Astma bij kinderen

Initiatief: NVK Aantal modules: 14

Startpagina - Astma bij kinderen

Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor kinderen met astma. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Het vaststellen van de diagnose astma bij kinderen.
    • De factoren die astma of een astma-aanval bij kinderen helpen voorkómen (primaire preventie).
    • De niet-medicamenteuze en medicamenteuze behandelingen van kinderen met astma.
    • Het gebruik van vernevelapparaten en voorzetkamers bij de behandeling van kinderen met astma.
    • De eerste handelingen in het geval van acuut astma (een opvlamming van de klachten).
    • Astma bij adolescenten (van 10 tot 19 jaar oud).
    • Moeilijk behandelbaar astma.
    • Het vervolgen van kinderen met astma door regelmatige controle.
    • Voorlichting aan kinderen over astma ten behoeve van zelfmanagement.
    • De organisatie van de zorg rondom kinderen en jongeren met astma.

 

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor kinderen tot 18 jaar met (een verdenking op) astma in de tweede lijn (voornamelijk kinderartsen).

 

Voor patiënten

Astma is een chronische ontstekingsziekte van de onderste luchtwegen. Bij astma zijn de luchtwegen overgevoelig voor bepaalde prikkels, wat ertoe leidt dat de luchtwegen zich van tijd tot tijd vernauwen. Patiënten met astma hebben onder andere last van benauwdheid, hoesten en een piepende ademhaling. Astma komt voor bij ongeveer 5 tot 10 procent van de Nederlandse kinderen.

 

Meer informatie over astma bij kinderen is te vinden op Thuisarts:

https://www.thuisarts.nl/astma-bij-kinderen

 

Meer informatie over astma bij kinderen is ook te vinden op de website van het Longfonds:

https://www.longfonds.nl/astma/alles-over-astma/wat-is-astma

http://astmakids.longfonds.nl/

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK).

De richtlijn is grotendeels gebaseerd op de richtlijn over astma van de ‘British Thoracic Society’ uit 2012, aangepast aan de Nederlandse situatie. De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de kinder(long)artsen, dermatologen, huisartsen, jeugdartsen, longartsen, KNO-artsen, allergologen, longfunctieanalisten en verpleegkundig specialisten.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 03-05-2013

Laatst geautoriseerd  : 03-05-2013

De richtlijn wordt 1x per 3 jaar gereviseerd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de initiatiefnemer voor deze richtlijn, de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Uiteraard kunnen de (leden van) wetenschappelijke en beroepsverenigingen die deelnamen aan de ontwikkeling van deze richtlijn en ook andere zorgverleners aan de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde kenbaar maken dat de richtlijn niet (meer) adequaat of actueel is.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied

Algemene gegevens

De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier had geen invloed op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze richtlijn is het bieden van ondersteuning aan kinderartsen bij het realiseren van een uniform en zoveel mogelijk evidence-based beleid bij kinderen van 0 tot 18 jaar met (verdenking op) astma.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is primair geschreven voor de doelgroep kinderartsen. Zorgprofessionals kunnen deze richtlijn tevens gebruiken voor het bijhouden van kennis, voor onderwijs- en nascholingsdoeleinden en voor het opstellen van samenwerkingsafspraken.

Samenstelling werkgroep

Deze richtlijn is ontwikkeld door een werkgroep, bestaande uit een kerngroep van drie personen, aangevuld met andere experts op het gebied van astma. De kernwerkgroep bereidde de werkgroepvergaderingen voor, deed het literatuuronderzoek en schreef conceptteksten en de evidence rapporten. Deze werden door de overige leden van de werkgroep becommentarieerd.

