Astma bij kinderen

Initiatief: NVK Aantal modules: 22

Leukotriëen receptorant agonisten (LTRA)

Uitgangsvraag

Zijn leukotriëen receptor antagonisten (LTRA) effectiever (en veiliger) dan inhalatiesteroïden bij jonge kinderen met recidiverend piepen obv virale luchtweginfecties?

Aanbeveling

Bij jonge kinderen (< 6 jaar) met niet-ernstig intermitterend piepen (zonder andere klachten) hoeft in het algemeen geen onderhoudsmedicatie voorgeschreven te worden. (consensus)

 

Bij jonge kinderen met ernstige klachten (leidend tot opname, orale steroïdkuren of SEH bezoek) en/of frequente klachtenepisodes (3 of meer per jaar), en/of een positieve familie anamnese voor astma en/of sensibilisatie voor inhalatie allergenen wordt geadviseerd om een onderhoudsbehandeling met ICS te geven. (consensus)

 

Bij een slechte inhalatietechniek kan als alternatief voor ICS een LTRA gegeven worden. Indien na 6 weken tot 3 maanden de behandeling met ICS of LTRA niet effectief is, blijkend uit onveranderde symptomen, dient staken van deze behandeling te worden overwogen. (‘low quality’ evidence)

Overwegingen

Hoewel het bekend is dat LTRA bij oudere kinderen (> 6 jaar) met astma minder effectief zijn dan inhalatiesteroïden, zou bij jonge kinderen met piepen op basis van (virale) luchtweginfecties er mogelijk wel een voordeel zijn van LTRA vergeleken met ICS [Ducharme, 2002].

 

Bij jonge kinderen kan de diagnose astma nog niet met zekerheid gesteld worden. Episodes van piepen komen zeer frequent voor bij jongen kinderen (< 6 jaar); de cumulatieve prevalentie is rond de 50%. Het overgrote merendeel van deze kinderen
ontwikkelt geen astma op latere leeftijd. Er wordt onderscheid gemaakt in 2 fenotypes: kinderen die alleen piepen bij virale infecties (episodic viral wheeze) en kinderen die piepen bij multiple prikkels (multiple trigger wheeze). De grootste groep kinderen valt in de categorie ‘piepen uitsluitend tijdens een virale luchtweginfectie’. Het blijkt overigens dat bij 90% van de kinderen die piepen een virale infectie kan worden aangetoond. Indien de klachten niet ernstig zijn, dwz niet leidend tot opname, orale steroïdkuren of SEH bezoek of indien de klachten minder vaak optreden dan in 3 episodes per jaar, behoeft dit geen onderhoudsbehandeling. De andere groep (multiple trigger wheeze) heeft naast episodes van piepen tijdens virale luchtweginfecties ook symptomen buiten deze episodes [Brand, 2008]. Fenotypes van piepen lijken niet constant te zijn: tijdens follow-up
verandert ongeveer de helft van de kinderen van fenotype [Schultz, 2010].

 

Voor jonge kinderen met episodes van piepen bestaat (nog) geen eenduidige behandeling omdat er weinig onderbouwing is in deze jonge groep Brand, 2008. Ook de implicaties van de fenotypes voor de behandeling zijn niet onderbouwd. Bij een positieve 1e
 graads familie anamnese voor astma en sensibilisatie voor inhalatie allergenen is het piepen minder vaak van voorbijgaande aard; het is echter onzeker of deze groep meer baat zou hebben van ICS.

 

Een leukotriëen receptor antagonist kan een alternatief zijn als effectieve inhalatie onmogelijk (b)lijkt.

Onderbouwing

Astma is de meest voorkomende chronische aandoening bij kinderen. Toch is er nog veel onduidelijkheid over de meest effectieve en veilige behandeling van astma bij kinderen, zoals blijkt uit verschillende aanbevelingen in internationale richtlijnen [BTS, 2009; GINA, 2008].

