Uitgangsvraag

Wat is de diagnostische accuratesse van conventionele beeldvorming (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto)?

Aanbeveling

In de reguliere diagnostiek bij patiënten met acute buikpijn is geen plaats voor conventioneel beeldvormend onderzoek(buikoverzichtfoto, thoraxfoto) vanwege het ontbreken van toegevoegde waarde ten opzichte van anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek voor het onderscheid tussen urgente en niet-urgente diagnosen.

Conclusies

Niveau  1

Conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) heeft een diagnostische accuratesse van 47-56% voor het stellen van een correcte diagnose.

 

A2 Lameris et al., 2009; MacKersie et al., 2005

 

Niveau  2

Conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto) stelde bij 47% van de patiënten terecht de aanwezigheid van een aandoening vast.

 

A2 Prasannan et al., 2005

 

Niveau  2

Conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) heeft geen toegevoegde waarde bij het correct vaststellen van een urgente diagnose, en voor het onderscheid tussen urgente en niet-urgente diagnosen, ten opzichte van anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek.

 

A2 Lameris et al., 2009

Samenvatting literatuur

Drie studies beschrijven de diagnostische accuratesse van conventionele beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) bij patiënten die op de SEH komen met acute buikpijn (Lameris et al., 2009; MacKersie et al., 2005; Prasannan et al., 2005).

 

MacKersie et al. (2005) vergeleek de diagnose na conventionele beeldvormend onderzoek (staande thoraxfoto, staande buikoverzichtsfoto en liggende buikoverzichtsfoto) en na CT-scan zonder contrast met de definitieve diagnose. 91 patiënten met niet-traumatische acute buikpijn met een duur korter dan 7 dagen ondergingen conventionele radiografie en een abdominale spiraal CT-scan zonder contrast.

Het conventionele beeldvormend onderzoek en de CT-scan werden door twee afzonderlijke, voor klinische diagnostiek geblindeerde beoordelaars beoordeeld. De definitieve diagnose werd gesteld op basis van chirurgie, pathologie en klinische follow-up (zes maanden).

Conventionele radiografie stelde 15 terecht positieve, 36 terecht negatieve, 5 fout-positieve en 35 fout-negatieve diagnosen. Een terecht positieve diagnose werd gezien als bevindingen op de beeldvorming overeenkwamen met de definitieve diagnose, fout-positief als bevindingen op beeldvorming niet overeenkwamen met definitieve diagnose, terecht negatief als beeldvorming geen afwijkingen liet zien in overeenstemming met definitieve diagnose en fout-negatief als er geen bevindingen werden gezien op de beeldvorming terwijl op definitieve diagnose wel een diagnose werd gesteld. De sensitiviteit, specificiteit en accuratesse van conventionele radiografie waren respectievelijk 30%, 87,8% en 56% (zie tabel 4.8).

 

Prasannan et al. (2005) vergeleek de diagnose na buikoverzichtsfoto met de definitieve diagnose van alle patiënten met acute buikpijn korter dan 24 uur bestaand. Definitieve diagnose werd gesteld op basis van chirurgie, pathologie additionele beeldvorming en diagnose bij ontslag.

In totaal zijn 168 patiënten geïncludeerd waarvan bij 153 patiënten een liggende buikoverzichtsfoto werd gemaakt en bij 93 patiënten een staande buikoverzichtsfoto.

Bij 58 patiënten werd een terecht positieve/aanwezige diagnose gesteld, bij 21 patiënten een terecht negatieve/afwezige diagnose, bij één patiënt was er een fout-positieve diagnose en bij 88 een fout-negatieve diagnose. In totaal werd er bij 47% van de patiënten terecht een diagnose of geen diagnose vastgesteld en bij 53% van de patiënten werd terecht een diagnose of geen diagnose vastgesteld op basis van de buikoverzichtsfoto.

 

In de studie van Lameris et al. (2011) werden 1021 patiënten geïncludeerd die zich op de SEH presenteerden met acute buikpijn die tussen de 2 uur en 5 dagen bestond en waarbij beeldvorming door de behandelend arts noodzakelijk geacht werd. De diagnose na conventionele radiografie (staande thoraxfoto en liggende buikoverzichtsfoto) werd vergeleken met de definitieve diagnose, gesteld op basis van chirurgie, pathologie, additionele beeldvorming en follow-up (zes maanden).

