. 19. Karapolat S, Turkyilmaz A, Tekinbas C. Effects of Endoscopic Thoracic Sympathectomy on Raynaud's Disease. J Laparoendosc Adv Surg Tech A. 2018;28(6):726-9.
  20. 20. Ennis H, Anderson ME, Wilkinson J, Herrick AL. Calcium channel blockers for primary Raynaud's phenomenon. Cochrane Database Syst Rev. 2014(1):CD002069.
  21. 21. Garcia de la Pena Lefebvre P, Nishishinya MB, Pereda CA, Loza E, Sifuentes Giraldo WA, Roman Ivorra JA, et al. Efficacy of Raynaud's phenomenon and digital ulcer pharmacological treatment in systemic sclerosis patients: a systematic literature review. Rheumatol Int. 2015;35(9):1447-59.
  22. 22. Herrick A. Raynaud's phenomenon (secondary). BMJ Clin Evid. 2008;2008.
  23. 23. Pope JE. Raynaud's phenomenon (primary). BMJ Clin Evid. 2008;2008.
  24. 24. Rirash F, Tingey PC, Harding SE, Maxwell LJ, Tanjong Ghogomu E, Wells GA, et al. Calcium channel blockers for primary and secondary Raynaud's phenomenon. Cochrane Database Syst Rev. 2017;12(12):CD000467.
  25. 25. Thompson AE, Pope JE. Calcium channel blockers for primary Raynaud's phenomenon: a meta-analysis. Rheumatology (Oxford). 2005;44(2):145-50.
  26. 26. Thompson AE, Shea B, Welch V, Fenlon D, Pope JE. Calcium-channel blockers for Raynaud's phenomenon in systemic sclerosis. Arthritis Rheum. 2001;44(8):1841-7.
  27. 27. Stewart M, Morling JR. Oral vasodilators for primary Raynaud's phenomenon. Cochrane Database Syst Rev. 2012;2012(7):CD006687.
  28. 28. Su KY, Sharma M, Kim HJ, Kaganov E, Hughes I, Abdeen MH, et al. Vasodilators for primary Raynaud's phenomenon. Cochrane Database Syst Rev. 2021;5(5):CD006687.
  29. 29. Vinjar B, Stewart M. Oral vasodilators for primary Raynaud's phenomenon. Cochrane Database Syst Rev. 2008(2):CD006687.
  30. 30. Zorginstituut Nederland. Quinapril/hydrochloorthiazide [Available from: https://www.farmacotherapeutischkompas.nl/bladeren/preparaatteksten/q/quinapril_hydrochloorthiazide.
  31. 31. Dziadzio M, Denton CP, Smith R, Howell K, Blann A, Bowers E, et al. Losartan therapy for Raynaud's phenomenon and scleroderma: clinical and biochemical findings in a fifteen-week, randomized, parallel-group, controlled trial. Arthritis Rheum. 1999;42(12):2646-55.
  32. 32. Roustit M, Blaise S, Allanore Y, Carpentier PH, Caglayan E, Cracowski JL. Phosphodiesterase-5 inhibitors for the treatment of secondary Raynaud's phenomenon: systematic review and meta-analysis of randomised trials. Ann Rheum Dis. 2013;72(10):1696-9.
  33. 33. Zorginstituut Nederland. Farmacotherapeutisch Kompas [Available from: https://www.farmacotherapeutischkompas.nl.
  34. 34. Halpern A, Kuhn PH, Shaftel HE, Samuels SS, Shaftel N, Selman D, et al. Raynaud's disease, Raynaud's phenomenon, and serotonin. Angiology. 1960;11:151-67.
  35. 35. Seibold JR. Serotonin and Raynaud's phenomenon. J Cardiovasc Pharmacol. 1985;7 Suppl 7:S95-8.
  36. 36. Coleiro B, Marshall SE, Denton CP, Howell K, Blann A, Welsh KI, et al. Treatment of Raynaud's phenomenon with the selective serotonin reuptake inhibitor fluoxetine. Rheumatology (Oxford). 2001;40(9):1038-43.
  37. 37. Korn JH, Mayes M, Matucci Cerinic M, Rainisio M, Pope J, Hachulla E, et al. Digital ulcers in systemic sclerosis: prevention by treatment with bosentan, an oral endothelin receptor antagonist. Arthritis Rheum. 2004;50(12):3985-93.
  38. 38. Matucci-Cerinic M, Denton CP, Furst DE, Mayes MD, Hsu VM, Carpentier P, et al. Bosentan treatment of digital ulcers related to systemic sclerosis: results from the RAPIDS-2 randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Ann Rheum Dis. 2011;70(1):32-8.
  39. 39. Nguyen VA, Eisendle K, Gruber I, Hugl B, Reider D, Reider N. Effect of the dual endothelin receptor antagonist bosentan on Raynaud's phenomenon secondary to systemic sclerosis: a double-blind prospective, randomized, placebo-controlled pilot study. Rheumatology (Oxford). 2010;49(3):583-7.
  40. 40. Herrick AL, Philobos M. Pharmacological management of digital ulcers in systemic sclerosis - what is new? Expert Opin Pharmacother. 2023;24(10):1159-70.
  41. 41. Kowal-Bielecka O, Fransen J, Avouac J, Becker M, Kulak A, Allanore Y, et al. Update of EULAR recommendations for the treatment of systemic sclerosis. Ann Rheum Dis. 2017;76(8):1327-39.