 

De kernwerkgroep ‘Astma bij kinderen’ bestond uit de volgende leden:

  • Dhr. drs. E.J. (Erik-Jonas) van de Griendt, kinderarts-pulmonoloog, Flevoziekenhuis en De Kinderkliniek Almere / Emma Kinderziekenhuis - AMC Amsterdam, projectleider
  • Mw. dr. N. (Nicole) Boluyt, kinderarts, Emma Kinderziekenhuis - AMC Amsterdam, adviseur, tot juni 2012
  • Dhr. dr. J.J.E. (Jannes) van Everdingen, dermatoloog, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie Utrecht / Regieraad Kwaliteit van Zorg Den Haag, adviseur, vanaf juni 2012
  • Mw. drs. M.K. (Mariska) Tuut, epidemioloog, PROVA, Varsseveld

 

De overige leden van de werkgroep waren:

  • Dhr. prof. dr. P. (Patrick) Bindels, huisarts, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam
  • Mw. dr. A. (Annemie) Boehmer, kinderarts-pulmonoloog, Maasstadziekenhuis Rotterdam
  • Dhr. dr. R. (René) van Gent, kinderarts, Maxima Medisch Centrum Veldhoven
  • Dhr. dr. H. (Hans) de Groot, allergoloog, Reinier de Graaf Gasthuis Delft (sinds maart 2012)
  • Mw. dr. H.M. (Hettie) Janssens, kinderarts-pulmonoloog, Sophia Kinderziekenhuis Erasmus Medisch Centrum Rotterdam
  • Mw. S. (Saeeda) Lone Latif, longfunctieanalyst, Academisch Medisch Centrum Amsterdam
  • Dhr. drs. J. (Jurgen) ter Rijdt, KNO-arts, Isala Klinieken Zwolle (sinds maart 2012)
  • Mw. M. (Margareth) Siemons-Wokke, verpleegkundig specialist kinderlongziekten, Medisch Centrum Alkmaar
  • Mw. drs. R. (Renee) van Tuyll, jeugdarts, STMR Rivierenland, Tiel
  • Mw. dr. J.L.E. (Elianne) Vrijlandt, kinderarts-pulmonoloog, Beatrix Kinderziekenhuis / Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Mw. dr. E. (Els) Weersink, longarts, Academisch Medisch Centrum Amsterdam
  • Mw. dr. J. (Judit) Wesseling, kinderarts, Rijnstate Ziekenhuis Arnhem

 

De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en zijn gemandateerd door hun beroepsverenigingen. Bij de samenstelling van de werkgroep werd rekening gehouden met een evenredige afspiegeling van academisch versus perifeer werkende kinderartsen en kinderlongartsen. De leden werden verder zo gekozen dat er connecties waren met het bestuur van de sectie kinderlongziekten van de Nederlandse vereniging voor Kindergeneeskunde, de werkgroep van de Standaard astma bij kinderen van het Nederlands Huisartsen Genootschap, de Long Alliantie Nederland en de commissie Richtlijnen en Indicatoren van de Nederlandse vereniging voor Kindergeneeskunde. Na het vaststellen van de uitgangsvragen werden 2 andere relevante disciplines toegevoegd (allergologie en KNO), eveneens met mandaat van hun beroepsvereniging. De leden van de werkgroep hebben allen een belangenverklaring ingevuld, waarin zij mogelijke belangenverstrengeling konden aangeven. De werkgroepleden hebben bij elkaar geen belangenverstrengeling geconstateerd met betrekking tot de uitgewerkte uitgangsvragen. De belangenverklaringen zijn ter inzage bij de NVK.

 

De uiteindelijke tekst van de richtlijn is op 19-12-2012  ter commentaar voorgelegd aan de leden van sectie kinderlongziekten (SKL), overige leden van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en aan overige wetenschappelijke verenigingen.

