Aanvullende diagnostiek bij een AAA

Laatst beoordeeld: 01-01-2009

Uitgangsvraag

Aanvullende onderzoek bij een aneurysma van de abdominale aorta.

Aanbeveling

Het onderwerp aanvullende diagnostiek wordt uitgewerkt in verschillende modules. Specifieke aanbevelingen en onderbouwingen kunt u vinden in deze (sub)modules

Overwegingen

Bij deze uitgangsvraag zijn geen overwegingen geformuleerd.

Inleiding

Aanvullende diagnostiek kan worden onderscheiden in diagnostiek voor screening naar de aanwezigheid van een AAA, diagnostiek voor het plannen van een interventie en diagnostiek voor follow-up van een bekend of geopereerd AAA.

De maximale diameter van de aorta is de belangrijkste parameter voor het vaststellen van de aanwezigheid van een aneurysma en het bepalen van het moment van interventie. Er blijkt in de literatuur geen consensus te zijn op welke wijze de diameter van de aorta te bepalen. Zo kan de maximale diameter in Antero-Posterieure (AP) of transversale richting worden gemeten met echografie en kunnen dezelfde dimensies worden bepaald met CTA of MRA, zo mogelijk loodrecht op de “central lumen line”, dat wil zeggen orthogonaal. Dit heeft gevolgen voor de interpretatie van de kleine aneurysma trials. Bij patiënten die deelnamen aan de UK Small Aneurysm Trial (UKSAT) werd de maximale AP diameter van de aorta met echografie vastgesteld, en was de indicatie voor operatie een minimale AP diameter van 5.5 cm. Bij de deelnemers aan de Aneurysm Detection And Management (ADAM)-trial werd de diameter met CT-scan vastgesteld. De diameter in deze studie werd gedefinieerd als de maximale diameter in AP of transversale richting. De indicatie voor operatie was een diameter van minimaal 5.5 cm in AP of transversale richting.

Echografie is het voor de hand liggende onderzoek voor screening vanwege het gemak, de beschikbaarheid en omdat echografie niet-invasief is en niet schadelijk voor de patiënt. Voor beeldvorming met het oog op een interventie zijn echografie, CT-scan, MRI/MRA en diagnostische angiografie beschikbare modaliteiten. CT-scan en MRI/MRA zijn snel evoluerende technieken. De commissie besloot daarom a priori dat de literatuursearch werd beperkt tot onderzoek dat na 1990 werd gepubliceerd. Tevens werd geconcludeerd dat er geen goede referentiestandaard (“gouden standaard”) beschikbaar is voor evaluatie van het AAA. Er werd afgesproken vanwege de beschikbaarheid en toepasbaarheid in de praktijk CT-scan tot referentiestandaard te benoemen.

