Uitgangsvraag

Acne en voeding

Welke rol spelen voedingsmiddelen in de ontwikkeling en instandhouding van acne vulgaris?

Aanbeveling

Zelfzorg en acne

Veel mensen geloven dat acne te maken heeft met slechte hygiëne, maar hiervoor ontbreekt het wetenschappelijke bewijs (Plewig et al. 2000, Tan et al. 2001).

 

Acnepatiënten zijn geneigd hun huid overmatig te wassen om de vetheid van de huid te verminderen. Dit kan echter averechts werken en de inflammatoire fase van acne verergeren. Geadviseerd wordt de huid dagelijks mild te wassen met warm water, zonder te schuren of te scrubben (Gollnick et al. 2003).

 

Ondeskundige manipulatie van comedonen, papels en pustels kan leiden tot littekens en verergering van de inflammatoire laesies.

 

Er is geen wetenschappelijk bewijs dat zonnebankgebruik een positief effect heeft op acne.  Op korte termijn lijkt de zon een gunstig effect te hebben. Zichtbaar licht kan de bacteriën doden en de ontstekingen verminderen. Op een gebruinde huid vallen puistjes bovendien minder op. De zon of de zonnebank verdikken echter de keratinelaag, waardoor makkelijker comedonen ontstaan. (Cunliffe et al. 1989, Goulden et al. 1999).

 

Een hydraterende crème (moisturizer) kan soms uitkomst bieden bij mensen met een droge huid door het gebruik van lokale keratolytica en/of systemische retinoiden.

 

Zonexpositie tussen de behandeling met chemische peelingen of microdermabrasie moet zoveel mogelijk vermeden worden om de kans op post-inflammatoire hyperpigmentatie te verkleinen.

 

Adviezen ten aanzien van zelfzorg bij acne zijn belangrijk. Een huidtherapeut kan hierbij een rol spelen.

 

Acne en voeding

Het bewijs voor de invloed van een bepaald voedingspatroon of specifieke voedingsstof op acne is zeer mager. Er zijn aanwijzingen met bewijsniveau 3 dat een voeding met een hoge glycemische index en melkproducten acne zouden kunnen verergeren. Er ontbreken echter goede eliminatieonderzoeken om deze aanwijzingen te bevestigen of te ontkrachten. Het is daarom op dit moment niet gerechtvaardigd om een bepaalde voeding te adviseren voor patiënten met acne.

 

Nader kwalitatief beter opgezet onderzoek (gerandomiseerd en geblindeerd) is nodig om exactere uitspraken te kunnen doen wat betreft de waarde voor een acne vulgaris patiënt in het volgen van een bepaald voedingspatroon.

 

Inleiding

Zelfzorg bij acne

Bij de behandeling van acne vulgaris spelen niet-medicamenteuze adviezen een minstens zo’n belangrijke rol als medicamenteuze adviezen. Patiënten brengen acne vaak in verband met stress, hygiëne, roken, zweten en seksuele gewoonten. Er is geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat acne wordt verergerd of in stand gehouden door deze factoren. Er bestaat een florerende markt voor vrij (zonder recept) verkrijgbare middelen, welke in wisselende mate soelaas kunnen bieden afhankelijk van de werkzame stof die erin is opgenomen (vaak benzoylperoxide en/of salicylzuur). Per jaar wordt in Nederland voor ruim 15 miljoen euro uitgegeven aan drogisterijartikelen ter bestrijding van acne (Vara Televisie 2004). Ten aanzien van de zelfzorg bij acne zijn een aantal adviezen te geven, welke in deze module zijn opgenomen.

 

Acne en voeding

De eerste stap in de behandeling van acne is lokale therapie. Bij onvoldoende effect kan systemische behandeling worden toegevoegd (of worden ingezet als monotherapie). Tevens kan verwijzing naar de huidtherapeut voor zelfzorg en eventuele aanvullende behandeling plaatsvinden. Bijwerkingen van de therapie zijn vanaf het begin aanwezig. In het algemeen nemen zij in de loop van de tijd af.

 

De rol van voeding bij acne vulgaris is controversieel. Choi et al. (2005)1 vonden bijvoorbeeld in een vragenonderzoek onder 103 medisch studenten dat 69,9% denkt dat ‘slechte voeding” acne vulgaris verergert, echter onderzoeken uit het verleden lieten tot voor kort geen  relatie zien. Mogelijke confounders in studies naar de rol van voeding kunnen daarbij onder andere verschillen in gewicht, BMI, lengte, geboortegewicht, cholesterol, triglyceriden, HDL en glucose waarden zijn. Dit is onderzocht in retrospectief onderzoek van Bataille et al. (2002)12 onder 1099 twee-eiige tweelingen en 458 een-eiige tweelingen, waarbij vergeleken werd tussen personen met acne vulgaris en zonder acne vulgaris. Er werden daarbij geen significante verschil gevonden in gewicht, BMI, lengte, geboortegewicht, cholesterol, triglyceriden, HDL en glucose waarden.