  42. 42. Pope J, Fenlon D, Thompson A, Shea B, Furst D, Wells G, et al. Iloprost and cisaprost for Raynaud's phenomenon in progressive systemic sclerosis. Cochrane Database Syst Rev. 2000;1998(2):CD000953.
  43. 43. Huisstede BM, Hoogvliet P, Paulis WD, van Middelkoop M, Hausman M, Coert JH, et al. Effectiveness of interventions for secondary Raynaud's phenomenon: a systematic review. Arch Phys Med Rehabil. 2011;92(7):1166-80.
  44. 44. Schioppo T, Scalone L, Cozzolino P, Mantovani L, Cesana G, De Lucia O, et al. Health-related quality of life burden in scleroderma patients treated with two different intravenous iloprost regimens. Reumatismo. 2019;71(2):62-7.
  45. 45. Curtiss P, Schwager Z, Cobos G, Lo Sicco K, Franks AG, Jr. A systematic review and meta-analysis of the effects of topical nitrates in the treatment of primary and secondary Raynaud's phenomenon. J Am Acad Dermatol. 2018;78(6):1110-8 e3.
  46. 46. Bredie SJ, Jong MC. No significant effect of ginkgo biloba special extract EGb 761 in the treatment of primary Raynaud phenomenon: a randomized controlled trial. J Cardiovasc Pharmacol. 2012;59(3):215-21.
  47. 47. Malenfant D, Catton M, Pope JE. The efficacy of complementary and alternative medicine in the treatment of Raynaud's phenomenon: a literature review and meta-analysis. Rheumatology (Oxford). 2009;48(7):791-5.
  48. 48. Yusuf MZ, Raslan Z, Atkinson L, Aburima A, Thomas SG, Naseem KM, et al. Prostacyclin reverses platelet stress fibre formation causing platelet aggregate instability. Sci Rep. 2017;7(1):5582.
  49. 49. Tingey T, Shu J, Smuczek J, Pope J. Meta-analysis of healing and prevention of digital ulcers in systemic sclerosis. Arthritis Care Res (Hoboken). 2013;65(9):1460-71.
  50. 50. Ingegnoli F, Schioppo T, Allanore Y, Caporali R, Colaci M, Distler O, et al. Practical suggestions on intravenous iloprost in Raynaud's phenomenon and digital ulcer secondary to systemic sclerosis: Systematic literature review and expert consensus. Semin Arthritis Rheum. 2019;48(4):686-93.
  51. 51. Zorginstituut Nederland. Iloprost (intraveneus) [Available from: https://www.farmacotherapeutischkompas.nl/bladeren/preparaatteksten/i/iloprost__intraveneus_.
  52. 52. Fiessinger JN, Schafer M. Trial of iloprost versus aspirin treatment for critical limb ischaemia of thromboangiitis obliterans. The TAO Study. Lancet. 1990;335(8689):555-7.
  53. 53. Bellando-Randone S, Bruni C, Lepri G, Fiori G, Bartoli F, Conforti ML, et al. The safety of iloprost in systemic sclerosis in a real-life experience. Clin Rheumatol. 2018;37(5):1249-55.
  54. 54. Jamart C, Levesque H, Thietart S, Fain O, Riviere S, Benhamou Y, et al. Iloprost Duration for Digital Ulcers in Systemic Sclerosis: French Retrospective Study at Two Centers and Literature Review. Front Med (Lausanne). 2022;9:878970.
  55. 55. Rademaker M, Cooke ED, Almond NE, Beacham JA, Smith RE, Mant TG, et al. Comparison of intravenous infusions of iloprost and oral nifedipine in treatment of Raynaud's phenomenon in patients with systemic sclerosis: a double blind randomised study. BMJ. 1989;298(6673):561-4.
  56. 56. Lee EY, Park JK, Lee W, Kim YK, Park CS, Giles JT, et al. Head-to-head comparison of udenafil vs amlodipine in the treatment of secondary Raynaud's phenomenon: a double-blind, randomized, cross-over study. Rheumatology (Oxford). 2014;53(4):658-64.
  57. 57. Fries R, Shariat K, von Wilmowsky H, Bohm M. Sildenafil in the treatment of Raynaud's phenomenon resistant to vasodilatory therapy. Circulation. 2005;112(19):2980-5.
  58. 58. Herrick AL, van den Hoogen F, Gabrielli A, Tamimi N, Reid C, O'Connell D, et al. Modified-release sildenafil reduces Raynaud's phenomenon attack frequency in limited cutaneous systemic sclerosis. Arthritis Rheum. 2011;63(3):775-82.
  59. 59. Shenoy PD, Kumar S, Jha LK, Choudhary SK, Singh U, Misra R, et al. Efficacy of tadalafil in secondary Raynaud's phenomenon resistant to vasodilator therapy: a double-blind randomized cross-over trial. Rheumatology (Oxford). 2010;49(12):2420-8.
  60. 60. Ntelis K, Gkizas V, Filippopoulou A, Davlouros P, Alexopoulos D, Andonopoulos AP, et al. Clopidogrel treatment may associate with worsening of endothelial function and development of new digital ulcers in patients with systemic sclerosis: results from an open label, proof of concept study. BMC Musculoskelet Disord. 2016;17:213.