De diagnose na anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek was in overeenstemming met de definitieve diagnose bij 49% van de patiënten. De diagnose na anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek in combinatie met conventionele beeldvorming (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) kwam overeen bij 50% van de patiënten. Naar aanleiding van de conventionele beeldvorming werd de diagnose gewijzigd bij 117 (11%) van de 1021 patiënten. Deze wijziging in diagnose was correct bij 39 patiënten (22% van alle patiënten waarbij de diagnose is gewijzigd en 4% van alle patiënten) en incorrect bij 78 patiënten (88% van alle patiënten waarbij de diagnose is gewijzigd en 8% van alle patiënten). Daarnaast nam het vertrouwen in de correctheid van de diagnose na conventionele beeldvorming niet toe ten opzichte van ervoor.

De sensitiviteit voor het onderscheiden van urgente versus niet urgente diagnosen na anamnese, lichamelijk en laboratoriumonderzoek was 88%, de specificiteit 41%, in 12% werd een urgente diagnose gemist en in 27% werd onterecht aan een urgente diagnose gedacht. De toevoeging van conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) had geen invloed hierop: de sensitiviteit en proportie gemiste diagnosen bleven geheel hetzelfde en ook de specificiteit (43%) en onterechte gestelde urgente diagnose (26%) veranderden nauwelijks.

Referenties

  1. Lameris, W., van Randen, A., van Es, H.W., van Heesewijk, J.P.M., van Ramshorst, B., Bouma, W.H, ten Hove, W., van Leeuwen, M., van Keulen, E.M., Dijkgraaf, M.G.W., Bossuyt, P.M.M., Boermeester, M.A., Stoker, J., on behalf of the OPTIMA study group. (2009). Imaging strategies for detection of urgent conditions in patients with acute abdominal pain: diagnostic accuracy study. BMJ, 26, 338, b2431–b2431.
  2. MacKersie, A.B., Lane, M.J., Gerhardt, R.T., Claypool, H.A., Keenan, S., Katz, D.S., & Tucker JE. (2005). Nontraumatic acute abdominal pain: unenhanced helical CT compared with three-view acute abdominal series. Radiology, 237 (1), 114–22.
  3. Prasannan, S., Zhueng, T.J., & Gul, Y.A. (2005). Diagnostic value of plain abdominal radiographs in patients with acute abdominal pain. Asian J Surg, 28 (4), 246–51.
  4. van Randen, A., Laméris, W., Luitse, J.S.K., Gorzeman, M., Hesselink, E.J., Dolmans, D.E.J.G.J., Peringa, J., van Geloven, A.A.,….. (2011). The role of plain radiographs in patients with acute abdominal pain at the ED. Am J Emerg Med., 29 (6), 582–589.e2.

Evidence tabellen

Study reference

Study characteristics

Patient characteristics

Index test

(test of interest)

Reference test

 

Follow-up

Outcome measures and effect size

Comments

Lameris 2009

Type of study: Fully paired multicentre diagnostic accuracy study with prospective data collection

 

Setting: emergency department of two university

hospitals and four large teaching hospitals

 

Country: Netherlands

 

Source of funding: Dutch Organization for Health Research and Development

(ZonMw)

Inclusion criteria:

Age >= 18 years

non-traumatic abdominal

pain of >2 hours and <5 days duration

 

Exclusion criteria: discharge from emergency department with no

imaging warranted,

pregnancy,

haemorrhagic shock.

 

N= 1021

 

Mean age:

47 (range 19-94)

 

Sex: 45% M / 55% F

 

Other important characteristics:

75% referred by general practitioner; 17% self referrals,

7% referred by other medical specialties,

1% presented by emergency services.

plain radiographs (upright chest and supine abdominal)

Diagnosis by expert panel (urgent or non-urgent).

The panel

members had not been involved in the investigation

or management of the evaluated cases.

6 months

                                       Clinical diagnosis        Clinical diagnosis

                                       w/o radiographs          after radiographs

Sensitivity               88% (86 to 91)             88% (86 to 91)

Specificity               41% (36 to 46)             43% (38 to 48)

False negative      12                                         12

False positive        27                                         26

 

Correct diagnoses / total diagnoses: 514/1021

Level of evidence A2

MacKersie, 2005           

Diagnostic accuracy study, cross-sectional

 

Setting: emergency department

 

Country: USA

 

N=91

 

Exclusion criteria:

trauma,

intoxication,

mental incompetence, pregnancy,

overt gynaecological or urological complaints

 

Sex: 34M/47F

Age: mean 48.5 (range 18-84)

upright chest radiograph, upright and supine abdominal

radiographs

 

x-thorax 110 kV, 20mAS

Abdomen 75-85 kV

50 mAS

surgical, pathologic, and clinical follow-up

6maanden

True positive 15

True negative 36

False positive 5

False negative 35

Sensitivity 0.300

Specificity  0.878

Correct/total 51/91

                                      

 

X-rays and CT were each separately and prospectively interpreted by a different experienced radiologist who was blinded to patient history and the images and  interpretation of the other examination for each patient

 

Level of evidence A2

Prasannan 2005

 

Diagnostic accuracy study, cross-sectional

 

Setting: tertiary referral centre

 

Country: Malaysia

all adult patients admitted to the surgical wards with acute abdominal pain (<24 hrs) who subsequently underwent plain abdominal radiography.