In de definitieve richtlijn, die ter autorisatie is aangeboden aan de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde op 3 mei 2013, is het commentaar verwerkt van de volgende personen/organisaties:

  • Leden van de sectie kinderlongziekten van de Nederlandse Vereniging van Kindergeneeskunde: dr. W.A. Balemans, kinderarts-pulmonoloog, prof. dr. J.C. de Jongste, kinderarts-pulmonoloog, prof. dr. P.L. Brand, kinderarts-pulmonoloog, mw. dr. M.W. Pijnenburg, kinderarts-pulmonoloog, dr. B.L. Rottier, kinderarts-pulmonoloog, prof. dr. G.H. Koppelman, kinderarts-pulmonoloog, Dr. F.G.A. Versteegh, kinderarts
  • Mw. dr. S.G. Pasmans, kinderdermatoloog
  • Mw. T. Dauven, verpleegkundig specialist
  • Dr. R.M.M. Geijer, huisarts, namens het Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Dr. W.J. de Waal, namens het Nederlands Instituut voor Psychologen
  • Dr. H.M. Blom, namens de Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Dr. G.J. Braunstahl en dr. N. ten Hacken, namens de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

Belangenverklaringen

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennis valorisatie

Overige Belangen

KERNGROEP

Erik-Jonas v.d. Griendt

Kinderarts-pulmonoloog, Flevoziekenhuis en de Kinderkliniek, Almere (0,8 FTE)

Projectleider NVK richtlijn astma bij kinderen (0,2 FTE)

_

_

_

_

_

_

Nicole Boluyt

Kinderarts-epidemioloog

Bestuurslid Stichting Astma Bestrijdingsfonds (SAB, onbetaald) en redacteur nascholingstijdschrift Praktitsche Pediatrie (kleine vergoeding)

-

-

-

-

-

-

Jannes van Everdingen

Algemeen secretaris Regieraad Kwaliteit van Zorg

Directeur NVDV/Huidfonds

_

_

_

_

_

_

Mariska Tuut

Eigenaar PROVA (adviesbureau op het gebied van kwaliteit van zorg, voert diverse projecten uit, met name evidence-based richtlijnontwikkeling)

_

_

_

_

_

_

_

OVERIGE WERKGROEPLEDEN

Patrick Bindels

Hoogleraar huisartsgeneeskunde, hoofd afdeling huisartsgeneeskunde, Erasmus MC Rotterdam (0,8 FTE) Huisarts, praktijk Buitenhof, Amsterdam (0,2 FTE)

Lid Gezondheidsraad

Lid RGO

Lid autorisatie commissie (plv lid) NHG

Lid Wetenschappelijk advies raad Astmafonds

Lid wetenschappelijk raad Geneesmiddelen bulletin Alle nevenwerkzaamheden onbetaald (behoudens vacatiegeld bij RGO en NHG)

-

-

Tot december 2011 voorzitter NHG verenigingsraad

Tot 2011 is binnen de afdeling huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC te Rotterdam onderzoek gedaan naar de effectiviteit van SLIT bij kinderen met een huisstofmijtallergie of een graspollenallergie. Dit onderzoek werd gefinancierd door Artu ( farmaceut). De uitvoering van het onderzoek is  gedaan volgens de criteria van good clinical practice. Inmiddels is dit onderzoek afgerond en zal leiden tot 2 promoties in 2012. Via afdeling huisartsgeneeskunde AMC-UvA nog betrokken bij wetenschappelijk onderzoek gefinancierd door Astmafonds naar de diagnostiek van astma bij jonge kinderen. In 2012 is, bij de afdeling huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC, gestart met een door het Astmafonds gefinancierd onderzoek naar de behandeling van allergische rhinitis bij kinderen uit de huisartsenpraktijk.

-

-

Annemie Boehmer

Kinderarts-pulmonoloog

Redacteur kindergeneeskundig nascholings tijdschrift (kleine vergoeding)

-

-

-

-

-

-

René van Gent

Kinderarts

APLS instructeur (vrijwilligers vergoeding)

Instructeur teach the teacher cursus (detachering)

-

-

-

-

-

-

Hans de Groot

Allergoloog

 

-

-

-

-

-

-

Hettie Janssens

Kinderarts-pulmonoloog

Lid werkgroep inhalatie instructie LAN (onbetaald)

Lid adviesgroep neonatale screening CF van NVK (onbetaald)

Lid werkgroep kinderformularium (onbetaald)

Co-chair pediatric networking group ISAM (onbetaald)

-

-

-

Ontwikkeling benchmark testing voor gezichtsmasker voorzetkamer (2012-2013; Philips Respironics (hoofdonderzoeker); 25.000,-)