 

Om de rol van voeding bij acne vulgaris boven tafel te krijgen werd er gezocht in Medline, EMBASE en Cochrane CENTRAL. Zoektermen die gebruikt werden, waren acne vulgaris gecombineerd met diet, glycemic index, chocolate, cacao, food, dairy products (milk, margarine, ice cream, cheese, butter), meat, candy, dietary fats (saturated fats), dietary carbohydrates en dietary proteins. Voor de volledige zoekactie wordt verwezen naar de bijlage. Relevante artikelen uit deze zoekactie werden geselecteerd op basis van titel en abstract. Vervolgens werden deze relevante artikelen full-tekst beoordeeld en samengevat in een evidencetabel (zie evidencetabellen).

 

Bij de beantwoording van de uitgangsvraag werd gebruik gemaakt van een systematic review van Magin et al. (2004). Dit systematic review is met het CBO-formulier ‘systematic review’ beoordeeld, goed bevonden en als basis gebruikt. Magin et al. 2 verrichtten een literatuurzoekactie tot juli 2003; hierna zijn er nog 8 als mogelijk relevant beoordeelde artikelen verschenen.

 

Conclusies

 Acne en voeding

Niveau  3

Ten aanzien van het effect van chocola op acne vulgaris kan er geen eenduidige conclusie worden getrokken.

 

 C Magin et al. 2004; Spencer et al. 2009

 

Niveau 3 

Voeding bestaande uit voedingsmiddelen met een hoge glycemische index kan bijdragen aan het instandhouden van acne vulgaris; een voedingspatroon met een lage glycemische index kan bestaande acne vulgaris lesies verminderen.

 

B Smith et al. 2007 ; C Spencer et al. 2009

 

Niveau 3 

Regelmatige melkconsumptie (>1/dg) kan de kans op acne vulgaris verhogen ten opzichte van melk consumptie < 1/wk.

 

 C Spencer et al. 2009,  Adebamowo et al. 2005, 2006, 2008

 

Niveau 3 

Er zijn aanwijzingen voor een matig positieve associatie tussen inname van vitamine D uit supplementen en acne vulgaris. Vitamine A en calcium lijken niet van invloed te zijn op acne vulgaris.

 

C Adebamowo et al. 2005, 2006, 2008

 

Niveau  3

Ten aanzien van het effect van vetinname en vetsamenstelling in de voeding op acne vulgaris kan er geen eenduidige conclusie worden getrokken.

 

 C  Spencer et al.2009,  Adebamowo et al. 2005, 2006, 2008

Samenvatting literatuur

Acne en voeding

In de review, “A systematic review of the evidence for ‘myths and misconceptions’ in acne management: diet, face-washing and sunlight.” van Magin et al. (2004), worden zeven artikelen besproken met betrekking tot de relatie tussen bepaalde voedingsmiddelen en acne vulgaris. Er werden drie trials verricht waarbij deelnemers vergeleken werden die gedurende een bepaalde periode verschillende hoeveelheden chocola of placebo-chocola hadden gegeten. Er werden geen effecten van chocola op acne vulgaris gevonden. De studies waren echter klein van omvang, waren van korte duur, de placeboreep had dezelfde vetsamenstelling als chocola, de acne vulgaris definitie is onduidelijk en er was geen statistische analyse. De andere vier studies waren cross-sectioneel qua opzet en vonden respectievelijk:

 

  1. geen effect van suikerconsumptie op acne vulgaris
  2. een relatie tussen gewicht en acne vulgaris
  3. geen acne vulgaris in een populatie uit Papua-New Guinea
  4. een relatie tussen zelfbeoordeelde dieetkwaliteit en acne vulgaris.

 

Alle studies werden gekenmerkt door methodologische beperkingen. De conclusie van de review luidt dus dat er te weinig bewijs is om een aanbeveling te geven over het gebruik van bepaalde voedingsmiddelen en acne vulgaris.

