Uitgangsvraag

Er is geen uitgangsvraag bij deze module geformuleerd.

Aanbeveling

Exposure in vivo is een effectieve interventie bij paniekstoornis met agorafobie. Zeker daar waar vermijding een belangrijk element is in het ziektebeeld, bestaat geen reden om a priori een andere psychologische interventie toe te passen dan exposure in vivo.

Exposure in vivo moet zo mogelijk dagelijks worden toegepast gedurende minimaal een uur per keer. De behandeling moet minimaal twaalf weken worden volgehouden. Het is van belang dat de patiënt uiteindelijk alleen en zelfstandig exposure uitvoert. Het is wel van belang dat de therapeut nauw betrokken is bij het opstellen van het exposureprogramma (onder individuele begeleiding 1 keer per week) en bij het monitoren ervan. Wanneer het risico op drop-out hoog wordt ingeschat kunnen intensiteit en frequentie van de exposurebehandeling naar beneden worden bijgesteld.

Voor afsluiting van de therapie lijkt het zinvol om patiënten alert te maken op mogelijke signalen voor terugval. Aansluitend kan hun worden geleerd om anders met deze signalen om te gaan dan voor de start van de behandeling. Het anders omgaan met deze signalen kan bestaan uit het anders duiden en interpreteren ervan en niet toegeven aan de drang tot vermijding van situaties. Nadat een behandeling met goed resultaat is afgesloten, is het verstandig om goede afspraken te maken met de patiënt en de huisarts over mogelijkheden om snel in te grijpen bij mogelijke terugval.

Inleiding

Er bestaat veel onderzoek naar de effectiviteit van psychologische interventies bij agorafobie en bij agorafobie met paniekaanvallen, zoals deze ziektebeelden respectievelijk in de DSM III en de DSM III-R werden omschreven. Cognitieve gedragstherapie (CGT) is de generieke term. Exposure in vivo en

paniekmanagement vallen onder CGT.Cognitieve therapie is een onderdeel van paniekmanagement.

Uit meta-analyses blijkt dat exposure in vivo voor deze stoornissen de meest effectieve psychologische interventie is. Vanaf 1994 (DSM IV) wordt agorafobie beschouwd als een complicatie van paniekstoornis. In de behandeling komt deze veranderde visie tot uitdrukking in een meer benadrukken van de behandeling van paniekaanvallen.

Uit het onderzoek komt in zijn algemeenheid naar voren dat exposure in vivo en verschillende soorten

paniekmanagement effectief zijn.

Conclusies

Niveau 1

Het is aangetoond dat exposure in vivo effectief is bij de behandeling van de paniekstoornis met agorafobisch vermijdingsgedrag.

 

A1 (Van Balkom, Nauta & Bakker, 1995; van Balkom et al., 1997; 1998; Clum et al., 1993; Cox et al., 1992; Emmelkamp, 2004

 

Niveau 1

Exposure in vivo moet worden toegepast als een betrekkelijk intensieve behandeling. Deze moet minimaal twaalf weken duren en er moet dagelijks minimaal een uur (zelf)exposure worden toegepast. Met specifieke situaties moet net zo lang worden geoefend totdat de situatie geen angst meer oproept. De therapeut moet duidelijke instructies en feedback geven over de wijze waarop exposure in vivo werkt en dient te worden uitgevoerd.

 

A2 Emmelkamp & van Balkom, 1996; Emmelkamp, 1994; Emmelkamp 2004, McNally, R.J. 2007; Craske 2008

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat de effecten van exposure in vivo op agorafobie over het algemeen duurzaam zijn.

 

A1 Bakker, van Balkom, Spinhoven et al., 1998;

A2 Emmelkamp 2004; Fava et al., 2001; Peter et al., 2007

Samenvatting literatuur

Deze behandeling is uitgebreid onderzocht in een groot aantal gerandomiseerde gecontroleerde studies. In een aantal meta-analyses is het effect van exposure in vivo bij paniekstoornis met agorafobie overtuigend aangetoond (Van Balkom, Nauta & Bakker, 1995; van Balkom et al., 1997; 1998; Clum et al., 1993; Cox et al., 1992).