 

583 patients presented with acute abdominal pain during the study period, of which 168 (28.8%) were subjected

to 246 PAR (153 supine and 93 erect films).

Erect or supine abdominal radiograph

Final diagnosis: diagnosis prior to discharge or transfer to another ward or death

n.a.

True positive 58

True negative 21

False positive 1

False negative 88

Correct/total 79/168

 

The radiologist was asked to interpret the radiographic features shown on the PAR together with a clinical diagnosis.

 

Level of evidence A2

Overwegingen

Conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtfoto, thoraxfoto) heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratorium­onderzoek. Wel geeft het net als anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratorium­onderzoek veel fout-positieve en fout-negatieve diagnosen. In de standaard analyse van patiënten met acute buikpijn is er om deze reden geen plaats voor conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto).

 

In de hiervoor beschreven Nederlandse multicenter studie met 1021 patiënten met acute buikpijn bleek conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) ook voor specifieke aandoeningen zoals verdenking op perforatie van een hol orgaan, corpora aliena en urolithiasis geen toegevoegde waarde te hebben (van Randen et al., 2011). Alleen bij darmobstructie was de sensitiviteit hoger (74% versus 57%) echter niet de positief voorspellende waarde. Belangrijk is dat met conventioneel beeldvormend onderzoek (buikoverzichtsfoto, thoraxfoto) de oorzaak van de darmobstructie en mogelijke complicaties niet vastgesteld kunnen worden. Daarnaast kan er op basis van echografie, CT of MRI een nauwkeuriger vervolgbeleid worden ingesteld en kunnen eventuele overige aandoeningen worden opgespoord.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-09-2013

Laatst geautoriseerd : 01-09-2013

Uiterlijk in 2018 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van

Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

Financiering

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en werd gefinancieerd met ZonMW doelmatigheidsonderzoek VIMP-subsidie, projectnummer 945043081

Doel en doelgroep

Doel van de richtlijn

Doordat acute buikpijnklachten kunnen worden veroorzaakt door een breed scala aan onderliggende pathologie zijn er veel verschillende specialismen bij de diagnostiek en behandeling betrokken. Dit draagt bij aan de grote variatie in diagnostiek en behandeling. Daarnaast heeft ieder ziekenhuis zijn eigen voorkeur en mogelijkheden ten aanzien van de diagnostiek bij patiënten met acute buikpijnklachten.

 

In deze richtlijn worden alle beschikbare studies rondom diagnostiek bij patiënten met acute buikpijn samengevat en geclassificeerd naar bewijsniveau. Het doel van deze richtlijn is om daarmee het diagnostisch traject van patiënten met acute buikpijn te stroomlijnen en de lokale variatie per ziekenhuis en specialisme te minimaliseren. Deze richtlijn dient ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen zijn gericht op het expliciteren van optimaal medisch handelen en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overwegingen van de werkgroep.

 

Afbakening van de richtlijn

Deze richtlijn vat de belangrijkste literatuur over diagnostiek bij volwassen patiënten met acute buikpijn op de SEH samen, resulterend in een stroomdiagram met daarin een advies omtrent de meest (kosten)effectieve combinatie van beeldvormende technieken. De richtlijn vormt hiermee een leidraad voor de dagelijkse praktijk en is specifiek bedoeld voor de tweedelijnszorg.

 

De aanbevelingen zijn van toepassing op volwassen patiënten (≥18 jaar) met nieuw ontstane acute buikpijn op de spoedeisende hulp.

 

De richtlijn heeft geen betrekking op:

  •         buikpijn van traumatische origine;
  •         bekende intra-uteriene zwangerschap;
  •         manifeste gastro-intestinale bloedingen;
  •         hemorrhagische shock;
  •         chronische aandoeningen;
  •         recidiverende buikpijn;
  •         buikpijn binnen 30 dagen na abdominale chirurgie.

 

Beoogde gebruikers van de richtlijn

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met acute buikpijn. Deze aanbevelingen zijn geschreven voor de tweedelijnszorg en kunnen niet direct worden overgenomen in de eerstelijnszorg. Deze richtlijn kan wel dienen als informatiebron voor gebruikers uit de eerste lijn.

 

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2010 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij  de zorg voor patiënten met acute buikpijn (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn.