 

Acne vulgaris en voedingsuplementen

Rubin et al. (2008)  hebben op basis van een review naar verschillende voedingsbestanddelen met een vermeende postieve invloed op acnelaesies, talgproductie en/of oxidanten een onderzoek uitgevoerd onder vijf patiënten met een supplement dat zoveel mogelijk van deze bestanddelen bevat (omega 3, visolie, zink, selenium, chroom en groene thee extract). Dosering was vier dd één capsule gedurende twee maanden. Een gevalideerd instrument liet zien dat er gemiddeld 24% (20 – 27%) vooruitgang werd geboekt op de mentale, emotionele en sociale toestand. Bij geen enkele patiënt verslechterden de acnelaesies. Gezien de kleine omvang van deze studie wordt deze verder niet meegenomen in de conclusies en aanbevelingen.

 

Acne vulgaris en melkproducten

Adebamowo et al. (2005) onderzochten in een prospectieve cohortstudie gedurende negen jaar 47.355 vrouwen waarbij in 1989 acne vulgaris werd vastgesteld. Wanneer gekeken werd naar voeding, hadden melk, instant drinkontbijt, sorbet, smeerkaas en cottage cheese een significant hogere prevalentieratio voor ernstige acne vulgaris. Frisdrank, patat, chocola, pizza, vlees en groente hadden geen significant effect op acne vulgaris, evenmin als de hoeveelheid enkelvoudig onverzadigd vet, meervoudig onverzadigd vet, cholesterol en de glycemische index. Er werd een positieve associatiatie met vitamine D in zowel voeding als supplementen gevonden.De auteurs stellen dat het effect van melkproducten op acne(comedonen) mogelijk berust op hormonen en bioactieve moleculen in melk(producten).

 

Een ander prospectieve cohortstudie (Adebamowo et al. 2006)  onder 6.094 tienermeisjes (9-15 jr) onderschrijft bovenstaande associatie tussen acne vulgaris en melkinname en het gebrek aan een associatie met vet uit zuivel. Dezelfde auteur publiceerde in 2008 een prospectief cohortonderzoek gedurende drie jaar met 4273 tienerjongens welke in 1999 gediagnosticeerd waren met acne vulgaris. In deze studie had magere melk ook een significant hogere prevalentieratio bij acne vulgaris. Hier waren calcium, vitamine D (voeding), totaal vet, type vet en vitamine A (voeding) niet geassocieerd met acne vulgaris; er werd wel een matig positieve associatie aangetoond met vitamine D uit supplementen. Er was wederom geen associatie met chocola, patat en pizza. De uitval in deze studie bedroeg echter 46%.   

           

Acne vulgaris en glycemische index  

Kaymak (2007)  et al. verrichtten een prospectief cohortonderzoek waarbij een groep van 49 patiënten met acne vulgaris vergeleken werd met 42 gezonde controle personen. Er werd in verloop van tijd gekeken naar onder andere glycemische index, insulinewaarden en leptine. Echter de groepen waren onderling niet vergelijkbaar qua samenstelling (o.a. leeftijd, geslacht) en het was onduidelijk of het werkelijk om acne vulgaris ging. Daarom worden er geen uitspraken over deze studie gedaan.

 

Smith (2006, 2007, 2008) et al. verrichtten een onderzoekerblinde RCT onder 43 mannen met acne vulgaris (langer dan zes maanden bestaand), waarbij verschillen werden bekeken tussen voeding met een lage glycemische index (LG) en voeding met een relatief hoge glycemische index gedurende 12 weken. Na 12 weken was er significant meer verbetering van de inflammatoire en het totaal aantal acnelaesies in de LG groep (respectievelijk -21,9 versus -13,8 in de controlegroep; p < 0,02). Tevens was er een significante gewichts- en vetpercentageverlaging in de LG-groep; niet gerelateerd aan de acne verbetering. Ook werd in de LG-groep een lager testosteron en een stijging van de insuline GF (IGF) gemeld. Dezelfde auteur verrichtte als pilot een open studie waarbij 12 mannen gedurende een week een voorgeschreven dieet kregen met een lage of hoge glycemische index. Na een week lieten verschillende endocriene parameters een verschil zien, volgens de auteurs een verklaring voor de acneverbetering bij een voedingspatroon met een lage glycemische index.

 

Spencer et al. (2009) verrichtten een systematische review waarin de meeste van bovenstaande studies en eerdere studies van matige kwaliteit zijn meegenomen (15 cross-sectionele, 2 case-control en 4 prospectieve cohort studies). Zij concludeerden dat er onvoldoende bewijs was voor een relatie tussen chocola en acne vulgaris, vetinname en acne vulgaris en vetsamenstelling en acne vulgaris. Wat betreft melk(producten) en acne vulgaris was er een positieve associatie tussen melkinname en het risico op acne vulgaris. Regelmatige consumptie van voeding met een hoge glycemische index verhoogd serum insuline concentratie, kon de talgproductie stimuleren, verlaagde het SHBG (sexhormone binding globuline) en verhoogde de androgeenconcentratie en bevorderde daardoor acne vulgaris.