Perifere targeting van inhalatie antibiotica bij CF (2012-2016; Chiesi (mede-onderzoeker) 300.000,-)

Studie naar effectiviteit en veiligheid van astma onderhoudstherapie bij kinderen met astma (2011-2015; ZonMW (mede-aanvrager) 600.000,-)

Studie naar adherence bij kinderen met astma (2011-2013; ZonMW (mede-aanvrager) 150.000,-)

   

Saeeda Lone-Latif

Longfunctieanalist

 

-

-

-

-

-

-

Jurgen ter Rijdt

KNO-arts

 

-

-

-

-

-

-

Margareth Siemons-Wokke

Verpleegkundig specialist kinderlongziekten

             

Renee van Tuyll

Jeugdarts KNMG

Stafarts STMR afd. jeugdgezondheidszorg

 

-

-

-

-

-

-

Elianne Vrijlandt

Kinderarts-pulmonoloog

Bestuurslid sectie kinderlongziekten NVK (onbetaald)

Commissie richtlijnontwikkeling BPD (SKMS, betaald)

-

-

-

-

-

-

Els Weersink

Longarts

 

-

-

-

-

-

-

Judit Wesseling

Kinderarts

Lid Commissie richtlijnen en indicatoren NVK

           

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De definitieve richtlijn is onder de verenigingen verspreid en via de website van de NVK (www.nvk.nl) elektronisch beschikbaar gesteld. Op wetenschappelijke bijeenkomsten van de betrokken wetenschappelijke verenigingen zijn de aanbevelingen van de richtlijn gepresenteerd. Verder zal er patiëntenvoorlichtingsmateriaal worden ontwikkeld ter ondersteuning van de richtlijn.

 

Om de implementatie en evaluatie van deze richtlijn te stimuleren, zijn interne indicatoren ontwikkeld aan de hand waarvan de implementatie steekproefsgewijs kan worden gemeten. Indicatoren geven in het algemeen de zorgverleners de mogelijkheid te evalueren of zij de gewenste zorg leveren. Zij kunnen daarmee ook onderwerpen voor verbeteringen van de zorgverlening identificeren.

Werkwijze

Ontwikkeling conceptrichtlijn

De werkgroep heeft gedurende een periode van 12 maanden 4 maal vergaderd. De kernwerkgroep heeft reeds bestaande internationale richtlijnen over astma bij kinderen beoordeeld middels het AGREE-instrument. De richtlijn van de British Thoracic Society (BTS) scoorde hierop het beste. De werkgroep concludeerde dat de richtlijn van de BTS kwalitatief goed, recent (juni 2011) en voor een groot deel op de Nederlandse situatie van toepassing kan zijn. De Quick Reference Guide van deze richtlijn is vertaald, geadapteerd voor de Nederlandse situatie en vormt de basis van deze richtlijn. Voor achtergrondinformatie over de totstandkoming van de BTS-richtlijn wordt verwezen naar:

 

Verschillen tussen de Britse richtlijn en de Nederlandse situatie werden geïdentificeerd. Daarna werden  knelpunten geïdentificeerd, vervolgens geprioriteerd. De 5 belangrijkste knelpunten werden via uitgangsvragen, evidence-based  beantwoord.

 

In 2011 werden door de sectie Kinderlongziekten van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde reeds vier controversiële vragen omtrent behandeling van astma bij kinderen beantwoord. Het ging om de volgende uitgangsvragen:

  • Leidt het titreren van de behandeling bij kinderen met astma op basis van de concentratie van stikstofmonoxide in de uitademingslucht FeNO vergeleken met conventioneel monitoren op symptomen en longfunctie tot betere astmacontrole?
  • Zijn leukotriëen receptor antagonisten (LTRAs) effectiever (en veiliger) dan inhalatiesteroïden bij jonge kinderen met recidiverend piepen op basis van virale luchtweginfecties?
  • Zijn inhalatiesteroïden met extrafijne deeltjes effectiever (en veiliger) dan inhalatiesteroïden met normale deeltjes bij kinderen met astma?
  • Wat is bij kinderen met astma die ondanks het gebruik van inhalatiesteroïden nog klachten hebben de meest effectieve en veilige behandeling ('stap 3 dilemma')?

