Autismespectrumstoornis bij kinderen/jeugd

Initiatief: NVvP Aantal modules: 9

Diagnostiek en gebruik meetinstrumenten ASS

Uitgangsvraag

  • Welk instrumentarium kan gebruikt worden bij casefinding van ASS?
  • Welk instrumentarium kan gebruikt worden bij de diagnostiek van ASS?

Aanbeveling

De diagnostiek van ASS vereist uitgebreide ervaring en deskundigheid van de onderzoeker of onderzoekers. Diagnostiek vindt bij voorkeur plaats door getrainde en ervaren onderzoekers die hun expertise structureel kunnen bundelen en delen. In sommige regio's zijn deze teams in gespecialiseerde centra werkzaam. Zoals de meeste auteurs vermelden, zijn de genoemde instrumenten bedoeld om het klinisch-diagnostische proces te ondersteunen. Ze kunnen het klinische onderzoek en oordeel niet geheel en al vervangen. Naast het classificeren van de stoornis, van belang voor het kunnen begrijpen van het gedrag van het kind, is het in kaart brengen van individuele sterke en zwakke kanten van een kind en diens systeem onmisbaar voor het adviseren van de meest passende zorg.

Gebaseerd op de hiervoor beschreven literatuur en de genoemde praktische overwegingen wordt aanbevolen de volgende procedure te volgen voor de diagnostiek. Hierin worden in eerste instantie de problemen en zorgen in kaart gebracht om te bepalen of verdergaand onderzoek naar ASS nodig is en vervolgens wordt, indien dit het geval is, informatie verzameld over de ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige gedrag van het kind in een gesprek (of gesprekken) met de ouders, aangevuld met observatie van het kind in een gestandaardiseerd spelcontact en/of gesprek. Informatie van anderen (leerkrachten en dergelijke) wordt eveneens verzameld.

 

1) In kaart brengen van door ouders/leerkrachten genoemde problemen (screenen) met behulp van instrumenten die hiervoor voorhanden zijn. Dit moeten instrumenten zijn die in het Nederlands en efficiënt zijn af te nemen, zowel voor beroepskrachten als voor ouders en of het kind. Op basis van de huidige kennis lijkt hiervoor de AVZ-R geschikt voor de populatie met een verstandelijke beperking. De SCQ lijkt op grond van de literatuur geschikt bij kinderen met een gemiddeld-normale intelligentie. Meer onderzoek hiernaar is echter van belang, omdat bij diverse gespecialiseerde centra twijfels bestaan over de sensitiviteit en specificiteit. De VISK zou geschikt zijn als instrument voor het concretiseren van PDD-NOS-gerelateerd probleemgedrag bij kinderen, maar biedt vanwege het gebrek aan normen en cut-offscores geen houvast voor het wel of niet classificeren als ASS.

 

2) Op basis van de eerste stap, het in kaart brengen van genoemde problemen of zorgen, volgt het besluit over de verdere diagnostiek. Voor de AVZ-R gelden duidelijke cut-offs. Voor de SCQ bestaan die ook, maar die zijn minder onderzocht. Voor de VISK zijn deze waarden evenmin eenduidig. Op basis van de screening kan men besluiten een vervolgtraject met uitgebreidere instrumenten (denk aan ADI-R en ADOS) in te zetten om de aanwezigheid van ASS verder in kaart te brengen. Op dit moment wordt op diverse plaatsen de normering van de verschillende instrumenten onderzocht.

 

3) De instrumenten die in eerste instantie in aanmerking komen voor een uitgebreider onderzoek, zijn vooral de ADI-R en ADOS. De ADOS wordt het meeste toegepast in de klinische praktijk. Vanwege de relatief korte duur en het feit dat een spelcontact of gesprek met het kind in ieder geval deel moet uitmaken van de diagnostiek, is de ADOS gemakkelijk in te passen. De in 2007 verschenen Nederlandse vertaling (www.hogrefe.nl) van ADI-R en ADOS maken de ADI-R en ADOS toegankelijker voor de klinische praktijk. Het voordeel van de ADOS is dat deze modulen kent die aangepast zijn aan het ontwikkelingsniveau en zodoende van de peuterleeftijd tot in de volwassenheid systematisch toepasbaar zijn. Voor klinische doeleinden kan men zichzelf trainen met een kit te bestellen bij de Western Psychological Society (www.wpspublish.com). Indien het afnemen van de ADOS niet mogelijk is binnen de onderzoeksprocedure, wordt een gestandaardiseerd spelcontact of gesprekje met het kind aanbevolen.

 

De ADI-R is beschikbaar voor de Nederlandse praktijk (www.hogrefe.nl) . Voor klinische doeleinden kan men een trainingskit aanschaffen via Western Psychological Society (portal.wpspublish.com). Alleen zij die het instrument voor wetenschappelijke doeleinden willen gebruiken dienen gecertificeerd te worden (in Nederland regelmatig cursus aanbod via Accare in Groningen en Karakter in Nijmegen). De informatie verzameld met de ADI-R komt grotendeels overeen met de informatie die in een intake verzameld wordt, over de ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige gedrag van een kind. Het vergaren van deze informatie met hulp van de ADI-R, vindt in een keer plaats en duurt langer dan een standaard gesprek gedurende een intake.

Het blijft belangrijk om naast de instrumenten ook het klinische oordeel en informatie van andere bronnen, zoals over cognitief functioneren, via leerkrachten, via observaties op school of elders enzovoort, mee te nemen in de uiteindelijke diagnostische conclusie. De VISK voor leerkrachten kan hierbij gebruikt worden, hoewel deze evenmin genormeerd is. De uiteindelijke diagnostische conclusie combineert de classificatie van een ASS met een meer specifiek voor het betreffende kind (en systeem) geldend profiel van sterke en zwakke kanten. Voor dit profiel is informatie uit verschillende bronnen van belang.

Overwegingen

In de overwegingen om te komen tot een advies speelt, naast de wetenschappelijke onderbouwing van het instrument in kwestie, tevens mee de beschikbaarheid van de Nederlandstalig testmaterialen, en de efficiëntie wat betreft tijdsinvestering en kosten. Voor de meeste instrumenten is dit in kaart gebracht in de voorafgaande beschrijvingen. Daarnaast is het van belang de belasting voor kinderen en ouders zo laag mogelijk te houden en pas met arbeidsintensievere instrumenten te werken wanneer dat nodig is.

 

Klinische diagnostiek

Het classificeren van een ASS is onderdeel van de zogeheten stoornisbevestigende diagnostiek. Voor de vormgeving van de zorg is het van belang de individuele sterke en zwakke kanten van het kind en diens systeem in kaart te brengen. Dit levert aanknopingspunten op voor de vorm van begeleiding of behandeling die het best aansluit bij de specifieke behoeften en noden van het kind en diens directe omgeving. Hoewel de classificatie een kader geeft waarbinnen bepaalde sterke of zwakke kanten te plaatsen zijn, verschillen kinderen met een ASS teveel van elkaar om op basis van slechts dit ‘etiket' een goed vervolg aan de zorg te geven. Het is daarom van belang om de uiteindelijke diagnose te beschouwen als een combinatie van die twee: het kader waarbinnen het gedrag van een kind past (de classificatie) en, voor het kind nog veel belangrijker, de individuele sterke en zwakke kanten. Op basis van deze combinatie kan zorg optimaal worden geboden.

Onderbouwing

Deze richtlijn is specifiek gericht op kinderen en jongeren. Ook voor de diagnostiek ligt de focus op deze leeftijdsgroep. Voor diagnostiek bij volwassenen verwijzen wij naar het Consortium AutismeSpectrumStoornissen voor Volwassenen (CASS 18+). Het CASS 18+-protocol zal ontwikkeld worden in samenwerking met het Kenniscentrum Autisme Nederland (KAN) (voor meer informatie, zie www.kcan.nl).

Over het algemeen kan worden geconcludeerd dat het niveau van wetenschappelijk bewijs voor de verschillende instrumenten niet zo hoog is.

Het algemene niveau van bewijs komt niet hoger uit dan niveau 2. Geconcludeerd wordt dat er geen definitieve ‘test' is waarmee ASS kan worden aangetoond.

  • Er zijn vijftien artikelen gevonden voor de ADI-R. Er werden zeven artikelen geselecteerd volgens de genoemde in- en exclusiecriteria. Na methodologische beoordeling bleken zeven artikelen bruikbaar voor de beantwoording van de vraagstelling: Lord e.a., 1997; Pilowsky e.a., 1998; Cox e.a., 1999; Mildenberger e.a., 2001; Saemundsen e.a., 2003; Tadevosyan-Leyfer e.a., 2003; De Bildt e.a., 2004.
  • Er zijn vijftien artikelen gevonden voor de ADOS, die diagnostiek beschreven, deels overlappend met artikelen gevonden voor de ADI-R of SCQ. Er werden vijf artikelen geselecteerd volgens de genoemde in- en exclusiecriteria. Na methodologische beoordeling bleken vier artikelen bruikbaar voor de beantwoording van de vraagstelling: Lord e.a., 2000; Noterdaeme e.a., 2000; Noterdaeme e.a., 2002; De Bildt e.a., 2004.
  • Er zijn twee artikelen gevonden voor de SCQ. Na methodologische beoordeling bleken zij beide bruikbaar voor de beantwoording van de vraagstelling: Berument e.a., 1999; Bishop & Frazier Norbury, 2002.
  • Er is één artikel gevonden voor de Auti-R. Echter op basis van de genoemde in- en exclusiecriteria bleek dit artikel niet geschikt voor het vaststellen van het niveau van wetenschappelijk bewijs voor de Auti-R. De conclusie moet dan ook zijn dat dit op basis van de huidige internationale literatuur niet voor handen is.
  • Er zijn vier artikelen gevonden voor de AVZ-R, waarvan er twee op basis van voornoemde criteria bruikbaar bleken: Kraijer & De Bildt, 2005; De Bildt e.a., 2003.
  • Er zijn vier artikelen gevonden voor de vragenlijst voor inventarisatie van sociaal gedrag van kinderen (VISK). Na methodologische beoordeling bleek slechts één artikel bruikbaar voor de beantwoording van de vraagstelling: Hartman e.a., 2006.
  • Er zijn drie artikelen gevonden voor de diagnostic interview for social and communication disorders (DISCO). Hiervan bleken er twee bruikbaar voor het beantwoorden van de vraagstelling: Leekam e.a., 2002; Wing e.a., 2002.

 

Instrumenten

Met behulp van gestandaardiseerde instrumenten zoals vragenlijsten en observatiesehalen kunnen de problemen van kinderen en jongeren met ASS in maat en getal worden uitgedrukt en kan de diagnose worden bevestigd of verder uitgewerkt. Verreweg de meeste instrumenten zijn ontwikkeld voor gebruik bij mensen met AS. Het nadeel van het gebruik van deze instrumenten in de diagnostiek van de andere subtypen van ASS is dat bij een deel van deze kinderen de problematiek zien niet goed laat beschrijven in termen van de vragen zoals die zijn geformuleerd voor autisme. Anders gezegd: vaak scoren deze kinderen heel laag op instrumenten die autisme meten terwijl de problematiek klinisch wel degelijk ernstig is.