 

Bij intermitterende, milde symptomen van astma wordt alleen zo nodig toediening van kortwerkende beta-agonisten (SABA) geadviseerd (Stap 1). Wanneer de symptomen van astma hiermee onvoldoende onder controle zijn wordt onderhoudsbehandeling met inhalatiesteroiden (ICS) gestart (Stap 2). Voor beide stappen is de effectiviteit (en veiligheid) in voldoende mate aangetoond en bestaat er geen controverse in de praktijk.

 

Voor stap 2 is er wel onduidelijkheid of er verschil in effectiviteit en veiligheid is tussen ICS met normale deeltjesgrootte en de ICS met extrafijne deeltjes. De extrafijne deeltjes zouden vooral bij jonge kinderen (< 6 jaar) een betere depositie in de perifere luchtwegen geven, waardoor de helft van de gebruikelijke dosering volstaat.

 

Voorts is de positie van leukotriëen receptorantagonisten (LTRA) als monotherapie in Stap 2 controversieel. Op dit moment worden LTRA als alternatief aanbevolen bij kinderen onder de 6 jaar met uitsluitend klachten bij virusinfecties.

 

De meeste discussie (inter)nationaal betreft nog steeds wat te doen bij Stap 3. Wanneer er onvoldoende astmacontrole is met een normale dosis ICS zijn er verschillende mogelijkheden: ophogen van de dosis ICS, toevoegen van een langwerkend beta-agonist

(LABA), of toevoegen van LTRA. Verscheidene internationale richtlijnen adviseren (bij kinderen vanaf 5 jaar) als eerste keus het toevoegen van een LABA aan een normale dosis ICS. De vraag is of dit terecht is, gezien publicatie van een aantal recente nieuwe studies en zorgen omtrent de veiligheid van LABA’s.

 

In het kader van evidence-based richtlijnontwikkeling door de Sectie Kinderlongziekten is de literatuur over bovengenoemde 3 controversen bij kinderen systematisch onderzocht. Vervolgens zijn op basis van de literatuur en ‘overige overwegingen’ de aanbevelingen voor de praktijk van de kinder(long)arts gegeven.

Er zijn geen aanwijzigen dat LTRA effectiever en veiliger zijn bij jonge kinderen met recidiverend piepen. (‘low quality’ evidence)

De onderzoekpopulatie in de studie van Bacharier et al past bij de vraagstelling, namelijk piepen op basis van een luchtweginfectie, hoewel de helft ook atopisch was. De kinderen werden slechts 7 dagen behandeld en voorts was de dosis ICS erg hoog (2dd 1mg) en werd via vernevelaar gegeven in plaats van met een voorzetkamer, zoals in Nederland de praktijk zou zijn. Er werden geen significante verschillen gevonden, hoewel de aantallen te klein zijn om definitieve uitspraken te doen over bijvoorbeeld aantal ziekenhuisopnames.

 

De onderzoekpopulatie in de studie van Szefler et al voldoet niet helemaal aan de vraagstelling, daar hier geen relatie hoefde te zijn tussen klachten en een luchtweginfectie. Bovendien hadden de kinderen zeer milde klachten. Dit was waarschijnlijk ook de oorzaak van de hoge uitval van 29% en slechte compliance. Ook hier was de dosis budesonide hoog en werd via vernevelaar toegediend. De kinderen in de budesonide groep lijken het beter te doen, hoewel de verschillen vaak niet significant waren.

Er werden 2 RCT’s gevonden. De veel aangehaalde studie van Bisgaard et al uit 2005 is niet meegenomen omdat het een placebogecontroleerde studie betreft, terwijl hier de vraagstelling LTRA versus ICS wordt besproken [Bisgaard, 2005].

 

De studie van Bacharier et al (2008) is een multicenter gerandomiseerde, placebogecontroleerde studie in de VS bij 238 kinderen (1-5 jaar) met matig tot ernstig recidiverend piepen bij een luchtweginfectie [Bacharier, 2008]. Ongeveer de helft van de kinderen was atopisch. De kinderen werden gerandomiseerd over 3 groepen en kregen gedurende 7 dagen.