Deze vier vragen zijn opgenomen in deze nieuwe richtlijn.

 

In 2012 werden als onderdeel van ‘5 acute problemen in de kindergeneeskunde’ tevens een nieuwe richtlijn voor de behandeling van acuut astma geautoriseerd door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde gepubliceerd. Dit onderdeel wordt eveneens opgenomen in deze richtlijn.

Daarnaast werden vijf nieuwe uitgangsvragen opgesteld door de werkgroep:

  • Meten van de fractionele excretie van stikstofmonoxide (FeNO) in uitademingslucht:
    • Draagt de niet-invasieve meting van de ontstekingsverschijnselen in de luchtwegen d.m.v. FeNO, in aanvulling op of in de plaats van de standaardmethode van diagnostiek bij kinderen met astma bij aan een verbetering van de aandoening?
    • Draagt het omlaag brengen van de dosis van inhalatiesteroïden o.b.v. FeNO i.p.v. de standaarddiagnostiek van astma (symptomen, longfunctie, etc) bij kinderen die hoge doseringen inhalatiesteroïden gebruiken bij aan de preventie van exacerbaties
  • Wat is de bijdrage van familietherapie aan de standaardbehandeling van kinderen met (moeilijk behandelbare) astma?
  • Ademdysregulatie (dysfunctional breathing):
    • Wat is the incidentie van ademdysregulatie (ADR) bij kinderen die zich presenteren met de symptomen van astma?
    • Wat is de beste vorm van diagnostiek (of per exclusionem) om bij kinderen die zich presenteren met de symptomen van astma ademdysregulatie (ADR) vast te stellen?
    • Wat is de beste vorm van behandeling van kinderen met ademdysregulatie (ADR)?
  • Draagt immuuntherapie (A: subcutaan; B: sublinguaal) bij kinderen (6-12 jr.) en adolescenten (>12 jr.) met stabiel astma en inhalatie allergie voor pollen, gras of huisstofmijt bij aan een verbetering van hun astma?
  • Zelfmanagement:
    • Wat is de bijdrage van zelfmanagement educatie aan de standaardbehandeling van kinderen met (moeilijk behandelbaar) astma, ondanks een normale ICS dosering?
    • Welke onderdelen van zelfmanagement educatie dragen het meest bij aan verbetering van astma bij kinderen?

 

Deze vragen werden evidence-based beantwoord door leden van de kernwerkgroep en becommentarieerd door de overige leden van de werkgroep. Bij de uitwerking van de vragen werd een systematische werkwijze gevolgd, waarbij literatuur volgens tevoren afgesproken criteria werd gezocht, geselecteerd en beoordeeld. De precieze werkwijze per uitgangsvraag staat vermeld in de desbetreffende evidence rapporten (op de nvk website):

  • Evidence rapport FeNO
  • Evidence rapport gezinstherapie
  • Evidence rapport dysfunctioneel ademhalen
  • Evidence rapport SCIT/SLIT
  • Evidence rapport zelfmanagement

 

Waar mogelijk en relevant werd gebruik gemaakt van de GRADE-methode voor het wegen van de waarde van de evidence. Hierbij werden aan het begin van het richtlijntraject uitkomstmaten gedefinieerd, zie hiervoor de evidence rapporten. Resultaten werden per uitkomstmaat samengevat, waarbij tevens de ‘overall’ kwaliteit van de onderliggende bewijslast (evidence) werd aangegeven.