Referenties

  1. 1 - Singh K, Benaa KH, Solberg S, Serlie DG, Bjerk L. Intra- and interobserver variability in ultrasound measurements of abdominal aortic diameter. The Tromse study. Eur J Vasc Endovasc Surg 1998;15:497-504. (Level 1b)
  2. 2 - Pleumeekers HJ, Hoes AW, Mulder PG, et al. Differences in observer variability of ultrasound measurements of the proximal and distal abdominal aorta. J Med Screen 1998;5:104-108. (Level 2b)
  3. 3 - Lindholt JS, Vammen S, Juul S, Henneberg EW, Fasting H. The validity of ultrasonographic scanning as a screening method for abdominal aortic aneurysm. Eur J Vasc Endovasc Surg 1999;17:472-475. (Level 2b)
  4. 4 - Akkersdijk GJM, Puylaert JCBM, Coerkamp BG, de Vries AC. Accuracy of ultrasonographic measurement of infrarenal aortic aneurysms. Br J Surg 1994;81:376. (Level 1b)
  5. 5 - Yucel EK, Fillmore DJ, Knox TA, Waltman AC. Sonographic measurement of abdominal aortic diameter: interobserver variability. J Ultrasound Med 1991;10:681-683. (Level 2b)
  6. 6 - Thomas PR, Shaw JC, Ashton, HA, Kay DN, Scott RA. Accuracy of ultrasound in a screening programme for abdominal aortic aneurysms. J Med Screen 1994;1:3-6. (Level 2b)
  7. 7 - Jaakkola P, Hippelainen M, Farin P, Rytkonen H, Kainulainen S, Partanen K. Interobserver variability in measuring the dimensions of the abdominal aorta: comparison of ultrasound and computed tomography. Eur J Vasc Endovasc Surg 1996;12:230-237. (Level 4)
  8. 8 - Aarts NJM, Schurink GWH, Kool LJ, Baalen JM, Hermans J, Bockel van JH. Abdominal aortic aneurysm measurements for endovascular repair: intra- and interobserver variability of CT measurements. Eur J Vasc Endovasc Surg 1999;18:475-480. (Level 4)
  9. 9 - Cayne NS, Veith FJ, Lipsitz EC, et al. Variability of maximal aortic aneurysm diameter measurements on CT scan: significance and methods to minimize. J Vasc Surg 2004;39:811-815. (Level 4)
  10. 10 - Lederle FA, Wilson SE, Johnson GR, et al. Variability in measurement of abdominal aortic aneurysms. J Vasc Surg 1995;21:945-952. (Level 1b)
  11. 11 - Singh K, Jacobsen BK, Solberg S, et al. Intra- and interobserver variability in the measurements of abdominal aortic and common iliac artery diameter with computed tomography. The Tromse study. Eur J Vasc Endovasc Surg 2003;25:399-407. (Level 1b)
  12. 12 - Singh K, Jacobsen BK, Solberg S, Kumar S, Arnesen E. The difference between ultrasound and computed tomography (CT) measurements of aortic diameter increases with aortic diameter: analysis of axial images of abdominal aortic and common iliac artery diameter in normal and aneurysmal aortas. Eur J Vasc Endovasc Surg 2004;28:158-167. (Level 1b)
  13. 13 - Wanhainen A, Bergqvist D, Bjorck M. Measuring the abdominal aorta with ultrasonography and computed tomography - difference and variability. Eur J Vasc Endovasc Surg 2002;24:428-432. (Level 2b)
  14. 14 - Sprouse LR, Meier GH, Parent FN, DeMasi RJ, Glickman MH, Barber GA. Is ultrasound more accurate than axial computed tomography for determination of maximal abdominal aortic aneurysm diameter? Eur J Vasc Endovasc Surg 2004;28:28-35. (Level 1b)
  15. 15 - Sprouse LR, Meier GH, Lesar CJ, et al. Comparison of abdominal aortic aneurysm diameter measurements obtained with ultrasound and computed tomography: is there a difference? J Vasc Surg 2003;38:466-471. (Level 1b)
  16. 16 - Lamah M, Darke S. Value of routine computed tomography in the preoperative assessment of abdominal aneurysm replacement. World J Surg 1999;23:1076-1081. (Level 1b)
  17. 17 - Albrecht T, Jager HR, Blomley MJK, Lopez A, Hossain J, Stanfield N. Pre-operative classification of abdominal aortic aneurysms with spiral CT: the axial source images revisited. Clin Radiol 1997;52: 659-665. (Level 1b)
  18. 18 - Simoni G, Perrone R, Cittadini G, Care de G, Bairardi A, Civalleri D. Helical CT for the study of abdominal aortic aneurysms in patients undergoing conventional surgical repair. Eur J Vasc Endovasc Surg 1996;12:354-358. (Level 1b)
  19. 19 - Shin CK, Rodino W, Kirwin JD, Wisselink W, Abruzzo FM, Panetta TF. Can preoperative spiral CT scans alone determine the feasibility of endovascular AAA repair? J Endovasc Ther 2000;7:177-183. (Level 2)
  20. 20 - Broeders IA, Blankensteijn JD, Olree M, Mali M, Eikelboom BC. Preoperative sizing of grafts for transfemoral endovascular aneurysm management: a prospective comparative study of spiral CT angiography, arteriography, and conventional CT imaging. J Endovasc Surg 1997;4:252-261. (Level 2b)
  21. 21 - Errington ML, Ferguson JM, Gillespie IN, Vonnell HM, Ruckley CV, Wright AR. Complete pre- operative imaging assessment of abdominal aortic aneurysm with spiral CT angiography. Clin Radiol 1997;52:369-377. (Level 1b)
