Uitgangsvraag

Welke plaats heeft benzyolperoxide in de lokale behandeling van acne?

Aanbeveling

Lokaal benzoylperoxide wordt 1dd op het gehele behandelingsgebied aangebracht en is één van de middelen die als eerste in aanmerking komt bij de behandeling van acne.

 

Lokaal benzoylperoxide kan, zonder gevaar voor resistentie, langdurig worden gebruikt. Bij irritatie kan overgegaan worden op lagere dosering of applicatie om de dag.

 

Lokaal benzoylperoxide kan, voor zover bekend, zonder gevaar tijdens zwangerschap gebruikt worden.

 

Benzoylperoxide kan in combinatie gebruikt worden met antibiotica, dit zou resistentie doen verminderen en werkzamer zijn dan elke component apart.

 

Patiënten moeten worden gewaarschuwd voor de verblekende werking van benzoylperoxide.

Inleiding

Benzoylperoxide heeft een bactericide, mild keratolytische en sebostatische werking (FTK).

Benzoylperoxide is in Nederland verkrijgbaar als hydrogel (5 en 10 %) en als combinatiepreparaat met clindamycine. Bijwerkingen die vermeld worden bestaan uit lokale irritatie van de huid (roodheid, branderig gevoel, jeuk, schilfering en kloven). Sensibilisatie is mogelijk.

 

In de literatuurdatabases is gezocht naar relevante studies met benzoylperoxide door gebruik te maken van de volgende zoektermen: acne, benzoic acid, benzoyl peroxide, benzoates en dibenzoyl peroxide. Bij het beantwoorden van de uitgangsvraag is gebruik gemaakt van de richtlijn ‘Care for acne vulgaris management’ van de American Academy of Dermatology. Hierin werd de literatuur tot en met 2006 bestudeerd. De richtlijn is beoordeeld met het AGREE- instrument en de werkgroep is tot de conclusie gekomen dat de richtlijn van voldoende kwaliteit is om als uitgangspunt te nemen. Daarnaast is relevant onderzoek meegenomen dat gepubliceerd is na 2006 en zijn alleen onderzoeken geïncludeerd die middelen hebben onderzocht die in Nederland verkrijgbaar zijn. In totaal zijn vier bronnen geincludeerd omdat zij van voldoende methodologische kwaliteit zijn en betrekking hadden op de uitgangsvraag.

 

 

Conclusies

 

Niveau 2

Het gebruik van lokaal benzoylperoxide is effectief in de behandeling van acne vulgaris.

 

B          Stinco et al. 2007, Langner 2007, Langner 2007

D          Zanglein et al. 2006, Strauss et al. 2007

 

Niveau 4 

De combinatie van benzoylperoxide met een antibioticum is effectiever dan elke component afzonderlijk.

 

D          Zanglein et al. 2006, Strauss et al. 2007

Samenvatting literatuur

In de richtlijn “Care for acne vulgaris management” van de American Academy of Dermatology (Strauss et al. 2007) is de literatuur onderzocht van 1970 tot en met 2006 en op basis daarvan heeft een expertgroep aanbevelingen geformuleerd over de lokale behandeling met benzoylperoxide. Men geeft aan dat lokaal benzoylperoxide effectief is in de behandeling van acne. Er is te weinig evidence voorhanden om de verschillende beschikbare concentraties te vergelijken. Aangezien lokaal gebruik van benzoylperoxide resistentievorming van Propioni Acnes kan tegengaan wordt het vaak gebruikt in combinatie met orale of topicale antibiotica. De combinatie van benzoylperoxide met een antibioticum is effectiever dan elke component afzonderlijk.

 

Zaenglein et al. (2006) gaven aan dat benzoylperoxide het sterkste topicale antibacteriële middel is, waarbij tevens geen sprake is van resistentievorming. Benzoylperoxide kan als monotherapie ingezet worden bij inflammatoire acne, echter combinatietherapie met antibiotica is effectiever en zou minder irritatie geven. Bij patiënten met een gevoelige huid zou voor een lage concentratie benzoylperoxide gekozen moeten worden.

