Uitgangsvraag

Wat is de prevalentie van AAA bij familieleden van patiënten met een AAA?

Is er een voordeel van screenen bij familieleden?

Aanbeveling

Niveau C

Op grond van de hoge prevalentie AAA bij broers en zussen van patiënten met een bekend AAA valt te overwegen deze familieleden te screenen op het vóórkomen van een AAA.

Inleiding

Het ontstaan van een AAA is multifactorieel; naast de eerder genoemde risicofactoren is er ook een familiale of mogelijk genetische component. Het is bekend dat familieleden van patiënten met een AAA een hogere kans hebben op het hebben van een AAA.

Conclusies

Level 4

De prevalentie van AAA bij broers en zussen van patiënten met een bekend of geopereerd AAA is hoog; bij mannen tussen de 12 en 43%, bij vrouwen tussen de 3 en 16%.

*

Het is onduidelijk of screenen van (mannelijke) familieleden van patiënten met een AAA de (AAA gerelateerde) mortaliteit bij deze personen beïnvloedt.

Samenvatting literatuur

In een systematische review van studies gepubliceerd tot april 2002 vonden van Vlijmen et al een verhoogd risico op de aanwezigheid van een AAA (> 3.0 cm op echo) bij broers en zussen van patiënten met een AAA (OR 2.6 tot 3.3) en bij alleen broers (OR 2.6 tot 8.1) in vergelijking met controles.35 (Level 3a) Een positieve familieanamnese was ook geassocieerd met een hogere kans op een AAA, met OR tussen de 4.1 en 9.7. Dit zijn relatieve maten, maar verscheidene studies hebben ook gerapporteerd over prevalenties. Bij broers van patiënten die aan een AAA waren geopereerd was de prevalentie AAA (diameter > 3.0 cm) 12% (95% BI, 8-18%).36 (Level 4) De opkomst voor screening in dit onderzoek was laag; 38%. Fiztgerald et al screenden broers en zussen van 120 patiënten met een AAA. De opkomst voor screening was 54%, de prevalentie bij broers was 22%, bij zussen 3%.37 (Level 4) Hemminki et al vonden een gestandaardiseerde incidentie ratio van 8.71 voor broers en zussen wanneer 1 familielid bekend was met een AAA, en van 19.6 wanneer een familielid dit AAA kreeg voor het 50e jaar.38 (Level 4) Ogata et al vonden een prevalentie van respectievelijk 29% en 11%, voor broers en zussen van patiënten met een AAA.39 (Level 3b) Frydman et al vonden in Australië een prevalentie van respectievelijk 43% en 16%, voor broers en zussen van patiënten met een AAA.40(Level 3b) In een kleine Nederlandse studie waren bij 108 broers en zussen van 32 patiënten die geopereerd waren aan een AAA de prevalenties respectievelijk 29% en 6%.41 (Level 4) Al met al is de prevalentie hoger dan bij populatiescreening of bij patiënten met (risicofactoren voor) atherosclerose.

Er werden geen gerandomiseerde studies gevonden naar het effect van screening van familieleden op (AAA gerelateerde) mortaliteit. Wel werd in een kosten-effectiviteitsanalyse bij een Finse populatie aangetoond dat screening van mannelijke eerste graads familieleden van patiënten met een AAA kosten-effectief is.42 (Level 2b)