1) budesonide inhalatie (pulmicort 2dd 1 mg) en placebo LTRA 1dd (n=96) of  
2) montelukast 1dd 4 mg en placebo inhalatiesteroid 2dd (n=96) of  
3) placebo inhalatiesteroid en placebo LTRA (n=47).

 

Inhalatiemedicatie werd via vernevelaar gegeven. Primaire uitkomstmaat was de proportie symptoomvrije dagen, bijgehouden met dagboekjes gedurende 12 maanden.

 

Het aantal symptoomvrije dagen verschilde niet significant (p=0,66) tussen de 3 groepen: 76% (95% BI, 70% tot 81%), 73% (95% BI, 66 tot 79%) en 74% (95% BI, 65% tot 81%). Ook het aantal ziekenhuisopnames verschilde niet significant (p=0,22): 2 (2.1%, 95% BI 0,25-7,3), 6 (6.3%, 95% BI 2.4-13.4) en 4 (8.5%, 95% BI 2.4-20.4) en er werden geen significante verschillen gevonden in het aantal orale corticosteroïd kuren, groei, kwaliteit van leven en bijwerkingen.

 

De andere RCT vanSzefler et al (2007) was een multicenter, open label gerandomiseerde studie in de VS bij 395 kinderen (2-8 jaar) met mild persisterend astma [Szefler, 2007]. De kinderen kregen budesonide inhalatie 1dd 0,5 mg via vernevelaar of montelukast oraal 1dd 4 of 5 mg gedurende 1 jaar. Primaire uitkomstmaat was de ‘Time to first asthma medication’ (verhoging budesonide dosering of orale steroïden) in verband met een milde tot matige astmaexacerbatie.

 

Het aantal symptoomvrije dagen (% verschil ten opzichte van baseline) verschilde niet significant per groep: BIS groep 19,9% versus montelukast groep 16,48 % (p=0,19). Het krijgen van additionele astmamedicatie (verhoging budesonide dosering of orale steroïden) na 12 weken was 29% in de budesonide groep versus 39% in de montelukastgroep. Kinderen in de budesonide groep hadden minder additionele astmamedicatie nodig: 1,23 versus 1,63 (p=0.034); 24,5% minder astmaexacerbaties in de budesonide groep. Het aantal ernstige exacerbaties waarvoor orale steroïden gegeven moesten worden was (niet significant) lager in de budesonide groep: 0,52 versus 0,67 (p=0,146). De uitval was 29% en de compliance met studiemedicatie was slecht.

 

De ‘overall’ kwaliteit van de evidence voor de relevante uitkomstenmaten was ‘low’ tot ‘very low’. Redenen hiervoor waren: beperkingen in onderzoeksopzet (methode van randomisatie, toewijzing van behandeling en blindering (van effectbeoordelaars) in beide studies niet bekend); indirectheid (kinderen met (te) mild astma of klachten niet op basis van een luchtweginfectie; imprecisie (betrouwbaarheidsintervallen die de neutrale waarde omvatten) en sponsoring door de farmaceutische industrie, waarbij enkele co-auteurs werkzaam waren bij het betrokken farmaceutische bedrijf.