 

Stinco et al. (2007) onderzochten het effect van lokale behandeling met azaleinezuur, benzoylperoxide en adapalene op de sebumproduktie  bij 65 patiënten verdeeld over respectievelijk drie groepen. Er werd bijna geen statistisch verschil gevonden tussen de verschillende groepen. Er werd ook geen verschil gezien in therapeutisch effect of bijwerkingen tussen de verschillende groepen

 

Langner et al. (2007) onderzochten in een RCT de klinische effectiviteit van twee verschillende behandelingen van acne in het gelaat: (1) een combinatie van clindamycine en benzoylperoxide éénmaal daags en (2) adapalene éénmaal daags. Uit deze gesponsorde studie bleek dat beide behandelingen effectief zijn in de behandeling van acne maar dat de combinatie van clindamycine en benzoylperoxide significant sneller werkzaam is en meer effectief is tegen inflammatoire laesies en het totaal aantal laesies.

 

Langner et al. (2007) onderzochten tevens in een RCT de klinische effectiviteit van twee combinatiebehandelingen: (1) clindamycine in combinatie met benzoylperoxide 5% éénmaal daags en (2) erythromycine plus zink acetaat tweemaal daags. Uit deze gesponsorde studie bleken beide combinaties effectief in de behandeling van acne, maar dat de combinatie van clindamycine en benzoylperoxide was mogelijk sneller werkzaam is, hetgeen de betrouwbaarheid ten goede kan komen.

 

Referenties

  1. Zaenglein AL, Thiboutot DM. Expert committee recommendations for acne management. Pediatrics. 2006;118(3):1188-1199
  2. Stinco G, Bragadin G, Trotter D, Patrone P. Relationship between sebostatic activity, tolerability and efficacy of three topical drugs to treat mild to moderate acne. Journal of the European Academy of Dermatology and Venereology. 2006;21:320-325
  3. Langner A, Chu A, Goulden V, Ambroziak M. A randomized, single- blind comparison of topical clindamycin + benzoylperoxide and adapalene in the treatment of mild to moderate facial acne vulgaris. British Journal of Dermatology. 2008;158(1):122-129
  4. Langner A, Sheenan-Dare R, Layton A. A randomized, single- blind comparison of topical clindamycin + benzoyl peroxide ( Duac) and erythromycine + zinc acetate ( Zineryt) in the treatment of mild to moderate facial acne vulgaris. Journal of the European Academy of Dermatology and Venereology. 2007;21(3):311-319
  5. Kirchik L. Community-based trial results of combination clindamycin 1%--benzoyl peroxide 5% topical gel plus tretinoin microsphere gel 0,04% or 0,1% or adapalene gel 0,1% in the treatment of moderate to severe acne. Cutis. 2007;80(1 Suppl):10-14
  6. Farmacotherapeutisch kompas. Online beschikbaar op www.fk.cvz.nl
  7. Purvis D, Robinson E, Watson P. Acne prevalence in secondary school students and their perceived difficulty in accessing acne treatment. New Zealand Medical Journal. 2004;117(1200):U1018
  8. Mallon E, Newton JN, Klassen A, Stewart-Brown SL, Ryan TJ, Finlay AY. The quality of life in acne: a comparison with general medical conditions using generic questionnaires. British Journal of Dermatology. 1999;140(4):672-6.

Evidence tabellen

 

Benzoylperoxide

 

Referentie

Mate van bewijs

 

Studie type/

methoden

 

Patiënten

Inclusie criteria

Interventie

 

Uitkomstmaten

 

 

Resultaten

 

 

Overige

opmerkingen

 

Stinco et al.

(2007)

B

RCT

Niet geblindeerd

 

Totaal 65 pt.

25 pt. AZ

20 pt. BPO

20 pt. ADA

Groep 1:

7 man, 18 vrouw, gem. lft. 16,9 jr

Groep 2:

5 man, 15 vrouw, gem. lft. 19,4 jr.

Groep 3:

11 man, 9 vrouw, gem. lft. 17,8 jr.

Mannen en vrouwen

Minimaal 20 non-inflammatoïre laesies en 10 inflammatoïre laesies op het gelaat.

Geen acnetherapie afgelopen 8 wkn.