Referenties

  1. 1 - Gezondheidsraad. Jaarbericht bevolkingsonderzoek 2006. Den Haag: gezondheidsraad, 2006; publicatie nr 2006/10.
  2. 2 - Scott RA, Wilson NM, Ashton HA, Kay DN. Influence of screening on the incidence of ruptured abdominal aneurysm: 5-year results of a randomized controlled trial. Br J Surg 1995:82:1066-1070. (Level 1b)
  3. 3 - MASS Study Group. The multicentre aneurysm screening study (MASS) into the effects of screening on mortality in men: a randomised controlled trial. Lancet 2002;360:1531-1539. (Level 1b)
  4. 4 - Norman PE, Jamrozik K, Lawrence-Brown MM, et al. Population based randomised controlled trial on impact of screening on mortality from abdominal aortic aneurysm. BMJ 2004;329:1259. Epub 2004. (Level 1b)
  5. 5 - Lindholt JS, Juul S, Fasting H, Henneberg EW. Preliminary ten year results from a randomised single centre mass screening trial for abdominal aortic aneurysm. Eur J Vasc Endovasc Surg 2006;32:608-614. (Level 1b)
  6. 6 - Wilmink ABM, Quick CRG, Hubbard C.S, Day NE. Effectiveness and cost of screening for abdominal aortic aneurysm: results of a population screening program. J Vasc Surg 2003;38:72-77. (Level 2b)
  7. 7 - Boll APM, Verbeek ALM, Van de Lisdonk EH, Van der Vliet JA. High prevalence of abdominal aortic aneurysm in a primary care screening programme. Br J Surg 1998;85:1090-1094. (Level 4)
  8. 8 - Reitsma JB, Pleumeekers HJ, Hoes AW, et al. Increasing incidence of aneurysms of the abdominal aorta in The Netherlands. Eur J Vasc Endovasc Surg 1996;12:446-451. (Level 2b)
  9. 9 - Acosta S, Ogren M, Bengtsson H, Bergquist D, Lindblad B, Zdanowski Z. Increasing incidence of ruptured abdominal aortic aneurysm: a population-based study. J Vasc Surg 2006;44:237-243. (Level 2b)
  10. 10 - Scott RA, Bridgewater SG, Ashton HA. Randomized clinical trial of screening for abdominal aortic aneurysm in women. Br J Surg 2002;89:283-285. (Level 1b)
  11. 11 - Pleumeekers HJCM, Hoes AW, van der Does E, et al. Aneurysms of the abdominal aorta in older adults. The Rotterdam Study. Am J Epidemiol 1995;142:1291-1299. (Level 2b)
  12. 12 - Fleming C, Whitlock EP, Beil TL, Lederle FA. Screening for abominal aortic aneurysm: a best- evidence systematic review for the U.S. Preventive Service Task Force. Ann Intern Med 2005;142:203- 211. (Level 1a)
  13. 13 - Cosford PA, Leng GC. Screening for abdominal aortic aneurysm. Cochrane database of systematic reviews 2007, issue 2. Art . No.: CD002945. (Level 1a)
  14. 14 - USPSTF Screening for abdominal aortic aneurysm: recommendation statement. Ann Intern Med 2005;142:198-202.
  15. 15 - Hirsch AT, Haskal ZJ, Hertzer NR, et al. ACC/AHA 2005 practice guidelines for the management of patients with peripheral arterial disease. Circulation 2006; 113:e463-654.
  16. 16 - Mastracci TM, Cina CS. Screening for abdominal aortic aneurysm in Canada: review and position statement of the Canadian society for vascular surgery. J Vasc Surg 2007:45:1268-1276.
  17. 17 - Lindholt JS, Juul S, Fasting H, Henneberg EW. Cost-effectiveness analysis of screening for abdominal aortic aneurysms based on five year results from a randomised hospital based mass screening trial. Eur J Vasc Endovasc Surg 2006;32:9-15. (Level 1b)
  18. 18 - Wilmink T, Claridge MW, Fries A, et al. A comparison between the short and long term benefits of screening for abdominal aortic aneurysms from the huntingdon aneurysm screening programme. Eur J Vasc Endovasc Surg 2006;32:16-20. (Level 2b)
  19. 19 - Earnshaw JJ, Shaw E, Whyman MR, Poskitt KR, Heather BP. Screening for abdominal aortic aneurysm in men. BMJ 2004;328:1122-1124. (Level 2b)
  20. 20 - Hobbs S, Claridge M, Drage M, Quick C, Bradbury A, Wilmink A. Strategies to improve the effectiveness of abdominal aortic aneurysm screening programmes. J Med Screen 2004;11:93-96. (Level 2b)
  21. 21 - Kim LG, Scott RA, Thompson SG, et al. Implications of screening for abdominal aortic aneurysms on surgical workload. Br J Surg 2005;92:171-176. (Level 4)
  22. 22 - Lindholt JS, Vammen S, Fasting H, Henneberg EW. Psychological consequences of screening for abdominal aortic aneurysm and conservative treatment of small abdominal aortic aneurysms. Eur J Vasc Endovasc Surg 2000;20:79-83. (Level 2b)