De laatste jaren is er daarom groeiende behoefte aan betrouwbare en valide instrumenten om ook de varianten van de autistische stoornis in kaart te brengen. Er zijn verschillende vragenlijsten beschreven in de literatuur, zoals de childrens atypical development scale (CADS, Barkley, 1990) of de autism spectrum screening questionnaire (ASSQ: Ehlers, Gillberg & Wing, 1999) die specifiek gericht waren op het beschrijven van de problemen van atypische beelden. Twee vragenlijsten zijn zodanig onderzocht dat ze ook op verantwoorde wijze kunnen worden ingezet in de (Nederlandstalige) klinische praktijk, namelijk de Vragenlijst voor inventarisatie van sociaal gedrag bij kinderen (Luteijn, Minderaa & Jaekson, 2002) en de Vragenlijst sociale communicatie (Warreyn, Raymaekers & Roeyers, 2002).

We beschrijven hier verder nog de SRS (social responsiveness scale) ontwikkeld door Constantino en Gruber (2005). Hoewel deze nog niet is vertaald in het Vlaams of Nederlands en niet genormeerd of gevalideerd voor een Nederlands-Vlaamse populatie, kan deze lijst in de nabije toekomst een rol gaan spelen. Deze lijst is specifiek gericht op het in kaart brengen van subtypen van ASS anders dan AS. De ADOS (Lord e.a., 2000) is primair gericht op het meten van de AS, maar wordt in de praktijk ook wel ingezet in de diagnostiek van PDD-NOS.

Vooral in het kader van research zijn zowel de ADI (autism diagnostic interview-revised) en de ADOS (autism diagnostic observation scale) het meest gebruikt (LeCouteur e.a., 1989; Lord e.a., 1989). De ADOS wordt in de praktijk ook wel ingezet bij de diagnostiek van PDD-NOS.

 

Vragenlijsten

Child behavior checklist (CBCL/6-18 en 1,5-5), teacher's report form (TRF), youth self-report (YSR)

  • Auteurs: Achenbach en Rescorla (2000); Nederlandstalige versie: Ver¬huist en Van der Ende (2000).
  • Beschrijving: de CBCL (child behavior checklist], TRF (teacher’s report form] en YSR (youth self-report) zijn gedragsvragenlijsten voor kinderen, in te vullen door verschillende informanten. De vragenlijsten worden veel gebruikt in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen.

 

De gedragsvragenlijsten voor kinderen (CBCL/6-18: child behavior checklist for ages 6-18, en CBCL/1,5-5: child behavior checklist for ages 1,5-5) worden ingevuld door ouders. Op basis van de vragen in de CBCL/6-18 worden de vaardigheidsschalen Activiteiten, Sociaal en School gevormd, die samen de schaal Totale vaardigheden vormen. De vragen over gedrag vormen de acht probleemschalen Teruggetrokken/depressief, Lichamelijke klachten, Angstig/depressief, Sociale problemen, Denkproblemen, Aandachtsproblemen, Normafwijkend gedrag en Agressief gedrag. De eerste drie probleemschalen vormen samen de schaal Internaliseren en de laatste twee de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale problemen. Een indeling van de vragen over gedrag die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van de DSM leidt tot zogeheten DSM-schalen: Affectieve problemen, Angstproblemen, Lichamelijk problemen, Aandachtstekort en hyperactiviteitsproblemen, Oppositioneel-opstandige problemen en Gedragsproblemen.

Voor de CBCL/1,5-5 vormen de probleemschalen Emotioneel reagerend, Angstig/depressief, Lichamelijke klachten en Teruggetrokken de schaal Internaliseren. De probleemschalen Aandachtsproblemen en Agressief gedrag vormen de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale problemen. Ook hierbij kan van de vragen over gedrag een indeling gemaakt worden die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van de DSM, de zogeheten DSM-schalen. Deze DSM-schalen zijn: Affectieve problemen, Angstproblemen, Pervasieve ontwikkelingsproblemen, Aandachtstekort/hyperactiviteitsproblemen en Oppositioneel-opstandige problemen.

De ‘zelf in te vullen vragenlijst voor 11-18-jarigen' (YSR, youth self-report for ages 11-18) is een vragenlijst waarop jongeren vragen over zichzelf kunnen beantwoorden over vaardigheden en emotionele en gedragsproblemen. Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien sociaal wenselijke vragen waarop de meeste jongeren positief antwoorden. De jongere kan voor elke vraag aangeven hoe goed een vraag bij hem of haar past in de afgelopen zes maanden op dezelfde manier als bij de CBCL/6-18. De YSR omvat de schalen Activiteiten, Sociaal, Totale vaardigheden en verder empirische en DSM-schalen met dezelfde betekenis als op de CBCL/6-18.

De ‘gedragsvragenlijst voor kinderen, informatie leerkracht' (TRF, teachers report formfor ages 6-18) is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook in de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen. De TRF omvat de schalen Schoolresultaten, Functioneren en verder de empirische en DSM-schalen met dezelfde betekenis als op de CBCL/6-18.

  • Voordelen/nadelen: De CBCL/YSR/TRF zijn internationaal geaccepteerde vragenlijsten die naast algemene demografische gegevens ook accurate informatie opleveren over de meest voorkomende internaliserende en externaliserende stoornissen. De lijsten leveren weinig specifieke informatie op voor de autismespectrumstoornissen, maar kunnen wel goed worden gebruikt om bijvoorbeeld comorbiditeit in kaart te brengen.

 

Screening

Vragenlijst sociale communicatie (SCQ) 2004

  • Auteurs Amerikaanse versie: Rutter, Bailey en Lord (2003); Vlaamse/Nederlandse vertaling: Warreyn, Raymaekers & Roeyers, (2002).
  • Beschrijving: de vragenlijst sociale communicatie (social communication questionnaire, SCQ) is een screeningsinstrument voor kinderen met ASS. De lijst is te gebruiken vanaf de leeftijd van 4 jaar (mentale leeftijd van minstens 2 jaar).

 

De vragenlijst bestaat uit veertig vragen die door ouders worden ingevuld (zonder supervisie) in ongeveer tien minuten. De SCQ is dus een snel en eenvoudig af te nemen instrument om kinderen te screenen op ASS. In de loop van 2002 is de oorspronkelijk Amerikaanse vragenlijst (ASQ) op een omvangrijke Nederlandstalige populatie genormeerd (Warreyn, Raymaekers & Roeyers, 2002). Er zijn twee versies van de ASQ beschikbaar: de versie ‘levensloop' (LL) wordt het meeste gebruikt en bevraagt de volledige ontwikkelingsgeschiedenis van het kind. De resultaten geven aan of een kind moet worden doorverwezen voor volledig diagnostisch onderzoek.

De versie ‘huidige toestand' (HT) is specifiek bedoeld voor gedragingen gedurende de afgelopen drie maanden. De resultaten van deze versie zijn interessant om eventuele verandering na te gaan en zinvol voor behandelings-, opvoedings- en onderwijsplannen.

  • Voordelen/nadelen: de SCQ is een effectieve screeningslijst voor ASS. De SCQ is gebaseerd op de ADI-R, die een hoge betrouwbaarheid en validiteit heeft. De overeenstemming met de ADI-R is hoog, die met de ADOS laag. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat bij zowel bij de SCQ als de ADI-R de ouders de informanten zijn. De ADOS wordt beoordeeld door een onafhankelijke deskundige in plaats van de ouders. Daarnaast wordt in de diagnose van de ADOS het gedeelte stereotiep gedrag niet meegenomen, terwijl dat bij de SCQ en de ADI-R wel het geval is (Berument e.a., 1999; Bishop & Frazier Norbury, 2002). De SCQ is geen diagnostisch instrument. Met hulp van de SCQ zijn een autistische stoornis en PDD-NOS moeilijk te onderscheiden. Kinderen met autisme hebben een SCQ-score van 15 of ver daarboven (gemiddeld 24,2). De SCQ-scores van kinderen met specifieke of algemene leerproblemen liggen substantieel boven algemene populatienormen. Hoewel de meeste kinderen met leerproblemen onder de ASS-scores blijven, zijn er enkelen (met ernstige non-autistische ontwikkelingsstoornissen) die hoger dan 15 scoren. De SCQ is ongeacht het intelligentieniveau toepasbaar. Echter, hoe lager de mentale leeftijd, hoe groter de kans op een valspositieve uitslag (Berument e.a., 1999).

 

Autisme- en verwante stoornissenschaal-Z-revisie (AVZ-R)

  • Auteur: Kraijer (2004).
  • Beschrijving: De AVZ-R is een Nederlands instrument gericht op het gehele autismespectrum. Het instrument is in 1990 ontwikkeld speciaal voor kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking en heeft een leeftijdsbereik van 2 tot 70 jaar. De schaal is uitgebreid onderzocht en in gebruik in Nederland en Vlaanderen en wordt inmiddels ook toegepast in Engeland en Italië. De schaal bestaat uit 12 dichotome, gewogen items voor de drie aspecten van PDD, namelijk sociaal, communicatief en stereotiep gedrag, en wordt ingevuld door clinici. De maximale score is 19. De psychometrische kwaliteiten zijn goed. De totaalscore op de AVZ- R wordt in drie groepen ondergebracht: PDD (score 10-19), twijfel wel/ geen PDD (score 7-9) en niet-PDD (score 6 of lager).
  • Voordelen/nadelen: De AVZ-R is een in Nederland en Vlaanderen goed onderzocht en veel gebruikt instrument. Het is kort en eenvoudig in te vullen waarbij men gebruikmaakt van zowel rechtstreekse observatie in een natuurlijke situatie als van dossiergegevens. Het instrument is een goede screener voor PDD bij kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking. De AVZ-R is het meest valide als de uitslag wordt vergeleken met de classificatie van de ADOS (beter dan in vergelijking met de ADI-R). Dit is niet zo vreemd, gelet op het onderliggende concept van de AVZ-R en de ADOS. Beide zijn ontwikkeld voor het hele spectrum van ASS, in tegenstelling tot de ADI-R die alleen de autistische stoornis classificeert. Bovendien worden zowel de oordelen op basis van de AVZ-R als op basis van de ADOS gebaseerd op informatie van een externe observator, terwijl de ADI-R-classificatie is gebaseerd op de informatie die ouders geven.

 

In vergelijking met de klinische classificatie (gegeven door ervaren clinici, op basis van ouderinformatie gecombineerd met videobeelden van het kind), heeft de AVZ-R een hoge sensitiviteit. Met de AVZ-R wordt dus niet snel een kind over het hoofd gezien dat mogelijk ASS heeft. Aan de andere kant is de specificiteit wat lager, waarmee de AVZ-R mogelijk te snel kinderen als pathologisch aanmerkt is. Voor de klinische praktijk kan gesteld worden dat de AVZ-R een prima instrument is om de eerste zorgen en problemen bij een kind met een verstandelijke beperking te signaleren en in kaart te brengen, en om te bepalen of verder onderzoek in de richting van ASS wenselijk dan wel noodzakelijk is.

 

Classificatie

Vragenlijst voor inventarisatie van sociaal gedrag van kinderen (VISK) 2002

  • Auteurs: Luteijn, Minderaa en Jackson (2002).
  • Beschrijving: de vragenlijst voor inventarisatie van sociaal gedrag bij kinderen inventariseert (sociaal) probleemgedrag bij kinderen met ASS anders dan AS. De lijst is geschikt voor kinderen vanaf 4 jaar.

 

De 49 vragen worden ingevuld door de ouders. De afnameduur is 10-15 minuten. Hoewel de VISK ook vragen heeft over de meer ernstige problemen die je vooral bij autisme ziet, ligt de nadruk op de meer subtiele sociale problemen waardoor kinderen met PDD-NOS gekenmerkt worden. De volgende ontwikkelingsdomeinen worden gemeten: niet goed afgestemd zijn op de sociale situatie; verminderde neiging van sociale interactie; oriëntatieproblemen in tijd, ruimte en plaats; niet snappen van sociale informatie; stereotiep gedrag; angst voor en weerstand tegen veranderingen (bijvoorbeeld: blokkeert in nieuwe situaties of bij veranderingen). De vragen worden gescoord op een driepuntsschaal:

0             niet van toepassing;

1             een beetje/soms van toepassing;

2             duidelijk/vaak van toepassing.