Exclusiecriteria:

>24 jaar oud

 Systemische medicatie

 

8 weken

Groep 1:

Azelaïnezuur 1dd

Groep 2:

Benzoylperoxide 1dd

Groep 3:

Adapalene 1dd

20 controlept.:

gezicht wassen 1dd met zelfde schoonmaakmiddel

 

Bij start, week 2, 4, 6, en 8:

Sebummeting voorhoofd, wang en kin om talg produktie te meten

Aantal inflammatoïre en non-inflammatoïre laesies op gelaat

Bijwerkingen werden geregistreerd, op schaal 0-3

Groep 1:

 Reductie in talgproduktie op voorhoofd, kin en wang.

Groep 2:

Toename talgproduktie op voorhoofd, wang en kin.

Groep 3: reductie talgproduktie (0,2%) op voorhoofd en op wang, op de kin toename.

Conclusie: geen statistisch significant verschil tussen behandelingen behalve tussen groep 1 en 2 op voorhoofd.

Geen significant verschil in bijwerkingen

Geen significant verschil in therapeutisch effect (aantal laesies).

Randomisatie procedure niet beschreven.

4 uitvallers controlegroep, 1 AZ, 1 ADA, 2 BPO, allen niet door bijwerkingen.

Concentraties niet gegeven.

Langner et al

( 2007)

B

RCT

Onder zoeker blind

 

 

130 pt.

groep 1:

65 pt.

groep2:

65 pt.

Groep 1: 27 man, 38 vrouw, gem. lft. 21,4 jr (SD 4,5)

Aantal laesies:

Inflammatoïre laesies:

Med 30 (15-

107)

Non-inflammatoïre 51 (9-169)

Acne grade: 3 (2-6)

Groep 2:

27 vrouw, 38 man, gem. lft. 21,8 jr.(SD 4,75)

Aantal laesies:

Inflammatoïre laesies: 28 (15-106)

Non-inflammatoïre laesies: 50 (13-176)

Totaal aantal laesies: 87 (34-282)

Acne grade: 3 (2-6)

 

Mannen en vrouwen tussen 12-39 jaar.

Minstens 15 inflammatoïre en/of non-inflammatoïre laesies.

Niet meer dan 3 nodulocysteuze laesies.

Acne grade ≥ 2,0 en < 7,0.

Exclusiecriteria:

Anticonceptie gebruik.

Gebruik van andere antiacne medicatie of deelname studie < 1 mnd.

Aanwezigheid van factoren die evaluatie bemoeilijken

voorgeschiede nis met colitis ulcerosa/regionale enteritis/ antibiotica geassocieerde colitis

12 wkn

Groep 1 : Clindamycine fosfaat + BPO 1dd gedurende 12 weken.

Groep 2: ADA 0,1%

1dd gedurende 12 weken.

 

Bij week 1, 2, 4, 8 en 12:

Verandering in aantal laesies (inflammatoïre en non- inflammatoïre).

Acne grade – Leeds Revised Acne Grading System.

Globale inschatting van verbetering door onderzoeker en patiënt (zeer veel, veel of minimaal verbeterd, geen verandering, veel of erg veel verslechterd). 

Bijwerkingen werden bijgehouden en gerapporteerd.

 

Verbetering aantal laesies in beide groepen.

Significant groter verschil groep 1 in aantal inflammatoïre laesies, tot. laesies en acne grade. gedurende behandeling.

Global ernst assessment door patiënt en onderzoeker: verbetering in beide groepen. Significant groter verschil groep 1 vanaf week 1.

Bijwerkingen waren mild en behandeling werd goed getolereerd.

Gesponsord door Stiefel

Wijze van randomisatie:

computerprogramma

Multicenter studie (4) (Polen en UK)

ITT-analyse

Uitval van 10 pt. door non-compliance

Vraag of gevonden verschil in effect klinisch significant is

Langner et al

(2007)

B

RCT

Onder zoeker blind

 

148 pt.

groep 1:

73 pt

groep 2:

75 pt Groep I: 26 man, 47 vrouw, gem lft 21, 2 (SD 5,9)

Ras: 71 blank, 1 aziaat, 1 zwart

Aantal laesies:

Inflammatoïre laesies: mediaan 32 (6-84)

Non-inflammatoïre laesies: 44 (9-262) Tot les: 75 (26-299)

Acne grade:

3 (1-6)

Groep II: 24 man, 51 vrouw, gem lft 19,5 (SD 4,5)

Ras: 74 blank, 1 aziaat

Inflammatoïre laesies: mediaan 31 (11-97) Non-inflammatoïre laesies: 38,5 (15-222) Tot les: 73 (21-259)

Acne grade:

3 (1-6)

-Mannen en vrouwen tussen 12-39 jaar.