De gehele werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

  •         Prof. Dr. M.A. Boermeester, chirurg,  Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  •         Drs. F.W.J. Bollen, huisarts, Almere
  •         Drs. S.C. Donkervoort, chirurg, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam
  •         Dr. M.H. van der Gaast, gynaecoloog, Sint Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg
  •         Drs. S.L. Gans, arts-onderzoeker, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  •         Prof. Dr. R.W. ten Kate, internist, Kennemer Gasthuis, Haarlem
  •         Dr. J.B.C.M. Puylaert, radioloog, Medisch Centrum Haaglanden, Den Haag
  •         Drs. P. Plantinga, spoedeisende-hulparts, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem
  •         Prof. Dr. J. Stoker, radioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  •  

Met ondersteuning van

  •         Dr. M.A. Pols, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De werkgroepleden is gevraagd of zij in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp.

 

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project?

ja /nee

Zo ja, welke

Boermeester, M.A.

Nee

 

Bollen, F.W.J.

Nee

 

Donkervoort, S.

Nee

 

Gaast, M.H. van der

Nee

 

Gans, S.L.

Nee

 

Kate ten, R.W.

Nee

 

Plantinga,

Nee

 

Puylaert, J.B.C.M.

Nee

 

Stoker, J.

Nee

 

Inbreng patiëntenperspectief

In de studie van Baumann et al., (2011) werd het patiëntenperspectief beschreven van 1168 patiënten die zich met acute buikpijn op de SEH presenteerden. Deze patiënten kregen een vragenlijst voorgelegd waarbij patiënten hun vertrouwen in de accuratesse van de medische evaluatie werd gevraagd voor verscheidene situaties. De volgende scenario’s werden voorgelegd:

  1. Alleen anamnese en lichamelijk onderzoek;
  2. anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek;
  3. anamnese, lichamelijk en laboratoriumonderzoek gecombineerd met echografie;
  4. anamnese, lichamelijk en laboratoriumonderzoek gecombineerd met CT abdomen/pelvis.

 

Patiënten gaven hun vertrouwen in de accuratesse van deze evaluaties aan de hand van een VAS-score, waarbij 0= geen vertrouwen en 100= volledig vertrouwen. Scenario 1 werd beoordeeld met een mediane VAS-score van 20 (IQ range 1, 72), scenario 2 met een mediane VAS-score van 84 (IQ range 50, 100), scenario 3 mediane VAS-score van 85 (IQ range 55, 100) en scenario 4 met een mediane VAS-score van 90 (IQ range 60, 100) (Baumann et al., 2011).

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden er interne kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken (onderstaand). Meer informatie over de methode van indicatorontwikkeling is op te vragen bij het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

 

Indicatoren

Uitkomst:

- % patiënten geopereerd binnen 48 uur na presentatie op de SEH met acute buikpijn bij wie de diagnose na anamnese, lich ond, lab en beeldvorming overeenkomt met diagnose na operatie (steekproef)

Teller: alle patiënten met acute buikpijn die via de SEH opgenomen zijn en binnen 48 uur geopereerd zijn bij wie de diagnose na anamnese, lich ond, lab en beeldvorming overeenkomt met diagnose na operatie.

Noemer: alle patiënten met acute buikpijn die via de SEH opgenomen zijn en binnen 48 uur zijn geopereerd.

Streefnorm: >90%

 

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

De richtlijn wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn voor publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (www.heelkunde.nl) en via de website van de Kwaliteitskoepel: www.kwaliteitskoepel.nl.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport ‘Richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad WOK. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en werkgroep­leden in overleg met de senior adviseur van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten de knelpunten waaruit uitgangsvragen zijn opgesteld. Een samenvatting van deze uitgangsvragen kunt u vinden in bijlage II.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

In de voorbereidende fase zijn door de voorzitter, de adviseur en drs. S.L. Gans, concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Drs. S.L. Gans werd gedurende een jaar aangesteld om de literatuursearches te verrichten, literatuur te selecteren en te beoordelen en concept teksten te schrijven.

 

Beoordeling van de kwaliteit van studies

Na selectie op relevantie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de indeling gebruikt, zoals weergegeven in tabel 1.

Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

 

Tabel 1 Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

Bewijs niveau

Interventie onderzoek

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review / meta-analyse van tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek tov een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek tov een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

 

Tabel 2 Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het aan de conclusie ten grondslag liggend bewijs

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C  

4

Mening van deskundigen   

 

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De bewijskracht van de conclusie is bepaald volgens de EBRO-methode (van Everdingen et al., 2004).

 

Formuleren van de conclusies

Voor iedere uitgangsvraag is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.