  61. 61. Ross L, Maltez N, Hughes M, Schoones JW, Baron M, Chung L, et al. Systemic pharmacological treatment of digital ulcers in systemic sclerosis: a systematic literature review. Rheumatology (Oxford). 2023;62(12):3785-800.
  62. 62. Vitse J, Tchero H, Meaume S, Dompmartin A, Malloizel-Delaunay J, Geri C, et al. Silver Sulfadiazine and Cerium Nitrate in Ischemic Skin Necrosis of the Leg and Foot: Results of a Prospective Randomized Controlled Study. Int J Low Extrem Wounds. 2018;17(3):151-60.
  63. 63. Zorginstituut Nederland. Zilversulfadiazine/ceriumnitraat [Available from: https://www.farmacotherapeutischkompas.nl/bladeren/preparaatteksten/z/zilversulfadiazine_ceriumnitraat.
  64. 64. Bogoch ER, Gross DK. Surgery of the hand in patients with systemic sclerosis: outcomes and considerations. J Rheumatol. 2005;32(4):642-8.
  65. 65. Costedoat I, Masson M, Barnetche T, Duffau P, Lazaro E, Richez C, et al. Locoregional Treatments for Digital Ulcers in Systemic Sclerosis: A Systematic Review. Acta Derm Venereol. 2021;101(6):adv00478.
  66. 66. Suliman YA, Campochiaro C, Hughes M, Schoones JW, Giuggioli D, Moinzadeh P, et al. Surgical management of digital ulcers in systemic sclerosis: A systematic literature review. Semin Arthritis Rheum. 2023;63:152266.
  67. 67. Shammas RL, Hwang BH, Levin LS, Richard MJ, Ruch DS, Mithani SK. Outcomes of sympathectomy and vascular bypass for digital ischaemia in connective tissue disorders. J Hand Surg Eur Vol. 2017;42(8):823-6.
  68. 68. Chen SH, Lien PH, Lee CH, Huang RW, Hsu CC, Lin CH, et al. Neurectomy of the Nerve of Henle Associated with Periarterial Sympathectomy for Management of Intractable Raynaud Phenomenon. Plast Reconstr Surg. 2024;153(6):1333-44.
  69. 69. Mouthon L, Mestre-Stanislas C, Berezne A, Rannou F, Guilpain P, Revel M, et al. Impact of digital ulcers on disability and health-related quality of life in systemic sclerosis. Ann Rheum Dis. 2010;69(1):214-7.
  70. 70. Hughes M, Alcacer-Pitarch B, Allanore Y, Baron M, Boin F, Bruni C, et al. Digital ulcers: should debridement be a standard of care in systemic sclerosis? Lancet Rheumatol. 2020;2(5):e302-e7.
  71. 71. Hughes M, Alcacer-Pitarch B, Gheorghiu AM, Praino E, Sandler RD, Tavor Y, et al. Digital ulcer debridement in systemic sclerosis: a systematic literature review. Clin Rheumatol. 2020;39(3):805-11.
  72. 72. Lebedoff N, Frech TM, Shanmugam VK, Fischer A, Erhardt D, Kolfenbach J, et al. Review of local wound management for scleroderma-associated digital ulcers. J Scleroderma Relat Disord. 2018;3(1):66-70.
  73. 73. Campochiaro C, Suliman YA, Hughes M, Schoones JW, Giuggioli D, Moinzadeh P, et al. Non-surgical local treatments of digital ulcers in systemic sclerosis: a systematic literature review. Semin Arthritis Rheum. 2023;63:152267.
  74. 74. Motegi S, Yamada K, Toki S, Uchiyama A, Kubota Y, Nakamura T, et al. Beneficial effect of botulinum toxin A on Raynaud's phenomenon in Japanese patients with systemic sclerosis: A prospective, case series study. J Dermatol. 2016;43(1):56-62.
  75. 75. Foeldvari I, Torok KS, Anton J, Blakley M, Constantin T, Cutolo M, et al. Best clinical practice in the treatment of juvenile systemic sclerosis: expert panel guidance - the result of the International Hamburg Consensus Meeting December 2022. Expert Rev Clin Immunol. 2024;20(4):387-404.
  76. 76. Costa E, Cunha-Santos F, Dourado E, Oliveira D, Falzon L, Romao V, et al. Systematic literature review to inform the Portuguese recommendations for the management of Raynaud's phenomenon and digital ulcers in systemic sclerosis and other connective tissue diseases. ARP Rheumatol. 2024;3(Apr-Jun):128-44.
  77. 77. Coveliers H, Hoexum F, Rauwerda JA, Wisselink W. Endoscopic thoracic sympathectomy for upper limb ischemia. A 16 year follow-up in a single center. Surgeon. 2016;14(5):265-9.
  78. 78. Colen DL, Ben-Amotz O, Stephanie T, Serebrakian A, Carney MJ, Gerety PA, et al. Surgical Treatment of Chronic Hand Ischemia: A Systematic Review and Case Series. J Hand Surg Asian Pac Vol. 2019;24(3):359-70.