Minstens 15 inflammatoïre en/of non-inflammatoïre laesies.

Niet meer dan 3 nodulocysteuze laesies.

Acne grade minder dan 7.

Exclusiecriteria:

-anticonceptie gebruik

-gebruik van andere antiacne medicatie of deelname studie < 1 mnd

-aanwezigheid van factoren die evaluatie bemoeilijken

-voorgeschiede nis met colitis ulcerosa/regionale enteritis/ antibiotica geassocieerde colitis

 

12 wkn

Groep 1:

clindamycinefosfaat 1% + BPO 5% 1dd ’s avonds gedurende 12 wkn.

Groep 2:

erythromycine 4% + zinkacetaat 1,2% 2dd gedurende 12 weken.

 

Bij week 1, 2, 4, 8 en 12:

Verandering in aantal laesies (inflammatoïre en non- inflammatoïre).

Acne grade – Leeds Revised Acne Grading System.

Globale inschatting van verbetering door onderzoeker en patiënt (zeer veel, veel of minimaal verbetert, geen verandering, veel of erg veel verslechterd).

Bijwerkingen werden bijgehouden en gerapporteerd.

Verbetering in aantal laesies en acne grade in beide groepen. Geen statistisch significant verschil tussen groep I en II, behalve in week 2 wat betreft aantal laesies.

Global ernst assessment succes vergelijkbaar (patiënt en onderzoeker) Statistisch significant verschil week 2 ten voordeel groep 1. Bij patiënt in week 8 in voordeel van groep 2.

Tolerantie vergelijkbaar.

Gesponsord door Stiefel.

Wijze van randomisatie:

computerprogramma

Multicenter studie (4) (Polen en UK).

BPO = benzoylperoxide, ADA= adapalene

 

Overwegingen

Benzoylperoxide kan één- tot tweemaal daags worden aangebracht, bij voorkeur ’s avonds.

De werkgroep is van mening dat bij de behandeling van acne de benzoylperoxide op het gehele behandelgebied aangebracht dient te worden, niet alleen op de zichtbare laesies.

Benzoylperoxide kan haren en gekleurde weefsels verbleken. Bijwerkingen zijn lokaal en mild van aard en variëren van een branderig gevoel tot een droge, rode huid. In de studie van Langner et al. rapporteerden 9,2% van de benzyolperoxide gebruikers dergelijke bijwerkingen.

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 21-05-2014

Laatst geautoriseerd : 21-05-2014

Een richtlijn heeft alleen zeggingskracht als op continue basis onderhoud plaatsvindt, op grond van systematische monitoring van zowel de medisch wetenschappelijke literatuur als praktijkgegevens en door gebruikers van de richtlijn aangeleverde commentaren. Voor deze richtlijn is afgesproken één keer per jaar de searches te ‘updaten’ om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Bij essentiële ontwikkelingen kan besloten worden om de gehele richtlijnwerkgroep bij elkaar te roepen en tussentijds elektronische amendementen te maken en deze onder de verschillende beroepsgroepen te verspreiden.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Algemene gegevens

Autorisatie

De richtlijn is geautoriseerd door:

  1. Nederlandse Vereniging voor Dermatologie (NVDV)
  2. Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten (NVH).

 

Inleiding

Acne is bij alle rassen een zeer veelvoorkomende huidaandoening bij adolescenten en wordt ook nog vaak gezien bij volwassenen. Het is een aandoening met een relatief grote invloed op de kwaliteit van het leven van de (veelal) jonge patiënten. Een scala aan behandelingen is beschikbaar voor patiënten met acne. Dat heeft niet alleen te maken met de multifactoriële pathogenese, waarop de verschillende middelen aangrijpen, maar ook met de uiteenlopende vormen en met de ernst van de acne.

 

Acne kan een groot probleem zijn, vooral vanwege de ingrijpende psychosociale gevolgen. Dat heeft ook te maken met de lokalisatie in het gelaat en de leeftijdsperiode waarin het voorkomt. Onder 9570 adolescenten bleek 14,1% problematische acne te hebben (Purvis et al. 2004). Tevens is aangetoond dat de emotionele en sociale implicaties van acne vergelijkbaar zijn met die van andere chronische aandoeningen als astma en epilepsie (Mallon et al. 1999). Acne is dus een aandoening die niet onderschat mag worden.