In een meer recente kwantitatieve review blijkt dat doorgaans zo’n zestig tot tachtig procent van de behandelde patiënten baat heeft bij exposure in vivo (Emmelkamp, 2004). Daarbij is met name het gunstige effect op vermijding ondubbelzinnig aangetoond. Als exposure in vivo het vermijdingsgedrag effectief verandert leidt dit doorgaans tevens tot een afname van paniek, maar dit is minder goed gedocumenteerd. Over het algemeen wordt de behandeling met exposure in vivo goed verdragen. Drop-out percentages liggen doorgaans tussen de tien en de twintig (Barlow, 1988; Emmelkamp et al., 2004). Er zijn geen bijwerkingen bekend.

Exposure in vivo kan volgens verschillende procedures worden toegepast. Met betrekking tot een aantal procedureverschillen zijn vergelijkende studies verricht. Langdurige exposure is effectiever dan kortdurende; in vivo exposure is effectiever dan imaginaire; exposure in een groep is ongeveer even effectief als individueel toegepaste exposure; verschillen in individuele responspatronen hebben geen invloed op de effectiviteit van exposure; zelfgecontroleerde exposure is even effectief als exposure onder begeleiding van een therapeut. Ook wanneer exposure door de patiënt zelf wordt uitgevoerd, bevorderd een actieve opstelling van de therapeut op het gebied van motivering, uitleg en feedback de effectiviteit van exposure (Emmelkamp, 1994). Er is geen onderzoek gedaan naar de optimale dosering van exposure in vivo. Wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van psychologische interventies is doorgaans gericht op het vaststellen van minimale werkzaamheid en niet op dat van optimale werkzaamheid. Het wetenschappelijk onderzoek gaat meestal over exposure behandelingen die tien tot vijftien wekelijkse sessies duren waarbij tussen de zittingen in dagelijks door de patiënt zelfstandig exposure in vivo moet worden uitgevoerd. Daarbij wordt ernaar gestreefd dat deze exposure oefeningen telkens ongeveer een uur tot anderhalf uur duren (Edelmann, 1992; Emmelkamp & van Balkom, 1996). Het is onduidelijk in hoeverre de „gouden regel dat men gedurende exposure de situatie niet mag verlaten totdat de angst is gezakt inderdaad opgaat (Mathews et al., 1977). Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat angstreductie niet wordt aangetast wanneer aan de patiënt expliciet de mogelijkheid wordt geboden om de situatie te verlaten wanneer de angst te zeer oploopt (De Silva & Rachman, 1984; Rachman et al., 1986; Emmelkamp, 1994). Het is wel belangrijk dat de patiënt zich later alsnog aan de betreffende, door hem verlaten situatie blootstelt (Emmelkamp & van Balkom, 1996).

Er is inmiddels een aantal follow-up onderzoeken verricht naar de effecten op langere termijn van exposure in vivo. Wel kent het onderzoek dat is gedaan een aantal problemen. Er is dikwijls weinig zicht op de vraag of en in hoeverre aanvullende behandelingen hebben plaatsgevonden na de behandeling waarvan men het lange termijn effect onderzoekt. Nogal wat patiënten gaan tijdens de follow-up fase verloren voor het onderzoek.

Ook de wijze waarop veel onderzoek wordt uitgevoerd (telefonisch of per post) staat al te harde conclusies over de duurzaamheid niet toe. Onderzoek van Craske (1999) laat zien dat een aantal patiënten terugvalt in de periode na een aanvankelijk geslaagde behandeling, Recent onderzoek laat echter zien dat aanmerkelijk minder patiënten terugvallen na exposure in vivo dan aanvankelijk gedacht (Fava et al., 2001; Peter et al., 2007). Bijvoorbeeld in het onderzoek van Fava et al. (2001) is van de patiënten die klachtenvrij zijn na behandeling 93% na 2 jaar, 82% na 5 jaar en 62% na 10 jaar nog in remissie. Met inachtneming van bovenstaande kanttekeningen laten de onderzoeken zien dat de effecten van exposure in vivo op paniekstoornis met of zonder agorafobie over het algemeen duurzaam zijn (Bakker, Van Balkom, Spinhoven et al., 1998; Emmelkamp, 1994; Emmelkamp et al., 2000; Emmelkamp et al., 2004; Fava et al., 2001; Peter et al., 2007).