Deze antwoordschaal laat toe, in overeenstemming met het PDD-NOS-concept, dat (een deel van de) problemen ook in mindere mate aanwezig kan zijn. De VISK is uitgebreid genormeerd in klinische groepen, waaronder een PDD-NOS-groep, een ADHD-groep en een groep verstandelijk gehandicapten. De leerkrachtversie (VISL) en een versie voor volwassenen met PDD-NOS (VISV) zijn op dit moment in ontwikkeling. De VISK is beslist niet bedoeld als instrument voor diagnostische classificatie.

  • Voordelen/nadelen: de VISK is relatief gemakkelijk in te vullen door ouders. Daarnaast kan de VISK uitstekend gebruikt worden om in gesprekken met leerkrachten na te gaan wat precies de problemen zijn die gesignaleerd worden in de klas. Hoewel hiervoor geen normen zijn, kan de VISK aanknopingspunten bieden voor het verder expoleren van de problemen, en bijdragen aan het concretiseren van de zorgen van een leerkracht. De normen zoals die op dit moment bestaan voor de VISK, zijn weinig gedifferentieerd. Er wordt gewerkt aan verfijning van de normering. Dit zal nog enige tijd op zich laten wachten. Voor de volwassenenversie en de leerkrachtversie zijn geen normen beschikbaar, noch op korte termijn te verwachten. De normering voor kinderen met een verstandelijke beperking is (nog) niet voorhanden. De samenhang van de VISK met de overige hier genoemde instrumenten is onvoldoende onderzocht.

 

Childhood autism rating scale (CARS)

  • Auteurs: Schopler, Reichler en Renner (1988).
  • Beschrijving: dit is een observatieschaal met 15 items, te scoren op een 7-puntsschaal. De CARS is gebaseerd op een definitie van autisme van voor de ICD-10/ DSM-IV. Dit heeft tot gevolg dat ieder item even zwaar meetelt voor de eindscore. Verder wordt geen weging toegepast voor de sociale aspecten, zoals in het huidige diagnostisch kader gebruikelijk is: onderscheid tussen AS en de andere subtypen van ASS (Pilowsky e.a., 1998). De CARS wordt aangeraden als screeningsinstrument (Saemund- sen e.a., 2003).
  • Voordelen/nadelen: snel, eenvoudig en goed bruikbaar voor kinderen vanaf 2 tot 18 jaar. Deze schaal wordt gescoord naar aanleiding van observatie van het kind. De CARS is bruikbaar in het kader van educatie aan studenten en opleidingen.

 

Schaal voor onderkenning van vroegkinderlijk autisme (Auti-R)

  • Auteurs: Van Berckelaer-Onnes en Hoekman (1991).
  • Beschrijving: schaal met 51 items over huidig gedrag, te scoren op een 6-puntsschaal en in te vullen door een beroepskracht die het kind goed kent. Het doel is vast te stellen of er sprake is van 'vroegkinderlijk autisme' oftewel het klassieke autisme. De Auti-R is niet gebaseerd op DSM-IV of ICD-10. De items worden gewogen en een eindscore volgt uit berekeningen die daarop zijn gebaseerd. Score < 200: autistisch; 200-249: geen classificatie; > 250: niet autistisch. Het leeftijdsbereik is vanaf 10 maanden voor niet sprekende en vanaf 3 jaar voor sprekende kinderen en tot 12:11 jaar.
  • Voordelen/nadelen: het invullen van de schaal is soms ingewikkeld, evenals de berekening van de scores.

 

Diagnostic interview for social and communication disorders (DISCO)

  • Auteur: Wing (2002).
  • Beschrijving: de DISCO is een semigestructureerd interview en is gebaseerd op de HBS (children’s handicaps, behaviour andskills) uit 1978. Het instrument bevat 319 items waarbij in totaal 508 maal gegevens worden ingevuld. De afname duurt ongeveer 3 uur. Vooraf is training vereist, waarna de betrouwbaarheid redelijk tot goed is. Er zijn geen cut-offscores beschikbaar voor AS of PDD. Het doel van de DISCO is om op systematische wijze informatie te verzamelen over de ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige klinische beeld. Het wordt gebruikt als onderdeel van de klinische diagnostiek van personen met ASS en andere ontwikkelingsbeperkingen. Het instrument pretendeert een multidimensionele benadering te bieden die beter aansluit bij de klinische praktijk, in tegenstelling tot een categorale benadering.
  • Voordelen/nadelen: het instrument is arbeidsintensief en wordt in Nederland nog relatief weinig gebruikt. De indruk bestaat dat er in een en hetzelfde instrument getracht wordt teveel informatie te verzamelen, waarbij bovendien het instrument bruikbaar wordt geacht voor een zeer breed leeftijdsbereik. Er is weinig wetenschappelijk onderzoek met de DISCO gedaan, en er is weinig bekend over de daadwerkelijke waarde. Er zijn geen cut-offscores. Naast informatie over ASS-gerelateerde gebieden wordt ook informatie verzameld over niveau van functioneren (voor een groot deel gebaseerd op de Vineland adaptive behavior scales, VABS).
    Het doel van de DISCO is nadrukkelijk niet gericht op het geven van een diagnose, maar vooral op het 'systematisch verzamelen van informatie om een goed beeld te krijgen van iemands ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige gedragspatroon'.

 

Autism diagnostic interview-revised (ADI-R)

  • Auteurs: LeCouteur e.a., 1989; Lord e.a.,1994; Lord e.a., 1997; Rutter e.a., 2003; De Jonge en De Bildt, 2007.
  • Beschrijving: dit is een diagnostisch interview met ouders en/of verzorgers, voor autisme, gericht op ontwikkelingsgeschiedenis en huidig gedrag. De ADI-R is gebaseerd op de DSM en de ICD-10, bevat een algoritme voor verschillende leeftijdsgroepen, en maakt onderscheid tussen een autistische stoornis en niet-autistische stoornissen. De interviewer moet getraind zijn. Doelgroep is iedereen met een ontwikkelingsleeftijd van 2:0 jaar of meer.
  • Voordelen/nadelen: de ADI-R is tijdrovend vanwege afnameduur en vereist een training. De ADI-R heeft een hoge specificiteit, maar een lage sensitiviteit voor het identificeren van autisme op de leeftijd van 20 maanden. Hoewel de sensitiviteit toeneemt met 42 maanden, voldoet slechts een klein aantal kinderen met een andere ASS aan de ADi-R-criteria (Cox e.a., 1999). De ADI-R is een bruikbaar instrument in het maken van onderscheid tussen kinderen met autisme en kinderen met een ernstige receptieve taalstoornis (Mildenberger e.a., 2001).

 

Autism diagnostic observation schedule (ADOS)

  • Auteurs: Lord e.a. 1989; Lord e.a., 2000; Lord e.a., 2001; De Bildt & De Jonge , 2008.
  • Beschrijving: de ADOS is een semigestructureerd, gestandaardiseerd observatie-instrument voor kinderen, adolescenten en volwassenen met ASS. De ADOS bestaat uit een aantal gestandaardiseerde situaties waarin sociaal, communicatief, spel- of stereotiep gedrag wordt uitgelokt. Er zijn vier verschillende modulen beschikbaar:
    - module I (preverbaal);
    - module II (voor kinderen die beschikken over enige taal, maar niet spontaan vloeiend spreken);
    - module III (voor kinderen en adolescenten die zich verbaal goed kunnen uiten);
    - module IV (voor hoogfunctionerende adolescenten en volwassenen).

Het instrument moet worden afgenomen door een getrainde onderzoeker in ongeveer 30 tot 45 minuten. Er moet altijd een video-opname van de observatie worden gemaakt die achteraf wordt gescoord. De scores op de ADOS worden verdeeld in: AS, PDD-NOS en niet-ASS. Belangrijk hierbij is dat uit onderzoek blijkt dat de ADOS op zeer betrouwbare wijze onderscheid maakt tussen AS en niet-ASS. Hoewel met de ADOS een uitspraak gedaan kan worden over het onderscheid AS en PDD-NOS, is dit onderscheid minder betrouwbaar dan het onderscheid tussen AS en niet-ASS (Lord e.a., 2000).

  • Voordelen/nadelen: de ADOS biedt een gestandaardiseerde observatie van huidig sociaal communicatief gedrag met een goede interbeoordelaarbetrouwbaarheid, interne consistentie en test-hertestbetrouwbaarheid op item-, domein- en classificatieniveau voor autisme en niet-autismespectrumstoornissen. De diagnostische validiteit voor autisme versus niet-spectrumstoornissen gecontroleerd voor expressief taalniveau is ook goed voor item-, domein- en classificatie niveau. Let op: de diagnose AS via de ADOS is niet automatisch gelijk aan de klinische diagnose AS. Immers, in het algoritme wordt niet meegenomen stereotiep gedrag of de leeftijd waarop dat begonnen is. De resultaten voor het onderscheid tussen AS en PDD-NOS suggereren eerder een spectrum van autismestoornissen dan precieze afgrenzingen tussen AS en PDD-NOS als verschillende entiteiten. Voor de diagnose PDD via de ADOS is een score boven de cut-off vereist op zowel het sociale als op het communicatie- domein. De interpretatie van de ADOS is gebaseerd op de aanname dat de afname betrouwbaar is en het gedrag typisch voor het kind. Het is dan ook altijd van belang te beoordelen of het gedrag of de afname zijn beïnvloed door andere factoren. Vanwege het doel van de ADOS zijn de domein- of totaalscores mogelijk niet ideaal als maat voor respons op behandeling of ontwikkelingsvooruitgang (Lord e.a., 2000).