  23. 23 - Marteau TM, Kim LG, Upton J, Thompson SG, Scott AP. Poorer self assessed health in a prospective study of men with screen detected abdominal aortic aneurysm: a predictor or a consequence of screening outcome? J Epidemiol Community Health 2004;58:1042-1046. (Level 2b)
  24. 24 - Wanhainen A, Rosen C, Rutegard J, Bergqvist D, Bjorck M. Low quality of life prior to screening for abdominal aortic aneurysm: a possible risk factor for negative mental effects. Ann Vasc Surg 2004;18:287-293. (Level 2b)
  25. 25 - Spencer CA, Norman PE, Jamrozik K, Tuohy R, Lawrence-Brown M. Is screening for abdominal aortic aneurysm bad for your health and well-being? ANZ J Surg 2004;74:1069-1075. (Level 2b)
  26. 26 - MASS group. Multicentre aneurysm screening study (MASS): cost effectiveness analysis of screening for abdominal aortic aneurysms based on four year results from randomised controlled trial. BMJ 2002;325:1135-1142. (Level 1b)
  27. 27 - Kim LG, Scott AP, Ashton HA, Thompson SG, for the Multicentre aneurysm screening group. A sustained mortality benefit from screening for abdominal aortic aneurysm. Ann Intern Med 2007;146:699-706. (Level 1b)
  28. 28 - Boll AP, Severens JL, Verbeek AL, van der Vliet JA. Mass screening on abdominal aortic aneurysm in men aged 60 to 65 years in The Netherlands. Impact on life expectancy and cost-effectiveness using a Markov model. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2003;26:74-80. (Level 2b)
  29. 29 - Wanhainen A, Lundkvist J, Bergqvist D, Bjork M. Cost-effectiveness of different screening strategies for abdominal aortic aneurysm. J Vasc Surg 2005;41:741-751. (Level 2b)
  30. 30 - Henrikson M, Lundgren F. Decision-analytical model with lifetime estimation of costs and health outcomes for one-time screening for abdominal aortic aneurysm in 65-year old men. Br J Surg 2005;92:976-983. (Level 2b)
  31. 31 - Wanhainen A, Lundkvist J, Bergqvist D, Bjork M. Cost-effectiveness of screening women for abdominal aortic aneurysm. J Vasc surg 2006;43:908-914. (Level 2b)
  32. 32 - Lee TY, Korn P, Heller JA, et al. The cost-effectiveness of a “quick screerï’program for abdominal aortic aneurysms. Surgery 2002;132:399-407. (Level 2b)
  33. 33 - Goessens BM, Visseren FJ, Algra A, Banga JD, van der Graaf Y; SMART Study Group. Screening for asymptomatic cardiovascular disease with noninvasive imaging in patients at high-risk and low-risk according to the European Guidelines on Cardiovascular Disease Prevention; The SMART study. J Vasc Surg 2006;43:525-532. (Level 2b)
  34. 34 - Kurvers HA, van der Graaf Y, Blankensteijn JD, Visseren FL, Eikelboom BC; SMART Study Group. Screening for asymptomatic internal carotid artery stenosis and aneurysm of the abdominal aorta; comparing the yield between patients with manifest atherosclerosis and patients with risk factors for atherosclerosis only. J Vasc Surg 2003;37:1226-1233. (Level 2b)
  35. 35 - Van Vlijmen-van Keulen CJ, Pals G, Rauwerda JA. Familial abdominal aortic aneurysm: a systematic review of a genetic background. Eur J Vasc Endovasc Surg 2002;24:105-116. (Level 3a)
  36. 36 - Van der Graaf Y, Akkersdijk GJ, Hak E, Godaert GL, Eikelboom BC. Results of aortic screening in the brothers of patients who had elective aortic aneurysm repair. Br J Surg 1998;85:778-780. (Level 4)
  37. 37 - Fitzgerald P, Ramsbottom D, Burke P, et al. Abdominal aortic aneurysm in the Irish population: a familial screening study. Br J Surg 1995;82:483-486. (Level 4)
  38. 38 - Hemminki K, Li X, Johansson SE, Sundquist K, Sundquist . Familial risks of aortic aneurysms among siblings in a nationwide swedish study. Genet Med 2006;8:43-49. (Level 2b)
  39. 39 - Ogata T, Mackean GL, Cole CW, et al. The lifetime prevalence of abdominal aortic aneurysms among siblings of aneurysm patients is eightfold higher than among siblings of spouses: an analysis of 187 aneurysm families in Nova Scotia, Canada. J Vasc Surg 2005;42:891-897. (Level 3b)
  40. 40 - Frydman G, Walker PJ, Summers K, et al. The value of screening in patients with abdominal aortic aneurysm. Eur J Vasc Endovasc Surg 2003;26:396-400. (Level 2b)
  41. 41 - Van der Lugt A, Kraanendonk SE, Baars AM. Screening for familial occurrence of abdominal aortic aneurysm. Ned Tijdschr Geneesk 1992;136:1910-1913. (Level 4)
  42. 42 - Soisalon-Soininen S, Rissanen P, Pentikainen T, Mattila T, Salo JA. Cost-effectiveness of screening for familial aortic abdominal aneurysms. VASA 2001;30:262-270. (Level 2b)