Referenties

  1. Aaronson, C.J., et al (2008). Predictors and time course of response among panic disorder patients treated with cognitive-behavioral therapy. Journal of Clinical Psychiatry, 69, 418-424.
  2. Bakker, A., van Balkom, AJLM, Spinhoven, Ph., Blaauw, B., van Dyck, R. (1998): Follow-up on the treatment of panic disorder with or without agoraphobia. A quantitative review. Journal of Mental and Nervous Disease, 186, 414-419.
  3. Balkom, A.J.L.M. van, Bakker, A., Spinhoven, Ph., Blaauw, B.M.J.W., Smeenk, S., & B. Ruesink (1997): A meta-analysis of the treatment of panic disorder with or without agoraphobia: a comparison of psychopharmacological, cognitive-behavioral, and combination treatments. The Journal of Nervous and Mental Disease, 185, 510-517.
  4. Balkom, A.J.L. van, Nauta, M.C.E., & Bakker, A. (1995): Meta-analysis on the treatment of panic disorder with agoraphobia: review and re-examination. Clinical Psychology & Psychotherapy, 2, 1-14.
  5. Barlow, D.H. (1988): Anxiety and its disorders. The nature and treatment of anxiety and panic. New York, The Guilford Press
  6. Barlow, D.H., & Cerny, J.A. (1988): Psychological treatment of panic. New York, The Guilford Press.
  7. Bruce, T., Spiegel, D., & Hegel, M. (1999): Cognitive behavioral therapy helps prevent relapse and recurrence of panic disorder following alprazolam discontinuation: a long-term follow-up of the Peoria and Dartmouth studies. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 67, 151-156.
  8. Clark, D.M. (1996): Panic disorder: from theory to therapy. In: P.M. Salkovskis (ed.): Frontiers of cognitive therapy. New York, The Guilford Press.
  9. Clum, G.A., Clum, G.A., & Surls, R. (1993): A meta-analysis of treatments for panic disorder. Journal of Consulting & Clinical Psychology, 61, 317-326.
  10. Cox, B.J., Endler, N.S., Lee, P.S., & Swinson, R.P. (1992): A meta-analysis of treatments for panic disorder with agoraphobia: imipramine, alprazolam and in vivo exposure. Journal of Behavior Therapy & Experimental Psychiatry, 23, 175-182.
  11. Craske, M.G. (1999): Anxiety disorders. Psychological approaches to theory and treatment. Boulder, Westview Press.
  12. Craske et al (2008). Optimizing inhibitory learning during exposure therapy. Behaviour Research and Therapy, 46, 5-27
  13. Emmelkamp, P.M.G. (1994): Behavior therapy with adults. In: A.E. Bergin & S.L. Garfield (eds.): Handbook of psychotherapy and behavior change. 4th Edition. New York, John Wiley and Sons.
  14. Emmelkamp, P.M.G. (2004): Behavior therapy with adults. In: M. Lambert (Ed.): Bergin & Garfield's Handbook of psychotherapy and behavior change. 5th Edition. New York, John Wiley and Sons.Emmelkamp, P.M.G.,
  15. Hoogduin, C.A.L., & Hout, M.A. van den (2000): Angststoornissen. In: W. Vandereycken, C.A.L. Hoogduin & P.M.G. Emmelkamp (red.): Handboek psychopathologie deel 1. Houten, Bohn Stafleu Van Loghum.