  79. 79. Yu F, Liu Y, Zhang C, Pang B, Zhang D, Zhao W, et al. Efficacy analysis of minimally invasive surgery for Raynaud's syndrome. BMC Surg. 2023;23(1):313.
  80. 80. Henness S, Wigley FM. Current drug therapy for scleroderma and secondary Raynaud's phenomenon: evidence-based review. Curr Opin Rheumatol. 2007;19(6):611-8.
  81. 81. Walker KM, Pope J, participating members of the Scleroderma Clinical Trials C, Canadian Scleroderma Research G. Treatment of systemic sclerosis complications: what to use when first-line treatment fails--a consensus of systemic sclerosis experts. Semin Arthritis Rheum. 2012;42(1):42-55.
  82. 82. Zandman-Goddard G, Tweezer-Zaks N, Shoenfeld Y. New therapeutic strategies for systemic sclerosis--a critical analysis of the literature. Clin Dev Immunol. 2005;12(3):165-73.
  83. 83. Hughes M, Ong VH, Anderson ME, Hall F, Moinzadeh P, Griffiths B, et al. Consensus best practice pathway of the UK Scleroderma Study Group: digital vasculopathy in systemic sclerosis. Rheumatology (Oxford). 2015;54(11):2015-24.
  84. 84. Levien TL. Phosphodiesterase inhibitors in Raynaud's phenomenon. Ann Pharmacother. 2006;40(7-8):1388-93.
  85. 85. Fernandez-Codina A, Walker KM, Pope JE, Scleroderma Algorithm G. Treatment Algorithms for Systemic Sclerosis According to Experts. Arthritis Rheumatol. 2018;70(11):1820-8.
  86. 86. Opitz C, Klein-Weigel PF, Riemekasten G. Systemic sclerosis - a systematic overview: part 2 - immunosuppression, treatment of SSc-associated vasculopathy, and treatment of pulmonary arterial hypertension. Vasa. 2011;40(1):20-30.
  87. 87. Choi WS, Choi CJ, Kim KS, Lee JH, Song CH, Chung JH, et al. To compare the efficacy and safety of nifedipine sustained release with Ginkgo biloba extract to treat patients with primary Raynaud's phenomenon in South Korea; Korean Raynaud study (KOARA study). Clin Rheumatol. 2009;28(5):553-9.
  88. 88. van Middelkoop M, Huisstede BM, Glerum S, Koes BW. Effectiveness of interventions of specific complaints of the arm, neck, or shoulder (CANS): musculoskeletal disorders of the hand. Clin J Pain. 2009;25(6):537-52.
  89. 89. Muir AH, Robb R, McLaren M, Daly F, Belch JJ. The use of Ginkgo biloba in Raynaud's disease: a double-blind placebo-controlled trial. Vasc Med. 2002;7(4):265-7.
  90. 90. Stucker O, Pons C, Duverger JP, Drieu K, D'Arbigny P. Effect of Ginkgo biloba extract (EGb 761) on the vasospastic response of mouse cutaneous arterioles to platelet activation. Int J Microcirc Clin Exp. 1997;17(2):61-6.
  91. 91. Nazzaro P, Di Carlo A. [Treatment of angiodystrophic skin diseases with ginkgo-biloba]. Minerva Med. 1973;64(79 Suppl):4198-200.
  92. 92. Shapiro SC, Wigley FM. Treating Raynaud phenomenon: Beyond staying warm. Cleve Clin J Med. 2017;84(10):797-804.
  93. 93. Steen V, Denton CP, Pope JE, Matucci-Cerinic M. Digital ulcers: overt vascular disease in systemic sclerosis. Rheumatology (Oxford). 2009;48 Suppl 3:iii19-24.
  94. 94. Hosseinbalam M, Nouri R, Farajzadegan Z, Mottaghi P. Effectiveness of bosentan in the treatment of systemic sclerosis-related digital ulcers: Systematic review and meta-analysis. J Res Med Sci. 2023;28:3.
  95. 95. Kotsis SV, Chung KC. A systematic review of the outcomes of digital sympathectomy for treatment of chronic digital ischemia. J Rheumatol. 2003;30(8):1788-92.
  96. 96. Satteson ES, Chung MP, Chung LS, Chang J. Microvascular Hand Surgery for Digital Ischemia in Scleroderma. J Scleroderma Relat Disord. 2020;5(2):130-6.
  97. 97. Elshabrawy AA, Elkassaby M, Abdelgawad MS, Atif E, Megahed A, Regal S. Outcomes of periarterial sympathectomy in patients with digital ischemia. Vascular. 2022;30(5):859-66.
  98. 98. Soberon JR, Jr., Greengrass RA, Davis WE, Murray PM, Feinglass N. Intermediate-term follow-up of chronically ill patients with digital ischemia treated with peripheral digital sympathectomy. Rheumatol Int. 2016;36(2):301-7.
  99. 99. Moran ME. Scleroderma and evidence based non-pharmaceutical treatment modalities for digital ulcers: a systematic review. J Wound Care. 2014;23(10):510-6.
  100. 100. Herrick A, van den Hoogen F, Gabrielli A, Tamimi N, Reid C, O’Connell D. Modified-release sildenafil reduces Raynaud’s attack frequency in systemic sclerosis. Arthritis Rheum. 2009;60.

