Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is om boezemfibrilleren te voorkomen of te behandelen bij patiënten die een operatie aan hart en/of longen ondergaan. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Het voorkomen van boezemfibrilleren na een hartoperatie
    • De beste behandeling van boezemfibrilleren bij patiënten die een hartoperatie hebben ondergaan
    • De rol van antistollende medicijnen op boezemfibrilleren bij patiënten die een hartoperatie hebben ondergaan
    • De best te gebruiken lokatie van de plakker als boezemfibrilleren moet worden behandeld met een elektrische schok
    • De rol van magnesium in de behandeling van boezemfibrilleren bij patiënten die een hartoperatie hebben ondergaan

 

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met boezemfibrilleren dat optreedt na een operatie aan het hart en/of de longen.

 

Voor patiënten

Het hart bestaat uit vier holtes. De bovenste twee holtes worden boezems (atriums) genoemd, de onderste twee kamers (ventrikels). Het bloed komt het hart binnen via de boezems, stroomt de kamers in en wordt dan het lichaam weer ingepomt. Normaal gesproken ligt het hartritme tussen de 60 en 100 slagen per minuut. Atriumfibrilleren, ook wel boezemfibrilleren genoemd, betekent letterlijk trillen van het atrium. Bij boezemfribrilleren is het ritme vaak onregelmatig en sneller dan normaal. Soms is dit voelbaar voor patiënten. Dit kan angst of onrust geven. Ook kan duizeligheid en vermoeidheid optreden. Boezemfibrilleren kan kortdurend maar ook langer aanwezig zijn.  Er bestaan verschillende oorzaken. Een van deze oorzaken is het ondergaan van een operatie. Cardio-thoracale operaties zijn operaties waarbij wordt geopereerd aan het hart en/of de longen. Bij 20 tot 40 procent van alle patiënten die worden geopereerd aan het hart en/of de longen treedt boezemfibrilleren op.

 

Meer informatie over boezemfibrilleren is te vinden op Thuisarts.nl:

https://www.thuisarts.nl/atriumfibrilleren

 

Meer informatie over boezemfibrilleren is ook te vinden op de website van de Hartstichting:

https://www.hartstichting.nl/downloads/brochure-boezemfibrilleren

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie (NVT). De richtlijn is opgesteld door een werkgroep bestaande uit cardio-thoracale chirurgen.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 26-11-2010

Laatst geautoriseerd : 26-11-2010

Revisiedatum uiterlijk november 2015

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is mede gebaseerd op de EACTS-guidelines on the prevention and management of de novo atrial fibrillation after cardiac and thoracic surgery.

 

Notitie specifiek met betrekking op de Nederlandse situatie:
Lees ipv Warfarine: Coumarine-derivaten
Deze notitie vormt een integraal onderdeel van de Engelstalige tekst van de hierbij behorende richtlijn.

Doel en doelgroep

This guideline covers the prophylaxis and treatment of de novo AF in adults undergoing cardiac and thoracic surgery. It includes recommendations for intra-operative strategies to
minimise the incidence of AF, the pharmacological treatment of AF and recommendations for anticoagulation of these patients. In addition, monitoring and ward management
of these patients are also addressed. It excludes recommendations for the surgical management of patients coming to surgery with chronic AF, and recommendations for
patients in chronic AF not undergoing cardiothoracic surgery.

Samenstelling werkgroep

  • Joel Dunning (James Cook University Hospital, Middlesbrough, UK)
  • Tom Treasure (Guy’s Hospital, London, UK)
  • Michael Versteegh (Leiden University Medical Center, The Netherlands)
  • Samer A.M. Nashef (Papworth Hospital, Cambridge, UK)

on behalf of the EACTS Audit and Guidelines Committee

 

Acknowledgements

The EACTS Audit andGuidelineCommittee is grateful to thefollowing authors for assisting with the literature reviewprocess by publishing Best Evidence Topics for the ICVTS:

Muneer Amanullah, Ali Behranwala, Phil Botha, Mohammed Hanif, Noman Khasati, Graham Morritt, Darbhamulla Nagarajan, Mohammed Nouraei, Brian Nyawo, Savvas Omorphos, Anish Patel, Brian Prendergast, Shahzad Raja, Jagan Rao, Andrew Ronald, Anthony Rostron, Aliu Sanni, Vivek Shrivastava.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

This guideline comprises several novel aspects in the methodology employed in the derivation of this document. Many guidelines are based on a single systematic review and
multiple clinical questions are then answered on the basis of the papers found from this one review. In contrast, we felt that it was important to perform a full literature review for
every single question addressed in order to maximise the robustness of the guideline. We used a structured systematic review protocol named ‘Best Evidence Topics’ to construct each review, where the search strategy, results of the search and a full appraisal of all papers are published in a structured format. The details of this protocol are described in the Interactive Cardiovascular and Thoracic Surgery (ICVTS) [5]. Guidelines often fall short of expectations due to a failure to consult those clinicians who are most likely to
use them. For this guideline, every literature review has already been published in full in the ICVTS. Every topic was published online and clinicians were able to post comments
on the topic over a 2-month period. These comments were then published together with the full paper in the ICVTS and are now available to all readers in full text online at www.icvts.org.

 

These guidelines assess individual studies according to recommendations developed and refined over time [5] and previously used in the specialty [6]. Briefly, level 1 papers are
randomised controlled trials, level 2 papers are cohort studies, level 3 papers are case-controlled studies or small cohort studies and level 4 studies are experimental papers.
The ‘b’ suffix implies that the study is an original article at this level and the ‘a’ suffix implies that the paper is a systematic review or meta-analysis of papers at that level (further details are available from the website of the Oxford Centre for Evidence based Medicine: http://www.cebm.net/levels_of_evidence.asp 2001).
Systematic literature review was up to the end of 2005. Once recommendations are made, they are graded according to the quality of papers used to come to our conclusion:

  • Grade A evidence: based on multiple level 1a or level 1b papers
  • Grade B evidence: based on multiple level 2a/2b papers or individual level 1a/1b papers
  • Grade C evidence: based on multiple level 3a/3b papers or individual level 2a/2b papers
  • Grade D evidence: based on individual level 3a/3b papers or level 4 papers
  • Grade E evidence: based on expert consensus in the absence of acceptable papers