  1. Bisgaard H, Zielen S, Garcia-Garcia ML, Johnston SL, Gilles L, Menten J et al. Montelukast reduces asthma exacerbations in 2- to 5-year-old children with intermittent asthma. Am J Respir Crit Care Med 2005; 171(4):315-322.
  2. Bacharier LB, Phillips BR, Zeiger RS, Szefler SJ, Martinez FD, Lemanske RF, Jr. et al. Episodic use of an inhaled corticosteroid or leukotriene receptor antagonist in preschool children with moderate-to-severe intermittent wheezing. J Allergy Clin Immunol 2008 Dec 122;1127-1135.
  3. Szefler SJ, Baker JW, Uryniak T, Goldman M, Silkoff PE. Comparative study of budesonide inhalation suspension and montelukast in young children with mild persistent asthma. J Allergy Clin Immunol 2007; 120(5):1043-1050.
  4. Ducharme FM, Hicks GC. Anti-leukotriene agents compared to inhaled corticosteroids in the management of recurrent and/or chronic asthma in adults and children. Cochrane Database Syst Rev 2002 2003;CD002314.
  5. Brand PL, Baraldi E, Bisgaard H, Boner AL, Castro-Rodriguez JA, Custovic A et al. Definition, assessment and treatment of wheezing disorders in preschool children: an evidence-based approach. Eur Respir J 2008 Oct 1932;1096-1110.
  6. Schultz A, Devadason SG, Savenije OE, Sly PD, Le Souef PN, Brand PL. The transient value of classifying preschool wheeze into episodic viral wheeze and multiple trigger wheeze. Acta Paediatr 2010; 99(1):56-60.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 26-04-2013

Laatst geautoriseerd  : 26-04-2013

De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde is eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Ook de overige bij de ontwikkeling van deze richtlijn betrokken wetenschappelijke verenigingen en de patiëntenorganisatie monitoren de actualiteit van de richtlijn. Ontwikkelingen binnen het vakgebied kunnen aanleiding zijn om één of meerdere modules van de richtlijn te herzien. Uiterlijk in 2026 bepaalt de richtlijncommissie van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde of deze richtlijn nog actueel is. Indien gedeeltelijke of totale herziening wenselijk is, dan spant de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde zich ervoor in om dit te realiseren.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Longfonds

Algemene gegevens

De richtlijn ‘astma bij kinderen’ is een initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). Deze richtlijn is een
herziening van de richtlijn van de NVK uit 2008. Deze nieuwe richtlijn is grotendeels gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn van
de British Thoracic Society (BTS, juni 2012), aangevuld met de uitwerking van onderwerpen waarover discussie is voor de
Nederlandse situatie. Hiervoor zijn evidence reviews met behulp van GRADE opgesteld.

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze richtlijn is het bieden van ondersteuning aan kinderartsen bij het realiseren van een uniform en zoveel mogelijk evidence-based beleid bij kinderen van 1 tot 18 jaar met (verdenking op) astma.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is primair geschreven voor de doelgroep kinderartsen en arts-assistenten (niet) in opleiding tot kinderarts. Kinderlongverpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en physician assistants en andere zorgmedewerkers die betrokken zijn bij de zorg voor kinderen met astma in de 2e lijn kunnen eveneens informatie ontlenen aan deze richtlijn.

Samenstelling werkgroep

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is een richtlijnwerkgroep samengesteld. In de werkgroep participeerden gemandateerde vertegenwoordigers van de belangrijkste beroepsverenigingen die te maken hebben met de zorg rondom kinderen met astma. Verschillende secties van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde waren hierin vertegenwoordigd. Om het patiëntenperspectief te waarborgen, hadden een ouder van een kind met astma en een medewerker van het Longfonds zitting in de werkgroep. De werkgroep is procedureel en methodologisch ondersteund door PROVA en logistiek door het bureau van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. De werkgroep bestond uit de volgende personen:

  • Dr. Annemie Boehmer, kinderarts-pulmonoloog, namens de Sectie Kinderlonggeneeskunde van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, voorzitter en projectleider
  • Mariska Tuut, epidemioloog/richtlijnmethodoloog, PROVA, secretaris
  • Magda Barnhoorn, namens Longfonds
  • Prof. Dr. Patrick Bindels, huisarts, namens het Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Viona Boerefijn-Smets, ervaringsdeskundige, namens Longfonds
  • Linda Eijking, longverpleegkundige, namens Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Dr. Bart van Ewijk, kinderarts-pulmonoloog, namens de Sectie Kinderlonggeneeskunde van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Sabien van der Geest-Heisterkamp, kinderarts-intensivist, namens de Sectie Intensive Care Kinderen van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Dr. Gerbrich van der Meulen, kinderarts-allergoloog, namens de Sectie Kinderallergologie van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Niels Rutjes, kinderarts-pulmonoloog, namens de Sectie Kinderlonggeneeskunde van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Mariël Verwaal, Verpleegkundig Specialist Kinderlongziekten, namens Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