 

Afbakening onderwerp (definitie)

Wanneer in deze richtlijn gesproken wordt over acne, wordt daarmee over het algemeen de meeste voorkomende vorm, te weten acne vulgaris, bedoeld. Andere vormen van acne (acne conglobata, acne neonatorum en acne cosmetica) zijn  buiten beschouwing gelaten. Acne ectopica ofwel acne inversa wordt onder de term hidradenitis suppurativa besproken  in het betreffende richtlijndeel.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. Richtlijnen zijn vooral van belang bij zaken waar veel verwarring of onenigheid over bestaat en waar consensus kan bijdragen aan duidelijkheid. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn en de daarvan afgeleide documenten geven aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met acneïforme dermatosen en schenken aandacht aan de psychosociale zorg en patiëntenvoorlichting.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroep, waartoe behoren: dermatologen, huisartsen, huidtherapeuten en huidverpleegkundigen. Voor patiënten is een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordiging van dermatologen, huisartsen, huidtherapeuten, huidverpleegkundigen en patiënten. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en

niet-academische achtergrond van de werkgroepleden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel werkgroeplid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden.

 

Prof. dr. P.C.M. van de Kerkhof

dermatoloog, voorzitter werkgroep

Mw. J.A. Boer

huidtherapeut

Drs. R.J. Borgonjen

ondersteuner werkgroep

Dr .J.J.E. van Everdingen

dermatoloog

Mw. M.E.M. Janssen

huidtherapeut

Drs. M. Kerzman

NHG / huisarts

Dr. J. de Korte

dermatopsycholoog

Drs. M.F.E. Leenarts

dermatoloog i.o.

Drs. M.M.D. van der Linden

dermatoloog

Dr. J.R. Mekkes

dermatoloog

Drs. J.E. Mooij

promovendus dermatologie

Drs. L. van ’t Oost

dermatoloog i.o.

Dr. V. Sigurdsson

dermatoloog

Mw. C. Swinkels

Hidradenitis Patiënten Vereniging / patiëntvertegenwoordiger

Drs. H.C. de Vijlder

dermatoloog i.o.

Drs. H. van der Zee

dermatoloog i.o.

Drs. E.J. van Zuuren

dermatoloog

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd gestart met een algemene discussie over waaraan een goede richtlijn dient te voldoen en welke functie deze in de dermatologische praktijk moet vervullen. Alle deelnemers onderschrijven het belang van een richtlijn voor de behandeling van acne, rosacea en hidradenitis suppurativa. In de NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap)-standaard wordt voor de behandeling van acne een stappenplan gehanteerd. Dermatologen hebben meer behoefte aan een behandelalgoritme, waarin tot een bepaalde behandeling besloten kan worden afhankelijk van de ernst van de aandoening, in relatie tot leeftijd, geslacht, uitwendige factoren en primaire efflorescenties.

Dat leidt tot een veel grotere individualisering. Patiënten ervaren dat behandeling volgens een richtlijn duidt op een consensus tussen verschillende dermatologen. Dit geeft de patiënt meer vertrouwen in het krijgen van een adequate behandeling.

Nadat deze punten waren bediscussieerd, werden verschillende aspecten van bovengenoemde ziektebeelden besproken. De hoofdpunten die naar voren kwamen waren:

  1. de diagnosestelling en behandeling van acne en rosacea wordt veelal in de huisartspraktijk gedaan. Hidradenitis suppurativa wordt moeilijker herkend en er zijn weinig succesvolle therapeutische opties bekend. Het tijdstip van doorverwijzing door de huisarts verschilt onderling
  2. adequate behandeling is vooral voor acne en hidradenitis suppurativa belangrijk om blijvende littekenvorming te voorkomen
  3. huisartsen zijn terughoudender met voorschrijven van systemische toegediend isotretinoïne. Dit komt vaak vanwege de beperkte ervaring met dit geneesmiddel en de angst voor irreversibele bijwerkingen. Dermatologen neigen naar vroegtijdige behandeling met systemisch toegediend isotretinoïne bij beginnende littekenvorming door acne
  4. de behandeling van hidradenitis suppurativa is ook voor dermatologen moeilijk, aangezien het tot weinig bevredigende resultaten leidt. Behandeling met ‘biologics’ is een nieuwere therapeutische optie. Over deze behandeling bestaat echter nog weinig wetenschappelijk bewijs. Ook is onduidelijk wanneer de overstap naar ‘biologics’ gemaakt zou moeten worden
  5. huidtherapeuten worden afhankelijk van de bekendheid wel of niet ingezet door huisarts en dermatoloog. Zij zouden een aanvullende rol kunnen spelen in verschillende stadia van de genoemde aandoeningen
  6. de kwaliteit van leven wordt bij alle acneïforme dermatosen beïnvloed, het meeste bij hidradenitis suppurativa. Men is van mening dat de kwaliteit van leven meer aandacht verdient en expliciet meegenomen zou kunnen worden in de therapeutische beslissing.

 

De rapportage van de bijeenkomst werd besproken in de eerstvolgende vergadering van de werkgroep acneïforme dermatosen. De hoofdpunten, die uit de focusgroep discussie naar voren zijn gekomen, hebben bij de werkgroepleden tot weinig nieuwe inzichten geleid, maar hebben wel de reeds bestaande ideeën over de formulering van uitgangsvragen bevestigd.

 

De heterogeniteit van de groep kan als een factor voor de lage opbrengst van nieuwe inzichten aangewezen worden. In een heterogene groep is er minder ruimte om dieper in te gaan op specialistische (dermatologische) problemen, waar men in de praktijk tegenaan loopt. Aan de andere kant is het voordeel van een heterogene groep dat vanuit elke invalshoek het ziektebeeld belicht wordt. Een goede samenwerking tussen patiënt, huisarts, huidtherapeut en dermatoloog legt de basis voor een optimaal behandelingsresultaat en tevredenheid bij alle partijen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De richtlijn wordt via het web verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn.

 

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 1,5 jaar (6 vergaderingen) aan een conceptrichtlijntekst. In de voorbereidingsfase werd een knelpuntanalyse uitgevoerd. Aan dermatologen werd een enquête voorgelegd, waarbij respondenten uitgebreid in de gelegenheid werden gesteld zelf onderwerpen aan te dragen. Tevens werd een focusgroep bijeenkomst georganiseerd. Hieraan namen deel: een huisarts, twee patiënten (een patiënt met acne en een patiënt met hidradenitis suppurativa), van wie één namens de hidradenitis-suppurativa patiëntenvereniging, een huidtherapeute en twee dermatologen. De discussie werd geleid door een professionele discussiegroep leider. Daarbij werden patiëntvertegenwoordigers betrokken om vanuit het patiëntenperspectief ook de ervaren problematiek mee te nemen in de afbakening van de richtlijn (zie resultaten focusgroep discussie).

De werkgroep destilleerde uit de resultaten van de enquête de in de uitgangsvragen zoals in deze richtlijn vermeld. Deze werden onder de werkgroep leden verdeeld. Via systematische zoekopdrachten en reference checking is bruikbare literatuur verzameld. De werkgroep leden hebben de literatuur beoordeeld op inhoud en kwaliteit. Vervolgens schreven de werkgroep leden teksten waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Deze werden tijdens vergaderingen besproken en na verwerking van de commentaren geaccordeerd. De uiteindelijke teksten vormden samen de conceptrichtlijn die in februari 2010 aan alle betrokken wetenschappelijke verenigingen werd aangeboden. Tevens werd men in staat gesteld om via websites van de desbetreffende verenigingen commentaar op de richtlijn te geven. De commentaren zijn in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiënten voorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Ook bijwerkingen werden hierin meegenomen, voor zover die niet reeds uit wetenschappelijke literatuur waren gedestilleerd en waarvoor dan wel andere bronnen beschikbaar waren.

 

Deze aspecten worden besproken na de conclusie(s). Hierin wordt de conclusie op basis van de literatuur geplaatst in de context van de dagelijkse praktijk en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen. Het volgen van deze procedure en het opstellen van de richtlijn in dit ‘format’ heeft als doel de transparantie van de richtlijn te verhogen. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroep vergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.