Overwegingen

Bij deze uitgangsvragen zijn geen overwegingen geformuleerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Drie jaar na verschijnen zal de richtlijn worden geëvalueerd en herzien.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care

Algemene gegevens

De richtlijn “Diagnostiek en behandeling van het aneurysma van de abdominale aorta” is mede tot stand gekomen door het programma “Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling” (EBRO) van de Orde van Medisch Specialisten.

 

Een aneurysma van de abdominale aorta (AAA) is een veelal asymptomatische aandoening die meestal bij toeval wordt ontdekt. Het risico van een AAA is een ruptuur, die gepaard gaat met een hoge mortaliteit. Een electieve operatie om een AAA uit te schakelen is een preventieve ingreep. Het doel van een dergelijke operatie is het voorkomen van een ruptuur en zodoende levensverlening bij een patiënt met een AAA te verkrijgen.

Het doel van de commissie was een evidence based richtlijn te maken voor diagnostiek en behandeling van het AAA. Deze richtlijn staat niet op zich, maar heeft gebruik gemaakt van bestaande richtlijnen op dit gebied. Er is onder meer informatie overgenomen uit de ACC/AHA 2005 Practice Guidelines for the Management of Patients With Peripheral Arterial Disease (Lower Extremity, Renal, Mesenteric, and Abdominal Aortic).1 Tevens werd informatie gehaald uit de “Guidelines for the treatment of abdominal aortic aneurysms. Report of a subcommittee of the Joint Council of the American Association for Vascular Surgery and Society for Vascular Surgery”.2 De Nederlandse richtlijn is een actualisatie van deze bestaande richtlijnen, waarbij een belangrijk uitgangspunt is dat de aanbevelingen evidence based zijn. Indien bovengenoemde richtlijnen onvoldoende evidence based aanbevelingen gaven werd gebruik gemaakt van systematische reviews, de Cochrane library en waar nodig werden zelf systematische reviews gemaakt.