  16. Fava, G., Rafanelli, C., Grandi, S., Conti, C., Ruini, C., Mangelli, L., & Belluardo, L. (2001). Long-term outcome of panic disorder with agoraphobia treated by exposure Psychological Medicine, 31, 891-898.
  17. Kampman, M. et al (2008). Outcome Prediction of Cognitive Behaviour Therapy for Panic Disorder: Initial Symptom Severity is Predictive for Treatment Outcome, Comorbid Anxiety or Depressive Disorder, Cluster C Personality Disorders and Initial Motivation Are Not Behavioural and Cognitive Psychotherapy, 36:99-112.
  18. Mathews, A.M., Teasdale, J.D., Munby, M., Johnston, D.W., & Shaw, P.M. (1977): A home-based treatment program for agoraphobia. Behavior Therapy, 8, 915-924.
  19. Mattick, R.P., Andrews, G., Hadzi-Pavlovic, G., & Christenson, H. (1990): Treatment of panic and agoraphobia: An integrative review. The Journal of Nervous and Mental Disease, 178, 567-576.
  20. McNally, R.J. (2007). Mechanisms of exposure therapy: How neuroscience can improve psychological treatments for anxiety disorders. Clinical Psychology Review, 27 (6), 750-759.
  21. Oei, T.P.S., Llamas, M., & Devilly, G.J. (1999): The efficacy and cognitive processes of cognitive behaviour therapy in the treatment of panic disorder with agoraphobia. Behavioural & Cognitive Psychothe-rapy, 27, 63-88
  22. Ost, L-G. (1987): Applied relaxation: description of a coping technique and review of controlled studies. Behaviour Research & Therapy, 25, 397-409.
  23. Otto, M.W., Pollack, M.H., Sachs, G., Reiter, S., Meltzer-Brody, S., & Rosenbaum, J. (1993): Discontinuation of benzodiazepine treatment: Efficacy of cognitive-behavioral therapy for patiënts with panic disorder. American Journal of Psychiatry, 150, 1485-1490.
  24. Peter, H., Bruckner, E., Hand, I.M., Rohr, W. & Rufer, M. (2007). Treatment outcome of female agoraphobics 3 - 9 years after exposure in vivo: A comparison with healthy controls. Journal of Behavior Therapy & Experimental Psychiatry (2009).
  25. Roberge, P., Marchand, A., Reinharz, D. & Savard, P. (2008).Cost-Effectiveness Analysis of Agoraphobia: A Randomized, Controlled Trial and Cognitive-Behavioral Treatment for Panic Disorder With Agoraphobia. Behavior Modification, 32, 333-345.
  26. Roberge, P., Marchand, A., Reinharz, D. & Savard, P. (2008).Cost-Effectiveness Analysis of Agoraphobia: A Randomized, Controlled Trial and Cognitive-Behavioral Treatment for Panic Disorder With Agoraphobia. Behavior Modification, 32, 333-345.
  27. Siev, Y & Chambless, D. (2007). Specificity of treatment effects: Cognitive therapy and relaxation for generalized anxiety and panic disorders. Journal of Consulting & Clinical Psychology, 75(4) , 513-522
  28. Wiborg, I.M., & Dahl, A.A. (1996): Does brief dynamic psychotherapy reduce the relapse rate of panic disorder? Archives of General Psychiatry, 53, 689-694.