 

De klankbordgroep bestond uit gemandateerde vertegenwoordigers van beroepsgroepen, die niet primair de doelgroep zijn van deze richtlijn, maar wel specifieke expertise hebben op het gebied van het onderwerp van de richtlijn. De klankbordgroep is per e-mail benaderd om de conceptteksten van de richtlijn te becommentariëren. De klankbordgroep bestond uit de volgende personen:

  • Dr. Mathieu Bolhuis, ziekenhuisapotheker, namens de Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuisapothekers
  • Dr. Peter Klijn, kinderfysiotherapeut, namens het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Sandra Lever, kinderlongfunctie-analist, namens de Nederlandse Vereniging van Longfunctieanalisten
  • Ellen van der Linden, jeugdarts, namens AJN Jeugdartsen Nederland
  • Renate Nicolaas, klinisch psycholoog, namens het Nederlands Instituut van Psychologen
  • Roselin van der Torren-Klever, jeugdarts, namens AJN Jeugdartsen Nederland
  • Jurgen te Rijdt, keel-neus-oorarts, namens de Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Dr. Marjo van de Ven, longarts, namens de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Rene Verbeek, spoedeisende hulp arts, namens de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden en klankbordgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad (zie onderstaande tabel). Er waren geen beperkingen voor deelname geconstateerd.

 

Naam

Hoofdfunctie(s)

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Erik-Jonas van de Griendt (projectleider sinds april 2020)

Kinderarts-pulmonoloog:

  • Behandelcentrum Merem, locatie Hilversum, 0,6 FTE
  • DeKinderkliniek Almere, 0,2 FTE

Lid werkgroep Persisterend Ernstig Astma (PSA) van de Sectie kinderlongziekten, NVK (onbetaald)

PhD-candidate Post Graduate School UvA Amsterdam (onbetaald)

Geen persoonlijke financiële belangen te melden

Geen persoonlijke relaties die kunnen leiden tot belangenverstrengeling te melden

Geen extern gefinancierd onderzoek te melden

Niet van toepassing

Nee

Mariska Tuut (richtlijnmethodoloog)

Eigenaar PROVA (adviesbureau evidence-based richtlijnontwikkeling, richtlijnmethodoloog)

PhD-candidate CAPRHI Research School, Maastricht University, onbetaald

geen

geen

geen

geen

geen

Magda Barnhoorn (werkgroep, tot april 2020)

Projectleider Zorg bij Longfonds

-

-

-

-

-

-

Patrick Bhairosing (werkgroep sinds december 2020)

Projectleider Kinderen en jongeren met longziekten

-

-

-

-

-

-

Patrick Bindels (werkgroep)

Hoogleraar huisartsgeneeskunde, hoofd afdeling huisartsgeneeskunde, Erasmus MC Rotterdam, fulltime

-

Geen

Nee

-

Geen

Nee

Annemie Boehmer (projectleider tot april 2020) (kerngroep)

  • Kinderarts-pulmonoloog, geen betrekking op dit moment
  • Nulaanstelling Maasstad ziekenhuis
  • Gastvrijheidsovereenkomst ErasmusMC-Sophia t.b.v. begeleiding promotieonderzoek

Alles dus onbetaald

Ik heb betaald advies gegeven aan GlaxoSmithKline en zou nog uitgenodigd kunnen worden voor weer een advies op gebied van biologicals voor ernstig astma

Nee

Geen belangenverstrengeling

Geen

Geen bekend

Viona Boerefijn-Smets (werkgroep tot juni 2020)

Niet werkzaam, thuisblijfmoeder (in 2013 afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg; master theologie/categoriaal pastoraat)

  • Lid meedenkgroep zorg, Longfonds, onbetaald
  • Lid ouderraad, basisschool de Vijfmater (Veghel), onbetaald
  • Vrijwilliger Aatrium (Veghel), onbetaald
  • Lid commissie ‘LIVE’ (onderzoek naar socio-therapeutische leefmilieus), Landrijt/Eindhoven, onbetaald
  • 1e contactpersoon familie, Landrijt/Eindhoven, onbetaald

 

 

n.v.t.