 

Zoeken en selecteren

Acne en voeding

  1. acne vulgaris (MeSh en vrijtekst) gecombineerd (AND)met de volgende zoektermen (OR)
  2. diet (MeSh en vrij)
  3. glycemic index (vrije tekst en MeSh)
  4. chocolate (vrije tekst)
  5. cacao (MeSh)
  6. food (en dan specifiek; wederom MeSh en in vrije tekst)
  7. dairy products (milk, margarine, ice cream, cheese, butter)
  8. meat
  9. candy
  10. dietary fats (saturated fats)
  11. dietary carbohydrates
  12. dietary proteins.

 

Referenties

  1. Choi JM, Kimball AB. Acne beliefs: Fact and fiction. Cosmetic Dermatology. 2005;18(8):571-577
  2. Magin P, Pond D, Smith W, Watson A. A systematic review of the evidence for 'myths and misconceptions' in acne management: Diet, face-washing and sunlight. Family Practice. 2005;22(1); 62-70
  3. Rubin MG, Kim K, Logan AC. Acne vulgaris, mental health and omega-3 fatty acids: a report of cases. Lipids in health and disease. 2008;7(36)
  4. Clement A, Adebamowo MD, Spiegelman D, Danby FW, Frazier AL, Willett WC, Holmes MD. Highschool Dietary intake and teenage acne. American Academy of Dermatology. 2005;52(2):207-214
  5. Adebamowo CA, Spiegelman D, Berkey CS, Danby FW, Rockett HH, Colditz GA, Willett WC, Holmes MD. Milk consumption and acne in adolescent girls. Dermatology Online Journal. 2006;12(4):1699-1744
  6. Adebamowo CA, Spiegelman D, Berkey CS, Danby FW, Rockett HH, Colditz GA, Willett WC, Holmes MD. Milk consumption and acne in teenaged boys. Journal of the American Academy of Dermatology. 2008;58(5);787-793
  7. Kaymak Y, Adisen E, Ilter N, Bideci A, Gurler D, Celik B. Dietary glycemic index and glucose, insulin, insulin-like growth factor-I, insulin-like growth factor binding protein 3, and leptin levels in patiënts with acne. Journal of the American Academy of Dermatology. 2007;57(5):819-823
  8. Smith RN, Mann NJ, Braue A, Mäkeläinen H, Varigos GA. A low-glycemic-load diet improves symptoms in acne vulgaris patiënts: a randomized controlled trial. The American Journal of Clinical Nutrition. 2007; 86(1);107-115
  9. Smith R, Mann N, Mäkeläinen H, Roper J, Braue A, Varigos G. A pilot study to determine the short-term effects of a low glycemic load diet on hormonal markers of acne: a nonrandomized, parallel, controlled feeding trial. Molecular Nutrition & Food Research. 2008;52(6);718-726
  10. Smith RN, Braue A, Varigos GA, Mann NJ. The effect of a low glycemic load diet on acne vulgaris and the fatty acid composition of skin surface triglycerides. Journal of Dermatological Science. 2008;50(1);41-52
  11. Spencer EH, Ferdowsian HR, Barnard ND Diet and acne: A review of the evidence. International Journal of Dermatology. 2009;48(4);339-347
  12. Bataille V, Snieder H, MacGregor AJ, Sasieni P, Spector TD. The influence of genetics and environmental factors in the pathogenesis of acne: a twin study of acne in women. Journal of Investigative Dermatology. 2002;119(6):1317-1322.
  13. Purvis D, Robinson E, Watson P. Acne prevalence in secondary school students and their perceived difficulty in accessing acne treatment. New Zealand Medical Journal. 2004;117(1200):U1018
  14. Mallon E, Newton JN, Klassen A, Stewart-Brown SL, Ryan TJ, Finlay AY. The quality of life in acne: a comparison with general medical conditions using generic questionnaires. British Journal of Dermatology. 1999;140(4):672-6.
  15. Plewig G, Kligman AM. Acne and Rosacea, Vol. 3rd edition. New York: Springer Verlag, 2000
  16. Tan JK, Vasey K, Fung KY. Beliefs and perceptions of patients with acne. J Am Acad Dermatol 2001; 44: 439-45
  17. Gollnick H, Cunliffe W, Berson D et al. Management of acne: a report from a Global Alliance to Improve Outcomes in Acne. J Am Acad Dermatol 2003; 49: 1-37
  18. Cunliffe W. Acne. London: Martin Dunitz, Ltd; 1989
  19. Goulden V, Stables GI, Cunliffe WJ. Prevalence of facial acne in adults. J Am Acad Dermatol. 1999; 41: 577-80.