Overwegingen

Hoewel exposure in vivo, met name in het verleden, vooral is onderzocht bij vrouwelijke patiënten, is het waarschijnlijk dat de methode effectief is voor een brede doelgroep, dus ook voor mannelijke patiënten. Ook wanneer sprake is van relatieproblemen of van co-morbiditeit met andere psychische stoornissen is dat doorgaans geen reden om paniekstoornis met agorafobie niet meteen te behandelen met exposure in vivo. Verschillende verklaringen worden gehanteerd voor het werkzame mechanisme achter exposure in vivo. Wat deze verklaring ook is, doorgaans streeft men naar daadwerkelijke herhaalde en langdurige blootstelling aan concrete agorafobische prikkels, totdat de angst voldoende is afgenomen.

 

Er is veel voor te zeggen om exposure in vivo uiteindelijk in een zelfgecontroleerd format toe te  passen. De behandelaar moet wel goede instructies geven voor en tijdens de behandeling en de patiënt enthousiasmeren. Het maakt geen verschil of exposure verder individueel wordt uitgevoerd of in groepsverband. Op dit punt kan dus rekening worden gehouden met de wensen van de patiënt en met wensen ten aanzien van efficiency.

 

Exposure in vivo is een methode die ook op langere termijn effectief blijft. Dat neemt niet weg dat over de duurzaamheid toch de nodige onzekerheid bestaat, gegeven de nodige methodologische problemen Het is niet duidelijk welke maatregelen men moet nemen bij daadwerkelijke terugval na een aanvankelijk succesvolle behandeling. In de praktijk zoekt men het doorgaans in maatregelen die passen bij „good clinical practice. Daartoe kunnen worden gerekend: een beperkt aantal, over een wat langere periode gespreide vooraf vastgelegde terugkomdagen, aan goede voorlichting en samenwerking met de huisarts, aan laagdrempelige niet vooraf vastgelegde terugkommogelijkheden en aan het voorschrijven van zelfhulpboeken.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

De Multidisciplinaire Richtlijn Angststoornissen wordt op dit moment ge-update. Naar de revisie van de MDR Angststoornissen kan op de volgende wijze verwezen worden: Richtlijnherziening van de Multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen (eerste revisie). Richtlijn voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van volwassen patiënten met een angststoornis.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Algemene gegevens

De digitale versie van deze richtlijn is ontwikkeld vanuit het Landelijk Actieprogramma Kwaliteit geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg (LAK GGZ/VZ). Dit programma is een initiatief van het ministerie van VWS en wordt gecoördineerd en gefinancierd door ZonMw.

 

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

Het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, gevestigd in Utrecht, heeft tot doel individuele beroepsbeoefenaren, hun beroepsverenigingen en zorginstellingen te ondersteunen bij het verbeteren van de patiëntenzorg. Sinds zijn oprichting in 1979 heeft het CBO zich ontwikkeld tot een toonaangevend en ook internationaal erkend instituut dat via programma's en projecten ondersteuning en begeleiding biedt bij systematisch en gestructureerd meten, verbeteren, herontwerpen en borgen van kwaliteit van de patiëntenzorg.

 

Trimbos-instituut

Het Trimbos-instituut is het landelijk kennisinstituut voor de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg en de maatschappelijke zorg.

De missie van het Trimbos-instituut is kennis over geestelijke gezondheid creëren en doen toepassen in beleid en praktijk van de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg en de maatschappelijke zorg.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen is op initiatief en onder auspiciën van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ en de daaronder ressorterende Commissie Cliëntenparticipatie tot stand gebracht door de werkgroep Angststoornissen waarin de deelnemende verenigingen en organisaties hebben samengewerkt.

Methodologische en organisatorische ondersteuning en begeleiding werden verzorgd door het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Trimbos-instituut.

 

Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ

Voorzitter          

R.M.W. Smeets, Raad van Bestuur GGZ Friesland

Vice-voorzitter 

Prof.dr. G. Hutschemaekers, De Gelderse Roos, Arnhem

Secretaris           

Mw. dr. A. Eland (tot januari 2002) en dr. A.L.C.M. Henkelman, Trimbos-instituut

Leden   

Ir. T.A. van Barneveld, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

Mw. H. Blankman, Federatie Verpleegkunde in de GGZ (FVGGZ)

Mw. dr. J.H. Dekker, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Dr. P.M.A.J. Dingemans, Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)

Dr. P.A. de Groot t, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

Prof.dr. R.W. Trijsburg, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP)

Agendaleden   

Prof. Dr. W.J.J. Assendelft, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Dr. dr. G.A. van Essen, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Mw. dr. G.H.M.M. ten Horn     

Drs. J. Penninga, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Adviseur             

Prof. dr. J.A. Swinkels, AMC De Meren, Amsterdam/Trimbos-instituut

 

Commissie Cliëntenparticipatie

Voorzitter          

Mw. dr. G.H.M.M. ten Horn     

Secretaris           

Mw. drs. C. van der Veen, Trimbos-instituut

Leden   

Mw H. Boumans, Ypsilon

Mw. E. Dangerman, Stichting Borderline

Mw. T. de Vent, Stichting Labyrint/ In Perspectief

Mw. drs. A.M. Dijkman, Vereniging voor Manisch Depressieve en Betrokkenen (VMDB)

T. Festen            

Mw. H. van ’t Kooten, Vereniging voor Manisch Depressieve en Betrokkenen (VMDB)