  22. 22 - Brown WA, Miller R, Birch S, Scott A. Is aortic angiography necessary for accurate planning of endovascular aortic aneurysm stents? Cardiovasc Surg 2003;11:1-5. (Level 2b)
  23. 23 - Parker MV, O’Donnell SD, Chang AS, et al. What imaging studies are necessary for abdominal aortic endograft sizing? A prospective double blinded study using conventional computed tomography, aortography, and three-dimensional computed tomography. J Vasc Surg 2005;41:199-205. (Level 2b)
  24. 24 - Sprouse LR, Meier GH, Parent FN, et al. Is three-dimensional computed tomography justified before endovascular aortic aneurysm repair? J Vasc Surg 2004;40:443-447. (Level 2b)
  25. 25 - Dillavou ED, Buck DG, Muluk SC, Mkaroun MS. Two-dimensional versus three-dimensional CT scan for aortic measurement. J Endovasc Ther 2003;10:531-538. (Level 2b)
  26. 26 - Resch T, Ivancev K, Lindh M, Nirhov N, Nyman U, Lindblad B. Abdominal aortic aneurysm morphology for endovascular repair evaluated with spiral computed tomography and digital subtraction angiography. J Endovasc Surg 1999;6:227-232. (Level 2b)
  27. 27 - Diehm N, Baumgartner I, Silvestro A, et al. Automated software supported versus manual aorto-iliac diameter measurements in CT angiography of patients with abdominal aortic aneurysms: assessment of inter- and intraobserver variation. VASA 2005;34:255-261. (Level 4)
  28. 28 - Velazquez OC, Woo EY, Carpenter JP, Golden MA, Barker CF, Fairman RM. Decreased use of iliac extensions and reduced graft junctions with software-assisted centerline measurements in selection of endograft components for endovascular aneurysm repair. J Vasc Surg 2004;40:222-227. (Level 4)
  29. 29 - Lutz AM, Willmann JK, Pfammatter T, et al. Evaluation of aortoiliac aneurysm before endovascular repair: comparison of contrast-enhanced magnetic resonance angiography with multidetector row computed tomographic angiography with an automated analysis software tool. J Vasc Surg 2003;37:619-627. (Level 1b)
  30. 30 - Lal BK, Cerveira JJ, Seidman C, et al. Observer variability of iliac artery measurements in endovascular repair of abdominal aortic aneurysms. Ann Vasc Surg 2004; 18: 644-652. (Level 2b)
  31. 31 - Akgun MD, Lang EV, Kaufman JA. Are gadolinium-based contrast media neprotoxic? A renal biopsy study. Arch Pathol Lab Med 2006;1354-1357.
  32. 32 - Ergun I, Keven K, Uruc I, et al. The safety of gadolinium in patients with stage 3 and 4 renal failure. Nephrol Dial Transplant 2006;21:697-700.
  33. 33 - Brioguori C, Colombo A, Airoldi F, et al. Gadolinium-based contrast agents and nephrotoxicity in patients undergoing coronary artery procedures. Catheter Cardiovasc Interv 2006;67:175-180.
  34. 34 - Petersen MJ, Cambria RP, Kaufman JA, et al. Magnetic resonance angiography in the preoperative evaluation of abdominal aortic aneurysms. J Vasc Surg 1995;6:891-899. (Level 2b)
  35. 35 - Walter F, Henrot P, Blum A, et al. Valeur comparative de l’angio-IRM, du scanner hélicoïdal et de l’angiographie numérisée dans le bilan préopératoire des anévrismes de l’aorte abdominale. J Radiol 1998;79:529-539. (Level 2b)
  36. 36 - Arlart IP, Gerlach A, Kilb M, Erpenbach S, Würstlin S. MR-angiographie mit Gd-DTPA zum staging des abdominellen aortenaneurysmas: korrelation mit DSA und CT. Fortschr Röntgenstr 1997;167:257- 263. (Level 3b)
  37. 37 - Nasim A, Thompson MM, Sayers RD, et al. Role of magnetic resonance angiography for assessment of abdominal aortic aneurysm before endoluminal repair. Br J Surg 1998;85:641-644. (Level 2b)
  38. 38 - Ludman CN, Yusuf SW, Whitaker SC, Gregson RHS, Walker S, Hopkinson BR. Feasibility of using dynamic contrast-enhanced magnetic resonance angiography as the sole imaging modality prior to endovascular repair of abdominal aortic aneurysms. Eur J Vasc Endovasc Surg 2000;19:524-530. (Level 2b)
  39. 39 - Engellau L, Albrechtsson U, Dahlström N, Norgren L, Persson A, Larsson EM. Measurements before endovascular repair of abdominal aortic aneurysms. Acta Radiologica 2003;44:177-184. (Level 2b)
  40. 40 - Neschis DG, Fairman RM. Magnetic resonance imaging for planning aortic endograft procedures. Sem Vasc Surg 2004;17:135-143. (Level 3b)
  41. 41 - Ashoke R, Brown LC, Rodway A, et al. Color duplex ultrasonography is insensitive for the detection of endoleak after aortic endografting: a systematic review. J Endovasc Ther 2005;12:297-305. (Level 1a)
  42. 42 - Sun Z. Diagnostic value of color duplex ultrasonography in the follow-up of endovascular repair of abdominal aortic aneurysm. J Vasc Interv Radiol 2006;17:759-764. (Level 1a)