Evidence tabellen

Voeding

 

Referentie

 

Mate van bewijs

 

 

Studie type/

methoden

 

Patiënten

Inclusie criteria

Interventie

Uitkomstmaten

Resultaten

Overige

opmerkingen

Smith et al. (2007)

B

Onderzoekergeblindeerde RCT

43 mannen (15-25 jr) met acne op het gelaat.

Ernst > 0,25 - < 2 volgens Leeds.

> 6 mnd acne.

Man.

Wash-out periode medicatie 2 tot 6 mnd.

Exclusie:

acne medicatie

 

Low glycemic load dieet voor 12 weken (25% energie uit eiwit; 45% uit koolhydraten met lage GI.

High/normal glycemic load dieet (controlegroep).

Therapieduur 12 weken.

Beoordeling bij 0, 4, 8 en 12 wk.

BMI

Vetpercentage

Bloedonderzoek

Acne score door arts

Significant meer verbetering van inflammatoïre en totaal aantal acne laesies in LGL groep (p < 0,02).

Significante gewichts- en verpercentageverlaging in LGL-groep; geen relatie met acne verbetering.

Significant lager testosteron in LGL-groep.

Stijging van de insuline GF in LGL-groep.

 

Ondanks instructie tot isocalorisch dieet, toch een verlaging van de calorie intake in beide groepen.

Uitval: 7 (5 controle, 2 LGL groep)

4 buiten per protocol analyse.

Smith et al. (2008)

B

Niet-gerandomiseerde, parallel gecontroleerde voedingstrial.

12 mannen (15-20 jr) met milde tot middelmatige acne

-

1 week of LGL dieet (energie: 25% eiwit, 45% koolhydraten 30% vetten)

of HGL dieet (energie 15% eiwit, 55% koolhydraten, 30% vetten)

Bloedonderzoek; glucose, insuline, testosteron, IGF, SHBG.

BMI

dieetsamenstelling

LG dieet had daadwerkelijk lagere glycemische index en minder koolhydraten.

LG dieet gaf lagere glucosewaarden, lagere testosteronwaarden en hogere SHBG waarden in vergelijking met HG dieet.

Geen acne score door korte studieduur.

Kaymak et al. (2007)

B

Vergelijkende prospectieve cohort studie

 

 

49 patiënten met acne vulgaris

 

42 gezonde mensen, als controle groep.

 

 

Patiënten met acne vulgaris

en patiënten zonder acne vulgaris als controle groep.

Beide zijn studenten. Geslacht en leeftijd worden niet genoemd.

Uit tabel I blijkt:

Acnegroep: 30 vrouwen en 19 mannen. Leeftijd: 21jaar

Controlegroep:

26 vrouwen en 16 mannen.

Leeftijd: 22 jaar

Beide groepen noteren wat ze gegeten hebben op een door een diëtist gemaakte vragenlijst. Aan de hand hiervan wordt de GI gemeten.

Daarnaast wordt er in beide groepen onderzocht naar insulineresistentie.

Glucose, leptine en insulinewaarden in het bloed wordt bij beide groepen bekeken.

GI waarde van voeding

Homa-IR

IGF-I in het bloed.

IGFBP-3 in het bloed

Insuline in het bloed

Leptine in het bloed

Glucose

 Er was geen verschil te zien bij de patiëntengroep en de controle groep m.b.t. leeftijd, geslacht of BMI.

Er is geen significant verschil te zien tussen de groepen m.b.t. de hoogte van de GI van de voeding. Bloedglucose, insuline en leptinewaardes gaven bij beide groepen ook geen significant verschil.

Ook de Homa-IR (Insulin Residence waarde) waardes gaven geen significant verschil tussen beide groepen. Geen student had insuline resistentie.

De waarden van de IGF-I waren significant lager in de controle groep in vergelijking met de patiëntengroep.

De waarden van de IGFBP-3 waren significant hoger in de controlegroep in vergelijking met de patiëntengroep.

 

Patiëntengroep en de controle

groep hebben niet dezelfde kenmerken.

Aantal mannen en vrouwen is bijv. niet

gelijk, ook ligt de leeftijd van de controle

groep iets hoger.

Niet helemaal zeker of het werkelijk gaat

om acne vulgaris?