Tabellen met studiekarakteristieken

Lokale behandeling

Eerste auteur, jaartal

Inhoud

Studiekwaliteit (kritische elementen AMSTAR-2)

 

Populatie

Interventie

Controle

Uitkomstmaten (relevant voor deze review)

Studieprotocol gebruikt

Adequate literatuursearch

Exclusie studies verantwoord

Risk of bias per individuele studie bepaald

Meta-analyse adequaat

Risk of bias geïnterpreteerd

Publicatiebias beoordeeld

Algeheel vertrouwen in resultaten review

Campochiaro et al. (2023)

Patienten met systemische sclerose

Botulinetoxine A, hydrocolloide membranen, tadalafil creme, vitamine e gel, licht therapie, corticosteroid injecties, extracorporeal shock wave, fotobiomodulatie

Standaard behandeling

Genezing digitale ulcera, bijwerkingen, infecties

Onduidelijk

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

 

Geëxcludeerde studies op basis van full-tekst

Eerste auteur, jaartal

Reden van exclusie (één reden genoemd, meerdere redenen kunnen van toepassing zijn)

Costedoat et al. (2021)(65)

Dit artikel bevat dezelfde relevante artikelen als het geïncludeerde artikel.

Moran (2014)(99)

Dit artikel bevat dezelfde relevante artikelen als het geïncludeerde artikel.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 19-01-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 19-01-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
  • Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Internisten Vereniging - Allergologie en Klinische Immunologie
  • Nederlandse Internisten Vereniging - Vasculaire Geneeskunde

Algemene gegevens

Herziening

De aan deze praktijkrichtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers ervan delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied. Deze ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om (delen van) de richtlijn te herzien. Uiterlijk in 2030 bepaalt de Nederlandse Internisten Vereniging of deze richtlijn nog actueel is. Als nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal dit eerder gebeuren. Als de richtlijn geheel of gedeeltelijk moet worden herzien, wordt daarvoor een herzieningstraject gestart, met het instellen van een nieuwe richtlijnwerkgroep.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence' gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

 

Financiering

De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een toegekende projectsubsidie vanuit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). SKMS heeft geen invloed gehad op de inhoud van deze richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel
Het doel van deze richtlijn is het bieden van handvatten bij de behandeling van het secundair fenomeen
van Raynaud en daaraan gerelateerde digitale ulcera of kritieke ischemie in de tweede en derde lijn,
met als doel om de frequentie en duur van aanvallen van Raynaud te beperken, pijnklachten te verlichten,
digitale ulcera te voorkómen en/of te genezen, kritieke ischemie te verminderen en de kwaliteit van
leven positief te beïnvloeden.
 
Doelgroep (zorgverleners)
Deze richtlijn is bedoeld voor internisten, reumatologen, plastisch chirurgen, vaatchirurgen, verpleegkundig
specialisten, thoraxchirurgen, ziekenhuisapothekers en dermatologen, die patiënten met het
fenomeen van Raynaud behandelen in de tweede of derde lijn.
 
Doelgroep (patiënten)
De doelpopulatie van deze richtlijn zijn patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud, die onder
behandeling zijn in de tweede of derde lijn. Onder secundair fenomeen van Raynaud verstaan wij in
deze richtlijn patiënten bij wie sprake is van een onderliggende systemische auto-immuunziekte (zoals
systemische sclerose, mixed connective tissue disease, systemische lupus erythematodes, dermatoen
polymyositis, syndroom van Sjögren en reumatoïde artritis).
 
De differentiaaldiagnose bij het secundair fenomeen van Raynaud is uiteraard veel breder. Patiënten
met secundair fenomeen van Raynaud als gevolg van andere ziekten zoals hematologische ziektebeelden,
trombo-embolieën, vasculitiden en schade ten gevolge van trauma’s vallen buiten de scope van
deze richtlijn. De oorzakelijke behandeling (bijv. hematologisch, immuunsuppressie) van deze etiologieën
valt buiten beschouwing van deze richtlijn.

Samenstelling werkgroep

Samenstelling richtlijnwerkgroep

Deze richtlijn is ontwikkeld door een richtlijnwerkgroep bestaande uit de volgende personen:

  • Dr. Udo Mulder, internist-vasculair geneeskunde, UMC Groningen, namens de Nederlandse Vereniging van Internisten Vasculaire Geneeskunde (voorzitter)
  • Dr. Amaal Eman Abdulle, AIOS Interne Geneeskunde, fellow Vasculaire Geneeskunde, UMC Groningen, secretaris
  • Dr. Anniek van Roon, AIOS Reumatologie, Martini Ziekenhuis/UMC Groningen, secretaris
  • Dr. Mariska Tuut, epidemioloog/richtlijnmethodoloog, PROVA Varsseveld, methodologisch advies
  • Femke Bonte-Mineur, reumatoloog-klinisch immunoloog, Maasstad Ziekenhuis Rotterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Allergologie en Klinische Immunologie
  • Dr. Zana Brkic, internist-allergoloog-immunoloog, ErasmusMC Rotterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Allergologie en Klinische Immunologie
  • Jamy Pullen, patiëntvertegenwoordiger, namens de Nationale Vereniging voor Lupus, APS, Sclerodermie en MCTD
  • Dr. Mike Ruettermann, plastisch chirurg, UMC Groningen, namens de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie NVPC
  • Dr. Ben Saleem, vaatchirurg, UMC Groningen, namens de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Sanne van Schaik-Mast, verpleegkundig specialist, UMC Utrecht, namens Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Dr. Anne Schouffoer, reumatoloog, HagaZiekenhuis Den Haag, namens de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
  • Rita Schriemer, patiëntvertegenwoordiger, namens de Nationale Vereniging voor Lupus, APS, Sclerodermie en MCTD
  • Dr. Julia Spierings, reumatoloog, UMC Utrecht, namens de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
  • Dr. Sanne van Wissen, internist-vasculair geneeskunde, OLVG Amsterdam, namens de Nederlandse Vereniging van Internisten Vasculaire Geneeskunde

De uitwerking van de uitgangsvragen m.b.v. systematisch literatuuronderzoek en aanvullende overwegingen in conceptteksten voor de richtlijn is voorbereid door Amaal Eman Abdulle en Anniek van Roon. Alle conceptteksten zijn meerdere malen besproken in vergaderingen van de richtlijnwerkgroep en in concept vastgesteld. Alle werkgroepleden zijn verantwoordelijk en stemmen in met de volledige tekst van deze richtlijn.

Alle richtlijnwerkgroepleden hebben een KNAW-belangenverklaring ingevuld. Hierbij is geen belemmering voor participatie in de richtlijnwerkgroep geconstateerd. 

 

Voor de commentaarfase is de conceptrichtlijn voorgelegd aan een klankbordgroep, bestaande uit de volgende personen:

  • Cecile Bekkers, ziekenhuisapotheker, namens de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Dr. Folkert van Bruggen, huisarts, op persoonlijke titel
  • Dr. Meelad Habib, dermatoloog, namens de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Dr. Michiel Kuijpers, thoraxchirurg, namens de Nederlandse Vereniging van Thoraxchirurgie
  • Dr. Erik Serné, vasculair internist, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. Madelon Vonk, reumatoloog, namens de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie

Belangenverklaringen

Naam

Hoofdfunctie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Udo Mulder

Internist

  • (mede)secretaris werkgroep systemische sclerose SANL, onbetaald
  • voorzitter werkgroep vasculitis NVIVG, onbetaald
  • opleider, sectielid vasculaire geneeskunde NIV, onbetaald
  • adviseur UMCG spin-off bedrijf TS vascular