 

Aanleiding

In de ‘meerjarenafspraken curatieve zorg’ zijn het ministerie van VWS en de Orde van Medisch Specialisten overeengekomen dat de Orde het initiatief zou nemen in het ontwikkelen van evidence based richtlijnen. De wetenschappelijke verenigingen kregen de gelegenheid tot het indienen van voorstellen. De richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van het aneurysma van de abdominale aorta’ is ontwikkeld namens de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde, in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie en het Genootschap voor Interventieradiologie van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie, de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care en de Nederlandse Vereniging voor Anaesthesiologie en voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in het richtlijnenprogramma Meerjarenafspraken, vastgesteld door de Plenaire Raad voor Wetenschap, Opleiding en Kwaliteit (9 maart 1999)

 

Tot slot

Getracht wordt een evidence based richtlijn te vervaardigen die recht doet aan de locale expertise en mogelijkheden. Telkens wordt getracht een afweging te maken tussen het beste klinische resultaat en de minste patiëntenbelasting. Kosten zullen slechts zijdelings worden belicht. De diagnostiek is integraal in deze richtlijn opgenomen.

De volgende deelonderwerpen zullen worden belicht:

  • patiënt met een bij toeval ontdekt, asymptomatisch AAA
  • patiënt met co-morbiteit en een AAA
  • patiënt met een geruptureerd AAA

 

Literatuur

  1. ACC/AHA 2005 Practice Guidelines for the management of patients with peripheral arterial disease (lower extremity, renal, mesenteric, and abdominal aortic): a collaborative report from the American Association for Vascular Surgery/Society for Vascular Surgery, Society for Cardiovascular Angiography and Interventions, Society for Vascular Medicine and Biology, Society of Interventional Radiology, and the ACC/AHA Task Force on Practice Guidelines (Writing Committee to Develop Guidelines for the Management of Patients With Peripheral Arterial Disease): endorsed by the American Association of Cardiovascular and Pulmonary Rehabilitation; National Heart, Lung, and Blood Institute; Society for Vascular Nursing; TransAtlantic Inter-Society Consensus; and Vascular Disease Foundation. Circulation 2006;113:e463-654.
  2. Brewster DC, Cronenwett JL, Hallett JW, Johnston KW, Krupski WC, Matsamura JS. Guidelines for the treatment of abdominal aortic aneurysms. Report of a subcommittee of the joint council of the american association for vascular surgery and society for vascular surgery. J Vasc Surg 2003;37:1106- 1117.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn heeft als doel evidence based aanbevelingen te doen over het diagnostische en therapeutische traject bij patiënten met een AAA. Het gaat dan niet alleen om het klinische succes van een bepaalde behandeling, maar ook wat het effect is op de patiënt zelf en zijn/haar maatschappelijke inbedding.

 

Definitie en doelpopulatie

De patiënt met een AAA wordt gedefinieerd als een man/vrouw bij wie een asymptomatisch, symptomatisch of geruptureerd AAA is ontdekt, waarbij de aorta een minimale diameter heeft van 3 cm en de dilatatie fusiform is. Niet bedoeld zijn patiënten met een sacculair-, naad- of geïnfecteerd aneurysma.

 

Beoogde gebruikers

Hoewel het een “tweede lijns” richtlijn is, bedoeld voor behandelaars als vaatchirurgen en interventieradiologen kunnen bepaalde delen door huisartsen en andere behandelaars worden geïmplementeerd, zoals de diagnostiek en conservatieve behandeling.

Samenstelling werkgroep

Bij het samenstellen van de commissie werd gezocht naar leden uit verschillende wetenschappelijke verenigingen, uit academische en perifere ziekenhuizen zodat een breed draagvlak kan worden verkregen.