Onduidelijke therapieduur: in resultaten komt wel naar voren dat patiënten langer dan 2 jaar acne hebben wel een andere uitkomst hebben. Studie zal dus >2jaar zijn uitgevoerd.

.

Adebamowo et al.

(2008)

C

Prospectieve cohort studie

Begin: 7.843

Verloop: 4.273

Jongens in de leeftijd van 9 – 15 jaar die 2 jaar lang hun voeding hebben genoteerd van 1996 – 1998 en acne vulgaris kregen in 1999.

-

Voedingsmiddelen, vitamines en mineralen vergelijken uit ingevulde vragenlijsten met de geschiedenis van de acne vulgaris van patiënten en daarbij andere factoren zoals leeftijd, gewicht, lengte en het Tanner stadium.

Magere melk geeft een significant effect op acne vulgaris.

Calcium, totaal vit. D, vit. D van

Voeding, totaal vet, type vet, totaal vit. A en vit. A van voeding zijn niet geassocieerd met acne vulgaris.

Matige positieve associatie met vit. D van supplementen.

Geen associatie met chocola, patat en pizza.

Matige associatie met melk inname

en jongens. Anders dan de studie

m.b.t. de meisjes. Dit komt doordat

er bij de meiden al meer hormonen

in het lichaam bevinden door de

staat van seksuele ontwikkeling.

Bij jongens begint deze pas later.

Plek van acne is niet opgenomen

in de studie. Ook mogelijke

andere ziektes die acne vulgaris

kunnen veroorzaken zijn niet als achtergrondinformatie meegenomen.

46% uitval.

Geen complete vragenlijst ingevuld over voeding in de periode van 9 tot 15 jarige leeftijd.

Adebamowo et al. (2005)

C

Prospectieve cohort studie

Begin: 116.671

Verloop: 47.355

Meisjes in de leeftijd van 13 – 18 jaar die de vragenlijst op de middelbare school over hun voeding compleet hebben ingevuld en diegene waarbij in 1989 acne vulgaris is gediagnosticeerd.

-

Voedingsmiddelen vergelijken uit ingevulde vragenlijsten met de geschiedenis van de acne vulgaris van patiënten en daarbij andere factoren als lengte, energie-inname, BMI, begin leeftijd menstruatie vergelijken.

Breakfast drink, sorbet, cream cheese en cottage cheese hebben een significant effect op acne vulgaris.

Frisdrank, patat, chocolade, pizza, vlees en groente, hebben geen significant effect op acne vulgaris.

Hoeveelheid enkelvoudig onverzadigd vet, meervoudig onverzadigd vet, cholesterol, en GI hebben geen significante associatie met acne vulgaris

Er was geen verschil m.b.t. leeftijd, BMI en begin leeftijd menstruatie.

Positieve associatie met vit. D en vit. D van supplementen, kleinere associatie met vit. D uit voeding.

De hormonen en bioactieve moleculen in de melk geven een effect op acne vulgaris, dit moet wel nog verder onderzocht worden.

Dit onderzoek is een vervolg op die eerste studie. Er werden verbanden gezocht tussen de leefstijlfactoren en acne, de overige ziektes konden dus niet meedoen in het onderzoek. Vandaar dat er een aantal zijn afgevallen. Deze mensen hadden wellicht geen ziekten of een andere.

Eerste studie ging aanvankelijk over leefstijlfactoren en ziektes in het algemeen.

 

HGL= high glycemic load, LGL = low glycemic load, SHBG= sex hormone binding globulin, BMI = body mass index, IGF = insuline growth factor

 

 

Overwegingen

Er is nog steeds weinig goed verricht onderzoek voorhanden.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 21-05-2014

Laatst geautoriseerd : 21-05-2014

Een richtlijn heeft alleen zeggingskracht als op continue basis onderhoud plaatsvindt, op grond van systematische monitoring van zowel de medisch wetenschappelijke literatuur als praktijkgegevens en door gebruikers van de richtlijn aangeleverde commentaren. Voor deze richtlijn is afgesproken één keer per jaar de searches te ‘updaten’ om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Bij essentiële ontwikkelingen kan besloten worden om de gehele richtlijnwerkgroep bij elkaar te roepen en tussentijds elektronische amendementen te maken en deze onder de verschillende beroepsgroepen te verspreiden.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Algemene gegevens

Autorisatie

De richtlijn is geautoriseerd door:

  1. Nederlandse Vereniging voor Dermatologie (NVDV)
  2. Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten (NVH).

 

Inleiding

Acne is bij alle rassen een zeer veelvoorkomende huidaandoening bij adolescenten en wordt ook nog vaak gezien bij volwassenen. Het is een aandoening met een relatief grote invloed op de kwaliteit van het leven van de (veelal) jonge patiënten. Een scala aan behandelingen is beschikbaar voor patiënten met acne. Dat heeft niet alleen te maken met de multifactoriële pathogenese, waarop de verschillende middelen aangrijpen, maar ook met de uiteenlopende vormen en met de ernst van de acne.

