Waar gaat deze richtlijn over?

Meer dan 1 miljoen mensen in Nederland gebruiken enige vorm van antistolling of plaatjesaggregatieremming ter preventie en/of behandeling van een trombotische aandoening. Operaties en andere ingrepen bij deze patiënten komen veel voor. Vele specialismen zijn hierbij betrokken. Omdat vrijwel elke klinische werkende arts te maken krijgt met antitrombotische therapie is het van verstrekkend belang dat er een richtlijn Antitrombotische therapie is. Een multidisciplinaire richtlijn is onontbeerlijk voor de patiënt die met deze therapie soms meer specialismen bezoekt. De laatste herziening van de richtlijn heeft in 2008 plaatsgevonden, deze was gebaseerd op de Noord-Amerikaanse richtlijn ‘Antithrombotic Therapy’ van de American College of Chest Physicians (ACCP). Intussen zijn van deze ACCP richtlijn twee herzieningen (juni 2008 en februari 2012) verschenen. Naast het herzien van de huidige richtlijn is gebleken dat bij interventieartsen (cardiologen, interventieradiologen, etc.) en snijdende specialisten behoefte is aan een duidelijke richtlijn ‘perioperatief gebruik van antistollingsmedicatie’. Bij herziening van de richtlijn is daarom speciale aandacht besteed aan het antistollingsbeleid rondom operaties en ingrepen. Dit sluit goed aan bij de Landelijke Standaard Ketenzorg antistolling (LSKA) die op gezag van het Ministerie van VWS is gemaakt (zie aanverwant product: Landelijke Standaard Ketenzorg antistolling (LSKA)). Een tweede aandachtspunt heeft betrekking op de belangrijke ontwikkeling betreffende de introductie van de nieuwe orale antistollingsmiddelen (NOACs) in Nederland. Deze introductie zal impact hebben op de antistollingsbehandeling van grote groepen patiënten (o.a. patiënten met atriumfibrilleren, patienten met acute veneuze tromboembolie en patiënten die grote orthopedische ingrepen ondergaan). Het is essentieel dat de praktische implicaties  van de invoering van deze nieuwe middelen opgenomen worden in de herziene richtlijn.  Aanvullend zijn verder onder meer de volgende knelpunten ter hand genomen: kindertrombose, antitrombotisch beleid in en rond de zwangerschap, preventie van veneuze tromboembolie, antistollingsbeleid rond hartkunstkleppen en laboratoriumtesten ter controle van antistollingsbehandeling.

 

Voor de niet herziene onderwerpen zal worden verwezen naar bestaande (internationale) richtlijnen. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg voor patiënten met antitrombotische therapie. Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met antitrombotische therapie.

 

Voor patiënten

Antitrombotisch beleid gaat over de aanbevolen behandelingen en preventieve maatregelen om trombose tegen te gaan. Bij trombose vormt zich een bloedstolsel in een bloedvat, waardoor de bloedtoevoer naar weefsels vermindert. Weefsel kan daardoor afsterven. Trombose kan tot (ernstige) klachten leiden, zoals heftige pijn, zwelling van het been, hartkloppingen, benauwdheid, kortademigheid, flauwvallen of uitvalsverschijnselen. Mensen kunnen er ook door overlijden. 

Als trombose voorkomt in een slagader, heet dat arteriële trombose. Komt trombose voor in een ader, dan spreekt men van veneuze trombose. Onder arteriële trombose vallen bijvoorbeeld een beroerte en hartinfarct. Bij veneuze trombose gaat het om longembolie of diep veneuze trombose (DVT), ook wel trombosebeen genoemd. Deze twee aandoeningen heten samen ook wel veneuze trombo-embolie (VTE). 

In Nederland gebruiken meer dan één miljoen mensen een middel ter preventie en/of behandeling van een trombotische aandoening.

 

Meer informatie over antitrombotisch beleid is te vinden als ‘option grid’ bij de aanverwante informatie bij deze richtlijn.

 

Meer informatie over trombose is te vinden op Thuisarts:

https://thuisarts.nl/trombosebeen

https://thuisarts.nl/beroerte

https://thuisarts.nl/longembolie

 

Meer informatie over trombose is ook te vinden op de website van de Trombosestichting:

www.trombosestichting.nl

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Internisten Vereniging (NIV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de internisten, huisartsen, orthopeden, longartsen, klinisch chemici, anesthesiologen, cardiologen, traumatologen, kinderartsen, klinisch geriaters, neurologen, gynaecologen, radiologen en laboratoriumartsen. Om het patiëntenperspectief mee te nemen, is in de literatuur gezocht naar artikelen waarin dit perspectief beschreven staat.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 21-04-2016

Laatst geautoriseerd : 21-04-2016

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Internisten Vereniging

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (www.kims.orde.nl) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).