GRADE kent vier niveaus: ‘high’, ‘moderate’, ‘low’ en ‘very low’. Per uitkomst werd een GRADE niveau toegekend. Wanneer een uitkomst als ‘high’ geclassificeerd werd, wil dit zeggen dat het onwaarschijnlijk is dat toekomstig onderzoek de schatting van de uitkomst zal veranderen. Met andere woorden, er is veel vertrouwen in de juistheid van de schatting van de uitkomst. Een ‘very low’ classificatie wil zeggen dat er veel onzekerheid is over de juistheid van de uitkomst. De niveaus moderate en low zitten tussen high en very low in, qua vertrouwen in de resultaten.

 

Het onderzoeksdesign is een belangrijke factor binnen GRADE. Gerandomiseerde en gecontroleerde studies krijgen daarom in beginsel de kwalificatie ‘high’. Er zijn vijf factoren die kunnen zorgen voor een lagere kwalificatie:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet.
  2. Inconsistentie: onverklaarde heterogeniteit van de resultaten.
  3. Indirectheid: de populatie, interventie, controle en uitkomst (PICO) waarop de evidence gebaseerd is wijken op een of meer punten af van de PICO die men wil onderzoeken. Ook het gebruik van surrogaatmarkers valt onder indirectheid.
  4. Imprecisie: wijde betrouwbaarheidintervallen rond een geschat effect duiden op onzekerheid in de grootte van het effect. Er is sprake van imprecisie bij een te kleine steekproef (lage statistische power), weinig events en een betrouwbaarheidsinterval dat wel statistisch significant is maar zowel in het gebied van klinische relevantie als in het gebied van een verwaarloosbaar effect ligt.
  5. Publicatiebias.

 

Observationele studies daarentegen krijgen in beginsel de kwalificatie ‘low’. Er zijn drie factoren die kunnen zorgen voor een hogere kwalificatie:

  1. Groot effect
  2. Aanwezigheid van dosisresponsrelatie
  3. Vermindering van het effect door plausibele indirectheid van bewijs confounders

 

Iedere beperkende (of bevorderende) factor kan leiden tot het verlagen (of verhogen) van de classificatie met een of twee niveaus. Indien de resultaten niet gepoold konden worden, werd volstaan met een globale inschatting van de kwaliteit van de onderliggende bewijslast. Aan de hand van de algehele kwaliteit van bewijs, grootte en zekerheid over het netto gunstig effect van een interventie, waarden en voorkeuren van patiënten, middelenbeslag, professioneel perspectief, organisatie van zorg en maatschappelijk perspectief, wordt vervolgens bepaald of een sterke en zwakke (conditionele) aanbeveling wordt geformuleerd.

 

Voor een uitgebreidere beschrijving van GRADE wordt verwezen naar www.gradeworkinggroup.org.

 

Kostenimplicaties

Er is geen complete kosteneffectiviteitsanalyse of budgetimpactanalyse gedaan. Kostenaspecten zijn bij de 5 evidence reviews die voor deze richtlijn door de werkgroep zijn geschreven voor zover relevant beschreven in de ‘overwegingen (considerations)’ in de paragraaf voor de aanbevelingen.

 

Publicatie en implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De definitieve richtlijn is onder de verenigingen verspreid en via de website van de NVK (www.nvk.nl) elektronisch beschikbaar gesteld. Op wetenschappelijke bijeenkomsten van de betrokken wetenschappelijke verenigingen zijn de aanbevelingen van de richtlijn gepresenteerd. Verder zal er patiëntenvoorlichtingsmateriaal worden ontwikkeld ter ondersteuning van de richtlijn.

Om de implementatie en evaluatie van deze richtlijn te stimuleren, zijn interne indicatoren ontwikkeld aan de hand waarvan de implementatie steekproefsgewijs kan worden gemeten.

 

Kwaliteitsindicatoren

Indicatoren geven in het algemeen de zorgverleners de mogelijkheid te evalueren of zij de gewenste zorg leveren. Zij kunnen daarmee ook onderwerpen voor verbeteringen van de zorgverlening identificeren. Er werd een beperkt aantal kwaliteitsindicatoren opgeleverd ten behoeve van deze richtlijn. Zie hiervoor de indicatoren onder 'aanverwant'.

 

Juridische betekenis

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence' gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'.

Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Dysfunctional Breathing (DB)