 

Social responsiveness scale (SRS) 2005

  • Auteurs: Constantino en Gruber, 2005; Vlaamse/Nederlandse vertaling: geen.
  • Beschrijving: deze vragenlijst meet de ernst van de autistische symptomen zoals die voorkomen in alledaagse sociale situaties. De lijst heeft 65 items die op een vierpuntschaal worden gescoord (0 = nooit, 3 = bijna altijd) en kan in 15 tot 20 minuten worden ingevuld door ouders en/of leerkrachten. De SRS geeft een duidelijk beeld van het functioneren van een kind wat betreft: sociaal bewustzijn, verwerking van sociale informatie, vermogen tot sociale wederkerigheid, sociale angst en preoccupaties. De lijst is vooral geschikt voor het identificeren en in kaart brengen van problemen bij de aan autisme verwante contactsstoornissen, zoals de stoornis van Asperger of PDD-NOS (bron: www.wpspublish.com; Constantino & Gruber, 2005).
  • Het inclusiecriterium was: specifieke aandacht in het artikel aan de ontwikkeling, methodologische kwaliteiten en/of diagnostische waarde van het betreffende instrument, en de meest recente vorm van het instrument.
  • Het exclusiecriterium was: beschrijving van het instrument in het artikel als onderdeel van de methoden, zonder in te gaan op de ontwikkeling, methodologische of diagnostische kwaliteiten ervan.
    Het instrument maakt deel uit van de methoden om de groep te selecteren, of wordt beschreven zonder dat er aandacht is voor het instrument op zich. Of: een voorloper van het uiteindelijke instrument (dat nu wordt gebruikt) wordt beschreven.
  1. AGREE collaboration. (2008). AGREE instrument. The AGREE Collaboration. Geraadpleegd 9 november 2008 op http://www.agreecollaboration.org/ instrument.
  2. Aman, M.G., Singh, N.N., Stewart, A.W., & Field, C.J. (1985). The aberrant behavior checklist: A behavior rating scale for the assessment of treatment effects. American journal of mental deficiency, 89, 485-491.
  3. Aman, M., Cronin, P., Hollway, J., Posey, D., Scahill, L., Tierney, E., & Vitiello, B. (2004). 18-Month follow-up of participants in the RUPP Autism Risperidone Study. American Association of Child and Adolescent Psychiatry 51st Annual Meeting. Washington, DC: Scientific Proceedings; 53C/88.
  4. AACAP (2000). Practice parameters. American Academy of Child and Adolescent Psychiatry.
  5. Anderson, G.M., Scahill, L., McCracken, J.T., McDougle, C., Aman, M.G., Tierney, E. e.a. (2007). Effects of short- and long-term risperidone treatment on prolactin levels in children with autism. Biologicalpsychiatry, 61 (4), 545¬50.?]
  6. APA. (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders, fourth edition (DSM-IV). Washington, DC: American Psychiatric Association.
  7. APA. (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders, fourth edition, text revision (DSM-IV-TR). Washington, DC: American Psychiatric Association.
  8. Arnold, L.E., Vitiello, B., McDougle, C., Scahill, L., Shah, B., Gonzalez, N.M., e.a. (2003). Parent-defined target symptoms respond to risperidone in RUPP autism study: Customer approach to clinical trials. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 42, 1443-1450.
  9. Asperger, H. (1944). Die Autistische Psychopathen im Kindesalter. Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten, 117, 76-136.
  10. Asperger, H. (1979). Problems of infantile autism. Communication, 13, 45-52.
  11. Bacchelli, E., & Maestrini, E. (2006). Autism spectrum disorders: Molecular genetic advances. Am JMed Genet C Semin Med Genet, 142C(1), 13-23.
  12. Bailey, A., Luthert, P, Bolton, P., Le Couteur, A., Rutter, M., & Harding, B. (1993). Autism and megalencephaly. Lancet, 341, 1225-1226.
  13. Bailey, A., Le Couteur, A., Gottesman, I., Bolton, P, Simonoff, E., Yuzda, E., & Rutter, M. (1995). Autism as a strong genetic disorder: Evidence from a Brit- ish twin study. Psychological medicine, 25, 63-77.
  14. Barkley, R.A. (1990). Attention deficit hyperactivity disorder: A handbook for diagnosis and treatment. New York: Guilford Press, 198-199.
  15. Baron-Cohen, S., Scahill, V.L., Izaguirre, J., Hornsey, H., & Robertson. M.M. (1999). The prevalence of Gilles de la Tourette syndrome in children and adolescents with autism: A large scale study. Psychological medicine, 29(5), 1151-9.
  16. Bauminger, N. (2002). The facilitation of social-emotional understanding and social interaction in high-functioning children with autism: Intervention outcomes. J Autism Dev Disord, 32(4), 283-98.
  17. Belsito, K.M., Law, P.A., Kirk, K.S., Landa, R.J., & Zimmerman, A.W. (2001). Lamotrigine therapy for autistic disorder: a randomized, double-blind, placebo-controlled tria. JAutism Dev Disord, 31, 175-181.
  18. Bertrand, J., Mars, A., Boyle, C., Bove, F., Yeargin-Allsopp, M., & Decoufle, P. (2001). Prevalence of autism in a United States population: the Brick Township, New Jersey, investigation. Pediatrics, 108(5), 1155-61.
  19. Berument, S.K., Rutter, M., Lord, C., Pickles, A., & Bailey, A. (1999). Autism screening questionnaire: Diagnostic validity. Br JPsychiatry, 175, 444-451.
  20. Bildt, A. de, & Jonge, M.V. de (2008). Autisme diagnostisch observatie schema. Nederlandse vertaling van Lord, C., Rutter, M., DiLavore, P.C., & Risi, S. (2001) Autism Diagnostic Observation Schedule. Amsterdam: Hogrefe.
  21. Bildt, A. de, Sytema, S., Ketelaars, C., Kraijer, D., Volkmar, F., & Minderaa, R. (2003). Measuring pervasive developmental disorders in children and adolescents with mental retardation: a comparison of two screening instruments used in a study of the total mentally retarded population from a designated area. JAutism Dev Disord, 33(6), 595-605.
  22. Bildt, A. de, Sytema, S., Ketelaars, C., Kraijer, D., Mulder, E., Volkmar, F., & Minderaa, R. (2004). Interrelationship between autism diagnostic observation schedule-generic (ADOS-G), autism diagnostic interview-revised (ADI-R) and the Diagnostic and statistical manual of mental disorders (DSM-IV-TR) classification in children and adolescents with mental retardation. J Autism Dev Disord, 34(2), 129-137.
  23. Bishop, D.V.M., & Frazier Norbury, C. (2002). Exploring the borderlands of autistic disorder and specific language impairment: A study using standardised diagnostic instruments. J Child Psychol Psychiatry, 43(7), 917-929.
  24. Bolman, W.M., & Richmond, J.A. (1999). A double-blind, placebo-controlled, crossover pilot trial of low dose dimethylglycine in patients with autistic disorder. J Autism Dev Disord, 29, 191-194.
  25. Bolton, P.F., Pickles, A., Murphy, M., & Rutter, M. (1998). Autism, affective and other psychiatric disorders: patterns of familial aggregation, Psychological medicine, 28(2), 385-95.
  26. Bolton, P.F., e.a. (2001). Association between idiopathic infantile macrocephaly and autism spectrum disorders. Lancet, 358(9283), 726-27.
  27. Bonde, E. (2000). Comorbidity and subgroups in childhood autism. European child & adolescent psychiatry, 9(1), 7-10.
  28. Bondy, A., & Frost, L. (2002). Picture’s worth: PECS and other visual communication strategies in autism (topics In autism). Bethesda, MD: Woodbine House.
  29. Borst-Eilers, E. (1997). Medische technologie assessment en doelmatigheid van zorg (Brief, CSZ/EZ-9748001). Rijswijk: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
  30. Bourgondien, M.E. van, Reichle, N.C., & Schopler, E. (2003). Effects of a model treatment approach on adults with autism. J Autism Dev Disord, 33(2), 131-40.
  31. Brookman-Frazee, L. (2004). Using parent/clinician partnerships in parent education programs for children with autism. Journal of positive behavior inter- ventions, 6(4), 195-213.
  32. Bruin, E.I. de, Verheij, F., & Ferdinand, R.F. (2006). WISC-R subtest but no overall VIQ-PIQ difference in Dutch children with PDD-NOS. J Abnorm Child Psychol, 34(2), 263-271.
  33. Bruin, E.I. de, Ferdinand, R.F., Meester, S., Nijs, PF.A. de, & Verheij, F. (2007). High rates of psychiatric comorbidity in PDD-NOS. J Autism Dev Disord, 37(5), 877-886.
  34. Buitelaar, J.K, Gaag, R. van der, Klin, A., Volkmar, F. (1999). Exploring the boundaries of pervasive developmental disorder not otherwise specified: analyses of data from the DSM-IV Autistic Disorder Field Trial. J Autism Dev Disord. 29(1):33-43.
  35. Buitelaar, J.K., & Willemsen-Swinkels, S.H. (2000). Medication treatment in subjects with autistic spectrum disorders. European child & adolescent psy- chiatry, 9(Suppl 1), 185-197.
  36. Cahn, W., Ramlal, D., Bruggeman, R., Haan, L. de, Scheepers, F.E. Soest, M.M. van, e.a. (2008). Preventie en behandeling van somatische complicaties bij antipsychoticagebruik. Tijdschrift voor Psychiatrie, 50(9), 579-591.
  37. Campbell, M., Fish, B., Shapiro, T., & Floyd, A. Jr. (1971). Imipramine in pre-school autistic and schizophrenic children. Journal of autism and childhood schizophrenia, 1, 267-282.
  38. Campbell, M., Anderson, L.T., Small, A.M., Perry, R., Green, W.H., & Caplan, R. (1982). The effects of haloperidol on learning and behavior in autistic children. J Autism Dev Disord, 12, 167-175.
  39. Canitano, R., & Vivanti, G. (2007). Tics and Tourette syndrome in autism spectrum disorders. Autism, 11(1), 19-28.
  40. Chalfant, A.M., Rapee, R., & Carroll, L. (2006). Treating anxiety disorders in children with high functioning autism spectrum disorders: A controlled trial. J Autism Dev Disord (Epub ahead of print, dec 15).
  41. Clark, T., Feehan, C., Tinline, C., & Vostanis, P. (1999). Autistic symptoms in children with attention deficit-hyperactivity disorder. European child & adolescentpsychiatry, 8(1), 50-5.
  42. Constantino, J.N., & Gruber, C.P. (2005). Social responsiveness scale: Manual. Los Angeles: Western Psychologieal Services.
  43. Corbett, B.A., & Constantine, L.J. (2006). Autism and attention deficit hyperactivity disorder: assessing attention and response control with the integrated visual and auditory continuous performance test. Child Neuropsychol, 12(4-5):335-48.
  44. Courchesne, E., Carper, R., & Akshoomoff, N. (2003). Evidence of brain over-growth in the first year of life in autism. JAMA, 290(3), 337-344.
  45. Cox, A., Charman, T., Baron-Cohen, S., Drew, A., Klein, K., Baird, G., e.a. (1999). Autism spectrum disorders at 20 and 42 months of age: Stability of clinical and ADI-R diagnosis. J Child Psychol Psychiatry, 40(5), 719-732.
  46. Crockett, J.L., Fleming, R.K., Doepke, K.J., & Stevens, J.S. (2007). Parent training: Acquisition and generalization of discrete trials teaching skills with parents of children with autism. Res Dev Disabil, 28(1), 23-36. Epub 2005 Dec 9.
  47. Dahl, E.K., Cohen, D.J., & Provence, S. (1986). Clinical and multivariate approaches to the nosology of pervasive developmental disorders. Journal of the American academy of child psychiatry, 25(2), 170-80.
  48. Davidovitch, M., Patterson, B., & Gartside, P. (1996). Head circumference measurements in children with autism. Journal of child neurology, 11(5), 389-93.
  49. Dawson, G., Meltzoff, A.N., Osterling, J., & Rinaldi, J. (1998). Neuropsychological correlates of early symptoms of autism. Child development, 69(5), 1276-1285.
  50. Dekker, M.C., & Koot, H.M. (2003). DSM-IV disorders in children with borderline to moderate intellectual disability 1: prevalence and impact. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 42(8), 915-922.
  51. DeLong, R., & Nohria, C. (1994). Psychiatric family history and neurological disease in autistic spectrum disorders. Dev Med Child Neurol, 36(5), 441-8.
  52. DeLong, G.R., Ritch, C.R., & Burch, S. (2002). Fluoxetine response in children with autistic spectrum disorders: correlation with familial major affective disorder and intellectual achievement. Dev Med Child Neurol, 44, 652-659.
