Achtergrondinformatie bij richtlijn ICD/pacemaker

Achtergrond

Een pacemaker is een implanteerbaar apparaat dat met één of meerdere geleidedraden is verbonden met het hart. Pacemakers worden geïmplanteerd bij patiënten die een te traag hartritme hebben of bij wie de geleiding van de boezem (atrium) naar de kamer (ventrikel) verstoord is. De pacemaker zorgt dat het hartritme steeds boven een geprogrammeerde ondergrens blijft. Dit wordt ook wel “bradytherapie” genoemd. Een pacemaker heeft geen invloed op (snelle) kamerritmestoornissen.

Pacemaker/ICD

Figuur 2.1. Pacemakers en ICD’s worden beide onder het sleutelbeen geplaatst. Een ICD is wat groter dan een pacemaker. Beide zijn door middel van geleidedraden met het hart verbonden. ICD leads zijn complexer want hierop zijn shock coils aanwezig. Sommige ICD’s hebben geen lead in het hart, maar op de thoraxwand. Voor deze richtlijn maakt dat inhoudelijk geen verschil.

 

Een ICD is een implanteerbaar apparaat dat het hartritme analyseert en potentieel levensbedreigende hartritmestoornissen kan beëindigen. Een ICD wordt geïmplanteerd bij patiënten die een verhoogde kans hebben op deze ritmestoornissen, meestal bij een verminderde pompkracht maar ook bij ander onderliggend lijden van het hart. Als een ICD-patiënt kamerritmestoornissen heeft, registreert de ICD dit. De ICD zal de ritmestoornis proberen te beëindigen door afgifte van snel opeenvolgende elektrische pulsjes (overpacing, zogenaamde AntiTachyPacing (ATP)) of elektrische shocks). Samen wordt dit “tachytherapie” genoemd. Het overpacen is pijnloos, hoewel de patiënt wel kan voelen dat er een ritmestoornis gaande is door hartkloppingen of duizeligheid. ICD-shocks kunnen voor de patiënt pijnlijk zijn en stress veroorzaken. ICD’s hebben naast de mogelijkheid tot tachytherapie dezelfde mogelijkheden om het hart bij trage ritmes te pacen als pacemakers.

 

Behalve de genoemde functies heeft een deel van de pacemakers en ICD’s de functie om zogenaamd ‘biventriculair’ te pacen. Hiervoor is dan een extra geleidedraad aanwezig om de linker ventrikel gelijktijdig met de rechter te activeren. Deze cardiale resynchronisatie therapie (CRT) kan een bijdrage leveren aan de pompkracht van het hart en wordt geïmplanteerd bij patiënten met hartfalen bij wie bij nader onderzoek sprake is geweest van ongelijkmatige samentrekking van de linker ventrikel.

 

Alle genoemde implanteerbare apparaten vallen onder de algemene term ‘Cardiac Implantable Electronic Device’ en worden in de literatuur vaak aangeduid als CIED. In deze richtlijn gebruiken we deze afkorting consequent, tenzij specifiek één apparaat wordt bedoeld. 

Follow-up van een CIED

Technische controle van de CIED vindt gewoonlijk met intervallen van enkele maanden tot een jaar plaats. Deze controle is een niet-invasieve handeling en vindt plaats met een bijbehorende, vrij gemakkelijk vervoerbare, ‘programmer’. Deze ‘programmer’ wordt bediend door een persoon die hierin bekwaam is. Dit is in het algemeen een device-technicus van het implanterend/controlerend ziekenhuis die handelt in samenwerking met de verantwoordelijk cardioloog.

 

De meeste follow-ups vinden in het ziekenhuis plaats. Deze technische follow-up kan bij steeds meer CIED’s ook ‘remote’ plaatsvinden, waarbij de patiënt thuis een monitor heeft die de (versleutelde) CIED-gegevens via een telefoonlijn of internet doorzendt. De technicus/arts kan dan via internet de technische gegevens bekijken. Als er aanpassingen nodig zijn aan de programmering kan dit echter alleen in aanwezigheid van de patiënt met CIED gebeuren en niet ‘remote’.

 

Alle verschillende functies, dus bradypacing, tachytherapie en CRT kunnen afzonderlijk ge(de)activeerd worden.

 

Indien de pacemaker of ICD van een patiënt per abuis of met opzet niet (meer) wordt gecontroleerd, kunnen technische eigenschappen waaronder de batterijspanning niet meer worden onderzocht. De batterijspanning zal dan op een bepaald moment zo laag zijn dat de pacemaker of ICD niet meer alle functies op de ingestelde wijze kan uitvoeren. Een pacemaker gaat vaak gedurende enkele weken tot maanden op een trage maar stabiele frequentie pacen, waarna alle functies uiteindelijk uitvallen.

De meeste ICD ’s geven als de batterijspanning laag is dagelijks een hoorbaar (pieptonen) of voelbaar (trillen) alarm af. De brady- en tachyfuncties van de ICD zijn dan nog intact. Bij verder opraken van de batterij zullen deze functies ook uitvallen. 

Gevoeligheid CIED voor magneten

CIED’s zijn op verschillende wijzen gevoelig voor plaatsing van een sterke magneet (90-130 Gauss) op de huid ter plaatse van de CIED ( zie module communicatie en uitvoering). Bij vrijwel alle ICD’s zal de tachytherapie worden geïnhibeerd, ook als zich ritmestoornissen voordoen. De pacemakerfunctie (bradytherapie en CRT) van ICD’s wordt niet door een magneet beïnvloed. De pacemakerfunctie van pacemakers (bradytherapie) daarentegen wordt wel beïnvloed door de nabijheid van een magneet. De pacemakers zullen onafhankelijk van het eigen ritme van de patiënt met bepaalde frequentie (bijvoorbeeld 90-100 sl/min) gaan pacen. Soms is de gevoeligheid van CIED’s voor magneten een programmeerbare functie.

In de praktijk kan een magneet worden aangewend om de tachyfunctie van de ICD te inhiberen. Zolang de magneet dichtbij de ICD is, zal geen shock worden afgegeven.[1]

Overlijden met pacemaker of