 

Acne kan een groot probleem zijn, vooral vanwege de ingrijpende psychosociale gevolgen. Dat heeft ook te maken met de lokalisatie in het gelaat en de leeftijdsperiode waarin het voorkomt. Onder 9570 adolescenten bleek 14,1% problematische acne te hebben (Purvis et al. 2004). Tevens is aangetoond dat de emotionele en sociale implicaties van acne vergelijkbaar zijn met die van andere chronische aandoeningen als astma en epilepsie (Mallon et al. 1999). Acne is dus een aandoening die niet onderschat mag worden.

 

Afbakening onderwerp (definitie)

Wanneer in deze richtlijn gesproken wordt over acne, wordt daarmee over het algemeen de meeste voorkomende vorm, te weten acne vulgaris, bedoeld. Andere vormen van acne (acne conglobata, acne neonatorum en acne cosmetica) zijn  buiten beschouwing gelaten. Acne ectopica ofwel acne inversa wordt onder de term hidradenitis suppurativa besproken  in het betreffende richtlijndeel.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. Richtlijnen zijn vooral van belang bij zaken waar veel verwarring of onenigheid over bestaat en waar consensus kan bijdragen aan duidelijkheid. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn en de daarvan afgeleide documenten geven aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met acneïforme dermatosen en schenken aandacht aan de psychosociale zorg en patiëntenvoorlichting.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroep, waartoe behoren: dermatologen, huisartsen, huidtherapeuten en huidverpleegkundigen. Voor patiënten is een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordiging van dermatologen, huisartsen, huidtherapeuten, huidverpleegkundigen en patiënten. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en

niet-academische achtergrond van de werkgroepleden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel werkgroeplid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden.

 

Prof. dr. P.C.M. van de Kerkhof

dermatoloog, voorzitter werkgroep

Mw. J.A. Boer

huidtherapeut

Drs. R.J. Borgonjen

ondersteuner werkgroep

Dr .J.J.E. van Everdingen

dermatoloog

Mw. M.E.M. Janssen

huidtherapeut

Drs. M. Kerzman

NHG / huisarts

Dr. J. de Korte

dermatopsycholoog

Drs. M.F.E. Leenarts

dermatoloog i.o.

Drs. M.M.D. van der Linden

dermatoloog

Dr. J.R. Mekkes

dermatoloog

Drs. J.E. Mooij

promovendus dermatologie

Drs. L. van ’t Oost

dermatoloog i.o.

Dr. V. Sigurdsson

dermatoloog

Mw. C. Swinkels

Hidradenitis Patiënten Vereniging / patiëntvertegenwoordiger

Drs. H.C. de Vijlder

dermatoloog i.o.

Drs. H. van der Zee

dermatoloog i.o.

Drs. E.J. van Zuuren

dermatoloog

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd gestart met een algemene discussie over waaraan een goede richtlijn dient te voldoen en welke functie deze in de dermatologische praktijk moet vervullen. Alle deelnemers onderschrijven het belang van een richtlijn voor de behandeling van acne, rosacea en hidradenitis suppurativa. In de NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap)-standaard wordt voor de behandeling van acne een stappenplan gehanteerd. Dermatologen hebben meer behoefte aan een behandelalgoritme, waarin tot een bepaalde behandeling besloten kan worden afhankelijk van de ernst van de aandoening, in relatie tot leeftijd, geslacht, uitwendige factoren en primaire efflorescenties.

Dat leidt tot een veel grotere individualisering. Patiënten ervaren dat behandeling volgens een richtlijn duidt op een consensus tussen verschillende dermatologen. Dit geeft de patiënt meer vertrouwen in het krijgen van een adequate behandeling.