  53. Dewey, D., Cantell, M., & Crawford, S.G. (2007). Motor and gestural performance in children with autism spectrum disorders, developmental coordination disorder, and/or attention deficit hyperactivity disorder. JInt Neuropsychol Soc, 13, 246-256.
  54. Di Martino, A., & Tuchman, R.F. (2001). Antiepileptic drugs:Aaffective use in autism spectrum disorders. Pediatric neurology, 25, 199-207.
  55. Dissanayake, C., e.a. (2006). Growth in stature and head circumference in high-functioning autism and Asperger disorder during the first 3 years of life. Development andpsychopathology, 18(2), 381-93.
  56. Doorn, E.C. van, & Verheij, F. (2002). Psycho-educatie in kaart gebracht op het grensvlak van onderwijs en jeugdzorg. Tijdschrift voor orthopedagogiek, 41, 538-550.
  57. Drew, A., Baird, G., Baron-Cohen, S., Cox, A., Slonims, V., Wheelwright, S., e.a. (2002). A pilot randomised control trial of a parent training intervention for pre-school children with autism. Preliminary findings and methodological challenges. European child & adolescentpsychiatry, 11(6), 266-72.
  58. Ehlers, S., Gillberg, C., & Wing, L. (1999). A screening questionnaire for Asperger syndrome and other high-functioning autism spectrum disorders in school age children. J Autism Dev Disord, 29(2), 129-141.
  59. Engeland, H. van, & Gaag, R.J. van der (1994). McDD in childhood: Aprecursor of schizophrenic spectrum disorder. Schizophr Res, 11:197, 1994.
  60. Evans, D.W., Canavera, K., Kleinpeter, F.L., Maccubin, E., & Taga, K. (2005). The fears, phobias and anxieties of children with autism spectrum disorders and Down syndrome: comparisons with developmentally and chronologically age matched children. Child psychiatry and human development, 36(1), 3-26.
  61. Fankhauser, M.P., Karumanchi, V.C., German, M.L., Yates, A., & Karumanchi, S.D. (1992). A double-blind, placebo-controlled study of the efficacy of transdermal clonidine in autism. The journal of clinical psychiatry, 53, 77-82.
  62. Filipek, P.A., Accardo, P.J., Ashwal, S., Baranek, G.T., Cook, E.H. Jr, Dawson, G., e.a.. Subcommittee of the American Academy of Neurology and the Child Neurology Society, Departments of Pediatrics and Neurology, University of California, Irvine, USA. (2000). Practice parameter: screening and diagnosis of autism: report of the quality standards. Neurology, 55(4), 468-479.
  63. Fombonne, E. (1999). The epidemiology of autism: a review. Psychological medicine, 29(4), 769-86.
  64. Fombonne, E. (2002). Epidemiological trends in rates of autism. Molecular psychiatry, 7(Suppl 2), S4-6. Review.
  65. Fombonne, E., e.a. (1997). A family study of autism: cognitive patterns and levels in parents and siblings. J Child Psychol Psychiatry, 38(6), 667-83.
  66. Fombonne, E., e.a. (1999). Microcephaly and macrocephaly in autism. J Autism Dev Disord, 29(2), 113-19.
  67. Gaag, R.J. van der, Caplan, R., Engeland, H. van, Loman, F., & Buitelaar, J.K. (2005). A controlled study of formal thought disorder in children with autism and multiple complex developmental disorders. J Child Adolesc Psychopharmacol, 15(3), 465-76.
  68. Gadow, K.D., DeVincent, C.J., Pomeroy, J., & Azizian, A. (2004). Psychiatric symptoms in preschool children with PDD and clinic and comparison samples. J Autism Dev Disord, 34(4), 379-393.
  69. Gezondheidsraad. (2000). Van implementeren naar leren; het belang van twee-richtingsverkeer tussen praktijk en wetenschap in de gezondheidszorg (Publicatienr. 2000/18). Den Haag: Gezondheidsraad.
  70. Gezondheidsraad. (2002). Diagnostiek en behandeling van ADHD [Nota]. Den Haag: Gezondheidsraad.
  71. Ghaziuddin, M., Weidmer-Mikhail, E., & Ghaziuddin, N. (1998). Comorbidity of Asperger syndrome: a preliminary report. Journal of intellectual disability research: JIDR, 42(Pt4), 279-83.
  72. Gillberg, C. (1989). Asperger syndrome in 23 Swedish children. Dev Med Child Neurol, 31, 520-531.
  73. Gillberg, C. (1991). Outcome in autism and autistic-like conditions. JAm Acad Child Adolesc Psychiatry, 30, 375-382.
  74. Gillberg, C. (1992). The Emanuel Miller Memorial Lecture 1991: Autism and autistic-like conditions, subclasses among disorders of empathy. J Child Psychol Psychiatry, 33(5), 813-42.
  75. Gillberg, C. (1998). Asperger syndrome and high-functioning autism. The British journal of psychiatry, 172, 200-209.
  76. Gillberg, C., & Billstedt, E. (2000). Autism and Asperger syndrome: coexistence with other clinical disorders. Acta psychiatrica Scandinavica, 102(5), 321¬30.
  77. Gillott, A., Furniss, F., & Walter, A. (2001). Anxiety in high-functioning children with autism. Autism, 5(3), 277-86.
  78. Glasson, E.J., Bower, C., Petterson, B., Klerk, N. de, Chaney, G., & Hallmayer, J.F. (2004). Perinatal factors and the development of autism: A population study. Archives of generalpsychiatry, 61(6), 618-27.
  79. Goldstein, S. (2004). The comorbidity of pervasive developmental disorder and attention deficit hyperactivity disorder: Results of a retrospective chart review. JAutism Dev Disord, 34(3), 329-39.
  80. Gordon, N. (2000). The therapeutics of melatonin: a paediatric perspective. Brain & development, 22, 213-217.
  81. Gorissen, M., & Gaag-Theunisse, R.J. van der (2006). Psychodiagnostiek bij normaal begaafde volwassenen met Autismespectrumstoornissen. Psychopraxis, 7, 27-33.
  82. Gray, C. (2001). The new social story book (Revised edition). Arlington, MA: Future Horizons Incorporated.
  83. Green, J., Gilchrist, A., Burton, D., & Cox, A. (2000). Social and psychiatric functioning in adolescents with Asperger syndrome compared with conduct disorder. J Autism Dev Disord, 30(4), 279-93.
  84. Greene, R.W., Biederman, J., Faraone, S.V., Ouellette, C.A., Penn, C., & Griffin, S.M. (1996). Toward a new psychometric definition of social disability in children with attention-deficit hyperactivity disorder. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 35(5), 571-8.
  85. Handen, B.L., Johnson, C.R., & Lubetsky, M. (2000). Efficacy of methylphenidate among children with autism and symptoms of attention-deficit hyperactivity disorder. J Autism Dev Disord, 30, 245-255.
  86. Hansman-Wijnands, M.A., & Hummelen, J.W. (2006). Differentiële diagnostiek van psychopathie en autismespectrumstoornissen bij volwassenen. Tijdschrift voor psychiatrie, 48(8), 627-636.
  87. Hartman, C.A., Luteijn, E., Serra, M., & Minderaa, R. (2006). Refinement of the Children's Social Behavior Questionnaire (CSBQ): An instrument that describes the diverse problems seen in milder forms of PDD. JAutism Dev Disord, 36(3), 325-42.
  88. Hazell, P. (2007). Drug therapy for attention-deficit/hyperactivity disorder-like symptoms in autistic disorder. Journal of paediatrics and child health, 43, 19-24.
  89. Heinrich, H., Gevensleben, H., & Strehl, U. (2007). Annotation: neurofeedback - train your brain to train behaviour. J Child Psychol Psychiatry, 48(1), 3-16.
  90. Hellings, J.A., Nickel, E.J., Weckbaugh, M., McCarter, K., Mosier, M., & Schroeder, S.R. (2005). The overt aggression scale for rating aggression in outpatient youth with autistic disorder: preliminary findings. The journal of neuropsychiatry and clinical neurosciences, 17, 29-35.
  91. Hengeveld, M.W., Londen L van, Gaag R.J. van der. (2008). Herkenning van Autisme spectrum stoornissen bij volwassenen. Ned Tijdschr Geneeskd 14; 152(24), 1353-7.
  92. Hollander, E., Kaplan, A., Cartwright, C., & Reichman, D. (2000). Venlafaxine in children, adolescents, and young adults with autism spectrum disorders: An open retrospective clinical report. Journal of child neurology, 15, 132-135.
  93. Hollander, E., Dolgoff-Kaspar, R., Cartwright, C., Rawitt, R., & Novotny, S. (2001). An open trial of divalproex sodium in autism spectrum disorders. The journal of clinical psychiatry, 62, 530-534.
  94. Hollander, E., Phillips, A., Chaplin, W., Zagursky, K., Novotny, S., Wasserman, S. e.a. (2005). A placebo controlled crossover trial of liquid fluoxetine on repetitive behaviours in childhood and adolescents autism. Neuropsychopharmacology, 30(3): 582-591.
  95. Hollander, E., Soorya, L., Wasserman, S., Esposito, K., Chaplin, W., & Anagnostou, E. (2006). Divalproex sodium vs. placebo in the treatment of repetitive behaviours in autism spectrum disorder. Int J Neuropsychopharmacol, 9, 209-213.
  96. Honda, H., Shimizu, Y., & Rutter, M. (2005). No effect of MMR withdrawal on the incidence of autism: a total population study. J Child Psychol Psychiatry, 46(6), 572-9.
  97. Howlin, P. (2005). The effectiveness of interventions for children with autism. J Neural Transm Suppl, (69), 101-119.
  98. Howlin, P., & Rutter, M. (1994). Treatment of autistic children. (Wiley Series on Studies in Child Psychiatry). New York: John Wiley & Sons.
  99. Howlin, P., Goode, S., Hutton, J., & Rutter, M. (2004). Adult outcome for children with autism. J Child Psychol Psychiatry, 45(2), 212-29.
  100. http://www.agreecollaboration.org/pdf/agreeinstrumentfinal.pdf. Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation, AGREE Instrument. www.agreecollaboration.org, 2001.
  101. Hulscher, M., Wensing, M., & Grol, R. (2000). Effectieve implementatie: Theorieën en strategieën. Nijmegen: Werkgroep Onderzoek Kwaliteit.
  102. International Molecular Genetic Study of Autism Consortium (IMGSAC) (2007). A genomewide screen for autism: strong evidence for linkage to chromosomes 2q, 7q, and 16p. American journal of human genetics, 69, 570-581.
  103. Jaselskis, C.A., Cook, E.H. Jr., Fletcher, K.E., & Leventhal, B.L. (1992). Clonidine treatment of hyperactive and impulsive children with autistic disorder. J Clin Psychopharmacol, 12, 322-327.
  104. Jonge, M.V. de. (2006). The search for endophenotypic markers of autism spectrum disorders. Proefschrift, Universiteit Utrecht.
  105. Jonge, M.V. de, Bildt, A. de (2007). Autisme Diagnostisch Interview, Revised (ADI-R). Nederlandse vertaling van Rutter, M., LeCouteur, A., & Lord, C. (2003) . Autism Diagnostic Interview, Revised (ADI-R). Amsterdam: Hogrefe.
  106. Jordan, R. (2002). Autistic spectrum disorders in the early years: A guide for practitioners (education in the early years) London: QED.
  107. Kadesjo, B., & Gillberg, C. (1999). Developmental coordination disorder in Swedish 7-year-old children. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 38(7), 820-8.
  108. Kanner, L. (1943). Autistic disturbances of affective contact. The Nervous child, 2, 217-250.
  109. Kay, S.R., Wolkenfeld, F., Murrill, L.M. (1988). Profiles of aggression among psychiatric patients. I. Nature and prevalence. J Nerv Ment Dis, 176(9):539-46.
  110. Keen, K., & Ward, S. (2004). Autistic specrum Disorder. Autism, 8(1), 39-48.
  111. Kemner, C., Willemsen-Swinkels, S.H., Jonge, M. de, Tuynman-Qua, H., Engeland, H. van (2002). Open-label study of olanzapine in children with pervasive developmental disorder. Journal of clinicalpsychopharmacology, 22, 455-460.
  112. Kern, J.K., Miller, V.S., Cauller, P.L., Kendall, P.R., Mehta, P.J., & Dodd, M. (2001). Effectiveness of N,N-dimethylglycine in autism and pervasive developmental disorder. Journal of child neurology, 16, 169-173.
  113. Kim, J.A., Szatmari, P, Bryson, S.E., Streiner, D.L., & Wilson, F.J. (2004). The prevalence of anxiety and mood problems among children with autism and Asperger syndrome. Autism, 4(2), 117-132.
  114. King, B.H., Wright, D.M., Handen, B.L., Sikich, L., Zimmerman, A.W., McMahon, W., e.a. (2001). Double-blind, placebo-controlled study of amantadine hydrochloride in the treatment of children with autistic disorder. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 40, 658-665.