Nee, in principe niet

Nee

Linda Eijking (werkgroep)

  • Kinderlongverpleegkundige werkzaam bij ZorgBrug
  • Trainer groepstraining Rookvrij!Ookjij? van SineFuma (via dienst ZorgBrug)

Voorzitter taakgroep Kinderlongverpleegkundigen V&VN (onbetaald)

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Bart van Ewijk (werkgroep)

  • Kinderarts-pulmonoloog Tergooi (0,85 FTE)
  • Kinderarts-pulmonoloog Merem locatie Heideheuvel (0,05 FTE)
  • Bestuurslid Sectie Kinderlongziekten (SKL) van NVK, onbetaald
  • Lid werkgroep Persisterend Ernstig Astma (PEA) van SKL-NVK (onbetaald)

Geen

Nee

Nee

Werkzaam in enige astmacentrum in Nederland met klinische opname mogelijkheid

Nee

Sabien van der Geest-Heisterkamp (werkgroep)

Kinderarts-kinderintensivist LUMC (ICK)

Instructeur APLS (Riel), onbetaald/onkosten vergoeding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Xana van Jaarsveld (werkgroep van april 2020 tot december 2020)

Adviseur Zorg, Longfonds

n.v.t.

n.v.t

n.v.t

n.v.t.

n.v.t

geen

Ursula Kooijman (werkgroep, sinds augustus 2020)

Patiëntvertegenwoordiger Longfonds

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Gerbrich v.d. Meulen (werkgroep)

Kinderarts-allergoloog, Martini Ziekenhuis, Groningen

n.v.t.

geen

neen

Alleen onderzoek mede gefinancierd door Danone. Geen belangenverstrengeling m.b.t. astma richtlijn

Boegbeeld Speerpunt Martini allergie centrum voor kinderen (geen belangenverstrengeling m.b.t. deze richtlijn)

neen

Niels Rutjes (werkgroep)

Kinderlongarts, Amsterdam UMC / Emma Kinderziekenhuis

  • Lid adviescommissie neonatale hielprikscreening cystische fibrose (ANC-CF), onbetaald
  • Lid werkgroep informatiehuishouding en kwaliteit neonatale hielprikscreening, onbetaald
  • Lid Severe pediatric asthma collaborative in Europe (SPACE, ERS, CRC), onbetaald
  • Adviesraad GSK, mepolizumab, betaald

Eenmalige deelname adviseraad mepolizumab GSK

Geen

Geen

Geen

Geen

Mariël Verwaal (werkgroep)

  • Verpleegkundig Specialist MANP kinderlongziekten en aanverwante aandoeningen, Maaststadziekenhuis te Rotterdam, 40 uur per week
  • Verpleegkundig Docent; Breederode instituut te Rotterdam, oproep basis
  • Lid subwerkgroep Kwaliteitsindicatoren astma bij kinderen, onderdeel van Longalliantie Nederland (betaald)
  • Lid ontwikkelgroep landelijk actieplan voor kinderen met astma, onderdeel Longalliantie Nederland (betaald)
  • Lid ontwikkelgroep zorgpadinhalatiemedicatie, onderdeel Longalliantie Nederland (betaald)
  • Ambassadeur Nosmokekind (initiatief sectie kinderlongziekten van de NVK) (onbetaald)
  • Voorzitter landelijke werkgroep verpleegkundig specialisten kinderlongziekten (onbetaald)
  • Secretaris landelijke werkgroep verpleegkundig specialisten kinderlongziekten (onbetaald)

Geen persoonlijke financiële belangen

Nee, geen persoonlijke belangen

Geen belang

Geen belang

Neen

Mathieu Bolhuis (klankbordgroep)

Ziekenhuisapotheker / klinisch farmacoloog UMCG

n.v.t.

n.v.t.