Nadat deze punten waren bediscussieerd, werden verschillende aspecten van bovengenoemde ziektebeelden besproken. De hoofdpunten die naar voren kwamen waren:

  1. de diagnosestelling en behandeling van acne en rosacea wordt veelal in de huisartspraktijk gedaan. Hidradenitis suppurativa wordt moeilijker herkend en er zijn weinig succesvolle therapeutische opties bekend. Het tijdstip van doorverwijzing door de huisarts verschilt onderling
  2. adequate behandeling is vooral voor acne en hidradenitis suppurativa belangrijk om blijvende littekenvorming te voorkomen
  3. huisartsen zijn terughoudender met voorschrijven van systemische toegediend isotretinoïne. Dit komt vaak vanwege de beperkte ervaring met dit geneesmiddel en de angst voor irreversibele bijwerkingen. Dermatologen neigen naar vroegtijdige behandeling met systemisch toegediend isotretinoïne bij beginnende littekenvorming door acne
  4. de behandeling van hidradenitis suppurativa is ook voor dermatologen moeilijk, aangezien het tot weinig bevredigende resultaten leidt. Behandeling met ‘biologics’ is een nieuwere therapeutische optie. Over deze behandeling bestaat echter nog weinig wetenschappelijk bewijs. Ook is onduidelijk wanneer de overstap naar ‘biologics’ gemaakt zou moeten worden
  5. huidtherapeuten worden afhankelijk van de bekendheid wel of niet ingezet door huisarts en dermatoloog. Zij zouden een aanvullende rol kunnen spelen in verschillende stadia van de genoemde aandoeningen
  6. de kwaliteit van leven wordt bij alle acneïforme dermatosen beïnvloed, het meeste bij hidradenitis suppurativa. Men is van mening dat de kwaliteit van leven meer aandacht verdient en expliciet meegenomen zou kunnen worden in de therapeutische beslissing.

 

De rapportage van de bijeenkomst werd besproken in de eerstvolgende vergadering van de werkgroep acneïforme dermatosen. De hoofdpunten, die uit de focusgroep discussie naar voren zijn gekomen, hebben bij de werkgroepleden tot weinig nieuwe inzichten geleid, maar hebben wel de reeds bestaande ideeën over de formulering van uitgangsvragen bevestigd.

 

De heterogeniteit van de groep kan als een factor voor de lage opbrengst van nieuwe inzichten aangewezen worden. In een heterogene groep is er minder ruimte om dieper in te gaan op specialistische (dermatologische) problemen, waar men in de praktijk tegenaan loopt. Aan de andere kant is het voordeel van een heterogene groep dat vanuit elke invalshoek het ziektebeeld belicht wordt. Een goede samenwerking tussen patiënt, huisarts, huidtherapeut en dermatoloog legt de basis voor een optimaal behandelingsresultaat en tevredenheid bij alle partijen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De richtlijn wordt via het web verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn.

 

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 1,5 jaar (6 vergaderingen) aan een conceptrichtlijntekst. In de voorbereidingsfase werd een knelpuntanalyse uitgevoerd. Aan dermatologen werd een enquête voorgelegd, waarbij respondenten uitgebreid in de gelegenheid werden gesteld zelf onderwerpen aan te dragen. Tevens werd een focusgroep bijeenkomst georganiseerd. Hieraan namen deel: een huisarts, twee patiënten (een patiënt met acne en een patiënt met hidradenitis suppurativa), van wie één namens de hidradenitis-suppurativa patiëntenvereniging, een huidtherapeute en twee dermatologen. De discussie werd geleid door een professionele discussiegroep leider. Daarbij werden patiëntvertegenwoordigers betrokken om vanuit het patiëntenperspectief ook de ervaren problematiek mee te nemen in de afbakening van de richtlijn (zie resultaten focusgroep discussie).

De werkgroep destilleerde uit de resultaten van de enquête de in de uitgangsvragen zoals in deze richtlijn vermeld. Deze werden onder de werkgroep leden verdeeld. Via systematische zoekopdrachten en reference checking is bruikbare literatuur verzameld. De werkgroep leden hebben de literatuur beoordeeld op inhoud en kwaliteit. Vervolgens schreven de werkgroep leden teksten waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Deze werden tijdens vergaderingen besproken en na verwerking van de commentaren geaccordeerd. De uiteindelijke teksten vormden samen de conceptrichtlijn die in februari 2010 aan alle betrokken wetenschappelijke verenigingen werd aangeboden. Tevens werd men in staat gesteld om via websites van de desbetreffende verenigingen commentaar op de richtlijn te geven. De commentaren zijn in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiënten voorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Ook bijwerkingen werden hierin meegenomen, voor zover die niet reeds uit wetenschappelijke literatuur waren gedestilleerd en waarvoor dan wel andere bronnen beschikbaar waren.

 

Deze aspecten worden besproken na de conclusie(s). Hierin wordt de conclusie op basis van de literatuur geplaatst in de context van de dagelijkse praktijk en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen. Het volgen van deze procedure en het opstellen van de richtlijn in dit ‘format’ heeft als doel de transparantie van de richtlijn te verhogen. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroep vergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.