  115. Klin, A., Volkmar, F.R., Sparrow, S.S., Cicchetti, D.V., & Rourke, B.P. (1995). Validity and neuropsychological characterization of Asperger syndrome: convergence with nonverbal learning disabilities syndrome. J Child Psychol Psychiatry, 36(7), 1127-40.
  116. Klin, A., Lang, J., Cicchetti, D.V., & Volkmar, F.R. (2000). Brief report: Interrater reliability of clinical diagnosis and DSM-IV criteria for autistic disorder: results of the DSM-IV autism field trial. J Autism Dev Disord, 30(2), 163-7.
  117. Kolevzon, A., Mathewson, K.A., & Hollander, E. (2006). Selective serotonin re-uptake inhibitors in autism: a review of efficacy and tolerability. The journal of clinical psychiatry, 67, 407-414.
  118. Konstantares, M.M., & Hewitt, T. (2001). Autistic disorder and schizophrenia: diagnostic overlaps. J Autism Dev Disord, 31(1), 19-28.
  119. Kraijer, D., & Bildt, A. De. (2005). The PDD-MRS: an instrument for Identification of autism spectrum disorders in persons with mental retardation. J Autism Dev Disord, 35(4), 499-513.
  120. Lahuis, B.E., & Buitelaar, J.K. (2002). Autisme en psychofarmaca. In B.E.B.M. Huskens, & R. Diddden (Red.), Behandelingsstrategiëen bij kinderen en jongeren met autisme. Serie Cure & Care Development. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  121. Lainhart, J.E. (2003). Increased rate of head growth during infancy in autism. JAMA, 290(3), 393-94.
  122. Lainhart, J.E. (2006). Advances in autism neuroimaging research for the clinician and geneticist. Am JMed Genet C Semin Med Genet, 142(1), 33-39
  123. Lainhart, J.E., e.a. (1997). Macrocephaly in children and adults with autism. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 36(2), 282-90.
  124. Larsson, H.J., Eaton, W.W., Madsen, K.M., Vestergaard, M., Olesen, A.V., Agerbo, E., e.a. (2005). Risk factors for autism: perinatal factors, parental psychiatric history, and socioeconomic status. American journal of epidemiology, 161(10), 916-925.
  125. LeCouteur, A. (1990). Autism: Current understanding and management. Br J Hosp Med, 43(6), 448-52.
  126. LeCouteur, A., Rutter, M., Lord, C., Rios, P., Robertson, S., Holdgrafer, M., e.a. (1989). Autism diagnostic interview: a standardized investigator-based instrument. J Autism Dev Disord, 19(3):363-87.
  127. Leekam, S.R., Libby, S.J., Wing, L., Gould, J., & Taylor, C. (2002). The Diagnostic Interview for Social and Communication Disorders: algorithms for ICD-10 childhood autism and Wing and Gould autistic spectrum disorder. J Child Psychol Psychiatry, 43(3), 327-42.
  128. Levy, S.E. (2002). Repeated doses of porcine secretin did not improve symptoms, language, or cognitive functioning in children with autism or autism spectrum disorder. Evid Based Ment Health, 5, 22.
  129. Leyfer, O.T., Folstein, S.E., Bacalman, S., Davis, N.O., Dinh, E., Morgan, J., e.a. (2006). Comorbid psychiatrie disorders in children with autism: Interview development and rates of disorders. JAutism Dev Disord, 36, 849-861.
  130. Lord, C., Pickles, A., McLennan, J., Rutter, M., Bregman, J., Folstein, S., e.a. (1997). Diagnosing autism: Analyses of data from the autism diagnostic interview. JAutism Dev Disord, 27(5), 501-517.
  131. Lord, C., Risi, S., Lambrecht, L., Cook, E.H. Jr, Leventhal, B.L., DiLavore, P.C. e.a. (2000). The autism diagnostic observation schedule-generic: A standard measure of social and communication deficits associated with the spectrum of autism. JAutism Dev Disord, 30(3) 205-223.
  132. Lord, C., Rutter, M., Goode, S., Heemsbergen, J., Jordan, H., Mawhood, L. e.a. (1989). Autism Diagnostic Observation Schedule: a standardized observation of communicative and social behavior. Journal of Autism and Developmental Disorders, 19, 185-212.
  133. Lord, C., Rutter, M., DiLavore, P.C., Risi, S. (2001). Autism Diagnostic Observa-tion Schedule. Los Angeles, CA: Western Psychological Services.
  134. Lord, C., Rutter, M., & LeCouteur, A. (1994). Autism Diagnostic Interview-Revised: a revised version of a diagnostic interview for caregivers of individuals with possible pervasive developmental disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 24, 659-685.
  135. Lotter, V. (1978). Childhood autism in Africa. J Child Psychol Psychiatry, 19(3), 231-44.
  136. Lovaas, I. (2002).Teaching individuals with developmental delays: basic intervention techniques. Austin: Pro-Ed.
  137. Luteijn, E.F., Serra, M., Jackson, S., Steenhuis, M.P., Althaus, M., Volkmar, F., e.a. (2000). How unspecified are disorders of children with a pervasive developmental disorder not otherwise specified? A study of social problems in children with PDD-NOS and ADHD. Eur Child Adolesc Psychiatry, 9(3),168-79.
  138. Luteijn, E., Minderaa, R., & Jackson, S. (2002). Vragenlijst voor inventarisatie van sociaal gedrag bij kinderen: Handleiding. Lisse: Harcourt Test Publishers.
  139. Madsen, K.M., Hviid, A., Vestergaad, M., Schendel, D., Wohlfahrt, J., Thorsen, P., e.a. (2002). A population-based study of measles, mumps, and rubella vaccination and autism. N Engl J Med, 347(19), 1477-82.
  140. Madsen, K.M., Lauritsen, M.B., Pedersen, C.B., Thorsen, P, Plesner, A.M., Andersen, P.H., e.a. (2003). Thimerosal and the occurance of autism: a negative ecological evidence from Danish population-based data. Pedicatrics. 112(3 Pt 1), 604-606.
  141. Malhotra, S., & Gupta, N. (2002). Childhood disintegrative disorder. Re-examination of the current concept. Eur Child Adolesc Psychiatry, 11(3), 108-14.
  142. Martin, A., Koenig, K., Scahill, L., & Bregman, J. (1999). Open-label quetiapine in the treatment of children and adolescents with autistic disorder. J Child Adolesc Psychopharmacol, 9, 99-107.
  143. Martin, A., Koenig, K., Anderson, G.M., & Scahill, L. (2003). Low-dose fluvoxamine treatment of children and adolescents with pervasive developmental disorders: A prospective, open-label study. J Autism Dev Disord, 33, 77-85.
  144. Martin, A., Scahill, L., Anderson, G.M., Aman, M., Arnold, L.E., McCracken, J., e.a. (2004). Weight and leptin changes among risperidone-treated youths with autism: 6-month prospective data. Am J Psychiatry, 161, 1125-1127.
  145. Martin, A., Volkmar, F.R., & Lewis, M. (Red.). (2007). Lewis’ child and adolescent psychiatry. A comprehensive textbook (4th edition). Philadelphia: Lippin-cott, Williams & Wilkins.
  146. Masi, G., Cosenza, A., Mucci, M., & Brovedani, P. (2001). Open trial of risperidone in 24 young children with pervasive developmental disorders. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 40, 1206-1214.
  147. Matson, J.L., & Nebel-Schwalm, M.S. (2006). Comorbid psychopathology with autism spectrum disorder in children: An overview. Research in developmental disabilities, 28(4), 341-52.
  148. McCracken, J.T., McGough, J., Shah, B., Cronin, P., Hong, D., Aman, M.G., e.a. (2002). Risperidone in children with autism and serious behavioral problems. The New England journal of medicine, 347, 314-321.
  149. McDougle, C.J., Holmes, J.P., Carlson, D.C., Pelton, G.H., Cohen, D.J., & Price, L.H. (1998). A double-blind, placebo-controlled study of risperidone in adults with autistic disorder and other pervasive developmental disorders. Arch Gen Psychiatry, 55, 633-641.
  150. McDougle, C.J., Kresch, L.E., & Posey, D.J. (2000). Repetitive thoughts and behavior in pervasive developmental disorders: treatment with serotonin reuptake inhibitors. JAutism Dev Disord, 30, 427-435.
  151. McDougle, C.J., Kem, D.L., & Posey, D.J. (2002). Case series: Use of ziprasidone for maladaptive symptoms in youths with autism. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 41, 921-927.
  152. Mehta, U.C., Patel, I., & Castello, F.V. (2004). EEG sedation for children with autism. J Dev Behav Pediatr, 25, 102-104.
  153. Melkersson, K., & Dahl, M.L. (2004). Adverse metabolic effects associated with atypical antipsychotics: literature review and clinical implications. Drugs, 64, 701-723.
  154. Micali, N., Chakrabarti, S., & Fombonne, E. (2004). The broad autism phenotype: findings from an epidemiological survey. Autism, 8(1), 21-37.
  155. Michie, S., & Johnston, M. (2004). Changing clinical behaviour by making guidelines specific. BMJ, 328, 343-345.
  156. Mildenberger, K., Sitter, S., Noterdaeme, M., & Amorosa, H. (2001). The use of the ADI-R as a diagnostic tool in the differential diagnosis of children with infantile autism and children with a receptive language disorder. Eur Child Adolesc Psychiatry, 10, 248-255.
  157. Miller, J.N., & Ozonoff, S. (1997). Did Asperger's cases have Asperger disorder? A research note. J Child PsycholPsychiatry, 38(2):247-51.
  158. Minderaa, R.B., & Luteijn, E.F. (2001). ADHD en PDD-NOS: Overeenkomsten en verschillen. Neuropraxis, 5(6), 191-197.
  159. Miyazaki, K., Narita, N., & Narita, M. (2005). Maternal administration of thalidomide or valproic acid causes abnormal serotonergic neurons in the offspring: Implication for pathogenesis of autism. IntJ Dev Neurosci, 23, 287-297.
  160. Mulder, E.J., Anderson, G.M., Kema, I.P., Bildt, A. de, Lang, N.D. van, Boer, J.A. den, & Minderaa, R.B. (2004). Platelet serotonin levels in pervasive developmental disorders and mental retardation: Diagnostic group differences, within-group distribution, and behavioral correlates. JAm Acad Child Adolesc Psychiatry, 43(4), 491-499.
  161. Mundy, P., Sigman, M., & Kasari, C. (1990). A longitudinal study of joint attention and language development in autistic children. J Autism Dev Disord, 20(1), 115-28.
  162. Muris, P., Steerneman, P., Merckelbach, H., Holdrinet, I., & Meesters, C. (1998). Comorbid anxiety symptoms in children with pervasive developmental disorders. Journal of anxiety disorders, 12(4), 387-93.
  163. Namerow, L.B., Thomas, P., Bostic, J.Q., Prince, J., & Monuteaux, M.C. (2003). Use of citalopram in pervasive developmental disorders. J Dev Behav Pediatr, 24, 104-108.
  164. Naruse, H., Nagahata, M., Nakane, Y., Shirahashi, K., Takesada, M., & Yamazaki, K. (1982). A multi-center double-blind trial of pimozide (Orap), haloperidol and placebo in children with behavioral disorders, using crossover design. Acta Paedopsychiatr, 48, 173-184.
  165. NHS centre for reviews and dissemination. (1999). Getting evidence into practice. Eff Health Care, 5(1), 1-16.
  166. Noterdaeme, M., Sitter, S., Mildenberger, K., & Amorosa, H. (2000). Diagnostic assessment of communicative and interactive behaviours in children with autism and receptive language disorder. Eur Child Adolesc Psychiatry, 9(4), 295-300.
  167. Noterdaeme, M., Mildenberger, K., Sitter, S., & Amorosa, H. (2002). Parent information and direct observation in the diagnosis of pervasive and specific developmental disorders. Autism, 6(2), 159-68.
  168. Owley, T., McMahon, W., Cook, E.H., Laulhere, T., South, M., Mays, L.Z., e.a. (2001). Multisite, double-blind, placebo-controlled trial of porcine secretin in autism. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 40, 1293-1299.
  169. Ozonoff, S., & Cathcart, K. (1998). Effectiveness of a home program intervention for young children with autism. J Autism Dev Disord, 28(1), 25-32.
  170. Paavonen, E.J., Nieminen-von Wendt, T., Vanhala, R., Aronen, E.T., & Von Wendt, L. (2003). Effectiveness of melatonin in the treatment of sleep disturbances in children with Asperger disorder. J Child Adolesc Psychopharmacol, 13, 83-95.
  171. Palmen, S.J., & Engeland, H. van (2004). Review on structural neuroimaging findings in autism. JNeural Transm, 111(7), 903-29.
  172. Pearson, D.A., Loveland, K.A., Lachar, D., Lane, D.M., Redooch, S.L., Mansour, R., e.a. (2006). A comparison of behavioral and emotional functioning in children and adolescents with autistic disorder and PDD-NOS. Child Neuropsychol, 12(4-5), 321-33.