B.H. Kraaijenbrink, Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa

Mw. I. Lüneburg, Landelijke Vereniging Balans

Mw. M. Mannak-Bouman, Stichting Labyrint/In Perspectief

Mw. I. Poort, Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA)

Mw. drs. M.K. Taams, Stichting FobieVrienden

Mw. M. Van der Linden, Angst, Dwang en Fobiestichting

Mw. L. van ’t Veen, Cliëntenbond in de GGZ

M. Vermeulen, Anoiksis

T. Vriens, Stichting Pandora

Mw. drs. J. Zwanikken-Leenders, GGZ Den Bosch

 

Werkgroep Angststoornissen

Voorzitter

Prof. dr. Ph. Spinhoven, hoogleraar Universiteit Leiden

Leden

Prof. dr. A.J.L.M. van Balkom, psychiater, Vrije Universiteit Medisch Centrum, Amsterdam

Mw. M. Boon, creatief therapeut, Sinai Centrum, Amersfoort

Mw. drs. C.A.M. Bouwmans, gezondheidswetenschapper, iMTA, Rotterdam

F.E. ten Broeke, psycholoog

Prof. dr. R. van Dyck, hoogleraar psychiatrie, Vrije Universiteit Medisch Centrum, Amsterdam

Prof. dr. P.M.G. Emmelkamp, psycholoog

Mw. dr. M.H. Grol, huisarts

Mw. dr. L. Hakkaart-van Roijen, gezondheidseconoom, iMTA, Rotterdam

Mw. drs. H. de Kam, verpleegkundig stafmedewerker, Symforagroep Zon en Schild, Amersfoort

Dr. C.W. Korrelboom, psychotherapeut, Parnassia Psycho-medisch Centrum, Den Haag

Drs. J.C.G.J. Oomen, psychotherapeut, Vincent van Gogh Instituut, Venray

G.J.M. Roodbol MScN, verpleegkundig specialist, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen

Mw. drs. E.M.A.A. Rozenbroek, apotheker, Apotheek Koek, Amsterdam

Mw. drs. M. Scholte, onderzoeker, Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, Utrecht

Mw. drs. M.K. Taams, cliëntvertegenwoordiger, Stichting Fobie Vrienden, Hillegom

Dr. B. Terluin, huisarts, senior onderzoeker, Emgo-instituut, Amsterdam

Mw. S.C.D. Timmer, maatschappelijk werk

Mw. M. Ulrich, cliëntvertegenwoordiger

Drs. D.W.F. Veldhorst, bedrijfsarts, ‘Arboreijn' Arbo en reïntegratiebedrijf, Ede

Dr. S. Visser, klinisch psycholoog/psychotherapeut, Angstpolikliniek GGZ Buitenamstel, Amsterdam

Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

 

Met dank aan:

Mw.drs. M. Scholte, NIZW, leverde de werkgroep belangrijke bijdragen voor het hoofdstuk "Ondersteunende interventies".

 

Adviseurs

Mw. drs. M.M. Kroeze, adviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht, adviseur (tot mei 2002)

Mw. drs. A. Hagemeijer               , adviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht, adviseur (vanaf mei 2002)

Mw. dr. M.J.C. van Hattum, wetenschappelijk medewerker, Trimbos instituut, Utrecht secretaris (tot september 2002)

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Voor artikelen betreffende preventie of therapie:

A1

systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn

A2

gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) en van voldoende omvang en consistentie

B

gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiëntcontroleonderzoek)

C

niet-vergelijkend onderzoek

D

mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Voor artikelen betreffende diagnostiek:

A1 onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests

A2 onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruikgemaakt zijn van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de 'gouden standaard' moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. Bij situaties waarbij multipele, diagnostische tests een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie

B vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd

C niet-vergelijkend onderzoek

D mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Niveau van de conclusie op basis van de literatuuranalyse:

1

gebaseerd op minimaal één systematische review (A1) of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A1 of A2

2

gebaseerd op ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

gebaseerd op één onderzoek van niveau A2 of B, of op onderzoek(en) van niveau C

4

gebaseerd op (gepubliceerde) mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.