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Amaal Eman Abdulle

Arts-assistent in opleiding tot internist

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Anniek van Roon

Arts-assistent in opleiding tot reumatoloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Mariska Tuut

Zelfstandig richtlijnmethodoloog, PROVA

  • Buitenpromovenda CAPHRI, Maastricht University (Guideline development on healthcare related testing) - onbetaald
  • Lid ZonMw programmacommissie Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg - vacatiegelden
  • Lid ZonMw programmacommissie Beter Thuis - vacatiegelden
  • Lid ZonMw programmacommissie Verbetering kwaliteit Poortwachtersproces - vacatiegelden
  • Lid organisatiecomité GENEVER - onbetaald

 

 

 

 

 

Femke Bonte-Mineur

Reumatoloog, internist-klinisch immunoloog

  • 2021 tweemaal nascholing ILD bij systeemziekten voor verpleegkundigen, gesponsord door Boehringer, inhoud onafhankelijk
  • 2021 eenmalig Nascholingsmagazine Longziekten Special PF-ILD, tijdschrift iDoctor, inhoud onafhankelijk
  • 2019 - heden ACR Naderhand, jaarlijks congres, programmacommissie, gesponsord door Novartis, inhoud onafhankelijk
  • 2018 ACR Naderhand, jaarlijks congres, programmacommissie, gesponsord door Roche, inhoud onafhankelijk

Geen

Geen

2020-2021 Hands-on onderzoek zilverhandschoenen, gezamenlijk LUMC Maasstad HAGA Zuyderland

Maasstad STZ centrum voor systeemziekten

Geen

Zana Brkic

Internist allergoloog-klinisch immunoloog

Speaker fee: Santen, Janssen, Novartis, AstraZeneca

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Jamy Pullen

Vrijwilliger NVLE

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Mike Ruettermann

  • Plastisch chirurg/ Handchirurg UMCG (Nederland) 0,5 FTE (loondienst)
  • HPC Oldenburg (Hand- en plastische chirurgie) Duitsland 0,5 FTE (zelfstandig)

Editor 'Journal of Hand Surgery European Volume', werkgever: British Society for Surgery of The Hand

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Ben Saleem

Vaatchirurg

Commissie lid vaatdagen voorzitter vaatprothese infectie werkgroep

Geen

Geen

Lemaitre onderzoek naar bio materialen bij vaatprothese infectie

Geen

Geen

Sanne van Schaik-Mast

Verpleegkundig specialist

Werkgroeplid richtlijn systemische sclerose

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Anne Schouffoer

Reumatoloog

Geen

Geen

Geen

Deelname aan Hands On studie, multicenter vanuit LUMC naar effect van zilverhandschoenen op Raynaud bij Systemische Sclerose
Studie onafhankelijk uitgevoerd, Sponsor Skafit (leverancier zilverhandschoenen)

Geen

Geen

Rita Schriemer

  • Vrijwilliger NVLE
  • Projectmedewerker Sint Maartenskliniek

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Julia Spierings

Reumatoloog

Honorary Professor in Royal Free Hospital - University College London (onbetaald)

Geen

Geen

Deelname aan studies die medegefinancierd zijn door: ReumaNederland, ZonMW, Boerhinger Ingelheim BV en Miltenyi BV

Geen

Geen

Sanne van Wissen

Internist

Lid bestuur NVIVG, lid werkgroep vasculitis NVIVG (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Het patiëntenperspectief in deze richtlijn is gewaarborgd door deelname van twee vertegenwoordigers van de Nationale Vereniging voor Lupus, Aps, Sclerodermie en MCTD aan de richtlijnwerkgroep. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van relevante uitkomstmaten en het formuleren van de aanbevelingen zijn telkens expliciet de waarden en voorkeuren van patiënten meegenomen.

Een samenvatting van de richtlijn en informatie voor patiënten zijn per module opgenomen in de bijlagen.

Implementatie

De ontwikkeling van een nieuwe richtlijn is niet los te zien van de invoering ervan. Bij alle fasen van de ontwikkeling van de richtlijn wordt daarom rekening gehouden met de implementatie. Zo is bij het vaststellen van de knelpunten gekeken naar knelpunten uit de praktijk, waarvan het veld graag wil dat ze opgelost worden. Ook bij het formuleren van aanbevelingen wordt rekening gehouden met de implementeerbaarheid daarvan. In het implementatieplan, behorend bij de richtlijn, worden belemmerende en bevorderende factoren voor invoering van de richtlijn besproken.

 

Een implementatieplan van deze klinische praktijkrichtlijn is per module opgenomen in de bijlagen.

 

Een samenvatting van de richtlijn en informatie voor patiënten zijn per module opgenomen in de bijlagen.

 

Een bijlage met vastgestelde kennislacunes – derhalve aanbevelingen voor nader wetenschappelijk onderzoek – is per module opgenomen in de bijlagen.

Werkwijze

De ontwikkeling van deze richtlijn is uitgevoerd volgens de criteria die zijn beschreven in het AGREE-II instrument en het document Richtlijnen 2.0.(2, 3) Daarbij is gewerkt volgens de GRADE methodiek, waarbij gebruik is gemaakt van GRADEpro voor het opstellen van de GRADE evidence profielen.(4, 5)

 

Knelpuntenanalyse

Aan de hand van voor de financieringsaanvraag van deze richtlijn opgestelde knelpunten is in de eerste vergadering van de richtlijnwerkgroep gediscussieerd over knelpunten die in de richtlijn aan de orde zouden moeten komen. Daarbij heeft de richtlijnwerkgroep ervoor gekozen te focussen op knelpunten in de behandeling van patiënten met het fenomeen van Raynaud.