  173. Pilowsky, T., Yirmiya, N., Shulman, C., & Dover, R. (1998). The autism diagnostic interview-revised and the childhood autism rating scale: Differences between diagnostic systems and comparison between genders. J Autism Dev Disord, 28,143-151.
  174. Posey, D.J., Guenin, K.D., Kohn, A.E., Swiezy, N.B., & McDougle, C.J. (2001). A naturalistic open-label study of mirtazapine in autistic and other pervasive developmental disorders. J Child Adolesc Psychopharmacol, 11, 267-277.
  175. Rasalam, A.D., Hailey, H., Williams, J.H., Moore, S.J., Turnpenny, P.D., Lloyd, D.J., e.a. (2005). Characteristics of fetal anticonvulsant syndrome associated autistic disorder. Dev Med Child Neurol, 47, 551-555.
  176. Reddy, K.S. (2005). Cytogenetic abnormalities and fragile-X syndrome in Autism Spectrum Disorder. BMC medical genetics, 6, 3.
  177. Reed, P., Osborne, L.A., & Corness, M. (2006). Brief report: relative effectiveness of different home-based behavioral approaches to early teaching interven- tion. J Autism Dev Disord, (Epub ahead of print, dec 19).
  178. Remington, G., Sloman, L., Konstantareas, M., Parker, K., & Gow, R. (2001). Clomipramine versus haloperidol in the treatment of autistic disorder: A double-blind, placebo-controlled, crossover study. J Clin Psychopharmacol, 21, 440-444.
  179. Rogers, S.J. (1998). Empirically supported comprehensive treatments for young children with autism. J Clin Child Psychol, 27(2), 168-79.
  180. Rogers, S.J., & DiLalla, D.L. (1990). Age of symptom onset in young children with pervasive developmental disorders. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 29(6), 863-72.
  181. Rugino, T.A., & Samsock, T.C. (2002). Levetiracetam in autistic children: An open-label study. J Dev Behav Pediatr, 23, 225-230.
  182. RUPP Autism Network (2005). Randomized, controlled, crossover trial of methylphenidate in pervasive developmental disorders with hyperactivity. Archives of General Psychiatry, 62, 1266-1274.
  183. Rutter, M. (2000). Genetie studies of autism: from the 1970S into the millennium. J Abnorm Child Psychol, 28(1), 3-14.
  184. Rutter, M. (2002). Nature, nurture, and development: From evangelism through science toward poliey and practice. Child Dev, 73(1), 1-21.
  185. Rutter, M. (2006). Autism: its recognition, early diagnosis, and service implications. J Dev Behav Pediatr, 27(2 Suppl), S54-8.
  186. Rutter, M., & Taylor, E. (Eds.). (2002). Child and adolescentpsychiatry (4th edition). Oxford: Blaekwell Publishing.
  187. Rutter, M., Andersen-Wood, L., Beekett, C., Bredenkamp, D., Castle, J., Groothues, C., e.a. (1999). Quasi-autistie patterns following severe early global privation. English and Romanian adoptees (ERA) Study Team. J Child Psychol Psychiatry, 40(4), 537-549.
  188. Rutter, M., Bailey, A., Berument, S.K., Lord, C., Piekles, A. (2003). Social Communication Questionnaire (SCQ). Los Angeles, CA: Western Psyehologieal Services.
  189. Rutter, M., LeCouteur, A., & Lord, C. (2003). Autism Diagnostic Interview, Revised (ADI-R), manual. Los Angeles, CA: Western Psyehologieal Services.
  190. Saemundsen, E., Magnusson, P., Smari, J., & Sigurdardottir, S. (2003). Autism diagnostie interview-revised and the childhood autism rating seale: Convergence and diserepaney in diagnosing autism. J Autism Dev Disord, 33(3), 319-328.
  191. Santangelo, S.L., & Tsatsanis, K. (2005). What is known about autism: genes, brain, and behaviour. Am J Pharmacogenomics, 5(2), 71-92.
  192. Seahill, L., Riddle, M.A., MeSwiggin-Hardin, M., Ort, S.I., King, R.A., Goodman, W.K., e.a. (1997). Children's Yale-Brown obsessive eompulsive seale: Reliability and validity. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 36, 844-852.
  193. Sehopler, E., & Mesibov, G.B. (1995). Learning and cognition in autism (current issues in autism). New York: Plenum.
  194. Sehopler, E., Reiehler, R.J., Roehen Renner, B. (1988). The ChildhoodAutisme Rating Scale (CARS). Los Angeles, CA: Western Psyehologieal Services.
  195. Shea, S., Turgay, A., Carroll, A., Sehulz, M., Orlik, H., Smith, I., & Dunbar, F. (2004). Risperidone in the treatment of disruptive behavioral symptoms in children with autistie and other pervasive developmental disorders. Pediatrics, 114(5), e634-e641.
  196. Sigafoos, J., O'reilly, M., Ma, C.H., Edrisinha, C., Cannella, H., & Laneioni, G.E. (2006). Effects of embedded instruction versus diseretetrial training on self-injury, correct responding, and mood in a child with autism. J Intellect Dev Disabil, 31(4), 196-203.
  197. Smolders, A.H.W., Laurant, M.G.H., Duin, D. van, Wensing M., & Grol, R.P.T.M. (2006). Werken met richtlijnen. Beïnvloedende factoren bij het handelen volgens de multidisciplinaire richtlijnen angststoornissen en depressie. MGv, 61(12), 1018-1030.
  198. Soderstrom, H., Sjodin, A.K., Carlstedt, A., & Forsman, A. (2004). Adult psychopathie personality with childhood-onset hyperactivity and conduct disorder: a central problem constellation in forensic psychiatry. Psychiatry Res, 121 (3), 271-80.
  199. Sporn, A.L., Addington, A.M., Gogtay, N., Ordonez, A.E., Gornick, M., Clasen, L. (2004). Pervasive developmental disorder and childhood-onset schizophrenia: comorbid disorder or a phenotypic variant of a very early onset illness? Biol Psychiatry, 55(10), 989-94.
  200. Stachnik, J.M., & Nunn-Thompson, C. (2007). Use of atypical antipsychotics in the treatment of autistic disorder. Ann Pharmacother, 41, 626-634.
  201. Stahlberg, O., Soderstrom, H., Rastam, M., & Gillberg, C. (2004). Bipolar disorder, schizophrenia, and other psychotic disorders in adults with childhood onset AD/HD and/or autism spectrum disorders. J Neural Transm, 111(7), 891-902.
  202. Stigler, K.A., Desmond, L.A., Posey, D.J., Wiegand, R.E., & McDougle, C.J. (2004). A naturalistic retrospective analysis of psychostimulants in pervasive developmental disorders. J Child Adolesc Psychopharmacol, 14, 49-56.
  203. Stigler, K.A., Posey, D.J., & McDougle, C.J. (2004). Aripiprazole for maladaptive behavior in pervasive developmental disorders, J Child Adolesc Psychopharmacol, 14, 455-463.
  204. Stigler, K.A., Potenza, M.N., Posey, D.J., & McDougle, C.J. (2004). Weight gain associated with atypical antipsychotic use in children and adolescents: prevalence, clinical relevance, and management. Paediatr Drugs, 6, 33-44.
  205. Stromland, K., Nordin, V., Miller, M., Akerstrom, B., & Gillberg, C. (1994). Autism in thalidomide embryopathy: A population study. Dev Med Child Neurol, 36, 351-356.
  206. Szatmari, P. (2000). The classification of autism, Asperger's syndrome, and pervasive developmental disorder. Can J Psychiatry, 45(8), 731-8.
  207. Szatmari, P, Jones, M.B., Zwaigenbaum, L., & MacLean, J.E. (1998). Genetics of autism: overview and new directions. JAutism Dev Disord, 28(5), 351-68.
  208. Tadevosyan-Leyfer, O., Dowd, M., Mankoski, R., Winklosky, B., Putnam, S., McGrath, L., e.a. (2003). A principal components analysis of the autism diagnostic interview-revised. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 42(7), 864-87.
  209. Tantam, D., Evered, C., & Hersov, L. (1990). Asperger's syndrome and ligamentous laxity. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 29(6), 892-6.
  210. Taylor, B., Miller, E., Farrington, C.P., Petropoulos, M.C., Favot-Mayaud, I., Li, J., e.a. (1999). Autism and measles, mumps, and rubella vaccine: No epidemio- logical evidence for a causal association. Lancet, 353(9169):2026-9.
  211. Torrey, E.F., e.a. (2004). Autism and head circumference in the first year of life. Biologicalpsychiatry, 56(11), 892-94.
  212. Towbin, K.E. (2005). Pervasive developmental disorder not otherwise specified. In F.R. Volkmar, R. Paul, A. Klin & D.J. Cohen, D.J. (Eds.), Handbook of autism and pervasive developmental disorders, volume 1: Diagnosis, development, neurobiology, and behavior (pp. 165-200). Hoboken, NJ: John Wiley & Sons
  213. Towbin, K.E., Pradella, A., Gorrindo, T., Pine, D.S., Leibenluft, E. (2005). Autism spectrum traits in children with mood and anxiety disorders. J Child Adolesc Psychopharmacol, 15(3):452-64.
  214. Troost, P., Lahuis, B., Hoekstra, P., Steenhuis, M., Ketelaars, C., Buitelaar, J.K., e.a. (2005). Long term effects of risperidone in children with pervasive developmental disorder: A placebo discontinuation study. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 44, 1137-1144.
  215. Tsai, L. (1987). Pre-, peri-, and neonatal factors in autism. In E. Schopler, & G. B. Mesibov (Eds.), Neurobiological issues in autism (pp. 179-189). New York: Plenum Press.
  216. Veen-Mulders, L. van der, Serra, M., Hoofdakker, B.J. van den, & Minderaa, R.B. (2001). Sociaal onhandig: De opvoeding van kinderen met PDD-NOS en ADHD. Assen: Van Gorcum.
  217. Venter, A., Lord, C., & Schopler, E. (1992). A follow-up study of high-functioning autistic children. J Child Psychol Psychiatry, 33(3),489-507.
  218. Verhuist, F.C. (2006). Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: Van Gorcum.
  219. Volkmar, F.R., & Cohen, D.J. (1991). Comorbid association of autism and schizophrenia. Am J Psychiatry, 148(12), 1705-7.
  220. Volkmar, F.R., Lord, C., Bailey, A., Schultz, R.T., & Klin, A. (2004). Autism and pervasive developmental disorders. J Child Psychol Psychiatry, 45, 135-170.
  221. Volkmar, F.R., Paul, R., Klin, A., & Cohen, D.J. (Eds.). (2005). Handbook of autism and pervasive developmental disorders, volume 1: Diagnosis, development, neurobiology, and behavior. New York: John Wiley & Sons.
  222. Vorstman, J.A., e.a. (2006). Identification of novel autism candidate regions through analysis of reported cytogenetic abnormalities associated with autism. Mol Psychiatry, 11(1), 1, 18-28.
  223. Wakefield, A.J., Murch, S.H., Anthony, A., Linnell, J., Casson, D.M., Malik, M., e.a. (1998). Ileal-lymphoid-nodular hyperplasia, non-specific colitis, and pervasive developmental disorder in children. Lancet, 351(9103), 637-41.
  224. Warreyn, P, Raymakers, R., & Roeyers, H. (2004). SCQ: Vragenlijst sociale communicatie. Destelbergen, Belgie: SIG. [Nederlandse vertaling van Rutter, M., Bailey, A., Lord, C. (2004). Social communication questionnaire.]
  225. Wiener, J.M., & Dulcan, M.K. (Eds.). (2004). The American psychiatrie publishing textbook of child and adolescent psychiatry (3rd edition). Washington, DC: American Psychiatric Publishing.
  226. Wing, L. (1981a). Language, social and cognitive impairments in autism and severe mental retardation. J Autism Dev Disord, 11, 31-44.
  227. Wing, L. (1981b). Asperger's syndrome: A clinical account. Psychol Med, 11, 115-129.
  228. Wing, L., Leekam, S.R., Libby, S.J., Gould, J., & Larcombe, M. (2002). The diagnostic interview for social and communication disorders: Background, interrater reliability and clinical use. J Child Psychol Psychiatry, 43(3), 307-25.
  229. Woodhouse, W., Bailey, A., Rutter, M., Bolton, P., Baird, G., & Le Couteur, A. (1996). Head circumference in autism and other pervasive developmental disorders. J Child Psychol Psychiatry, 37, 665-671.
  230. Wozniak, J., Biederman, J., Faraone, S.V., Frazier, J., Kim, J., Millstein, R., e.a. (1997). Mania in children with pervasive developmental disorder revisited. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 36(11),1552-9.
  231. Yeargin-Allsopp, M., Rice, C., Karapurkar, T., Doernberg, N., Boyle, C., & Murphy, C. (2003). Prevalence of autism in a US metropolitan area. JAMA, 289(1), 49-55.
  232. Yoder, P, & Stone, W.L. (2006). Randomized comparison of two communication interventions for preschoolers with autism spectrum disorders. J Consult Clin Psychol, 74(3), 426-35.