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Drie jaar na verschijnen zal de richtlijn worden geëvalueerd en herzien.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care

Algemene gegevens

De richtlijn “Diagnostiek en behandeling van het aneurysma van de abdominale aorta” is mede tot stand gekomen door het programma “Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling” (EBRO) van de Orde van Medisch Specialisten.

 

Een aneurysma van de abdominale aorta (AAA) is een veelal asymptomatische aandoening die meestal bij toeval wordt ontdekt. Het risico van een AAA is een ruptuur, die gepaard gaat met een hoge mortaliteit. Een electieve operatie om een AAA uit te schakelen is een preventieve ingreep. Het doel van een dergelijke operatie is het voorkomen van een ruptuur en zodoende levensverlening bij een patiënt met een AAA te verkrijgen.

Het doel van de commissie was een evidence based richtlijn te maken voor diagnostiek en behandeling van het AAA. Deze richtlijn staat niet op zich, maar heeft gebruik gemaakt van bestaande richtlijnen op dit gebied. Er is onder meer informatie overgenomen uit de ACC/AHA 2005 Practice Guidelines for the Management of Patients With Peripheral Arterial Disease (Lower Extremity, Renal, Mesenteric, and Abdominal Aortic).1 Tevens werd informatie gehaald uit de “Guidelines for the treatment of abdominal aortic aneurysms. Report of a subcommittee of the Joint Council of the American Association for Vascular Surgery and Society for Vascular Surgery”.2 De Nederlandse richtlijn is een actualisatie van deze bestaande richtlijnen, waarbij een belangrijk uitgangspunt is dat de aanbevelingen evidence based zijn. Indien bovengenoemde richtlijnen onvoldoende evidence based aanbevelingen gaven werd gebruik gemaakt van systematische reviews, de Cochrane library en waar nodig werden zelf systematische reviews gemaakt.