  • Niet voor zover ik op dit moment kan inschatten.
  • NB. ik werk veel samen met longartsen in het UMCG, maar vooral i.h.k.v. tuberculose.
  • NB. eerstegraads familielid (broer) werkt bij Bayer als Accountmanager Cardiovascular (Xarelto)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Peter Klijn (klankbordgroep)

  • Onderzoekscoördinator Merem longrevalidatie centrum (50%)
  • Klinisch inspanningsfysioloog Merem revalidatiecentra (50%)
  • Docent bij Nederlands Paramedisch Instituut (master class ‘niet lineair geperiodiseerde inspanningstraining bij patiënten met ernstige COPD), betaald
  • Docent bij Maas & Meer (inspanningsfysiologie bij kinderen met een chronische aandoening), betaald

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Sandra Lever (klankbordgroep)

Longdiagnostisch laborant, ErasmusMC locatie Sophia Kinderziekenhuis

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Ellen van der Linden (klankbordgroep)

Jeugdarts Jeugdgezondheidszorg Zuid-Holland West

  • Ambassadeur Rookvrije Jeugd voor AJN
  • Lid Taskforce Rookvrije start
  • Afgevaardigde AJN voor Alliantie Nederland Rookvrij
  • Nu ook lid werkgroep ‘JGZ-richtlijn astma’, die ook wordt aangepast

-

-

-

-

-

Renate Nicolaas (klankbordgroep)

Klinisch psycholoog / kinder- en jeugdpsycholoog

NIP

geen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

geen

Jurgen te Rijdt (klankbordgroep)

  • KNO-arts, MSB Isala Zwolle, 0,7 FTE
  • Affiliatiecoördinator M2 coassistenten, Isala Academie Zwolle, gedetacheerd uit MSB, 0,3 FTE

-

geen

geen

nee

geen

Geen belangen

Roselin van der Torren-Klever (klankbordgroep)

Jeugdarts GGDHM

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Marjo v.d. Ven (klankbordgroep)

Longarts Rijnstate Arnhem

geen

  • Adviesraad Sanofi, 2x avondvergadering, betaald 2017, 2018 (dupilumab)
  • Adviesraad Astra, 1x avondvergadering in 2017 (benralizumab)

nee

  • Betreft onderzoek bij volwassenen, 2 fase III studies, add-on medicatie bij ernstig astma
  • Onderzoek fase III studie Novartis, QAW studie, fevpiprant/placebo
  • Onderzoek Sanofi Venture/Traverse studie, fase III dipilumab/placebo bij ernstig astma (1 patiënt)

n.v.t.

nee

René Verbeek (klankbordgroep)

SEH-arts KNMG in het Nij Smellinghe Ziekenhuis te Drachten

  • APLS-instructeur bij de SSKH, onkostenvergoeding
  • ALS-course director bij EMSchool, betaald

Niet van toepassing

Nee

Niet van toepassing

Niet van toepassing

 

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Bij deze richtlijn hoort een implementatieplan, bedoeld om de implementatie van de richtlijn te faciliteren.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Knelpunteninventarisatie