De door de richtlijnwerkgroep vastgestelde knelpunten zijn:

  1. Tweedelijns niet-medicamenteuze behandelopties om chronische pijn(klachten) bij het secundair fenomeen van Raynaud onder controle te krijgen (bijvoorbeeld leefstijl interventies, chirurgische en anesthesiologische interventies, revalidatie/fysio/bewegingstherapie, gedrags- en cognitieve interventies)
  2. Tweedelijns medicamenteuze behandelopties ter vermindering van ernst en frequentie van (pijn)klachten van Raynaud aanvallen (bijvoorbeeld nifedipine, orale vasodilatatore middelen anders dan nifedipine, pde-5 remmers, prostaglandine analogen) bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud
  3. Behandelopties ter bevordering van genezing en/of preventie van digitale ulcera en verminderen van kritieke ischemie (bijvoorbeeld pde-5 remmers, iloprost schema’s, chirurgische en anesthesiologische interventies) bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud
  4. Organisatie van zorg rondom de behandelingen van het secundair fenomeen van Raynaud (inclusief wondzorg, regionale inbedding en samenwerking)

Uitgangsvragen

Op basis van de knelpuntenanalyse zijn uitgangsvragen opgesteld en door de richtlijnwerkgroep besproken en geaccordeerd. Bij de uitgangsvragen zijn patiëntrelevante uitkomstmaten vastgesteld.

De volgende uitgangsvragen worden in deze richtlijn behandeld:

Knelpunt

Uitgangsvragen

Niet-medicamenteuze behandelopties t.a.v. van ernst en frequentie van Raynaud aanvallen

Zijn niet-medicamenteuze behandelopties (zoals leefregels en educatie, beweegadviezen, psychologische interventies) geïndiceerd bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud?

  • Leefregels en educatie (o.a. koude preventie, voorkomen van ondergewicht, voedingsmaatregelen, stop roken, signalering pre-ischemie)
  • Beweegadviezen (o.a. revalidatie/fysio/bewegingstherapie)
  • Psychologische interventies t.b.v. stressreductie: gedrags- en cognitieve interventies

Is thoracale sympathectomie geïndiceerd bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud?

Medicamenteuze behandelopties ter vermindering van ernst en frequentie van Raynaud aanvallen

Welke medicamenteuze behandelingen worden aanbevolen bij patiënten met het secundair fenomeen van Raynaud om de ernst van de aanvallen, frequentie van de aanvallen en pijn te verminderen?

Medicamenteuze opties: calciumantagonist, ACE-remmers, angiotensinereceptorblokkers, alfablokkers, fosfodiësterase-5-inhibitors, serotonineheropnameremmers, endotheline receptor antagonisten, intraveneuze prostacyclines, topicale nitraten, ginkgo biloba.

Behandelopties t.b.v. genezing en/of preventie van digitale ulcera en verminderen van kritieke ischemie

Welke medicamenteuze behandelingen worden aanbevolen voor het bevorderen van genezing van digitale ulcera en/of kritieke ischemie bij het secundair fenomeen van Raynaud?

Medicamenteuze opties: intraveneuze prostacyclines, calciumantagonisten, endotheline receptor antagonisten, fosfodiësterase-5-inhibitors, trombocytenaggregatieremmers, topicale nitraten

Welke lokale behandeling (incl. botulinetoxine A) wordt aanbevolen voor digitale ulcera en kritieke ischemie?

Welke chirurgische interventies (thoracale/perifere sympathectomie) worden aanbevolen in de behandeling van digitale ulcera en kritieke ischemie?

Organisatie van zorg rondom de behandelingen

Welke zorgverleners kunnen betrokken worden bij patiënten met secundair fenomeen van Raynaud?

Hoe kan de organisatie van zorg het beste ingericht zijn?

Welke zorgverleners kunnen betrokken worden bij patiënten met digitale ulcera/kritieke ischemie?

Bij de uitwerking van de uitgangsvragen zijn verschillende subuitgangsvragen/zoekvragen uitgewerkt, zie daarvoor de inhoudelijke hoofdstukken van deze richtlijn.

 

Literatuuronderzoek

Voor elke medisch inhoudelijke uitgangsvraag zijn PICO’s uitgewerkt binnen de richtlijnwerkgroep, waarna het literatuuronderzoek is uitgevoerd. Specificaties hiervan zijn beschreven in de betreffende hoofdstukken per uitgangsvraag. Over het algemeen is gezocht in PubMed, waarbij gezocht is naar combinaties van gecontroleerde trefwoorden en vrije tekst. Daarnaast is de literatuurselectie uitgevoerd met tevoren vastgestelde selectiecriteria in twee stappen: eerst op basis van titel en abstract en daarna op basis van de volledige tekst. De geïncludeerde artikelen zijn beoordeeld op kwaliteit en inhoud en samengevat in tabellen met studiekarakteristieken en beschreven in de tekst van de hoofdstukken. De kracht van het wetenschappelijke bewijs is beoordeeld volgens de GRADE methodiek.(4, 5) GRADE evidence profielen, gemaakt met de guidelinedevelopment tool per uitgangsvraag zijn weergegeven (zie de betreffende hoofdstukken). Op basis van de evidence zijn conclusies geformuleerd, voorzien van een gradering volgens de GRADE methodiek. De betekenis van deze gradering is als volgt:

GRADE

Symbool

Definitie

Hoog

⊕⊕⊕⊕

Het werkelijke effect ligt dicht bij het geschatte effect

Redelijk

⊕⊕⊕O

Het werkelijke effect ligt waarschijnlijk dicht bij het geschatte effect, maar kan daar substantieel van verschillen

Laag

⊕⊕OO

Het werkelijke effect kan substantieel verschillen van het geschatte effect

Zeer laag

⊕OOO

Het werkelijke effect verschilt zeer waarschijnlijk substantieel van het geschatte effect

De gevonden literatuur behandelt veelal patiënten met systemische sclerose; de richtlijnwerkgroep acht de resultaten daarvan ook toepasbaar op andere reumatische aandoeningen met het secundair fenomeen van Raynaud op basis van vasculopathie.