 

De leden van de commissie zijn:

  • Dr MJW Koelemay, voorzitter, chirurg/epidemioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam (eerder Tergooiziekenhuizen, lokatie Hilversum)
  • Dr AC Vahl vice-voorzitter, chirurg/epidemioloog, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam
  • Prof dr DA Legemate, chirurg/epidemioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • Dr L van der Laan, chirurg, Amphia Ziekenhuis, Breda
  • Mw M Henebiens, arts-ondersteuner, Tergooiziekenhuizen, lokatie Hilversum
  • Dr M de Haan, radioloog, Academisch Ziekenhuis Maastricht, Maastricht
  • Dr PNM Lohle, radioloog, Sint Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg
  • Drs TR Prins, radioloog, UMC Groningen, Groningen
  • Dr D Vroegindeweij, radioloog, Medisch Centrum Rijnmond-Zuid, Rotterdam
  • Prof dr D Poldermans, internist, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Dr DAMPJ Gommers, anaesthesioloog-intensivist, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Drs JC Pompe, chirurg-intensivist, UMC Nijmegen St. Radboud, Nijmegen

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Het conceptdocument is besproken op bijeenkomsten van de Nederlandse vereniging voor Vaatchirurgie. Vervolgens werd het document op de website van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde, waarbij commentaar op het stuk kon worden gegeven. Nadat het document was gepresenteerd op de website en het commentaar was verwerkt werd het definitieve stuk gepresenteerd. Voorts wordt de implementatie bevorderd door het publiceren van de richtlijn op het Internet en in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Werkwijze

Probleemomschrijving en uitgangsvragen

Het behandelen van een AAA is preventief: voorkomen van overlijden als gevolg van een ruptuur. Het probleem is om die patiëntensubgroep te definiëren die profijt heeft van een profylactische ingreep om zodoende levensverlenging te verkrijgen.

Er staan ons zowel meerdere diagnostische als therapeutische modaliteiten ter beschikking.

De volgende uitgangsvragen hebben we ons gesteld:

  1. is het actief opsporen van een patiënt met een AAA noodzakelijk of kunnen we ons beperken tot het bij toeval ontdekte AAA?
  2. welke betrouwbare diagnostische modaliteiten staan ons ter beschikking?
  3. wat is de rol van medicamenteuze behandeling?
  4. bij welke diameter is er een indicatie voor operatie?
  5. met welke co-morbiditeit dient rekening te worden gehouden?
  6. wat is de plaats van endovasculaire aortachirurgie (EVAR)?
  7. in welke setting dient de behandeling plaats te vinden?
  8. hoe is de diagnose en behandeling van een geruptureerd (R) AAA?

 

Uitkomstmeting

Het succes van behandeling kan worden afgemeten aan de volgende eindpunten:

  1. perioperatieve mortaliteit
  2. perioperatieve morbiditeit
  3. kwaliteit van leven
  4. middellange- en langetermijnsoverleving
  5. kosten en kosten-effectiviteit

 

Transpararantie proces en werkwijze

De commissie kwam in 2005 voor het eerst bijeen om de doelen en werkwijze van de commissie te bespreken en is daarna 4 keer een dagdeel live bijeengekomen.