 

Aanleiding

In de ‘meerjarenafspraken curatieve zorg’ zijn het ministerie van VWS en de Orde van Medisch Specialisten overeengekomen dat de Orde het initiatief zou nemen in het ontwikkelen van evidence based richtlijnen. De wetenschappelijke verenigingen kregen de gelegenheid tot het indienen van voorstellen. De richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van het aneurysma van de abdominale aorta’ is ontwikkeld namens de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde, in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie en het Genootschap voor Interventieradiologie van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie, de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care en de Nederlandse Vereniging voor Anaesthesiologie en voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in het richtlijnenprogramma Meerjarenafspraken, vastgesteld door de Plenaire Raad voor Wetenschap, Opleiding en Kwaliteit (9 maart 1999)

 

Tot slot

Getracht wordt een evidence based richtlijn te vervaardigen die recht doet aan de locale expertise en mogelijkheden. Telkens wordt getracht een afweging te maken tussen het beste klinische resultaat en de minste patiëntenbelasting. Kosten zullen slechts zijdelings worden belicht. De diagnostiek is integraal in deze richtlijn opgenomen.

De volgende deelonderwerpen zullen worden belicht:

  • patiënt met een bij toeval ontdekt, asymptomatisch AAA
  • patiënt met co-morbiteit en een AAA
  • patiënt met een geruptureerd AAA

 

Literatuur

  1. ACC/AHA 2005 Practice Guidelines for the management of patients with peripheral arterial disease (lower extremity, renal, mesenteric, and abdominal aortic): a collaborative report from the American Association for Vascular Surgery/Society for Vascular Surgery, Society for Cardiovascular Angiography and Interventions, Society for Vascular Medicine and Biology, Society of Interventional Radiology, and the ACC/AHA Task Force on Practice Guidelines (Writing Committee to Develop Guidelines for the Management of Patients With Peripheral Arterial Disease): endorsed by the American Association of Cardiovascular and Pulmonary Rehabilitation; National Heart, Lung, and Blood Institute; Society for Vascular Nursing; TransAtlantic Inter-Society Consensus; and Vascular Disease Foundation. Circulation 2006;113:e463-654.
  2. Brewster DC, Cronenwett JL, Hallett JW, Johnston KW, Krupski WC, Matsamura JS. Guidelines for the treatment of abdominal aortic aneurysms. Report of a subcommittee of the joint council of the american association for vascular surgery and society for vascular surgery. J Vasc Surg 2003;37:1106- 1117.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn heeft als doel evidence based aanbevelingen te doen over het diagnostische en therapeutische traject bij patiënten met een AAA. Het gaat dan niet alleen om het klinische succes van een bepaalde behandeling, maar ook wat het effect is op de patiënt zelf en zijn/haar maatschappelijke inbedding.

 

Definitie en doelpopulatie

De patiënt met een AAA wordt gedefinieerd als een man/vrouw bij wie een asymptomatisch, symptomatisch of geruptureerd AAA is ontdekt, waarbij de aorta een minimale diameter heeft van 3 cm en de dilatatie fusiform is. Niet bedoeld zijn patiënten met een sacculair-, naad- of geïnfecteerd aneurysma.

 

Beoogde gebruikers

Hoewel het een “tweede lijns” richtlijn is, bedoeld voor behandelaars als vaatchirurgen en interventieradiologen kunnen bepaalde delen door huisartsen en andere behandelaars worden geïmplementeerd, zoals de diagnostiek en conservatieve behandeling.

Samenstelling werkgroep

Bij het samenstellen van de commissie werd gezocht naar leden uit verschillende wetenschappelijke verenigingen, uit academische en perifere ziekenhuizen zodat een breed draagvlak kan worden verkregen.