 

Van evidence naar aanbevelingen

In de klinische besluitvorming zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijk bewijs ook andere aspecten van belang. Dit betreft onder meer waarden en voorkeuren van patiënten, kosten, balans tussen gewenste en ongewenste effecten van interventies en organisatorische aspecten.(6, 7) Op basis van de evidence en de overige overwegingen zijn vervolgens door de richtlijnwerkgroep aanbevelingen geformuleerd.

Alle conceptteksten zijn meerdere malen besproken in vergaderingen van de richtlijnwerkgroep en in concept vastgesteld. Alle werkgroepleden zijn verantwoordelijk en stemmen in met de volledige tekst van deze richtlijn.

 

Commentaar- en autorisatiefase

In oktober 2025 is de richtlijn ter commentaar voorgelegd aan de volgende partijen:

  • ARCH – Autoimmune Research and Collaboration Hub
  • Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
  • Nationale Vereniging voor Lupus, Aps, Sclerodermie en MCTD
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Associatie Physician Assistants 
  • Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Thoraxchirurgie 
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers 
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie 
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde 
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie 
  • Nederlandse Vereniging voor Reumatologie 
  • Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuizen
  • Reuma Nederland 
  • Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen 
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland 
  • Zelfstandige Klinieken Nederland 
  • Zorginstituut Nederland 
  • Zorgverzekeraars Nederland 

Het commentaar uit de commentaarronde is geanalyseerd door de richtlijnwerkgroep en verwerkt in de definitieve versie van de richtlijn, waarbij de verwerking van de commentaren is teruggekoppeld aan de indieners ervan. De definitieve versie van de richtlijn is ter autorisatie voorgelegd.

 

De belangrijkste aanpassingen n.a.v. de commentaarronde zijn:

  • Diverse aanpassingen ter verduidelijking en verhoging v.d. consistentie v.d. tekst
  • Duidelijker aangegeven dat er op basis van evidence geen specifieke voorkeur is aan te geven voor een bepaald type materiaal voor het behouden van warmte.
  • Gespecificeerd bij de behandeling met calciumantagonisten dat het om medicatie met vertraagde afgifte gaat.
  • In de tekst zijn gebruikelijke doseringen van PDE-5 remmers toegevoegd. Ook is specifiek toegevoegd dat deze middelen bij kritieke ischemie niet primair worden aanbevolen.
  • In de tekst zijn overwegingen t.a.v. infusieschema’s van intraveneuze prostacycline analogen toegevoegd. Ook is specificatie v.d. behandelduur bij kritieke ischemie toegevoegd in de aanbeveling.
  • Toevoeging van expliciete monitoringsaanbeveling bij preventieve behandeling met endotheline receptor antagonisten.
  • Aanpassing v.d. aanbeveling (incl. onderbouwing) m.b.t. perifere sympathectomie bij patiënten met digitale ulcera en/of kritieke ischemie (incl. diagnostiek en behandeling onderhoudende factoren en striktere formulering v.d. randvoorwaarden).
  • Specificatie v.d. randvoorwaarden voor behandeling met botulinetoxine A injecties.

Zoekverantwoording

Lokale behandeling

Database: Medline – datum: 24-09-24 – systematische reviews

Zoek nummer

Vraag

Aantal resultaten

Toelichting

4

#1 and #2 and #3

492

Combinatie

3

“Digital ulcer*” [Title/Abstract] OR “Digital isch*” [Title/Abstract] OR “critical isch*”[Title/Abstract]

3 291

Zoekblok digitale ulcera of kritieke ischemie

2

“search*” [Title/Abstract] OR

“meta-analysis”[Publication Type] OR

“meta-analysis”[Title/Abstract] OR

“meta-analysis”[MeSH Terms] OR

“review” [Publication Type] OR

“diagnosis” [MeSH Subheading] OR

“associated” [Title/Abstract]

11 397 581

Zoekblok systematische reviews

1

“wound treatment” [Title/Abstract] OR “ointment” [Title/Abstract] OR “wound healing” [Title/Abstract] OR “therapy” [Title/Abstract] OR “wound” [Title/Abstract] OR “wound dressing” [Title/Abstract] OR “care” [Title/Abstract] OR “topical” [Title/Abstract] OR “non-invasive” [Title/Abstract] 

4 616 907

 

Database: Medline – datum: 24-09-2024 – RCTs

Zoek nummer

Vraag

Aantal resultaten

Toelichting

4

#1 and #2 and #3

0

Combinatie

3

“Digital ulcer*” [Title/Abstract] OR “Digital isch*” [Title/Abstract] OR “critical isch*”[Title/Abstract]

3 291

Zoekblok digitale ulcera of kritieke ischemie

2

“Randomized controlled trial” [Publication Type] OR (“randomized” [Title/Abstract] AND “controlled” [Title/Abstract] AND “trial” [Title/Abstract])

703 965

Zoekblok RCTs

1

“wound treatment” [Title/Abstract] OR “ointment” [Title/Abstract] OR “wound healing” [Title/Abstract] OR “therapy” [Title/Abstract] OR “wound” [Title/Abstract] OR “wound dressing” [Title/Abstract] OR “care” [Title/Abstract] OR “topical” [Title/Abstract] OR “non-invasive” [Title/Abstract] 

4 616 907

 

Volgende:
Organisatie van zorg