Tabel 4.1: Overzicht van screenings- en diagnostische instrumenten en niveau van bewijs

Diagnostisch instrument

Doel (+ leeftijd: kalenderleeftijd [KL] en mentale leeftijd [ML]

Niveau van bewijs

Publicatie

VISK

Brengt PDD-NOS in kaart, geen classicificatie

KL 4-18 jaar

C

Totaal: niveau 3

Hartman e.a. (2006)

SCQ (voorheen ASQ)

Screening op AS, geen diagnostiek

Vanaf KL 4 jaar

ML 2 jaar

B

B

Totaal: niveau 2

Berument e.a. (1999)

Bishop e.a. (2002)

AVZ-R

Classificatie PDD, alleen bij VB

KL 2-70 jaar

B

B

Totaal: niveau 2

Kraijer e.a. (2005)

De Bildt e.a. (2003)

CARS

Screening op PDD, geen diagnostiek

Vanaf KL 2 jaar

ML 2 jaar

B

Totaal: niveau 3

Seamundsen e.a. (2003)

Auti-R

Classificatie autisme; geen classificatie, geen autisme.

KL: 10 mnd (niet sprekend), 3 jaar (sprekend) tot 12:11 jaar.

 -

Geen

DISCO

In kaart brengen van de ontwikkelingsgeschiedenis en het huidige gedragspatroon. Alle leeftijden, alle niveaus.

C

B

Totaal: niveau 3

Wing e.a. (2002)

Leekam e.a. (2002)

ADI-R

Classificatie AS versus non-AS

ML: vanaf 24 maanden

B

B

B

C

B

C

B

Totaal: niveau 2

Pilowsky e.a. (1998)

Seamundsen e.a. (2003)

Cox e.a. (1999)

Mildenberger e.a. (2001)

Lord e.a. (1997)

Tadevosyan-Leyfer e.a. (2003)

De Bildt e.a. (2004)

ADOS

Classificatie AS, PDD-NOS & non-AS

ML: vanaf 24 maanden, modules voor kinderen, adolescenten, volwassenen

B

B

B

B

Lord e.a. (2000)

De Bildt e.a. (2004)

Noterdaeme e.a. (2000)*

Noterdaeme e.a. (2002)

* Beide artikelen beschrijven deels hetzelfde onderzoek.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 11-06-2008

Laatst geautoriseerd  : 11-06-2008

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Vereniging Klinische Genetica Nederland
  • Nederlands Instituut van Psychologen

Algemene gegevens

Deze richtlijn is een initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en is samenwerking met het Landelijk Kennis Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie opgesteld.

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze richtlijn is om artsen, in het bijzonder kinder- en jeugdpsychiaters, artsen werkzaam in de jeugdgezondheidszorg, en kinderartsen aanbevelingen aan te reiken die de betrouwbaarheid, efficiëntie en doelmatigheid van de diagnostiek en behandeling van patiënten met (vermoedelijke) ASS kunnen vergroten. De aanbevelingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en op good clinical evidence.

Daarbij gelden de volgende uitgangsvragen.

  • Welk instrumentarium kan gebruikt worden bij casefinding van ass?
  • Welk instrumentarium kan gebruikt worden bij de diagnostiek van ass?
  • Welke zijn de indicaties voor aanvullend onderzoek?
  • Welk aanvullend onderzoek kan aangewend worden?
  • Wat is de plaats van neuropsychologisch onderzoek in de diagnostiek van autismespectrumstoornissen?
  • Welke 'testbatterij' dient hierbij bij voorkeur gebruikt te worden?
  • Welke comorbide stoornissen komen regelmatig voor en zijn klinisch relevant bij ass?
  • Welke medicamenteuze behandeling van (bijkomende pathologie van) ass is (het eerste) werkzaam?
  • Welke zijn klinisch belangrijke bijwerkingen van werkzame medicamen­teuze behandelingen van ass?
  • Welke behandelingen zijn effectief bij autismespectrumstoornissen?
  • Wat is de empirische status van behandelingen die claimen dat zij ef­fectief zijn?

 

Doelgroep

Deze richtlijn is primair ontwikkeld ten behoeve van de zorg voor kinderen en jeugdigen met - de verdenking op - ASS door psychiaters, artsen werkzaam in de jeugdgezondheidszorg en kinderartsen. De richtlijn is ook bedoeld om de samenwerking met andere disciplines te ondersteunen.

Samenstelling werkgroep

De werkgroepleden zijn allen nauw betrokken bij het veld en een aantal van hen is in meerdere of mindere betrokken bij samenwerkingsverbanden met de farmaceutische industrie. Ze hebben naar beste vermogen objectief en onafhankelijk gehandeld. De werkgroep bestond uit:

  • dr. P.F. Schothorst, kinder- en jeugdpsychiater (voorzitter);
  • prof.dr. H. van Engeland, kinder- en jeugdpsychiater;
  • prof.dr. R.J. van der Gaag, kinder- en jeugdpsychiater;
  • prof.dr. R.B. Minderaa, kinder- en jeugdpsychiater;
  • drs. A.P.A.M. Stockmann, kinder- en jeugdpsychiater;
  • drs. G.M.A. Westermann, kinder- en jeugdpsychiater;
  • drs. H.A. Floor-Siebelink, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding (ambtelijk secretaris).

 

Uit oogpunt van zorgvuldigheid en in het belang van een breed draagvlak is de werkgroep in haar werkzaamheden opgetrokken met het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie (KJP).

  • dr. A.A. de Bildt;
  • dr. C.E.J. Ketelaars.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De richtlijn wordt gepubliceerd op de website van de NVVP en verspreid onder de besturen van de geraadpleegde verenigingen. De richtlijn is tevens in boekvorm te bestellen.

Werkwijze

Selectiecriteria literatuur en wetenschappelijke onderbou­wing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijsmateriaal uit gepu­bliceerd wetenschappelijk onderzoek. Uit het verrichte literatuur onder­zoek bleek dat evidence-based gegevens zeer beperkt aanwezig zijn. De richtlijn is daarom voor een belangrijk deel gebaseerd op de expertise van de werkgroepleden en internationale consensusdocumenten. Relevante artikelen voor de hier voorliggende richtlijn zijn als volgt geselecteerd door middel van systematische zoekacties.

  • Databases: Cinahl, Cochrane Library, Embase, Medline, Pubmed.
  • Periode: 1996-2006, met aanvullingen van relevante literatuur uit voor­gaande jaren en 2007.
  • Soort onderzoek: meta-analysen, klinische trials, casecontrol- en cohort- onderzoek.
  • Algemene exclusie:

-     artikelen van algemene aard en beschouwingen over het onderzoek van anderen;

-     casuïstiek, gevalsbeschrijvingen;

-     dubbelpublicaties;

-     dierexperimenteel onderzoek;

-     artikelen niet in het Engels, Frans, Duits of Nederlands;

-     (niet-systematische) reviews, tutorials, editorials.

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoor­deeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de indeling gebruikt volgens cbo.

 

Voor artikelen over preventie of therapie

A1

Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn.

A2

Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie.

B

Gerandomiseerde klinische trails van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiëntcontroleonderzoek).

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld werkgroepleden.

 

Voor artikelen over diagnostiek

A1

Onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken test- uitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests.

A2

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruikgemaakt zijn van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de gouden standaard moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. Bij situaties waarbij multipele diagnostische tests een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie.

B

Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder bij niveau A zijn genoemd.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld werkgroepleden.

 

Niveau van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Een systematische review (Al) of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau Al of A2.

2

Ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Een onderzoek van niveau A2 of B of onderzoek van niveau C.

4

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Aanvullend onderzoek voor diagnostiek ASS