 

De leden van de commissie zijn:

  • Dr MJW Koelemay, voorzitter, chirurg/epidemioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam (eerder Tergooiziekenhuizen, lokatie Hilversum)
  • Dr AC Vahl vice-voorzitter, chirurg/epidemioloog, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam
  • Prof dr DA Legemate, chirurg/epidemioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • Dr L van der Laan, chirurg, Amphia Ziekenhuis, Breda
  • Mw M Henebiens, arts-ondersteuner, Tergooiziekenhuizen, lokatie Hilversum
  • Dr M de Haan, radioloog, Academisch Ziekenhuis Maastricht, Maastricht
  • Dr PNM Lohle, radioloog, Sint Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg
  • Drs TR Prins, radioloog, UMC Groningen, Groningen
  • Dr D Vroegindeweij, radioloog, Medisch Centrum Rijnmond-Zuid, Rotterdam
  • Prof dr D Poldermans, internist, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Dr DAMPJ Gommers, anaesthesioloog-intensivist, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Drs JC Pompe, chirurg-intensivist, UMC Nijmegen St. Radboud, Nijmegen

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Het conceptdocument is besproken op bijeenkomsten van de Nederlandse vereniging voor Vaatchirurgie. Vervolgens werd het document op de website van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde, waarbij commentaar op het stuk kon worden gegeven. Nadat het document was gepresenteerd op de website en het commentaar was verwerkt werd het definitieve stuk gepresenteerd. Voorts wordt de implementatie bevorderd door het publiceren van de richtlijn op het Internet en in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Werkwijze

Probleemomschrijving en uitgangsvragen

Het behandelen van een AAA is preventief: voorkomen van overlijden als gevolg van een ruptuur. Het probleem is om die patiëntensubgroep te definiëren die profijt heeft van een profylactische ingreep om zodoende levensverlenging te verkrijgen.

Er staan ons zowel meerdere diagnostische als therapeutische modaliteiten ter beschikking.

De volgende uitgangsvragen hebben we ons gesteld:

  1. is het actief opsporen van een patiënt met een AAA noodzakelijk of kunnen we ons beperken tot het bij toeval ontdekte AAA?
  2. welke betrouwbare diagnostische modaliteiten staan ons ter beschikking?
  3. wat is de rol van medicamenteuze behandeling?
  4. bij welke diameter is er een indicatie voor operatie?
  5. met welke co-morbiditeit dient rekening te worden gehouden?
  6. wat is de plaats van endovasculaire aortachirurgie (EVAR)?
  7. in welke setting dient de behandeling plaats te vinden?
  8. hoe is de diagnose en behandeling van een geruptureerd (R) AAA?

 

Uitkomstmeting

Het succes van behandeling kan worden afgemeten aan de volgende eindpunten:

  1. perioperatieve mortaliteit
  2. perioperatieve morbiditeit
  3. kwaliteit van leven
  4. middellange- en langetermijnsoverleving
  5. kosten en kosten-effectiviteit

 

Transpararantie proces en werkwijze

De commissie kwam in 2005 voor het eerst bijeen om de doelen en werkwijze van de commissie te bespreken en is daarna 4 keer een dagdeel live bijeengekomen.