Allereerst werd gezocht naar bestaande richtlijnen in de databases National Guidelines Clearing House, Turning Research Into Practice (TRIP), National Institute for Clinical Excellence (NICE), Canadian Agency for Drugs and Technologies in Health (CADTH), de Agency for Healthcare Research and Quality (AHRG) en via Google. Uit deze search bleek dat er met uitzondering van de, in de loop van het project in maart 2006 gepubliceerde ACC/AHA richtlijn, geen evidence based richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van het AAA voorhanden waren.De richtlijncommissie heeft tevens een literatuurstudie gedaan waarvoor een arts-ondersteuner werd aangesteld, waarbij systematisch (en deels met ondersteuning van een clinical librarian), aan de hand van trefwoorden, is gezocht. Over onderwerpen met grote hiaten of met een duidelijke relevantie voor de Nederlandse situatie werden systematische reviews gemaakt. De MEDLINE, EMBASE, Cochrane library en DARE databases werden hiervoor doorzocht n.a.v. diverse trefwoorden. De geselecteerde literatuur werd beoordeeld op methodologische kwaliteit en evidentie, en indien relevant opgenomen in de tekst. Artikelen werden ingedeeld volgens de hierarchie voorgesteld door het Centre for Evidence Based Medicine en de hieruit volgende aanbevelingen eveneens. Waar mogelijk heeft de commissie getracht te rapporteren in schattingen van grootte van behandeleffect met 95% betrouwbaarheidsinterval, in plaats van alleen statistische significantie.

Ten behoeve van de beoordeling heeft een aantal commissieleden de EBRO cursus gevolgd. De voorzitter, vice-voorzitter en een lid van de commissie zijn tevens klinisch epidemioloog.

Ieder commissielid heeft per 2-tal een deel van de richtlijn voorbereid, en via e-mail correspondentie en telefonische vergaderingen werd het totaalresultaat tot stand gebracht en kwam de commissie met een conceptvoorstel. In 2006 en 2007 is tijdens de Chirurgendagen een minisymposium gehouden over de richtlijn in wording om input te krijgen van de leden van de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie. De conceptrichtlijn werd hierna besproken tijdens de wetenschappelijke vergaderingen van de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie. Dit resultaat werd in 2008 gepubliceerd op de website van de NVVH, zodat alle leden commentaar konden geven. Alleen leden van de NVVH konden via de website commentaar geven. De conceptrichtlijn werd tevens ter beoordeling voorgelegd aan externe referenten, Prof. Dr. J.D. Blankensteijn, Dr. R.H. Geelkerken, Dr. C. Zeebregts allen vaatchirurg.

Na verwerking van alle commentaar werd de richtlijn aangeboden aan de leden van de Nederlandse Vereniging Voor Heelkunde/Vaatchirurgie en de Nederlandse vereniging voor Radiologie/Genootschap voor Interventieradiologie. Het uiteindelijke document werd door de NVVH vastgesteld, waardoor zij houder wordt van deze richtlijn.

 

Verzamelen en beoordelen literatuur

Elk hoofdstuk werd door minstens 2 commissieleden voorbereid. Alle relevante literatuur tot en met juli 2007 werd verzameld door middel van zoekopdrachten in MEDLINE, EMBASE en de DARE database, en het verzamelen van alle relevante COCHRANE reviews en gepubliceerde richtlijnen.

 

Wijze van autorisatie richtlijn binnen de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en de Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Een richtlijn dient tot stand te komen op basis van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het expliciteren van goed medisch handelen. Daarnaast dient er een breed draagvlak te zijn binnen de NVVH en de NVVR. Om hieraan tegemoet te komen is voor het volgende autorisatieproces gekozen.

De richtlijn wordt in concept opgesteld door de Commissie “Diagnostiek en behandeling van het aneursyma van de abdominale aorta”. De Commissie Richtlijnen van de NVVH accordeert de plaatsing van de concept richtlijn op de website van de NVVH. Alle leden van de NVVH kunnen interactief commentaar geven op het concept gedurende 6 weken. Indien nodig past de Commissie het concept aan. De Commissie Richtlijnen van de NVVH beoordeelt of de richtlijn opnieuw aan de leden van de NVVH en de NVVR moet worden voorgelegd via de website of dat het definitieve concept naar het bestuur van de NVVH en de NVVR kan gaan voor vaststelling van de richtlijn. Het bestuur stelt tijdens een bestuursvergadering de richtlijn vast. Hiermee is de richtlijn definitief geworden voor de van tevoren in de richtlijn vastgelegde duur.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.