Bij de start van het richtlijnontwikkeltraject zijn knelpunten in de zorg voor kinderen met astma geïnventariseerd alle Nederlandse kinderartsen via de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en separaat bij de Sectie Kinderlongziekten van de NVK, de leden van de richtlijnwerkgroep en de klankbordgroep. Dit heeft geleid tot een grote hoeveelheid knelpunten. Door de richtlijnwerkgroep zijn 6 knelpunten geprioriteerd. Vijf daarvan zijn nieuwe knelpunten, die niet eerder in de richtlijn zijn behandeld. Deze vijf nieuwe knelpunten zijn uitgewerkt m.b.v. de GRADE-methodiek (www.gradeworkinggroup.org). Een uitgebreide verantwoording van de werkwijze is vermeld in de betreffende modules. Het zesde geprioriteerde knelpunt betreft een herziening van de belangrijkste delen van de eerdere richtlijn uit 2013; deze was destijds grotendeels gebaseerd op de toentertijd actuele BTS/SIGN-richtlijn. De werkgroep heeft de betreffende tekst getoetst op actualiteit en waar nodig aangepast.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpunteninventarisatie zijn door de kerngroep concept-uitgangsvragen vastgesteld, inclusief een voorstel voor patiëntrelevante uitkomstmaten. Deze uitgangsvragen en uitkomstmaten zijn vervolgens door de richtlijnwerkgroep bediscussieerd en vastgesteld.

 

Literatuuronderzoek

Het literatuuronderzoek voor de richtlijn is uitgevoerd door de richtlijnmethodoloog van de richtlijnwerkgroep, daarin inhoudelijk bijgestaan door de projectleider. De conceptteksten zijn geschreven door de projectleider en richtlijnmethodoloog. De conceptteksten zijn per e-mail voorbereid en tijdens de werkgroepvergaderingen zorgvuldig bediscussieerd door de richtlijnwerkgroep. Daarbij is telkens expliciet aandacht besteed aan het patiëntenperspectief. De conceptteksten zijn vastgesteld door de richtlijnwerkgroep. Daarna zijn de conceptteksten voorgelegd aan de leden van de klankbordgroep.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van de literatuur

Er werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in Medline en Embase. Voor specifieke verantwoording van het zoek- en selectieproces wordt verwezen naar de inhoudelijke modules.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld en samengevat in tabellen met studiekarakteristieken en ook samengevat in de tekst van de modules. Daarbij is expliciet aandacht besteed aan risk of bias en overige kwaliteitsaspecten van het wetenschappelijk bewijs.

 

Samenvatten van de literatuur

Een samenvatting van de totale body of evidence werd gemaakt met behulp van de GRADE methodiek (zie www.gradeworkinggroup.org), waarbij GRADE Evidence Profiles werden opgesteld. Voor het statistisch poolen van data werd gebruik gemaakt van RevMan5.

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Van bewijs naar aanbeveling.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling.

 

Commentaarronde

Na verwerking van alle feedback uit de werkgroep en de klankbordgroep is de richtlijn voor commentaar voorgelegd aan de volgende verenigingen/organisaties:

  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde:
    • Sectie kinderlongziekten
    • Sectie Intensive Care Kinderen
    • Sectie Kinderallergologie
    • Expertisegroep Algemene Kindergeneeskunde
    • Expertisegroep Acute Kindergeneeskunde
    • Alle leden Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Longfonds
  • Stichting Kind en Ziekenhuis
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland:
    • Afdeling longverpleegkundigen
    • Afdeling verpleegkundig specialisten
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging van Longfunctieanalisten
  • AJN Jeugdartsen Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Lareb
  • Kinderformularium
  • Zorgverzekeraars Nederland
  • Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen
  • Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen

De binnengekomen commentaren zijn verzameld en in concept verwerkt door de projectleider en richtlijnmethodoloog. Dit is voorgelegd aan de richtlijnwerkgroep. De vastgestelde conceptteksten zijn ter autorisatie voorgelegd.

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlage ‘Kennislacunes’).

 

Patiëntenvoorlichtingsmateriaal

Hiervoor verwijst de werkgroep naar www.thuisarts.nl, www.astmakids.nl en www.longfonds.nl/longziekten/astma.

 

Juridische betekenis

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op wetenschappelijk bewijs gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'.

Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

Volgende:
Inhalatiesteroïden met extrafijne deeltjes