Allereerst werd gezocht naar bestaande richtlijnen in de databases National Guidelines Clearing House, Turning Research Into Practice (TRIP), National Institute for Clinical Excellence (NICE), Canadian Agency for Drugs and Technologies in Health (CADTH), de Agency for Healthcare Research and Quality (AHRG) en via Google. Uit deze search bleek dat er met uitzondering van de, in de loop van het project in maart 2006 gepubliceerde ACC/AHA richtlijn, geen evidence based richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van het AAA voorhanden waren.De richtlijncommissie heeft tevens een literatuurstudie gedaan waarvoor een arts-ondersteuner werd aangesteld, waarbij systematisch (en deels met ondersteuning van een clinical librarian), aan de hand van trefwoorden, is gezocht. Over onderwerpen met grote hiaten of met een duidelijke relevantie voor de Nederlandse situatie werden systematische reviews gemaakt. De MEDLINE, EMBASE, Cochrane library en DARE databases werden hiervoor doorzocht n.a.v. diverse trefwoorden. De geselecteerde literatuur werd beoordeeld op methodologische kwaliteit en evidentie, en indien relevant opgenomen in de tekst. Artikelen werden ingedeeld volgens de hierarchie voorgesteld door het Centre for Evidence Based Medicine en de hieruit volgende aanbevelingen eveneens. Waar mogelijk heeft de commissie getracht te rapporteren in schattingen van grootte van behandeleffect met 95% betrouwbaarheidsinterval, in plaats van alleen statistische significantie.

Ten behoeve van de beoordeling heeft een aantal commissieleden de EBRO cursus gevolgd. De voorzitter, vice-voorzitter en een lid van de commissie zijn tevens klinisch epidemioloog.

Ieder commissielid heeft per 2-tal een deel van de richtlijn voorbereid, en via e-mail correspondentie en telefonische vergaderingen werd het totaalresultaat tot stand gebracht en kwam de commissie met een conceptvoorstel. In 2006 en 2007 is tijdens de Chirurgendagen een minisymposium gehouden over de richtlijn in wording om input te krijgen van de leden van de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie. De conceptrichtlijn werd hierna besproken tijdens de wetenschappelijke vergaderingen van de Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie. Dit resultaat werd in 2008 gepubliceerd op de website van de NVVH, zodat alle leden commentaar konden geven. Alleen leden van de NVVH konden via de website commentaar geven. De conceptrichtlijn werd tevens ter beoordeling voorgelegd aan externe referenten, Prof. Dr. J.D. Blankensteijn, Dr. R.H. Geelkerken, Dr. C. Zeebregts allen vaatchirurg.

Na verwerking van alle commentaar werd de richtlijn aangeboden aan de leden van de Nederlandse Vereniging Voor Heelkunde/Vaatchirurgie en de Nederlandse vereniging voor Radiologie/Genootschap voor Interventieradiologie. Het uiteindelijke document werd door de NVVH vastgesteld, waardoor zij houder wordt van deze richtlijn.

 

Verzamelen en beoordelen literatuur

Elk hoofdstuk werd door minstens 2 commissieleden voorbereid. Alle relevante literatuur tot en met juli 2007 werd verzameld door middel van zoekopdrachten in MEDLINE, EMBASE en de DARE database, en het verzamelen van alle relevante COCHRANE reviews en gepubliceerde richtlijnen.

 

Wijze van autorisatie richtlijn binnen de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en de Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Een richtlijn dient tot stand te komen op basis van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het expliciteren van goed medisch handelen. Daarnaast dient er een breed draagvlak te zijn binnen de NVVH en de NVVR. Om hieraan tegemoet te komen is voor het volgende autorisatieproces gekozen.

De richtlijn wordt in concept opgesteld door de Commissie “Diagnostiek en behandeling van het aneursyma van de abdominale aorta”. De Commissie Richtlijnen van de NVVH accordeert de plaatsing van de concept richtlijn op de website van de NVVH. Alle leden van de NVVH kunnen interactief commentaar geven op het concept gedurende 6 weken. Indien nodig past de Commissie het concept aan. De Commissie Richtlijnen van de NVVH beoordeelt of de richtlijn opnieuw aan de leden van de NVVH en de NVVR moet worden voorgelegd via de website of dat het definitieve concept naar het bestuur van de NVVH en de NVVR kan gaan voor vaststelling van de richtlijn. Het bestuur stelt tijdens een bestuursvergadering de richtlijn vast. Hiermee is de richtlijn definitief geworden voor de van tevoren in de richtlijn vastgelegde duur.